Trouwens niet alleen de Lappen houden zich bezig met het fokken van

Rendieren, maar ook de Finnen en vele Siberische volksstammen. Het

tamme Rendier is de steun en de trots, de lust en de rijkdom, de

plaag en de last van den Laplander; in zijn schatting staat hij, die

zijne Rendieren bij honderden telt, op het toppunt van menschelijke

gelukzaligheid. Enkele Lappen hebben er 2000 à 3000; de meesten echter

hoogstens 500 stuks.

Met minachting ziet de Fjeld-Laplander, de eigenlijke rendierfokker,

neer op alle zijne stamgenooten, die het nomadenleven opgegeven hebben,

en zich als visschers in de nabijheid van het water vestigden, of

zich zelfs als knechts bij de Skandinaviërs verhuurden; hij alleen

acht zich een werkelijk vrij man; hij kent niets verheveners dan zijn

"meer" (zoo noemt hij een groote rendierkudde). Alleen zijn leven

komt hem bekoorlijk voor; hij meent, dat hem het beste lot op aarde

ten deel gevallen is.--En hoe is nu het leven van deze menschen? Niet

zij beschikken het, maar hun kudde: de Rendieren gaan, waar het hun

goeddunkt; de Lappen moeten hen volgen. De Fjeld-Lap leidt een echt

hondenleven. Maandenlang brengt hij het grootste deel van den dag in

de vrije natuur door. 's Zomers wordt hij gekweld en gepijnigd door de

Muggen, 's winters door de koude, waartegen hij zich niet beschermen

kan. Dikwijls kan hij niet eens een vuur aanleggen, omdat op de

hoogte, waar zijne kudden grazen, geen hout is; dikwijls moet hij

honger lijden, omdat de kudde verder voorttrekt dan hij wil. Slecht

gekleed, aan weer en wind blootgesteld, is hij door zijn levenswijze

bijna aan een dier gelijk. Hij wascht zich niet; hij gebruikt als

voedsel allerlei afschuwelijke spijzen, die alleen door den honger

eetbaar worden; hij heeft geen ander gezelschap dan zijn trouwen Hond,

met wien hij eerlijk zijn sober maal deelt. En dit alles verdraagt

hij met blijdschap ter wille van zijn vee.

Een rendierkudde levert een zeer eigenaardig schouwspel op. Zij

gelijkt volkomen op een wandelend bosch, natuurlijk alleen dan, als

de boomen hunne bladeren hebben laten vallen. De Rendieren blijven

gedurende den marsch dicht bijeen, zooals de Schapen; zij loopen met

vlugge, veerkrachtige schreden, sneller dan een van onze herkauwende

huisdieren. Naast de kudde wandelt de herder met zijne Honden, die

ijverig in de weer zijn om de dieren bijeen te houden.

Daar waar goede weidegronden in de nabijheid zijn, maken de Lappen

een omheind perk, waarin zij iederen avond de Rendieren bijeendrijven

om ze gemakkelijker te kunnen melken. Door hun heen en weer loopen en

door hun voortdurend geblaat herinneren deze dieren aan Schapen, hoewel

hun geluid eerder met het geknor van een Zwijn overeenkomt. Verreweg

de meeste leden van de kudde zijn zeer klein; er zijn slechts weinige

forsche exemplaren bij. Bovendien maakt de onregelmatigheid van de

geweien een onaangenamen indruk. Als men de omheining nadert, hoort

men in de eerste plaats een aanhoudend geblaat, en voorts, wegens de

rustelooze beweging van de dieren, een geknetter, alsof daarbinnen

honderden van electrische batterijen tegelijk vonken geven. In het

midden van het perk liggen verscheidene groote boomstammen, waaraan

de Rendieren vastgebonden worden gedurende het melken. Zonder lasso

is het niet mogelijk een Rendier te melken, daarom heeft iedere

Laplandsche man of vrouw er steeds een bij zich. Deze bestaat uit een

langen riem of een touw, dat, in ringen opgerold aan de beide einden

vastgehouden en zóó geworpen wordt, dat de lus den hals of het gewei

van het dier omgeeft; dit zal genoodzaakt zijn den herder te naderen,

als deze den lasso langzamerhand inpalmt en hem het dier, zoodra het

in zijn onmiddellijke nabijheid is, met een schippersknoop om den

bek bindt. Het op deze wijze stevig getoomde en tot onvoorwaardelijke

gehoorzaamheid gedwongen Rendier wordt aan het blok hout vastgebonden,

waarna het melken begint. Intusschen doet het vee allerlei pogingen om

los te komen en weg te loopen, maar de Lappen weten hiertegen wel raad;

bij zeer weerspannige dieren wordt de strik om den neus zoo stevig

aangehaald, dat aan alle tegenstribbeling een einde komt. Nu gaat

de persoon, die met het melken belast is, dicht achter het Rendier

staan, strijkt herhaaldelijk met de vlakke hand over de uier en

ledigt deze. De melk heeft een aangenamen zoeten smaak en is zoo vet

als room; in den regel is zij echter vol vuil en haren. Onmiddellijk

na het melken wordt de omheining geopend en begeeft het vee zich weer

naar de weide, onverschillig of het in den vroegen morgen of 's avonds

laat bijeengedreven werd, want het grazen gaat dag en nacht door.

Velerlei ziekten veroorzaken dikwijls een groote sterfte onder

de Rendieren; bovendien draagt het gure klimaat er veel toe bij,

dat de kudden niet zoo sterk aangroeien, als men met het oog op de

vruchtbaarheid van het Rendier zou kunnen verwachten. Jonge en zwakke

kalveren bezwijken door de koude, of hebben zooveel te lijden van de

hevige sneeuwstormen, dat zij, doodelijk vermoeid, de kudde niet meer

kunnen volgen. Oudere dieren kunnen, als de sneeuwlaag zeer dik is,

niet genoeg voedsel vinden; de Laplander doet dan wel zijn best hen in

de wouden eenig voedsel te verschaffen door boomen te vellen, die met

korstmossen rijkelijk begroeid zijn, maar kan toch op deze wijze geen

voldoende hulp bieden. Gevaarlijk wordt de toestand, wanneer op het

met sneeuw bedekte land een enkele regenbui valt en hierdoor een harde

korst op de sneeuwlaag ontstaat. Deze stelt het Rendier buiten staat

om de sneeuw te verwijderen, waaronder zijne voederplanten bedolven

zijn. Dan heerscht er dikwijls groote ellende onder de Lappen;

menschen, die volgens de bij hen geldende maatstaf rijk heeten te

zijn, worden in zulke omstandigheden dikwijls in een enkelen winter

doodarm. Zij vervallen dan soms tot veediefstal en komen hierdoor in

strijd met de eigenaars van rendierkudden; op heeterdaad betrapte

veedieven worden zonder eenigen vorm van proces doodgeslagen. Elke

eigenaar heeft een bepaald teeken, waaraan hij zijne dieren herkennen

kan; dit wordt hun in de ooren gebrand. Nooit mogen twee veehouders

hetzelfde teeken gebruiken. Ook mag niemand een nieuw teeken aannemen,

maar moet dat van een uitgestorven kudde zien te koopen.

Het voordeel, dat de tamme Rendieren aan hun eigenaar opleveren,

is buitengewoon groot. Al wat het dier voortbrengt, wordt gebruikt:

niet alleen de melk, de hiervan bereide smakelijke kaas, het vleesch

en het bloed, maar ook ieder ander deel van zijn lichaam. De geweien

worden, zoolang zij nog kraakbeenig zijn, even graag gegeten als

de nog jeugdige geweien van den Eland; de zachte vellen van de

rendierkalveren dienen ter vervaardiging van kleedingstukken; de van

het wolhaar gesponnen draden worden tot stoffen samengeweven; van

de beenderen maakt de bewoner der poolgewesten allerlei werktuigen;

de pezen doen als garen dienst. Bovendien moet het dier ook nog,

vooral gedurende den winter, de geheele familie, met have en goed,

van de eene plaats naar de andere vervoeren. In Lapland dient het

Rendier vooral voor het trekken van de slede, minder tot het dragen

van lasten, omdat deze arbeid voor het dier te zwaar is, wegens de

zwakheid van zijn kruis. De Toengoesen en Korjaken gebruiken evenwel

de sterkste mannelijke Rendieren ook om er op te rijden; hiertoe

wordt een klein zadel vlak boven de schouderbladen geplaatst; om de

beweging van de voorpooten niet te bemoeilijken, zit de ruiter met

zijwaarts gerichte beenen op zijn vreemdsoortig rijdier. In Lapland

rijdt niemand op Rendieren; hier worden alleen de sterkste bokken--de

"renossen", zooals de Noren ze noemen--voor het trekken van de sleden

gebruikt. Voor goede trekdieren betaalt men gaarne 18 à 20 gulden;

de gewone Rendieren kosten 7 à 11 gulden. Het Rendier wordt niet

opzettelijk voor het trekken afgericht; zonder eenige voorbereiding

wordt het eene of het andere sterke dier uit de kudde genomen, en

voor een hoogst doelmatige slede gespannen, die aan den toestand van

het land en den aard van het Rendier volkomen geëvenredigd is. Deze

slede verschilt trouwens aanmerkelijk van die, welke bij ons gebruikt

wordt; zij gelijkt veeleer op een boot van zeer dunne, berken planken,

die in den vorm van bootplanken gekromd, aan een breeden kiel en

aan elkaar gespijkerd worden, en zoo een soort van trog vormen,

waarvan het voorste gedeelte bedekt is. Het spreekt van zelf, dat

slechts één persoon in zulk een bootvormige slede kan zitten. Voor het

vervoeren van huisraad en handelswaren dienen sleden, die van boven

met schuifdeksels gesloten kunnen worden, maar overigens volkomen op

de andere gelijken. Een goed Rendier kan met een slede van 120 à 140

K.G. in 1 uur ongeveer 10 K.M. afleggen; gewoonlijk heeft het echter

een veel minder zware last te trekken. In den zomer gebruikt men het

in Noorwegen niet voor 't trekken van de slede. Als men sterke, goed

doorvoede Rendieren geen te zwaren arbeid laat verrichten--ze alleen

gedurende den morgen en den avond eenige uren trekken, des namiddags

en des nachts echter grazen laat--kan men met hem een buitengewoon

lange reis doen, zonder dat zij zich overwerken.

Een enge gevangenschap bevalt het rendier zeer slecht; toch verdraagt

dit dier het verblijf in onze diergaarden zeer goed, zoolang het

behoorlijk behandeld wordt; ook plant het zich voort in ons klimaat. De

bij ons in 't laagland heerschende zomerwarmte is voor dit vee niet

gunstig. Daar het Rendier volkomen onverschillig is voor de felste

winterkoude, zou het meer dan eenig ander uitheemsch Hert geschikt

zijn om geacclimatiseerd te worden op de boomlooze hoogvlakten van

alle gebergten, waar rendier-korstmossen groeien. Hier zou het zeer

goed gedijen, in korten tijd aan de verandering van woonplaats gewoon

raken en zich voortplanten; de jacht op dit wild zou voordeelig

en aangenaam zijn. Reeds voor jaren heb ik hierop gewezen en mijn

best gedaan de overtuiging te vestigen, dat het Rendier op de hooge

gebergten van Middel-Europa goed gedijen zal. Hoewel de proefnemingen

in deze richting mijne wenschen niet bevredigden, hebben zij mijn

onderstelling bevestigd. Wanneer met de noodige ernst en de vereischte

kennis van zaken nieuwe proeven worden genomen, zal het gewenschte

gevolg niet uitblijven.

Het smakelijk wildbraad van het Rendier is ook in Duitschland niet

onbekend; het wordt daar in het gunstige jaargetijde geregeld van

uit Skandinavië ter markt gebracht.

Op grond van hun verwantschap moeten wij op het Rendier de _Damherten_

(_Dama_) laten volgen. De kenteekenen van dit geslacht zijn gelegen in

de van onderen ronde, twee takken dragende geweistangen, die zich van

boven verbreeden tot een langwerpig, plat gedeelte met randspruiten,

die naar boven en naar achteren gericht zijn.

De Damherten houden meer van gematigde dan van koude gewesten, en

zijn hierom in de kustlanden van de Middellandsche Zee van oudsher

veelvuldig geweest. Hun verbreidingsgebied strekt zich zuidwaarts

uit tot aan den noordrand van de Sahara, noordwaarts tot in het

zuiden van Zweden en Noorwegen. Cuvier kreeg een wild Damhert

uit de wouden ten zuiden van Tunis; Belon vond het op de Grieksche

Eilanden; op Sardinië is het, naar men meent, van oudsher veelvuldig

geweest. Reeds de oude schrijvers maken melding van dit dier als

standvastig bewoner van hun vaderland; Aristoteles noemt het _Prox_,

Plinius _Platyceros_. Tegenwoordig is dit wild in Midden-Europa,

waar het werd ingevoerd, misschien nog overvloediger dan in Spanje,

Frankrijk en Italië; het meest algemeen is het waarschijnlijk in

Engeland, waar het in de parken van de groote grondeigenaars in menigte

geteeld wordt. Heuvelachtige gewesten, waar zacht glooiende dalen

met geringe verheffingen van het terrein afwisselen, landstreken met

boomgroepen, akkermaalshout en bosschen van breedgebladerde boomen,

waar de bodem met kort gras begroeid is, vallen bijzonder in den

smaak van de Damherten. Zij zijn voor de hertenparken als 't ware

geschapen; groote plantsoenen kunnen trouwens bezwaarlijk op een meer

doeltreffende wijze verfraaid worden dan door het houden van deze

dieren, die, naar men zegt, hun naam hieraan ontleenen, dat zij het

wild van de dames zijn.

Het _Damhert_ (_Dama vulgaris_) is aanmerkelijk kleiner dan het

Edelhert. Met inbegrip van den 16 à 19 cM. langen staart bereikt

het eene totale lengte van ongeveer 1.6 M., een schouderhoogte van

85 à 90 cM. en een kruishoogte van 90 à 95 cM.; zijn gewicht zal

zelden meer dan 100 à 120 K.G. bedragen. Het wijfje is kleiner. Door

gestalte en beweging herinnert het Damhert aan de Geit; van het

Edelhert onderscheidt het zich door de kortere en minder forsche

pooten, het naar verhouding forschere lichaam, den korteren hals, de

kortere ooren en den langeren staart, bovendien door de kleur. Geen

van de hier te lande in 't wild of in parken voorkomende Herten biedt

zoovele, deels van het jaargetijde, deels van den leeftijd afhangende

kleursverscheidenheden aan als het Damhert. In den zomer zijn de

bovendeelen, de schenkels en de spits van den staart roodachtig

bruin, de zijden van het lichaam met witachtige vlekken bedekt,

de onderdeelen en de binnenzijde van de pooten daarentegen wit;

zwartachtige ringen omranden den mond en de oogen. Ieder haar

van den rug is van onderen witachtig, roodbruin in 't midden en

zwart aan de spits. In den winter hebben de bovenzijde van den

kop, de bovenhals en de ooren een bruingrijze kleur; de rug en de

zijden zijn dan zwartachtig, bijna zonder vlekken; de onderzijde is

aschgrauw, dikwijls met roodachtige tint. Zuiver witte exemplaren,

die in geen der jaargetijden van kleur veranderen en zich in den

winter slechts door hun langere beharing onderscheiden, zijn niet

bijzonder zeldzaam. Verscheidene mannetjesherten hebben in de jeugd

een geelachtige vacht; zeldzamer treft men zwarte exemplaren aan.

De levenswijze en de bewegingen van het Damhert komen in vele opzichten

met die van het Edelhert overeen. De zintuigen van beide dieren staat

op nagenoeg gelijken ontwikkelingstrap, ook de geestvermogens zijn

ongeveer dezelfde. Het Damhert is echter minder schuw en voorzichtig

dan zijn edele stamgenoot; het krijgt op minder grooten afstand

(ongeveer 300 schreden) de lucht van den mensch; dikwijls houdt het

op klaarlichten dag verblijf op open plekken in het woud; van hier

verwijdert het zich minder geregeld en minder ver dan het Edelhert. Het

Damhert beweegt zich minder snel en behendig en kan minder goed

springen; bij 't loopen licht het de pooten hooger op. Zoolang het

bij het vluchten nog niet de grootst mogelijke snelheid ontwikkelt,

maakt het evenals de Geiten korte sprongen; alle vier pooten zijn

dan tegelijk boven den grond en de staart is omhoog gericht. Het kan

over hindernissen van ongeveer 2 M. hoogte "heen vliegen". Ook kan

het, zoo noodig, goed zwemmen; nooit wentelt het zich echter in het

water zooals het Edelhert. Beide soorten gebruiken hetzelfde voedsel;

het Damhert maakt echter meer gebruik van schors, en wordt vooral

hierdoor schadelijk. Zeer opmerkelijk is het, dat dit dier soms

vergiftige planten eet en zich hierdoor den dood op den hals haalt.

De Damherten zijn ongeduriger en onrustiger dan de Edelherten. Te dezen

aanzien bestaat tusschen de beide soorten ongeveer hetzelfde verschil

als tusschen het Konijn en de Haas. Toch zijn de Damherten over 't

algemeen meer gehecht aan hun standplaats; zij volgen trouwer hunne

gewone paden; ook vereenigen zij zich gewoonlijk tot grootere troepen.

Het Damhert draagt 8 maanden en kalft meestal in Juni; het aantal

jongen is in den regel één, zelden twee. Het jong is in de eerste

dagen van zijn leven zeer hulpbehoevend; het moet daarom door de

oude dieren zorgvuldig beschermd en behoed worden. Door slagen met

de voorpooten verdrijft de moeder kleine Roofdieren, die zich belust

toonen op het bonte kalf; groote Roofdieren lokt zij weg van de plaats,

waar haar kind zich schuil houdt, door langzaam voor hen langs te

gaan en vervolgens snel te vluchten, om ten slotte met tallooze

haken en schijngangen naar de oude plaats terug te keeren. Als het

damhertkalf 6 maanden oud is, worden bij het mannetje verhevenheden

op den rozenstok zichtbaar, waaruit zich tegen het einde van de

eerstvolgende Februari-maand de "spiesen" ontwikkelen, die tot aan

het "vegen", in Augustus, groeien. Nu heet het kalf een _Spiesbok_

of _Spitser_, in het tweede levensjaar wordt het een _Gaffelbok_

of _Gaffeler_. Eerst in het vijfde jaar begint de vorming van het

platte gedeelte van het gewei, dat mettertijd niet slechts in grootte

toeneemt, maar ook meer randspruiten verkrijgt. Zulke Herten worden

onderscheiden naar de grootte van dit deel van het gewei. Een kalf van

het vrouwelijk geslacht heet, als het één jaar oud is, een _Smaldier_,

na de eerste paring een _Ouddier_; een wijfjes-hert wordt door den

jager in 't algemeen _Dier_ genoemd. De oude Herten werpen in Mei,

de spitsers in Juni hun gewei af; in den regel verliezen zij niet

beide stangen te gelijk; maar het eene 2 à 3 dagen na het andere. In

Augustus of September is het nieuwe gewei volkomen ontwikkeld.

Het Damhert wordt op groote drijfjachten of door bekruipen gejaagd:

daar het zeer nauwgezet zijne "wissels" volgt, kan ook het "op den

aanstand" (op de loer) jagen een goede uitkomst opleveren. De huid

wordt wegens hare lenigheid en zachtheid hooger geschat dan die van het

Edelhert. Het Damhert levert een uitmuntend wildbraad op, vooral van

Juni tot in het midden van September, omdat de bok dan veel vet vormt.

Dit wild is beter dan eenige andere soort van Herten geschikt om in

hertenparken gehouden te worden; het wordt zeer mak, staat ook over

dag op open ruimten, is vroolijk, zelfs speelsch en zeer geneigd tot

grappen. In een opzicht kan het ook als weerprofeet dienst doen; als

het zeer onrustig en ongedurig is, kan men er tamelijk goed op aan, dat

er guur, vooral stormachtig weer in aantocht is. Het Damhert geraakt

ook aan de opsluiting in een meer beperkte ruimte gewoon en behoudt

ook dan zijn vroolijkheid. Naar het schijnt, houdt het bijzonder

veel van muziek; zelfs het in de vrije natuur levende dier komt,

als het op den hoorn hoort blazen, al nader en nader om te luisteren.

De _Herten_ in de meest beperkte beteekenis van het woord--de

_Edelherten_--komen voor in de beide noordelijke faunistische rijken;

ook bij deze groep dragen _alleen de mannetjes geweien_; deze hebben

ronde stangen. Van de meer of minder talrijke spitsen--"enden" of

takken--zijn er minstens drie naar voren gericht; de oogspits en de

middelspits zijn steeds aanwezig, de ijsspits komt minder standvastig

tot ontwikkeling. Aan de buitenzijde van den middelvoet bevinden

zich haarbosjes. De traangroeven zijn duidelijk. Bij oude mannetjes

(zeldzamer ook bij zeer oude wijfjes) steken de hoektanden in de

bovenkaak ver beneden de andere uit.

Een der statigste en edelste vormen van dit ondergeslacht--voor ons de

belangrijkste van alle soorten--is het _Gewoon Hert_ of _Edelhert_

(_Cervus elaphus_). Hoewel slank, is het toch krachtig en fraai

gebouwd; zijn houding is zoo edel en fier, dat het zijn naam met het

volste recht draagt. Zijn grootte wisselt zeer af, al naar het gewest,

waar het inheemsch is. Het bereikt een totale lengte van 1.85 à 2.15

M. (waarvan ongeveer 15 cM. op den staart komen), een schouderhoogte

van 1.2 à 1.5 M. en een totaal gewicht van 160 à 270 KG.; soms treft

men buitengewoon forsche Herten aan, die 300 KG. of meer wegen. Het

wijfje is aanmerkelijk kleiner en gewoonlijk ook anders van kleur. In

grootte staat ons Hert alleen bij den Wapiti en het Perzische Hert

achter; het overtreft alle andere bekende soorten van zijn geslacht

te dezen aanzien. Het heeft een gestrekten, in de flanken ingetrokken

romp met breede borst en sterk naar buiten tredende schouders, een

rechten en platten rug, die in de schoft een weinig verheven, aan het

kruis bol afgerond is, een langen, slanken, zijdelings samengedrukten

hals, een langen, aan 't achterhoofd hoogen en breeden, naar voren

sterk versmalden kop, met een vlak, tusschen de oogen uitgehold

voorhoofd, en een rechten neusrug. De oogen zijn middelmatig groot en

levendig, en hebben een langwerpig ronde pupil. De tamelijk groote

traangroeven zijn schuins benedenwaarts naar de mondhoeken gericht;

het zijn smalle, langwerpige sleuven, door welker binnenwand een

vette, brijachtige massa wordt afgescheiden, die het dier later

door wrijving tegen boomstammen er uit veegt. Middelmatig hooge,

slanke, maar toch krachtige pooten dragen den romp; de teenen zijn

met rechte, spitse, smalle en slanke hoeven voorzien; de bijhoeven

zijn langwerpig rond, aan de spits plat afgeknot en hangen recht

naar beneden; zij raken den bodem niet. De staart is kegelvormig

en wordt naar de spits smaller. De romp is bedekt met fijn wolhaar

en grof bovenhaar; de vacht ligt tamelijk dicht tegen de huid aan;

alleen aan 't voorste deel van den hals komen langere haren voor. De

stijve, niet overhangende bovenlip draagt drie reeksen van dunne,

lange borstels; dergelijke haren staan ook boven de oogen. De kleur

van het Gewone Hert--dat ook wel namen draagt, die "Roodhert" en

"Roodwild" beteekenen--is verschillend al naar het jaargetijde,

het geslacht en den leeftijd. De borstelharen zijn bruin, in den

winter meer grijsachtig, in den zomer meer roodachtig; het wolhaar

is aschgrauw met bruinachtige spitsen. Alleen bij de kalveren komen

in de eerste maanden witte vlekken op de roodbruine grondkleur voor.

Het gewei rust op een korten rozenstok ("gewas"); het is enkelvoudig

vertakt, heeft vele spitsen en staat rechtop. De stangen maken van

haar oorsprong af een tamelijk sterke bocht, in dezelfde richting

als het voorhoofd, naar achteren en naar buiten; van boven krommen

zij zich weder in een flauwe bocht naar binnen, zoodat de uiteinden

eenigszins naar elkander toegekeerd zijn. Van onderen ontspringt aan

de voorzijde, van de stang de "oogspits", die eerst naar voren en

verder op naar boven gericht is; hierboven, nu eens wat naderbij,

dan weer wat verder af, komt de "ijsspits" te voorschijn; van het

midden van de stang gaat de "middelspits" uit; aan het einde bevindt

zich de "kroon", uit verscheidene spitsen bestaande, welker plaatsing

en grootte op verschillenden leeftijd en ook wel bij individuën van

gelijken ouderdom veel verscheidenheid aanbiedt. De stangen zijn

rond, maar oneffen, met meer of minder knobbeltjes (parels) bezet

(vooral aan de onderste gedeelten) en met talrijke, deels rechte,

deels gekronkelde, overlangsche groeven voorzien. De toppen der

spitsen zijn glad afgeslepen en vuil wit of geelachtig van kleur;

terwijl het gewei overigens--al naar de plantensappen waarmede het

in aanraking kwam--allerlei tinten van bruin, van licht runkleurig

tot zwartbruin, kan vertoonen. Een flink gewei weegt 5 à 8 KG.; bij

uitzondering worden ook thans nog geweien gevonden, die een gewicht

van 10 à 12 KG. hebben, of zelfs nog zwaarder zijn. De stangen kunnen,

langs de krommingen gemeten, 80 à 120 cM. lang worden, in zeer zeldzame

gevallen nog langer.

In de jagerstaal worden de volgende uitdrukkingen gebruikt: Het

mannelijke Hert heet _Hert_, _Edelhert_ of _Roodhert_; voor het

wijfje gelden de bij het Damhert genoemde namen; ook noemt men het

wel _Rooddier_ of _Hinde_; het jong heet _Kalf_, al naar het geslacht

echter _Hertkalf_ of _Hindekalf_. Het Hertkalf wordt, als het één

jaar oud geworden is, _Spieshert_ of _Spitser_ genoemd, in het tweede

jaar krijgt het den naam _Gaffelhert_ of _Gaffeler_ in het derde heet

het _Zesender_ enz., naar het aantal spitsen van beide stangen te

zamen. Als het gewei volkomen regelmatig ontwikkeld is, noemt men het

Hert een _even_-_ender_,--als de eene stang van de andere verschilt,

_oneven_-_ender_ (_mismaakt_ gewei). In sommige gewesten wordt volgens

jagersgebruik reeds de acht-ender, in andere eerst de tien-ender een

"jaagbaar" Hert genoemd.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 21 / 28 段