had, die sedert het midden van October plotseling snel schenen te
groeien; zij namen niet alleen in lengte toe, maar weken tevens ook
verder uiteen. In den morgen van den 7en November kwam de oppasser
niet zonder ontroering vertellen, dat de Gaffelbok één van zijne
hoornen verloren had; Bartlett begaf zich naar aanleiding van dit
bericht naar den stal en zag bij zijn komst, dat ook de tweede hoorn
afgevallen was. Tot zijn niet geringe verbazing bemerkte hij bij nader
onderzoek van het dier twee nieuwe hoornen op de plaats van de oude;
zij bestonden ieder uit een zeer kort, met een hoornachtige huid
bedekt uitsteeksel van het voorhoofdsbeen, en waren met lange, sluike
zachte haren bekleed. Van een bloeding, zooals altijd plaats heeft bij
het verlies van echte holle hoornen of bij het afwerpen van geweien,
was hier niets te bemerken. De nieuwe hoornen schenen dikker te zijn
dan de holte van de oude, welk feit hierin zijn verklaring vindt,
dat de dicht bijeenstaande haren aan den voet der horens het afwerpen
van de oude hoornscheeden, dat door den groei van de huid tusschen
hoornpit en hoornscheede allengs veroorzaakt wordt, verborgen hadden
gehouden. Uit den snellen groei van de nieuwe hoornen kon men met
zekerheid afleiden, dat de hoornwisseling een volkomen natuurlijk,
geen abnormaal verschijnsel is. Deze onderstelling werd volkomen
bevestigd door de mededeelingen van Canfield, die tengevolge van het
bericht van Bartlett gepubliceerd werden. Een door den genoemden
Amerikaan verzorgde Gaffelbok bereikte een ouderdom van bijna 3
jaren en wierp in dezen tijd ieder jaar geregeld zijne hoornen af,
zoodat niet alleen de wisseling der hoornen, maar ook hun verdere
ontwikkeling tweemalen waargenomen kon worden. De hoornen van het
derde jaar hadden in zooverre een vormsverandering ondergaan, dat
zij op de dwarse doorsnede niet meer rond, maar eivormig waren en
dat de gaffelplaat zich begon te vormen. Er ontstaat n.l. aan den
wortel van iedere hoornpit, aanvankelijk gescheiden van deze, een
tweede knobbel op het voorhoofdsbeen, dus als 't ware een tweede
paar hoornpitten; deze vereenigen zich echter zeer schielijk en
voor goed met de oudere hoornpitten en dienen voortaan alleen tot
ontwikkeling van het gaffelvormig uitsteeksel. In het nu volgende
jaar (van Juni tot Juni) ontstaat de volledige hoorn, die voortaan
na iedere wisseling in hoofdzaak denzelfden vorm behoudt, maar iets
grooter wordt. Men onderstelt, dat de nieuwe hoornmassa voortgebracht
wordt door versmelting van haren, die uit haarkiemen van de huid
tusschen de hoornpit en de hoornscheede voortkomen; omdat deze
haarkiemen zich op den bedoelden tijd sterk beginnen te ontwikkelen,
zullen zij de oude hoornen wegschuiven. Van November tot Januari is
een scherpe grens tusschen de beharing en den eigenlijken hoorn niet
merkbaar; de geheele, nieuwe hoorn is dan dicht bedekt met een bast
van haren, die niet "geveegd" wordt, zooals bij de Herten, maar bij
het aangroeien van de hoornmassa langzamerhand afvalt. In den zomer
is de grens tusschen het haar en den hoorn zeer duidelijk te zien.
Oud gevangen Gaffelbokken geraken, naar het schijnt, niet gewoon aan
het verlies van hun vrijheid. Die, welke men in den winter, als er veel
sneeuw ligt, vangen kon, toonden zich bijzonder goedaardig, ja zelfs
vertrouwelijk, toen zij in een omheinde ruimte vrijgelaten werden;
deze gemoedstoestand duurde echter slechts zoolang als de toestand
van afmatting en krachteloosheid, waarin zij aanvankelijk verkeerden,
aanhield. Zoodra de hongersnood voorbij was, werd het verlangen naar
onbeperkte vrijheid opnieuw levendig en openbaarden zij weder hun
oorspronkelijke wildheid. Zij renden en sprongen, alsof zij onzinnig
waren, tegen de omheining van hun perk en gingen geweldig te keer,
totdat zij zich doodelijk gewond hadden. Ook de kalveren, die kort
na hun geboorte opgenomen worden, sterven gewoonlijk na een korte
gevangenschap, wanneer men ze niet met bijzondere zorg behandelt.
Voor 20 à 25 jaren werd van de jacht op den Gaffelbok nog niet veel
werk gemaakt, "slechts ingeval van nood, als men geen vleesch van
Bisons kon krijgen," bericht de _Prins_ Von Wied. In dien tijd was
de Indiaan nog de ergste vijand van het dier, tegenwoordig heeft hij
op vele plaatsen reeds moeten wijken voor den Europeeschen jager.
Het voordeel, dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Hoewel
vele lieden van het hierdoor verkregen wildbraad een afkeer hebben
wegens de sterke lucht die het verbreidt, vinden de meeste Europeanen,
dat het een uiterst fijnen wildsmaak heeft, geheel verschillend van
die onzer Herten en Reeën, en daarom terecht onder de uitmuntendste
gerechten van het westen gerekend wordt. Van het lichte en zachte,
maar weinig duurzame vel maken de Indianen zich hemden; de Europeanen
vervaardigen er handschoenen van.
Geen enkele Familie van de geheele orde kan zoo gemakkelijk in korte
woorden omschreven worden als die der _Herten_ (_Cervidae_). Door ze
_Geweidragende Herkauwers_ te noemen heeft men ze nauwkeurig genoeg
aangeduid; alle overige eigenaardigheden kunnen in vergelijking met
deze als bijzaken beschouwd worden.
De geweien komen meestal alleen bij de mannetjes voor. Het zijn parige,
uit been samengestelde, vertakte hoornen, die telken jare afgeworpen
en opnieuw gevormd worden. Reeds vóór de geboorte van het Hert is
de plaats, die het gewei zal dragen, door een sterkere verbeening
van den schedel aangeduid. In de 6e à 8e levensmaand ontstaat op
elk voorhoofdsbeen een beenige knobbel, die de daarboven liggende
huid opheft. Deze knobbel, "rozenstok" genaamd, blijft gedurende het
geheele leven bestaan; hij dient als voetstuk voor het gewei. In den
beginne zijn de geweien slechts éénspitsig, later vertakken zij zich
hoe langer hoe meer; daar van de hoofdstang takken uitgaan, welker
aantal stijgen kan tot twaalf aan iedere stang. "Bij toenemenden
leeftijd," zegt Blasius, "komt er in de geweien der Herten een zeer
groote verandering tot stand. De eerste, voor iedereen duidelijk
merkbare verandering is die der rozenstokken; deze uitsteeksels
van het voorhoofdsbeen vergrooten zich ieder jaar, naderen hierdoor
meer en meer het midden van het voorhoofd en komen dus dichter bij
elkander; op gelijke wijze vermindert met het naar boven groeien van
de voorhoofdslijst de afstand tusschen den rozenstok en den schedel
in ieder jaar. Nog opmerkelijker zijn echter de veranderingen in den
vorm der "stangen" en het aantal harer vertakkingen: de "enden" of
"spitsen" van het gewei. De nieuwe geweien, in welker eerste begin van
ontwikkeling de oorzaak voor het afwerpen der oude gelegen is, zijn
aanvankelijk omgeven door een behaarde, vele bloedvaten bevattende
huid, zij eindigen dan nog stomp en zijn week en buigzaam. Eerst
groeien de lager geplaatste, daarna de hoogere "enden" van de
hoofdstang uit; nadat alle "enden" hun definitieve grootte hebben
bereikt en puntig geworden zijn, houdt de omloop van het bloed in het
gewei op: nu gevoelt het Hert behoefte om huid of "bast" van het gewei,
die nu ook van zelf begint los te geraken, te verwijderen, te "vegen".
De verandering of, zooals men ook mag zeggen, de verdere ontwikkeling
van het gewei, heeft nu op de volgende wijze plaats: Reeds voordat
het Hert één jaar oud geworden is, ontstaan als onmiddellijke
voortzettingen van de rozenstokken "stangen". Bij sommige soorten van
de familie worden de stangen wel afgeworpen, maar altijd op dezelfde
wijze weder vervangen. Bij de meeste Herten echter wordt de plaats
van de stangen van het eerste jaar--van de zoogenaamde "spiesen"--in
de lente van het tweede jaar ingenomen door een paar stangen, die
ieder met één tak (soms ook met twee takken) voorzien zijn, en het
gewei van het tweede jaar vormen. In de lente van het derde jaar
herhaalt zich hetzelfde verschijnsel: de stang, die zich dan in het
verlengde van den rozenstok ontwikkelt, heeft echter één tak meer dan
die van het vorig jaar. Op deze wijze gaat het voort, totdat het dier
zijne grootst mogelijke ontwikkeling bereikt heeft. Ziekten of slechte
voeding brengen soms teruggang teweeg: de in zulk een tijdperk gevormde
stangen hebben 1 of 2 takken minder dan die, waarvoor zij in plaats
komen. Daarentegen kan de ontwikkeling van het gewei bespoedigd worden
door een rijkelijke voeding en een rustige, zorgenvrije levenswijze.
Het gewei is op den rozenstok bevestigd, doordat beide op de plaats,
waar zij met elkander in aanraking zijn, een zeer oneffene oppervlakte
hebben; de uitsteeksels van het gewei passen in de holten van den
rozenstok en omgekeerd.
Bij de meeste Herten merkt men eenige dagen vóór het afwerpen van
het gewei een opzwelling op van de huidstrook, die de plaats van
verbinding van gewei en rozenstok omgeeft; het Hert mijdt dan het
stooten met het gewei en toont hierdoor, dat het een ongewoon gevoel
heeft op de plaats waar het aangehecht is.
Het afwerpen zelf geschiedt ten gevolge van de zwaarte van het
gewei; een geringe schok van buiten geeft er dikwijls aanleiding
toe. Hoogst zelden worden de beide stangen tegelijk afgeworpen; in
den regel verloopt er tusschen het loslaten van de eene en van de
andere stang een tijdruimte van verschillenden duur, die soms eenige
weinige minuten, soms verscheidene dagen omvat. Door zijn geheele
voorkomen, vooral echter door de houding van zijn kop en het laten
hangen der ooren, toont het Hert, dat het afwerpen van het gewei,
een pijnlijke verrichting is, of althans met een onaangenaam gevoel
gepaard gaat. Reeds verscheidene dagen van te voren, stoot de bok niet
meer, maar verweert zich, evenals de hinde, door met de voorpooten te
slaan. Na het afwerpen van de eene stang wordt hij door het grootere
gewicht van de eene helft van den kop genoopt om den kop scheef te
houden; hij schudt hem dikwijls, alsof hij op deze wijze de andere
stang eveneens wil verwijderen.
Reeds in den voortijd waren de Herten over een groot deel van de
aardoppervlakte verbreid. Tegenwoordig bewonen zij, met uitzondering
van het Ethiopische rijk en van Australië, alle werelddeelen en
nagenoeg alle klimaten, de vlakten zoowel als de gebergten, de
open terreinen zoowel als de wouden. Alle Herten zijn levendige,
vreesachtige en spoedig vluchtende dieren, snel en behendig in hunne
bewegingen, met uitnemende zintuigen uitgerust, doch met tamelijk
geringe geestesgaven bedeeld. Hun stem bestaat uit kort afgebroken,
doffe geluiden bij het mannetje en uit een soort van geblaat bij
het wijfje.
Als voedsel gebruiken de Herten uitsluitend plantaardige stoffen;
het is althans volstrekt nog niet uitgemaakt, dat de Rendieren,
zooals men beweerd heeft, ook wel Lemmingen eten. Grassen, kruiden,
bloemen, bladen en naalden, knoppen, jonge spruiten en takken, graan,
bessen en andere vruchten, schors, mossen, korstmossen, en zwammen
vormen de voornaamste bestanddeelen van hun voedsel. Zout is voor
hen een lekkernij, water een behoefte.
Het wijfje werpt 1 of 2, in enkele gevallen 3 jongen, die volkomen
ontwikkeld ter wereld komen en reeds na verloop van weinige dagen hun
moeder volgen. Bij eenige soorten toont ook de vader genegenheid voor
zijn kroost. De Kalfjes scheppen veel behagen in de liefkoozingen van
hun moeder; deze verzorgt ze zorgvuldig en beschermt ze ook tegen de
gevaren, die hen bedreigen.
In gewesten waar de landbouw en de boschbouw volgens de eischen van
den tegenwoordigen tijd uitgeoefend worden, kunnen de Herten niet meer
geduld worden. De schade die deze fraaie dieren aanrichten, overtreft
in dit geval het geringe voordeel dat zij opleveren. Ongelukkig
genoeg is hun bestaan in strijd met een goede exploitatie van den
bodem. Als de jacht er niet was, die terecht als een der edelste en
mannelijkste uitspanningen wordt beschouwd, zouden alle Herten bij ons
reeds sinds lang uitgeroeid zijn. Nog is het niet zoo ver gekomen;
maar toch gaan alle in ons midden wonende leden van deze in zoovele
opzichten uitmuntende familie met rassche schreden hun ondergang te
gemoet; zij zullen waarschijnlijk reeds na verloop van korten tijd
alleen in wildparken en diergaarden te vinden zijn.
Het is niet zoo gemakkelijk Herten te temmen, als men gewoonlijk
onderstelt. Wel is waar gedragen al deze dieren, als zij vroegtijdig
in gevangenschap gekomen en aan den mensch gewoon geraakt zijn, zich
in hun jeugd zeer lieftallig, vertrouwelijk en aanhankelijk; naarmate
zij ouder worden verdwijnen deze eigenschappen hoe langer hoe meer;
bijna alle oude Herten zijn driftige, boosaardige en twistzieke
wezens. Hierop vormt ook de eenige, reeds sedert langen tijd in
gevangenschap levende soort, het Rendier, geen uitzondering. Zij kan
te dezen aanzien volstrekt niet op één lijn gesteld worden met het
Rund en andere soorten van Herkauwers, die huisdieren geworden zijn;
het temmen is bij haar slechts ten deele gelukt.
In de eerste plaats zullen wij de reusachtigste leden dezer familie
behandelen. De _Elanden_ (_Alces_), die tegenwoordig nog slechts één
enkele vertegenwoordiger hebben, of twee, indien men den Amerikaanschen
Eland als een afzonderlijke soort beschouwt, zijn kolossale, plomp
gebouwde, hoogpootige dieren met bladvormig uitgebreide, vingervormig
ingesneden, sterk getakte geweien: zij hebben kleine traansleuven,
haarlokken aan de binnenzijde van den voetwortel en klauwklieren,
maar geen hoektanden. De kop is leelijk, de behaarde bovenlip hangt
over de onderlip heen; de oogen zijn klein, de ooren lang en breed;
de staart is zeer kort.
Reeds sedert oude tijden is de _Elk_ of _Eland_ (_Alces palmatus_)
hoog beroemd. Over den oorsprong van den naam verkeert men nog in
't onzekere: Sommigen beweren, dat hij van het oude woord "elend" of
"elent" is afgeleid, en "sterk" beteekent, anderen nemen aan dat hij
uit het Slavische woord "jelen" (= "hert") ontstaan is. Reeds de oude
Romeinsche schrijvers kennen den Eland als een Germaansch dier. "In
het Hercynische Woud", zegt Julius Caesar, "leven de Alces, dieren,
die in gestalte en verscheidenheid van kleur op Geiten gelijken,
hoewel grooter en zonder hoornen, de voeten zonder gewrichten. Zij
gaan ook niet liggen om te rusten, en kunnen niet opstaan, als zij
gevallen zijn. Om te slapen leunen zij tegen boomen; daarom worden
deze door de jagers uitgegraven en zoo afgehouwen, dat zij licht
omvallen, zoodra het dier er tegen leunt." In de Middeleeuwen wordt
dit dier dikwijls genoemd, o.a. ook in het Nibelungen-lied, waar
het onder den naam "Elk" voorkomt. Als de sage waarheid behelst,
moet in dezen tijd de Eland in geheel Duitschland en Nederland tot
aan het uiterste westen geleefd hebben, want bij de beschrijving van
de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:
"Daarna versloeg hij weder een Wisent en een Elk,
Vier sterke Auers en een boosaardigen Schelk".
Een verordening van Keizer Otto _den Grooten_ van het jaar 943 houdt
in, dat niemand zonder verlof van den bisschop in de bosschen van
Drente aan den Neder-Rijn, Herten, Beren, Reeën, Evers en de wilde
dieren die in de Duitsche taal _Elo_ of _Schelo_ heeten, zou mogen
jagen.
In de laatste eeuwen is het aantal Elanden in Europa overal zeer
snel afgenomen. Nog in de 17e en misschien zelfs nog in de 18e eeuw
kwam de Eland hier en daar in Saksen en Silezië voor. In Saksen
werd de laatste Eland in het jaar 1746, in Silezië de laatste in
het jaar 1776 gedood. In het woud Ibenhorst bij Tilsit is dit wild,
door koninklijke voorschriften beschermd, tot in onzen tijd blijven
bestaan. Wel was het aantal exemplaren in het jaar der jachtvrijheid
1848 ook hier tot op 16 stuks en in het volgende jaar zelf tot op 11
stuks verminderd; strenge beschermende maatregelen en het invoeren van
Zweedsche Elanden in het begin van de jaren 1860-1870 hebben echter
den wildstand weder uitgebreid, zoodat hij thans tot nagenoeg 100
stuks is toegenomen. Bovendien bevinden zich in de bosschen van het
regeeringsdistrict Koningsbergen nog 70 à 80 stuks Elanden. Derhalve
mogen wij ook thans nog deze soort van Herten tot de Duitsche dieren
rekenen.
Behalve in deze onder zeer streng toezicht geplaatste wildparken vindt
men den Eland in alle op hoogeren breedtegraad gelegen, boschrijke
landen van Europa en Azië. In ons werelddeel is hij beperkt tot de
Baltische laaglanden, derhalve tot Oost-Pruisen, Littauen, Koerland
en Lijfland, en bewoont bovendien Zweden en Noorwegen en eenige
streken van Rusland. Men treft hen aan in de oostelijke provinciën
van het zuiden van Noorwegen en in de hieraan grenzende westelijke
provinciën van Zweden, met andere woorden in de ontzaglijke wouden,
die het Kjölengebergte bedekken. Veel overvloediger dan in Europa
komt de Eland in Azië voor. Hij bewoont hier het geheele noorden
boven den 59en graad N.B. tot aan den Amoer en wordt overal gevonden,
waar uitgestrekte wouden zijn.
De Eland is een buitengewoon groot dier. De lichaamslengte van een
volwassen exemplaar bedraagt 2.6 à 2.9 M., de lengte van den staart
ongeveer 10 cM., de schofthoogte 1.9 M. Zeer oude dieren kunnen
een gewicht van 500 KG. bereiken; als hun gemiddeld gewicht kan men
echter 300 à 400 KG. rekenen. De Eland heeft een betrekkelijk korten
en dikken romp; hij is breed aan de borst, hoog, bijna bultig van
schoft, recht van rug, laag in het kruis. Hij rust op zeer hooge
en forsche pooten van gelijke lengte, welker hoeven smal, recht,
diep gespleten en door een rekbaar spanvlies verbonden zijn; de
bijhoeven komen licht met den bodem in aanraking. De korte, forsche
en krachtige hals draagt den grooten, langwerpigen kop, die vóór de
oogen versmald is, en in een langen, dikken, gezwollen, van voren
zeer breed afgeknotten snuit eindigt. Het gewei van het volwassen
mannetje bestaat uit een groote, enkelvoudige, zeer uitgebreide,
driehoekige, platte, schopvormige, gegroefde plaat ("de kroon"), die
aan haar buitenrand met talrijke takken bezet is en door korte, dikke,
afgeronde, met weinige knobbeltjes ("paarlen") bezette stangen gedragen
wordt; deze rusten op korte rozenstokken en zijn van hun oorsprong af
zijwaarts gebogen. Het gewei kan wel 20 KG. zwaar worden. Het wijfje
is slechts weinig kleiner, maar heeft geen gewei.
De Eland is met lange en stijve haren dicht bekleed. De kleur van de
vacht is tamelijk gelijkmatig roodachtig bruin, gaat aan de manen en
de zijden van den kop in glanzig donker zwartbruin, aan het voorhoofd
in roodachtig bruin en aan het einde van den snuit in grijs over;
de pooten zijn witachtig aschgrauw, de oogringen grijs.
Wilde, eenzame bosschen, die rijk zijn aan broekland en ontoegankelijke
moerassen, bij voorkeur die, welke wilgen, berken, espen en andere
breedgebladerde boomen bevatten, leveren geschikte woonplaatsen voor
den Eland. Moerassen en venen schijnen volstrekt noodig te zijn
voor zijn leven en welvaren. Het plompe dier houdt zich gedurende
den zomer in de lager gelegen, natte gewesten op, in den winter in
de hoogere, die niet onderhevig zijn aan overstroomingen en niet
met ijs bedekt worden. Bij helder weer houdt hij zich het liefst in
bosschen van loofboomen, bij regen, sneeuw en nevel daarentegen in
dichte naaldboomwouden op. Bij gebrek aan rust of schaarschte van
voedsel verandert hij licht van woonplaats.
De levenswijze van de Elanden wijkt in vele opzichten van die van de
Edelherten af. Evenals deze vereenigen gene zich tot meer of minder
talrijke troepen en eerst tegen den werptijd scheiden de oude mannetjes
zich af, en vormen gewoonlijk afzonderlijke gezelschappen.
Meer nog dan de overige Herten heeft de Eland een innigen hekel aan
stoornissen van allerlei aard. Hij verlangt een volstrekte rust en
verlaat een streek, waar hij herhaaldelijk lastig gevallen werd. Op
plaatsen, waar hij verzekerd is niet gestoord te zullen worden, slaapt
hij, korte rustpauzen misschien uitgezonderd, niet anders dan in de
vóór- en namiddaguren en zwerft eerst na 4 uur 's namiddags gedurende
den avond en in de eerste uren van den nacht, van den ochtend en van
den morgen rond; in 't tegenovergestelde geval gebruikt hij den nacht
om te laveien. Zijn voedsel bestaat uit bladen en spruiten van de
rozemarijnbladige wilg, van berken, esschen, espen, lijsterbessen,
van spitsbladige eschdoornen, van linden, eiken, dennen, sparren,
uit heide, jong riet en jonge zeggen, uit jonge graangewassen en
vlas. Bij 't schillen van een boom slaat hij zijne snijtanden als een
beitel in de schors, maakt hiervan een stukje los, pakt dit met de
tanden en lippen aan en scheurt dan in bovenwaartsche richting lange
strooken schors af; hij doet dit zoo goed, dat hij niet zelden zelfs
zeer dikke espen nog volledig ontschorst. Sommige stammen buigt hij
met den kop naar beneden en breekt dan de kroon er af. Zooals licht
te begrijpen is, geeft hij bij het ontschorsen de voorkeur aan alle
boomen en struiken met saprijke schors, zooals espen, esschen, wilgen
en populieren.
De bewegingen van den Eland zijn veel minder evenredig en licht dan die
van het Edelhert. Hij is niet in staat tot langdurig hollen, maar maakt
zich toch zeer snel en met ongeloofelijke volharding uit de voeten;
sommige schrijvers beweren, dat hij in één dag 30 mijlen kan afleggen.
Een hoogst zonderlinge bewegingswijze in waterrijke veengronden
wordt door Wangenheim beschreven. De Eland buigt daar, waar de bodem
hem niet meer dragen kan, de achterpooten op zulk een wijze, dat de
geheele achtervoet recht uitgestrekt op den grond rust, schuift het
lichaam naar voren door met de voorhoeven te trekken, en met de sterke
pezen der achterpooten te duwen en glijdt zoo over de slijkerige
vlakte. Daar waar de bodem geheel en al week is, gaat hij zelfs op
zijde liggen en werkt zich vooruit door met de pooten te slaan en te
schoppen. In het zwemmen is de Eland een meester. Hij gaat te water,
ook wanneer hij er niet door den nood toe gedrongen is; hij doet dit,
evenals vele Rundersoorten, uit eigen aandrift, voor zijn genoegen,
om te baden en zich te verfrisschen; in Oost-Siberië zoekt hij zelfs
de diepste bergkloven op, waarin de sneeuw lang liggen blijft, om zich
hierop rond te wentelen. Op glad ijs, dat niet met sneeuw bedekt is,
kan hij niet lang gaan; als hij op de spiegelgladde baan gevallen is,
komt hij niet gemakkelijk weer op de pooten. Gedurende het loopen merkt
men een hoorbaar tikken van de bijhoeven tegen de hoefballen op; dit
gedruisch noemt de jager "schellen". Een Eland, die eenmaal aan den
loop is, laat zich door niets van den weg afbrengen, zoomin door de
wildernissen van het woud, als door de rivieren, meren of moerassen,
die hij ontmoet.
De Eland kan uitstekend hooren; voor 't kijken, speuren en de lucht
van iets krijgen zijn zijne zintuigen echter minder geschikt. Zijne
geestvermogens logenstraffen zijn dom en plomp uiterlijk niet. Uit
zijne handelingen kan men afleiden, dat zijn verstand gering is. Hij
is niet bijzonder schuw en nog minder voorzichtig; ternauwernood leert
hij werkelijk bestaande gevaren van denkbeeldige onderscheiden. Van
een band tusschen de leden van den troep bemerkt men niets: ieder
individu handelt naar eigen inzicht; het kalf alleen volgt zijn moeder,
niet echter de geheele troep een aanvoerder, zooals bij de meeste
andere Herten het geval is. De paartijd vangt in de Oostzeelanden
tegen het einde van Augustus aan, in Aziatisch Rusland in September
of October. Omstreeks dezen tijd zijn de mannetjes in de hoogste
mate opgewonden, zij dagen alle concurrenten die zij ontmoeten, tot
een tweestrijd uit en bevechten hen met woede en kwaadaardigheid;
zij vallen dikwijls ook menschen aan; rusteloos en zonder bepaald
doel loopen zij rond, over dag zoowel als 's nachts. Zeer groot
is de gehechtheid en de liefde van de moeder voor hare jongen. Zij
verdedigt ze zelfs na hun dood en dwaalt, wanneer zij haar ontroofd
zijn, dikwijls nog dagen lang op de plaats van het onheil rond,
om ze te zoeken.
Behalve van den mensch, heeft de Eland, in weerwil van zijn
lichaamskracht, van verscheidene andere vijanden gevaar te vreezen:
vooral van den Wolf, den Los, den Beer en den Veelvraat. De Wolf
overmeestert den Eland gewoonlijk in den winter, als er veel sneeuw
ligt; de Beer besluipt gewoonlijk slechts alleenloopende dieren en
valt een troep niet aan. De Los en soms ook de Veelvraat bespringen een
onder hen doorloopenden Eland van boven af, slaan hem de klauwen in den
hals en bijten hem de slagaders door. Zij kunnen als de gevaarlijkste
vijanden van dit weerbare wild aangemerkt worden; de Wolven en Beren
daarentegen mogen wel voorzichtig zijn, want de Elanden kunnen, zelfs
wanneer zij geen gewei hebben, met goed gevolg voor hun verdediging
gebruik maken van de harde en scherpe hoeven der voorpooten.