De Elanden worden tam, als zij jong gevangen zijn en kunnen dan zelfs

zonder bezwaar losloopen; bij ons blijven zij in de gevangenschap

echter niet lang leven. In Zweden heeft men zeer jonge gevangen dieren

wel eens zoo goed afgericht, dat men ze voor het trekken der sleden

kon gebruiken; het gebruik van zulke trekdieren werd echter bij de

wet verboden, "omdat hunne snelheid en onvermoeidheid de vervolging

van misdadigers onmogelijk zou kunnen maken." Latere pogingen, om

Elanden tot huisdieren op te voeden zijn mislukt. Wel scheen het,

dat de jongen in den beginne goed opgroeiden, later vermagerden zij

echter hoe langer hoe meer en stierven in den regel kort daarna.

De omheining van het perk, waarin men een Eland houdt, moet hoog zijn;

want in weerwil van de plompheid van al zijn bewegingen, springt hij

zonder moeite over een staketsel van 2 M. hoogte; het is hiervoor

niet eens noodig, dat hij een aanloop neemt. Hij loopt bedaard naar

de bedoelde omheining, gaat plotseling op de achterpooten staan,

steekt de voorpooten, na ze gebogen te hebben, over het hek heen,

springt vervolgens naar voren, terwijl hij intusschen het achterstel

opheft en de lange achterpooten bijtrekt. Tegen andere dieren toont de

gevangen Eland zich zeer onverschillig; hij bekommert zich volstrekt

niet om de Honden, hoewel andere Herten door het zien van deze dieren

zeer opgewonden worden. Met Runderen kan hij zeer goed overweg,

misschien omdat hun rustige aard hem bevalt. Daarentegen kan hij de

vlugge en dartele soorten van Herten niet lijden; hij tracht ze te

slaan en duldt hen zonder bewijzen van vijandschap te geven eerst,

nadat hij zich overtuigd heeft van de nutteloosheid zijner pogingen

om ze te verjagen.

Het voordeel dat een gedoode Eland den mensch kan opleveren, is

belangrijk. Het vleesch, het vel en de geweien worden op gelijke wijze

gebruikt als die van het Edelhert. Het vleesch is taaier, het vel

echter vaster en beter. Elandsleer werd vooral in de Middeleeuwen

hooggeschat en duur betaald. Al het nut echter, dat de Eland kan

opleveren, is echter op lange na niet voldoende tot vergoeding van de

schade, die hij aanricht. Hij is een echte boomenvernieler en wordt

voor bosschen, die op een geregelde wijze geëxploiteerd worden, zoo

nadeelig, dat hij nergens beschermd en eigenlijk niet eens tijdelijk

gespaard mag worden, daar waar de boschkultuur volgens de eischen

van den tegenwoordigen tijd beoefend wordt.

De _Amerikaansche Eland_--door de Engelschen _Moosedeer_, door

de Amerikanen van Franschen afkomst _Orignal_ genoemd (_Alces

americanus_)--onderscheidt zich van den Gewonen hoofdzakelijk doordat

de oogspitsen duidelijk gescheiden zijn van de diep ingesneden,

platte geweikroon, door den zwak behaarden kossem aan de keel en door

de donkerder kleur van het vel. Nog zijn de dierkundigen het er niet

over eens, of hij als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd,

hoewel sommigen niet alleen aan het vel, maar zelfs aan de gerookte

achterbouten van het dier verschil meenen te bespeuren. De geweien

van het "Moshert" zijn forscher en zwaarder dan die van onzen Eland;

zij bereiken zelfs een gewicht van 30 à 40 KG.

Tegenwoordig wordt deze Eland nog gevonden in het noorden

van Noord-Amerika, vooral in Canada, Nieuw-Brunswijk en aan de

Fundy-baai. Franklin vond hem aan den mond van de Mackenzie-rivier en

verder oostwaarts nog bij de Kopermijn-rivier op 65° N.B. Mackenzie

trof hem ook aan in het Rotsgebergte en bij de bronnen van de

Elk-rivier. De Amerikaansche Eland werpt het gewei eerder af dan de

Europeesche, gewoonlijk in Januari en Februari, in strenge winters

echter eerst in Maart. Zijn voedsel is waarschijnlijk hetzelfde als

dat van onzen Eland.

De wilden maken ijverig jacht op het "Moshert" en doen dit op

verschillende wijzen. Eén daarvan is, dat zij het wild in het water

drijven, waar zij het met hunne booten telijf gaan en zonder groote

moeite doodslaan kunnen. Jonge dieren kunnen gemakkelijk getemd worden,

leeren in weinige dagen hun oppasser kennen en volgen dezen dan met

groot vertrouwen. Op lateren leeftijd worden ook zij echter wild,

oploopend en gevaarlijk.

Bij de _Rendieren_ (_Rangifer_) dragen _beide geslachten_ geweien,

die van de korte rozenstokken af boogvormig van achteren naar voren

gekromd, aan hunne einden bladvormig uitgebreid, vingervormig

ingesneden en zwak gevoord zijn. Deze Herten onderscheiden zich

bovendien door breede hoeven en langwerpige, maar stomp toegespitste

bijhoeven. Hun gestalte is tamelijk plomp, vooral de kop is niet

bijzonder fraai; de pooten zijn betrekkelijk kort, de staart is

zeer kort. Alleen de oude mannetjes hebben in de bovenkaak kleine

hoektanden, hoewel deze ook wel eens ontbreken.

Het Rendier mag men het belangrijkste van alle Herten noemen. Geheele

volken hebben aan dit dier hun levensonderhoud te danken; zij zouden

zonder dit (tamelijk vreemd gekozen) huisdier niet kunnen bestaan. Voor

de Lappen en Finnen is het Rendier veel noodzakelijker dan het Rund

of het Paard voor ons, dan het Kameel of de Geit voor den Arabier,

want het moet dezelfde diensten bewijzen als bijna alle overige

huisdieren te zamen genomen. Het tamme Rendier geeft vleesch en vel,

beenderen en pezen om zijn geweldenaar te kleeden en te voeden; het

levert melk, laat zich als lastdier gebruiken en sleept op de lichte

slede het gezin en het huisraad van de eene plaats naar de andere;

kortom: het Rendier is voor het nomadische leven van de noordelijke

volken onontbeerlijk.

Mij is geen tweede dier bekend, waaraan de last der dienstbaarheid,

de vloek der slavernij, zoo duidelijk zichtbaar is als aan het

Rendier. Zonder eenigen twijfel is de thans nog in het wild voorkomende

"Renn" van de Skandinaviërs de stamvader van dit huisdier. Tamme

Rendieren, die niet meer onder de hoede van den mensch leven,

verwilderen in zeer korten tijd en worden reeds na eenige geslachten

weder volkomen gelijk aan de wilde. Er kunnen echter moeielijk

twee wezens aangewezen worden, die zoo innig verwant zijn en toch

in gestalte en aard zoo buitengewoon veel van elkander verschillen

als het Tamme Rendier en het Wilde. Gene is een ellendige slaaf van

een armen, ellendigen meester, deze een fiere heerscher in het hooge

gebergte, een Hert, dat als een Gems leeft, met alle adel, dien dit

schoone wild bezit. Hij, die vrij levend "Renn"-wild in troepen en

tam Rendieren-vee in kudden gezien heeft en beide vergelijkenderwijs

nagaat, kan bijna niet gelooven, dat zoowel het eene dier als het

andere kinderen zijn van denzelfden stam.

Het _Rendier_ (_Rangifer tarandus_) is een statig dier, wel zoo groot,

maar niet zoo hoog als een Edel-hert. Zijn lengte bedraagt 1.7 à 2 M.,

de lengte van den staart 13 cM., de schofthoogte 1.08 M. Hoewel zijn

gewei bij dat van 't Edelhert achterstaat wat grootte en meer nog

wat schoonheid betreft, is het toch wel degelijk een indrukwekkend

kopsieraad. De romp van het Rendier verschilt van dien van 't Edelhert

misschien alleen door de grootere breedte van het achterdeel; de

hals en de kop zijn echter veel plomper en minder fraai gebouwd,

de pooten aanmerkelijk korter, de hoeven veel leelijker. Ook mist

het Rendier in alle omstandigheden de fiere houding van het Edelhert;

zijn houding is veel minder schoon dan die van dit prachtige wezen. De

hals is ongeveer zoo lang als de kop, hij is forsch en zijdelings

samengedrukt, nagenoeg niet bovenwaarts gebogen. De kop wordt naar

voren slechts weinig smaller en heeft een plompen snuit, o. a. wegens

het rechte beloop van den rug van den neus. De ooren zijn korter dan

bij het Edelhert, maar van soortgelijken vorm, de oogen groot en fraai,

de traansleuven klein en met bosjes haar bedekt. De schenkels zijn

dik, de pooten forsch en tevens kort, de hoeven zeer groot, breed,

platgedrukt en diep vaneengescheiden; de bijhoeven reiken tot op den

bodem. Bij de tamme Rendieren is de breedte van de hoeven zooveel

grooter dan bij de wilde, dat men, alleen op dit lichaamsdeel lettend,

voldoende reden zou hebben om deze beide vormen als verschillende

soorten te beschouwen. Over 't geheel genomen is de lichaamsbouw van

de wilde Rendieren veel sierlijker en bevalliger dan die van de tamme;

met gene vergeleken wekken deze den indruk van misvorming.

De vacht is dichter dan bij eenigen anderen Geweidrager. Aan de

voorzijde van den hals bevinden zich manen, die soms tot op de borst

afhangen; ook aan de wangen komen langere haren voor. In den winter

worden de haren overal minstens 6 cM. lang; zij vormen dan wegens

hun dicht opeengedrongen plaatsing een laag van minstens 4 cM. dikte,

waardoor het zeer verklaarbaar wordt, dat het Rendier gemakkelijk een

zeer lage temperatuur verdragen kan. De algemeene kleur verschilt in

verband met de woonplaats en is in nog hoogere mate afhankelijk van

het jaargetijde. Bij de wilde Rendieren hebben de haarwisseling en de

hiermede gepaard gaande kleursverandering tamelijk geregeld tweemaal

's jaars plaats. In het begin van de lente valt het dichte winterhaar

uit en wordt vervangen door korte, effen grijze haren; hiertusschen

komen langzamerhand andere haren te voorschijn, welker witte spitsen

het grijze haar meer en meer verdringen, totdat eindelijk het geheele

dier witachtig grijs, bijna vaal, geworden is, en zijn kleur in hooge

mate overeenkomt met die van vuile sneeuw bij dooiweder. Het tamme

Rendier is 's zomers donkerbruin. In den winter verdwijnt de bruine

kleur, waarna ook hier het witte haar meer op den voorgrond treedt;

er zijn echter ook vele Rendieren, welker wintervacht alleen door de

grootere lengte der haren van de zomervacht verschilt, maar in kleur

er niet van afwijkt. Het gewei van het wijfje is kleiner en minder

getakt dan dat van het mannetje.

Eenige dierkundigen beschouwen de in Amerika voorkomende Rendieren als

een afzonderlijke soort en voeren tot steun voor hun meening aan, dat

ook het Europeesche Rendier in Amerika voorkomt en zich door grootte,

kleur en levenswijze van zijn naamgenoot onderscheidt. Volgens hen is

deze--de _Kariboe_ (_Rangifer caribu_)--grooter en donkerder van kleur

dan het Rendier; hij heeft kleinere geweien en leeft meer afgezonderd,

bij voorkeur in wouden.

Het Rendier was reeds bij de ouden bekend. Julius Caesar heeft er een

tamelijk juiste beschrijving van gegeven. "In het Hercynische woud",

zegt hij, "treft men een Rund aan met de gestalte van een Hert; midden

op het voorhoofd heeft het hoornen, veel grooter dan die, welke bij

de andere voorkomen, en welker kroon zich handvormig in vele takken

splitst. Het wijfje heeft net zulke horens." Latere beschrijvingen

van het Rendier bevatten een mengsel van waarheid en verdichtselen;

de groote Linnaeus was de eerste, die het dier op grond van eigen

onderzoek zeer nauwkeurig beschreven heeft.

Het verbreidingsgebied van het Rendier omvat de noordelijkste

gewesten van de Oude Wereld (en wanneer men den Kariboe niet als een

afzonderlijke soort beschouwt) ook het hooge noorden van Amerika. Men

treft het aan in alle landen benoorden 60°, in vele gewesten zelfs

nog op 52° N.B.; in tegenovergestelde richting ontmoet men het nog

aan gene zijde van den 80en graad N.B. In 't wild leeft het in de

gebergten van Skandinavië en Lapland, in Finland, in 't geheele

noordelijke deel van Siberië, in Groenland en op de noordelijkste

gebergten van het Amerikaansche vasteland. Ook op Spitsbergen komt

het voor. Op IJsland, waar het ruim een eeuw geleden werd ingevoerd,

is het volkomen verwilderd en heeft zich reeds in grooten getale over

alle gebergten van het eiland verbreid. In Noorwegen vond ik het op

den Dovrefjeld nog vrij veelvuldig. Men treft het echter ook in de

hooge gebergten van het Bergensche Stift aan, waar zijn gebied zich

ongetwijfeld tot 60° N.B. uitstrekt.

Evenals de Gems is het Rendier een echte bergbewoner; men vindt het

slechts op de boomlooze, met mos en weinige Alpenplanten begroeide

breede ruggen van de Noorsche gebergten, die de bewoners van dit land

met den zoo karakteristieken naam van "Fjelds" aanduiden. In Noorwegen

houdt het zich gewoonlijk op in den gordel tusschen 1600 en 2000

M. hoogte. Nooit daalt het hier tot den woudgordel af; over 't geheel

genomen vermijdt het angstvallig de bosschen. De kale bergvlakten en

glooiingen, tusschen welker gesteenten enkele planten groeien, of de

uitgestrekte vlakten, die schraal met rendierkorstmossen oversponnen

zijn, moeten als vaste verblijfplaatsen van dit dier beschouwd worden;

alleen dan, wanneer het zich van den eenen bergrug naar een anderen

begeeft, trekt het door de tusschenliggende, drasse, op moerassen

gelijkende, lage vlakten; ook bij deze verandering van woonplaats

vermijdt het steeds angstvallig het woud. Pallas bericht, dat het

in het noorden van Siberië soms in bosschen voorkomt, en Von Wrangel

bevestigt deze mededeeling. Van deze beide schrijvers vernemen wij,

dat het in Siberië geregeld uitgestrekte reizen onderneemt.

"Tegen het einde van Mei", zegt Von Wrangel, "verlaat het wilde Rendier

in groote kudden de wouden, waar het in den winter eenige beschutting

tegen de felle koude zoekt, en trekt naar de verder noordwaarts gelegen

vlakten, gedeeltelijk omdat daar (in de mossteppen) beter voedsel te

vinden is, gedeeltelijk echter ook om te ontkomen aan de Vliegen en

Muggen, die, zoodra de lente aanvangt, in verbazend groote zwermen de

lucht verduisteren. De trek in de lente levert aan de volkstammen, die

deze gewesten bewonen, geen voordeel op; want in dit jaargetijde zijn

de dieren mager en door de steken van de Insecten geheel met builen en

wonden bedekt; in Augustus en September echter, als de Rendieren uit

de vlakten naar de wouden terugkeeren, zijn zij gezond en goed gevoed

en verschaffen zij den jager een smakelijke, krachtige spijs. In

gunstige jaren bestaat de rendierentrek uit verscheidene duizenden

exemplaren, die, hoewel zij in kudden van 200 à 300 stuks gegroepeerd

zijn, toch altijd tamelijk dicht bijeenblijven, zoodat het geheel een

ontzaglijk groot leger vormt. Steeds volgen zij denzelfden weg. Voor

't overtrekken van een rivier kiezen zij een plaats uit, waar een

droge dalweg naar den oever leidt, en een zandbank hen het beklimmen

van den tegenovergestelden oever gemakkelijk maakt. Hier dringen de

leden van iedere kudde dicht opeen, en de geheele waterspiegel is met

zwemmende dieren bedekt." Op het vasteland van Amerika verhuizen deze

dieren op soortgelijke wijze als in Siberië van de gebergten naar de

kust en omgekeerd.

In Noorwegen trekken de Rendieren niet, maar verwisselen hoogstens

den eenen bergrug voor den anderen. Deze gebergten zijn trouwens

van zulk een aard, dat zij hun alle voordeelen verschaffen, die

hunne Siberische verwanten door het trekken deelachtig worden. In

den tijd van de Muggen begeven de wilde Rendieren zich omhoog naar

de gletschers en sneeuwvelden; in den herfst, den winter en de lente

zoeken zij lager gelegen bergstreken op. Alle wilde Rendieren houden

zeer veel van gezelligheid. Hunne troepen zijn veel grooter dan die

van andere Herten; eenzaam levende dieren treft men slechts zelden

aan; dit zijn dan steeds oude mannetjes, die door de andere leden

van den troep in de ban gedaan zijn.

De Rendieren zijn uitmuntend geschikt om deze noordelijke landen

te bewonen, die in den zomer één en al moeras, in den winter een

uitgestrekt sneeuwveld zijn. Hunne beide hoeven stellen hen in

staat om even goed over moerassige plaatsen en sneeuwlagen te gaan,

als bij steenachtige berghellingen op en af te klauteren. De gang

van het Rendier is een tamelijk snelle pas of een vlugge draf. Men

hoort bij iedere beweging een eigenaardig geknetter, dat nog het meest

overeenkomt met het geluid, dat een electrische vonk veroorzaakt. Dit

is ook het geval, wanneer zij de pooten op den grond laten rusten

en zich eenvoudig een weinig naar voren of zijwaarts buigen. Ik meen

er voor te kunnen instaan, dat bij deze buigingen de bijhoeven niet

tegen de ware hoeven tikken. Men hoort het gedruisch echter niet,

wanneer de hoeven en bijhoeven met een lap linnen omwikkeld zijn. Van

jonge Rendieren verneemt men het niet en ook niet van oude, als zij

door de sneeuw waden. Deze feiten zijn in strijd met de meening van

de Lappen, die dit geluid vergelijken met het bekende knappen van de

vingers en dus de oorzaak hiervan in het gewricht zoeken.

Wanneer het Rendier langzaam over een moerassige vlakte gaat, breidt

het zijne hoeven zoover uit, dat het hierdoor ontstaande spoor eerder

op dat van een Rund dan op dat van een Hert gelijkt. Op dezelfde

wijze loopt het over de sneeuw: zoodra deze een weinig beklonken is,

zal het er niet meer in wegzakken. In het zwemmen zijn de Rendieren

goed ervaren; zonder aarzeling trekken zij over breede stroomen. De

Lappen drijven geheele kudden door de fjords van het eene eiland naar

het andere.

Alle zintuigen van het Rendier zijn voortreffelijk. Het heeft een

fijnen neus: ik heb mijzelf er van kunnen overtuigen, dat het op een

afstand van 500 à 600 schreden de lucht van iets krijgt. Het hoort

minstens even goed als het Hert, en heeft zulk een scherp gezicht,

dat de jager, zelfs wanneer hij onder den wind het dier besluipt,

zich wel terdege mag schuil houden. Voor de ontwikkeling van het

smaakzintuig pleit de kieschkeurigheid, die het bij het grazen toont;

het weet steeds de beste Alpenplanten uit te kiezen. Alle jagers,

die wilde Rendieren hebben leeren kennen, schrijven hun schranderheid,

ja zelfs een zekere listigheid toe: zonder eenigen twijfel zijn zij in

de hoogste mate schuw en voorzichtig. Tegenover andere dieren zijn zij

volstrekt niet schroomvallig: vol vertrouwen naderen zij de Runderen en

Paarden, die op hunne bergen grazen; ook voegen zij zich zeer gaarne

bij tamme dieren van hun soort, hoewel zij zeer goed beseffen, dat

zij niet met huns gelijken te doen hebben. Hieruit blijkt, dat hunne

schuwheid en vrees voor den mensch op ervaring berusten; men moet

hun dus een zekere mate van verstandelijke ontwikkeling toeschrijven.

In den zomer voedt het wilde Rendier zich met saprijke Alpenkruiden,

vooral met de bladen en bloemen van sneeuwranonkels, rendierzuring,

boterbloemen, zwenkgrassen enz., gedurende den winter met korstmossen.

In Noorwegen vangt de bronsttijd van het Rendier tegen het einde

van September aan. In het midden van April worden de jongen geboren;

de drachtigheid duurt dus 30 weken. Nooit brengen de wilde Rendieren

meer dan één kalf ter wereld. Dit is een fraai diertje, dat door zijn

moeder liefderijk verzorgd en langen tijd gezoogd wordt.

Voor de jacht op het wilde Rendier zijn alleen hartstochtelijke

liefhebbers van de jacht geschikt of echte natuuronderzoekers die niet

tegen moeite en ontberingen opzien. In Noorwegen is het besluipen

van het wild voor hen die hierin geoefend zijn, de beste wijze van

jagen. Niet zelden is een troep Rendieren, die men beslopen heeft,

na het eerste schot zoo verbijsterd, dat zij nog een geruimen tijd

verwonderd blijven staan. Eerst nadat zij den jager in 't oog gekregen

hebben, nemen zij de vlucht. De Noorsche jagers weten dit en gaan

daarom liefst met hun tweeën, drieën of vieren op de jacht; als zij het

wild beslopen hebben, mikken zij volgens afspraak op bepaalde dieren;

één hunner schiet het eerst, daarna schieten de anderen ook.--Voor vele

Siberische volksstammen is de rendierenjacht een hoogst belangrijk

bedrijf. "De Joekahieren en de overige bewoners van de landstreek

langs de Anioej-rivier in Siberië," zegt Von Wrangel, "hangen geheel

van het Rendier af, dat hier, evenals in Lapland, bijna uitsluitend in

de behoefte aan voedsel, kleeding, voertuigen en woningen voorziet. De

uitslag van de rendierenjacht beslist, of bij deze stammen hongersnood

of welstand zal heerschen; voor hen is het belangrijkste tijdperk van

het geheele jaar dat, waarin de Rendieren trekken. Zoodra deze dieren

gedurende hunne op bepaalde tijden plaats hebbende verhuizingen bij

rivieren komen en gereed zijn om ze over te zwemmen, komen de jagers

in hunne kleine bootjes pijlsnel van achter struiken, rotsen enz.,

waar zij zich tot dusver verborgen hielden, te voorschijn, omringen

den zwemmenden troep en trachten hem tegen te houden, terwijl twee

of drie van hen, met een korte lans gewapend, zich in hunne bootjes

te midden van de Rendieren begeven en in ongeloofelijk korten tijd

er een groot aantal van dooden of althans zoo zwaar wonden, dat zij

hoogstens den oever kunnen bereiken, waar zij in de handen vallen van

de hier wachtende vrouwen, meisjes en kinderen. Deze jacht is trouwens

met groot gevaar verbonden. Te midden van het ontzaglijk gewoel van

dicht bij elkander zwemmende dieren is de kleine, lichte boot ieder

oogenblik op het punt van om te slaan; bovendien verweren de vervolgde

dieren zich op alle mogelijke wijzen, de mannetjes met de geweien en

tanden, de wijfjes meestal door met de voorpooten op den rand van de

boot te springen. Als deze omslaat, is de jager gewoonlijk verloren;

het is voor hem bijna onmogelijk uit het gedrang te komen."

Verscheidene Indiaansche volksstammen in Noord-Amerika leven eveneens,

bijna uitsluitend, naar King bericht, van de rendierenjacht. Groote

kudden van vele duizenden stuks trekken in de lente noordwaarts naar de

IJszee en in den herfst weder zuidwaarts. Zij hebben dan een vetlaag

van 7 à 12 cM. dikte onder de huid van den rug en van de schenkels

en zijn daarom juist in dezen tijd het hoofddoel van de jacht. Men

schiet het wild met vuurwapens, vangt het in strikken, doodt het met

spiesen, terwijl het de rivieren overzwemt, graaft diepe valkuilen,

of bouwt van takken en struiken twee schuttingen, beide met smalle

openingen voorzien, die ieder een strik bevatten, drijft den troep

tusschen de heiningen door zoodat de dieren, die ontsnappen willen in

de strikken blijven hangen, of als zij aan het einde van de afgeschutte

ruimte zijn gekomen, doodgestoken kunnen worden.

De Indianen maken een soortgelijk gebruik van de lichaamsdeelen van het

wilde Rendier als de Lappen van het tamme. Van de geweien en beenderen

vervaardigen zij hunne voor de vischvangst dienende speren en haken,

met het overlangsch gespleten scheenbeen schaven zij de huiden af om

ze te bevrijden van vleesch, vet en haar; met rendierhersenen smeren

zij de huiden in om ze lenig te maken. Met het leer, dat door het

blootstellen van deze huiden aan den rook van rottend hout verkregen

wordt, bekleeden zij het uit palen bestaande geraamte van hun tent;

de ongelooide huiden verschaffen hun koorden voor hunne bogen en

netten; de pezen van den rug worden gespouwen in vezels, die als

naaigaren dienst doen; de zachte, op pelzen gelijkende vellen van de

kalveren leveren de grondstof voor hunne kleederen. Van 't hoofd tot

aan de voeten bekleeden zij zich met rendiervellen, leggen een ander,

zachtgelooid vel op de sneeuw, dekken zich met een dergelijk vel toe,

en zijn op deze wijze in staat om weerstand te bieden aan de felste

koude. Geen stukje van het Rendier blijft ongebruikt, niet eens de

spijsbrij in zijn maag. Nadat deze eenigen tijd bewaard geworden

is en een soort van gisting ondergaan heeft, wordt zij als een zeer

smakelijk gerecht beschouwd.

Het wilde Rendier heeft, behalve den mensch, nog vele andere

vijanden. De gevaarlijkste van deze is de Wolf. Steeds waart

hij in de nabijheid van de troepen Rendieren rond, met de meeste

volharding doet hij dit echter in den winter. In Noorwegen moesten

de rendierfokkerijen, die men op de gebergten van het zuiden wilde

aanleggen, wegens de Wolven opgegeven worden. Ook de Veelvraat, de

Los en de Beer maken jacht op de Rendieren. Naast deze groote roovers

moeten eenige kleine, schijnbaar machtelooze Insecten, als de ergste

vijanden van de Rendieren beschouwd worden.

Jong gevangen Rendieren worden zeer spoedig tam; men zou zich echter

een verkeerde voorstelling vormen van een tam Rendier, wanneer men

het, wat zijn onderworpenheid aan den mensch betreft, met onze

huisdieren ging gelijkstellen. Niet eens de nakomelingen van de

Rendieren, die sedert onheugelijke tijden in gevangenschap leven,

zijn zoo tam als onze huisdieren, maar verkeeren nog steeds in half

wilden toestand. Alleen de Lappen en hunne Honden zijn in staat om

zulke kudden te leiden en te beheerschen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 20 / 28 段