"Een flinken bok te bekruipen totdat men hem kan schieten, heeft

stellig bezwaren in; maar het toeval, dat deze wijze van jagen niet

zelden doet mislukken, begunstigt haar ook weder in vele andere

gevallen. Dikwijls komt de jager gedurende zijne vele omzwervingen

in de gelegenheid om een schot te doen op een plaats, waar hij dit

buitenkansje in 't geheel niet verwachtte.... De wijze waarop de

Gemzen komen aanrennen, als zij door de drijvers zijn opgejaagd, is

zeer verschillend en levert een groote verscheidenheid van tafereelen

op: want de hellingen, kloven en ravijnen wisselen op allerlei wijzen

af. Langs steile wanden volgen de Gemzen, als zij niet beschoten

worden, bijna altijd denzelfden weg; over een kloof springt de eene

na de andere; bij een helling gaan de dieren dikwijls, zonder op te

houden, volgens een zigzaglijn naar beneden. In de kromhoutdennen

verbergen zij zich gaarne; het is moeielijk te begrijpen, hoe zij

zoo snel vooruit kunnen komen tusschen de weerbarstige en in bonte

verwarring door elkander heengroeien de stammen en takken van dit

gewas. Als de wind gunstig is, kunnen zij in den regel gemakkelijk

voorwaarts gedreven worden; een hoofdzaak blijft het echter, dat

zij den drijver zien; want, hoewel steenworpen hen doen opschrikken,

wanneer de steenen dicht bij haar neerploffen, boezemen zij haar in

den regel niet veel zorg in. Zij weten zeer goed, of de steenen haar

kwaad kunnen doen of niet; wanneer zij dus door een vooruitstekende

rots gedekt zijn, blijven zij in weerwil van de hagelbui van steenen,

die vandaar naar beneden valt, rustig staan. Als er een nevel hangt,

kan de gemzenjacht alleen dan gelukken, wanneer de drijvers zeer

talrijk zijn en goed aaneengesloten kunnen blijven. Bij het naderen

van een troep Gemzen, kan men niet zelden het genoegen smaken op te

merken, dat deze dieren lichtzinnig van aard zijn. De hoofdtroep laat

n.l. de zorg voor haar veiligheid geheel aan de als gids dienende

geit over; terwijl deze stilstaat om te luisteren en rond te kijken,

stooten en bevechten de overige elkander dikwijls, tenzij de drijvers

zeer dicht bij haar zijn gekomen.

"Bij het schatten van den afstand waarop het wild zich bevindt,

kan men zich licht vergissen, vooral wanneer men over een kloof

heenziet; menige Gems wordt om deze reden gemist. Als regel geldt,

dat de afstand voor 't schieten te groot is, als men de hoornen niet

meer kan zien. Het beste schot is natuurlijk een bladschot (door

het schouderblad, het hart en de longen); dikwijls komen echter

weidewondschoten voor (waardoor alleen de onderbuiksingewanden

getroffen worden). Een op de laatstgenoemde wijze getroffen geit

gaat wel is waar spoedig liggen; maar, als men haar nadert, of den

Hond op haar afstuurt, gaat zij weg en beklimt meestal een rotswand,

waar de Hond haar niet volgen kan; men moet dan zoo dicht mogelijk bij

haar zien te komen, en haar door een schot van den wand naar beneden

doen tuimelen. In het steilere gebergte kan men geen Hond gebruiken;

in den regel zijn de bloedsporen hier echter gemakkelijk zichtbaar

op het grijze gesteente. Soms is het echter voor den jager onmogelijk

door te dringen tot de plaats, waar de Gems om 't leven kwam, zoodat

deze verloren gaat."

Het vleesch van de Gems behoeft, wat smakelijkheid betreft, voor geen

ander wildbraad onder te doen; het overtreft mijns inziens zelfs nog

zeer dat van onze Ree--waaraan, zooals men weet, onder de inheemsche

soorten van wild wegens malschheid en smakelijkheid de eereplaats wordt

toegekend--; daar het zich door een pikante, met niets te vergelijken

bijsmaak onderscheidt. Bijna even hoog als het vleesch wordt de huid

geschat, die tot uitmuntend wildleder wordt verwerkt. Ook de hoornen

worden op velerlei wijzen gebruikt; met de haren uit den kam van den

rug eindelijk versiert zoowel de jager van beroep als de jachtlustige

zondagsjager zich den hoed.

De Gems speelt in de volksliederen der Alpenbewoners dezelfde rol

als door de Oosterlingen aan de Gazelle wordt toegekend. Honderden

van gedichten schilderden haar en haar jacht op even treffende als

bevallige wijze; velerlei sagen zijn verbonden aan haar natuurlijke

geschiedenis, voor zoover deze tot het volk doordrong. Een algemeen

verbreid bijgeloof noopt den jager het hart van het pas gedoode wild te

openen en het hierin nog aanwezige bloed te drinken, in de verwachting

dat hij hierdoor zijne spieren stalen, zijne zinnen scherpen en de

gevreesde duizelingen verdrijven zal. Een ander volksgeloof beschut

een witte Gems voor het doodend lood, omdat, naar men beweert, ieder

die zulk een dier om 't leven brengt, zijn leven door een val in den

afgrond verliezen zal.

Jong gevangen Gemzen kunnen getemd worden. Men voedt ze met geitenmelk,

met malsche grassen en kruiden, met kool, rapen en brood. Als men

goedaardige Geiten heeft, kan men dezen het pleegouderschap over de

kleine, wakkere bergbewoners toevertrouwen, die er des te beter om

zullen gedijen. Vroolijk spelen zij met de sikjes, moedig en flink met

den Hond; vertrouwelijk volgen zij hun verzorger, vriendschappelijk

komen zij hem om voedsel vragen. Steeds voert een natuurdrift hen

naar het hoogste punt dat zij bereiken kunnen. Steenklompen op het

erf, muurkappen en andere verhevenheden zijn hunne meest geliefde

standplaatsen. Daar staan zij soms uren achtereen. Hoewel zij nooit

zoo forsch worden als de in vrijheid levende Gemzen, bekomt haar

de gevangenschap toch zeer goed. Bij sommige breekt op lateren

leeftijd ook een zekere wildheid door; dan maken zij dikwijls een

flink gebruik van hare hoorntjes. Daar zij niet veeleischend zijn,

valt haar de gevangenschap gemakkelijk. Op lateren leeftijd toonen

zij zich nog minder kieschkeurig ten aanzien van haar voedsel dan

in de jeugd. Gehard zijn zij van de geboorte af. In den winter zijn

zij tevreden met een weinig stroo onder een open afdak. Het verblijf

in een stal bevalt haar niet; ruimte om zich te bewegen en frisch

water moeten zij volstrekt hebben. Oud gevangen Gemzen blijven altijd

vreesachtig en schuw.

Zelden planten de Gemzen zich in de gevangenschap voort. In het

jaar 1863 had Schöpff het genoegen dit verschijnsel bij een zijner

gevangenen waar te nemen; den 30en Juni kwam een jonge, gezonde bok

ter wereld. Het diertje kreeg een Geit tot pleegmoeder en groeide zoo

voorspoedig op, dat het reeds na 1 1/2 jaar bijna even groot was als

de oude Gems. Deze bleef één jaar lang geit, maar wierp in 't volgend

jaar weder een jong. In Schönbrunn heeft men eveneens Gemzen gefokt.

Van alle bekende Antilopen wijkt de _Saïga_ of _Steppen_-_antilope_

(_Colus tataricus_, _Antilope saiga_), die in het noordoosten van ons

werelddeel veelvuldig voorkomt, door belangrijke eigenaardigheden zoo

sterk af, dat men haar terecht als vertegenwoordiger van een bijzonder

geslacht aanziet. Zij herinnert door haar gestalte en haar aard aan

het Schaap, in sommige opzichten echter ook weder aan het Rendier. Haar

gestalte is zeer plomp, het vel buitengewoon langharig en de beharing

zoo dicht, dat zij op een gladde wollen deken gelijkt. Meer dan door

eenig ander kenmerk onderscheidt zich de Saïga echter door den vorm

van haar bovenkaak en meer bepaaldelijk van den neus. Gene steekt

voorbij de onderkaak uit, deze is door een overlangsche groeve

in tweeën verdeeld en met een kraakbeenige huid bekleed; hij kan

samengetrokken worden, zoodat de huid rimpels verkrijgt, en is dus

zeer beweeglijk; het geheel vormt een echte slurf; men zou dus aan

deze groep den naam van "Slurf-antilopen" kunnen geven. De _hoornen_,

die _alleen bij den bok_ voorkomen, staan eenigszins verwijderd van

elkander, zijn liervormig, bleek van kleur en doorschijnend. De rug

en de zijden zijn in den zomer grijsgeelachtig, de ledematen onder de

knie donkerder, de zijden van den hals, de onderzijde van den romp en

de binnenzijde van de pooten wit, het voorhoofd en de kruin geelgrijs

of aschgrauwachtig; een lancetvormige rugvlek in de kruisstreek,

die met grovere en langere haren bezet is, heeft een zwartachtig

bruine kleur. Tegen den winter wordt de vacht lichter van kleur,

het dier krijgt dan een grijsgeelachtig, aan de buitenzijde witachtig

haarkleed. De lengte van den volwassen bok bedraagt 1.3 M., waarvan

11 cM. op den staart komen, de hoogte van de schoft ternauwernood 80

cM.; de hoornen van den volwassen bok langs de kromming gemeten zijn

25 à 30 cM. lang.

De Saïga bewoont de steppen van Oost-Europa en van Siberië, van de

Poolsche grens tot aan den Altaï. Van de landstreken ten zuiden van

den Donau en van de Karpathen af ontmoet men haar in de steppen van

het zuidoosten van Polen, in Klein-Rusland, langs de Zwarte Zee,

om de Kaukasische gebergten, de Kaspische Zee en het Meer van Aral

tot aan den Irtisch en den Ob, noordwaarts tot 55° N.B. Zij leeft

steeds in gezelschappen, die zich echter in 't begin van den herfst

vereenigen tot kudden van verscheidene duizenden individuën, die

tamelijk regelmatig trekken en eerst tegen de lente bij troepen naar

hunne vroegere standplaatsen terugkeeren. Uiterst zelden ziet men een

Steppen-antilope afzonderlijk, want ook gedurende den zomer blijven

de oude bokken bij de kudde. Men merkt bij deze dieren geen groote

behendigheid, geen bijzonder scherp zintuigelijk waarnemingsvermogen

en slechts geringe geestesgaven op. De volwassenen loopen wel is

waar zoo snel, dat zoomin Paarden als Windhonden ze inhalen kunnen;

de jongere dieren geraken echter spoedig buiten adem; ook de oudere

vallen spoedig ten buit aan de vereenigde inspanning van Roofdieren

die in benden jagen, b.v. van Wolven. Zij verzetten hunne pooten bij

't gaan overkruis en hebben daarbij geen bevallige houding, daar zij

den hals ver vooruitsteken en den kop laten hangen. Hoewel zij tamelijk

ver springen kunnen, geschiedt ook deze beweging veel minder sierlijk

dan bij de overige Antilopen, maar veeleer plomp en onbeholpen.

Het voedsel van de Saïga bestaat hoofdzakelijk uit de zouthoudende

kruiden, die de zonnige, dorre, dikwijls met zoutwaterbronnen

afwisselende Tataarsche steppen op sommige plaatsen in verbazend groote

hoeveelheid bedekken. De paartijd begint tegen het einde van November;

gewoonlijk is hij gekenmerkt door de hevige gevechten, die de bokken

elkander leveren. De wijfjes werpen in Mei, in den regel reeds vóór het

midden van deze maand, één enkel, aanvankelijk zeer hulpbehoevend jong.

Hoewel de Saïga's een slecht wildbraad opleveren, zijn de

steppenbewoners hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op deze

dieren. Zij worden te paard en met Honden vervolgd en in den regel

ingehaald, wanneer zij ver vluchten moeten. Ook de Wolven richten

een groote slachting onder hen aan en vreten de gedoode dieren geheel

op met uitzondering van den schedel en de hoornen. De hoornen worden

dan door de Kirgiezen of Kozakken ingezameld en voor geringen prijs

aan de Chineezen verkocht.

De _Gnoe_'s (_Catoblepas_) zijn wel de meest in 't oog vallende

leden van de onderfamilie der Antilopen; zij houden als 't ware het

midden tusschen de Antilopen, het Rund en het Paard, en zijn echte

caricaturen van de edele en sierlijke gestalten harer verwanten. Als

men voor de eerste maal een Gnoe aanschouwt, verkeert men in twijfel

over de plaats, die dit dier in 't stelsel moet innemen. Het ziet er

uit als een Paard met gespleten hoeven en een stierenkop; ook door

zijne handelingen doet het aan zulk een bastaardvorm denken. Onmogelijk

kan men den Gnoe een fraai dier noemen, hoe sierlijk ook de bouw van

verscheidene zijner lichaamsdeelen is.

Het geslacht der Gnoe's omvat weinige soorten, welke de volgende

kenmerken met elkander gemeen hebben: De romp rust op matig hooge

pooten en is kort en dik, de kop bijna vierhoekig, de neusspiegel

breed, elk neusgat als 't ware met een deksel voorzien. De oogen, ieder

door een krans van stervormig uitstralende witte borstels kringvormig

omgeven, hebben een woeste en boosaardige uitdrukking. De _hoornen_,

die _bij beide geslachten_ voorkomen, zijn op de voorhoofdslijst

ingeplant, platgedrukt, zeer breed en met de spitsen naar boven

gebogen. De staart eindigt in een langen kwast, evenals die van een

Paard; de kruin van het aangezicht, de hals, de rug, de keel en de

wangen zijn met lange manen voorzien; voor het overige bestaat het

haarkleed uit glad aanliggende haren.

De _Gnoe_, het _Wildebeest_ der Zuid-Afrikaansche Boeren (_Catoblepas

gnu_), bereikt een totale lengte van 2.8 M., met inbegrip van den

staart, die onbehaard 50 cM., met de haren echter 80 à 90 cM. lang is;

de schofthoogte bedraagt 1.2 M. De kleur is over 't geheel genomen

donkergrijsbruin, op sommige plaatsen lichter, op andere donkerder

van tint, nu eens naar geel en rood, dan weer naar zwart zweemend. Het

wijfje is kleiner, hare hoornen zijn zwakker; haar kleur is volkomen

gelijk aan die van het mannetje.

De Gnoe bewoont Zuid-Afrika, doch in 't Kaapland is hij

uitgeroeid. Volgens de berichten van geloofwaardige onderzoekers

trekken deze dieren ieder jaar; mijns inziens geeft gebrek aan voedsel,

evenals bij andere Antilopen, aanleiding tot deze verhuizingen. Het

zijn hoogst beweeglijke, dartele dieren, die uitmuntend in staat zijn

om uitgestrekte vlakten te verlevendigen.

Gordon Cumming vernam, dat het Wildebeest, zelfs wanneer het

door een groot aantal jagers vervolgd wordt, zijn woonplaats niet

verlaat. Steeds blijven deze ruige, vreemdsoortige en woeste gestalten

in kringen om hunne vervolgers heen rennen en intusschen allerlei

zonderlinge sprongen maken. Terwijl eenige jagers naar hen toe rijden

om er een van te schieten, zetten zij hunne kringvormige bewegingen om

de ter rechter en ter linkerzijde achtergebleven menschen voort, hoewel

hun weg dan leidt over plaatsen, waar hunne vervolgers weinige minuten

te voren reden. Afzonderlijk en bij troepen van 4 of 5 stuks ziet men

soms de oude Wildebeest-bokken op eenigen afstand van elkander den

geheelen voormiddag onbeweeglijk in de vlakte staan en met starende

blikken op de bewegingen van het overige wild letten; intusschen

hoort men van hen aanhoudend een luid, snuivend gedruisch en een

eigenaardig, kort en scherp gesnork. Verscheidene reizigers noemen

den Gnoe een toonbeeld van onbegrensden vrijheidszin en beschouwen

hem als een buitengewoon moedig en krachtig dier.

Zijn zonderlinge gedaante heeft waarschijnlijk aanleiding gegeven

tot de fabelen, die de inboorlingen van hem verhalen, en heeft

misschien ook invloed gehad op vele van Europeanen afkomstige,

zonderlinge berichten. Waar is het trouwens, dat de gewoonten van den

Gnoe ons niet minder raadselachtig voorkomen, dan zijn gestalte. Al

zijne bewegingen zijn snel, uitgelaten wild en vurig. Bovendien

is hij meer dan eenige andere Herkauwer speelsch en tot plagerij

geneigd. Als er ernstige gevechten geleverd moeten worden, toonen

de mannetjes evenveel moed als de wijfjes. Hun stem gelijkt op het

geloei van Runderen. De Zuid-Afrikaansche boeren van Hollandsche

afkomst bootsen het eigenaardige geschreeuw van de jonge dieren

na door de woorden "Nonja, g'n avond!" en beweren door dit geluid

dikwijls in de waan gebracht te zijn, dat zij in hun taal aangesproken

werden. In gevangenschap zijn deze dieren dikwijls onhandelbaar

en wild, ongevoelig voor liefkoozingen en ongeschikt om getemd te

worden, maar ook tamelijk onverschillig voor het verlies van hun

vrijheid. De vrouwelijke Gnoe's brengen soms in de eene, soms in

een andere maand van het jaar één jong ter wereld, dat reeds weinige

dagen na de geboorte behagen schept in dezelfde sprongen en grappen

als zijne ouders, en dat wegens zijn geringere grootte een nog veel

potsierlijken indruk maakt dan deze. De moeder is met innige liefde

aan haar kroost gehecht en stelt zich om het te verdedigen, zonder

aarzelen aan gevaren bloot.

De jacht op den volwassen Gnoe biedt bezwaren aan wegens de

ongeloofelijke snelheid en volharding van dit dier. De vluchtende

Gnoe's hebben een opmerkelijke overeenkomst met vervolgde Wilde

Runderen. Slechts toevallig vangt men een Gnoe in een valkuil of een

strik. Dieren, welke oud gevangen zijn, gedragen zich, alsof zij dol

en onzinnig zijn; de jonge daarentegen worden, als men ze met koemelk

voedt en zich veel met hen bemoeit, weldra zoo tam, dat men ze met

de kudden kan laten weiden en hen alle vrijheden van een huisdier

toestaan kan.

Het nut van den gedooden Gnoe is van denzelfden aard als dat, hetwelk

andere Afrikaansche soorten van wild opleveren. Zijn vleesch wordt

gegeten, omdat het sappig en malsch is; de huid wordt voor allerlei

lederwerk gebruikt; van de hoornen vervaardigt men meshechten en

andere voorwerpen.

Op de Holhoornigen laten wij een Herkauwer volgen, die tot in

den laatsten tijd als een Antilope werd beschouwd, hoewel de

eigenaardige ontwikkeling van zijne hoornen, die zich van de wapens

van alle Holhoornigen onderscheiden, deze meening weerspreekt. Een

wetenschappelijke beschrijving van dit merkwaardige dier, dat

waarschijnlijk reeds door Hernandez (lijfarts van den Spaansche

koning Philips II) onder den naam "Teutlamazane" als een bewoner van

Mexico werd genoemd--had eerst in 1815 plaats. Eerst in den laatsten

tijd echter werd een wetenschappelijke dwaling uit den weg geruimd,

waardoor aan dit dier tot dusver een verkeerde plaats in het stelsel

was aangewezen.

Het bedoelde dier, de _Gaffelbok_, verschilt van alle leden zijner

orde, doordat zijne hoornen, welke evenals die der Holhoornigen

uit hoornpit en hoornscheede bestaan, gaffelvormig vertakt zijn;

zij groeien niet, zooals die der Holhoornigen, aanhoudend door,

maar worden van tijd tot tijd, evenals het gewei der Herten (hoewel

op een eigenaardige wijze) afgeworpen en opnieuw gevormd. Andere

bijzonderheden, zooals het aanwezig zijn van zekere klieren, de vorm

der hoeven, de gesteldheid van het haar enz., gaven Murie, die het

dier ontleedde, aanleiding het een "kortkoppige, giraffe-hoevige,

geit-klierige, schaap-harige Antilope" te noemen, een uitdrukking

die niets anders kan beteekenen, dan dat de Gaffelbok geen Antilope

is. Alle kenmerken van den bedoelden Herkauwer zijn zoo eigenaardig en

belangrijk, dat men hem met geen der van oudsher aangenomen familiën

zijner orde vereenigen kan, maar hem als vertegenwoordiger eener

afzonderlijke familie, die der _Gaffelhoornigen_ beschouwen moet.

De _Gaffelbok_, ook wel _Gaffel_-_antilope_, _Gaffel_-_gems_ of _Kabri_

genaamd (_Antilocapra americana_), heeft over 't algemeen de gestalte

van een forsche Antilope en een totale lengte van ongeveer 1.5 M.,

waarvan 17 à 20 cM. op den staart komen, bij een schofthoogte van

80 cM. De kop is niet fraai, maar schaapachtig en langwerpig, het

oog groot, donker en vol uitdrukking, het oor middelmatig lang en

toegespitst. De hals is middelmatig lang; de romp schijnt minder

krachtig dan hij werkelijk is, daar hij op zeer slanke en meer dan

middelmatig hooge pooten rust. Drie verschillende, meestal scherp bij

elkander afstekende kleuren, roestkleurig-isabel, wit en donkerbruin,

maken zijn vacht zeer bont. De hoornen en de hoeven zijn zwart. De

_bij beide geslachten_ voorkomende, doch alleen bij den bok gegaffelde,

steil opstijgende en aan de spits scherp binnenwaarts en achterwaarts

gebogen _hoornen_ zijn bij den ouden bok bijna dubbel zoo breed als

dik, merkwaardig oneffen en knobbelig, op sommige plaatsen onregelmatig

bezet met korte, puntige uitwassen. Bij 't mannetje worden de hoornen

25 à 30, bij 't wijfje slechts 8 à 12 cM. hoog.

Het verbreidingsgebied van dit dier strekt zich uit over het westen

van Noord-Amerika, van den Saskatschewan in het noorden ongeveer tot

den Rio Grande in het zuiden en van den Missouri tot aan de kusten van

den Stillen Oceaan. Hij bewoont echter geenszins, zooals men meende,

uitsluitend de effene vlakten; men heeft hem eveneens in de kale,

hooge dalen van het Rotsgebergte tot op 2500 M. hoogte aangetroffen.

Allen, die de Gaffelbokken hebben leeren kennen, bewonderen eenstemmig

hunne snelheid en behendigheid. Het moge zijn, dat enkele Antilopen in

deze opzichten meer bevoorrecht zijn, de dieren der prairie staan alle

bij hen achter. Licht en lenig, de hooge pooten ver vooruitplaatsend

"jagen zij als de stormwind over de vlakte" en stellen bovendien ieder

ander Amerikaansch Zoogdier in de schaduw door hun volharding. "Een

opgeschrikte kudde van Gaffelbokken levert een onvergelijkelijk en

onvergetelijk schouwspel op." Deze dieren bewegen zich, terwijl zij

over de heuvels vluchten, bergop en bergaf met dezelfde behendigheid en

zekerheid als op den vlakken bodem; de voorpooten worden hierbij zoo

snel achtereen verplaatst, dat men hunne verschillende deelen niet

meer onderscheiden kan, evenmin als de spaken van een ronddraaiend

rad. De Gaffelbokken hebben uitmuntende zintuigen: zij kunnen op

grooten afstand zien, hebben een zeer fijn gehoor en krijgen de lucht

van een onder den wind hen bekruipenden vijand op een afstand van

verscheidene honderden schreden. Waakzaam en schuw, tot op zekere

hoogte ook schrander en in allen gevalle voorzichtig, kiezen zij

hunne standplaatsen--en meer bepaaldelijk die, waar zij op 't midden

van den dag gewoon zijn te herkauwen en te rusten--altijd op zulk een

wijze, dat zij een vrij uitzicht hebben; ook weten zij voortreffelijk

gebruik te maken van de heerschende windrichting; bovendien zetten zij

opzettelijk schildwachten uit. Nederzettingen van den mensch worden

met zorg door hen gemeden; daarentegen bekommeren zij zich weinig om

het vee, niet eens om Paarden en Runderen, in welker nabijheid men

ze dikwijls zelfs onbeschroomd ziet grazen.

Op zijn vroegst in Mei, op zijn laatst in het midden van Juni werpt

het wijfje jongen, gewoonlijk twee. Evenals alle Herkauwers groeien

ook de jonge Gaffelbokken betrekkelijk zeer schielijk. Reeds tegen

het einde van Juli breken bij den bok evenals bij de geit de hoornen

door; in den beginne zijn dit korte, stomp kegelvormige spitsen,

die in December 2 à 5 cM. lang geworden zijn, van nu af echter niet

verder groeien, maar hunne hoornscheeden verliezen, die door nieuwe

vervangen worden. Dit verschijnsel wijkt echter zoo volkomen van

de wisseling der geweien bij de Herten af, en is, ook op zich zelf

beschouwd, zoo merkwaardig, dat ik het uitvoeriger beschrijven moet.

Canfield is de eerste geweest, die de hoornwisseling waargenomen

en de uitkomsten van zijn onderzoek aangeteekend heeft. Daar zijn

verhandeling over dit onderwerp, hoewel in September 1858 aan

Baird gezonden, eerst in het jaar 1886 het licht zag, komt aan

Bartlett, die in de Londensche diergaarde gevangen Gaffelbokken

verzorgde, de eer toe, de wetenschap met het eerste bericht over een

ongeloofelijk schijnend feit verrijkt te hebben. De onderling volkomen

overeenstemmende mededeelingen der beide genoemde onderzoekers zijn

in lateren tijd nog door waarnemingen van anderen bevestigd geworden.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 18 / 28 段