(_Nemorhoedus goral_), die de grootte van een Geit bereikt. Zijn
verbreidingsgebied is beperkt tot den Himalaja en, wel tot den gordel,
die tusschen 1000 en 2600 M. hoogte gelegen is. Volgens Kinloch leeft
hij gezellig, dikwijls in groote troepen, gewoonlijk echter over
een groote oppervlakte verstrooid in kleine gezelschappen, ook wel
afzonderlijk en paarsgewijs. Hij bewoont zoowel de bosschen als de
kale rotsen en steenachtige hellingen; het liefst echter houdt hij
verblijf op steile klippen, die met ijl kreupelhout en groepen van
dicht bijeengeplaatste boomen begroeid zijn. De bewoners van Nepal
beschouwen hem als het snelvoetigste van alle wezens. Tot dusver is
de Goral nog niet levend naar Europa overgebracht; zelfs de huiden
van deze dieren behooren in de musea tot de zeldzaamheden.
Op deze uitheemsche Berg-antilopen kunnen wij de bevallige,
fel vervolgde bewoners der Europeesche bergen, de _Gemzen_, laten
volgen. Zij worden tot een afzonderlijk geslacht (_Capella_) gerekend,
welks voornaamste kenteeken gelegen is in de loodrecht bovenwaarts
gerichte, met de spits haakvormig naar achteren gekromde hoornen.
De _Gems_ (_Capella rupicapra_), de eenige soort van haar geslacht,
bereikt een lengte van 1.1 M., waarvan 8 cM. op den staart komen;
de hoogte van de schoft bedraagt 75, die van het kruis 80 cM., het
gewicht 40 à 45 KG. De hoornen zijn, volgens de kromming gemeten,
ongeveer 25 cM. lang; zij staan bij den bok verder van elkander
af en zijn ook dikker en sterker gekromd dan bij de Geit. Voor 't
overige gelijken het mannetje en het wijfje volkomen op elkander,
hoewel de bokken in den regel iets forscher zijn dan de Geiten. Al
naar het jaargetijde verschilt het haarkleed van de Gemzen. In
den zomer gaat de vuil-roodbruine of roestroode hoofdkleur aan de
onderzijde in lichtroodachtig geel over; over het midden van den rug
loopt een zwartbruine streep; de keel is vaalgeel, de nek geelachtig
wit; op de schouders, de schenkels, de borst en de flanken wordt
deze kleur donkerder; een streep op de achterzijde toont een bijna
op wit gelijkende nuance van geel. Van de ooren tot over de oogen
loopt een smalle, zwartachtige, overlangsche streep, die bij de vale
grondkleur scherp afsteekt. Gedurende den winter is de Gems van boven
donkerbruin of glanzig bruinzwart, aan den buik wit; de pooten zien
er van onderen lichter uit dan van boven en hebben een roodere tint;
de voeten zijn geelachtig wit, evenals de kop, die op de kruin en aan
den snuit een weinig donkerder van kleur is. De overlangsche streep
van de spits van den snuit tot aan de ooren is donker zwartbruin. De
haarwisseling heeft zoo langzaam plaats, dat het zuivere winterkleed,
zoowel als het zuivere zomerkleed steeds slechts gedurende zeer korten
tijd gedragen wordt. De jonge dieren zijn roodbruin en lichter van
kleur in de omgeving van de oogen. Zelden ontmoet men lichtkleurige
verscheidenheden of albino's.
De Alpen zijn het eigenlijke vaderland van de Gemzen. Wel strekt
haar verbreidingsgebied zich nog aanmerkelijk verder uit; daar zij
ook gevonden worden in de Abruzzen, Pyreneeën, de gebergten van de
kusten van Cantabrië, Dalmatië en Griekenland, de Karpathen, vooral
op de toppen van den Hoogen Tatra, in de Transsylvanische Alpen, en
eindelijk in den Kaukasus, in Taurië en Georgië. In de Zwitsersche
Alpen is zij tegenwoordig zeldzaam, althans veel minder talrijk dan in
de oostelijke Alpen, vooral in Opper-Beieren, Salzburg, Salzkammergut,
Stiermarken en Karinthië, waar zij, beschermd en gespaard door
welvarende en jachtkundige groote grondeigenaars of jachtpachters,
in zeer grooten getale leeft. Ook zijn zij veelvuldig op de steile,
ontoegankelijke hoogten van de middelste Karpathen, hoewel hier geen
maatregelen ter harer bescherming genomen worden.
De algemeen verbreide meening, dat de Gems een Alpendier zou zijn
in den engsten zin van het woord, d. w. z. uitsluitend boven den
woudgordel, in de onmiddellijke nabijheid van de gletschers zou leven,
is onjuist, daar zij eigenlijk tot de Woud-antilopen behoort. Overal
waar zij ontzien wordt, bewoont zij met duidelijk merkbare voorliefde
jaar in jaar uit den bovensten woudgordel. Van hier begeven deze
dieren zich wel is waar in den zomer in meer of minder grooten getale
naar de hoogere gedeelten van het gebergte, om weken en maanden lang
in de nabijheid van de firnsneeuw en van de gletschers te blijven,
en tijdelijk de hoogst gelegen weiden en boomlooze rotsen te bewonen;
de meeste Gemzen van een gebied worden echter ook nog gedurende den
zomer in den bovensten woudgordel aangetroffen. Zelfs zij, die in dit
seizoen op de bergkammen en in het gletschergebied verblijf houden,
treft men bij hevig onweder in het woud aan; vooral ook is dit het
geval, wanneer zware stormen in aantocht zijn, die zij dikwijls reeds
twee dagen te voren schijnen te voorzien, voorts in den na-herfst en
in den winter. Steeds echter keeren zij ten spoedigste weder naar
hare hoogere woonplaatsen terug, omdat de sneeuw hier bijna altijd
vroeger verstuift of wegdooit dan in het dal.
De Gems is gewoon des nachts te rusten. Als de morgenschemering
aanvangt, verheft zij zich van haar leger en gaat op voedsel uit,
waarbij zij in den regel langzaam in benedenwaartsche richting
loopt. De voormiddag-uren brengt zij herkauwend in de schaduw
van overhangende rotsen of onder de takken van oude dennen door;
gewoonlijk ligt zij dan op de saamgebogen pooten zoo gemakkelijk
mogelijk uitgestrekt. Tegen den middag klimt zij langzaam naar boven en
rust des namiddags weder eenige uren onder boomen, op vooruitstekende
en gladde rotsterrassen, op firn-sneeuw en dergelijke, meestal vrije
plaatsen; deze worden niet geregeld telkens weder opgezocht, maar zijn
willekeurig gelegen, nu eens hier, dan weer daar. Tegen den avond gaat
zij nogmaals voedsel zoeken en na het begin van de schemering legt zij
zich te ruste. Naar men zegt, wijkt zij in den zomer, wanneer de maan
's nachts helder schijnt, soms van deze tijdverdeeling af.
De Gemzen zijn zeer gezellige dieren; zij vereenigen zich tot
troepen, die soms uit een zeer groot aantal individuën bestaan. Deze
gezelschappen worden gevormd door de Geiten, hare jongen en de
jongste bokken tot in het tweede of hoogstens derde levensjaar. De
oude bokken leven buiten den paartijd afzonderlijk of vereenigingen
zich misschien met een, twee of drie van huns gelijken; met deze
blijven zij echter, naar het schijnt, nooit gedurenden langen tijd in
innige gemeenschap. In elken troep treedt een oude ervaren geit als
aanvoerster op. Deze regelt meestal de bewegingen van den troep; zij
doet dit echter op lange na niet altijd, evenmin als hare gezellen zich
eenig en alleen op haar waakzaamheid verlaten. Bij iederen rustenden
troep merkt men geregeld een of meer dieren op, die rechtopstaan en om
zich heenkijken; deze zijn het meestal, die de overige kennis geven van
de nadering van een gevaarlijk wezen. Zij oefenen echter geen ambt uit,
dat hun opgedragen werd, maar volgen eenvoudig een aandrift, die alle
gelijkelijk beheerscht en zich op gelijke wijze openbaart. Iedere Gems,
die een verdacht verschijnsel opmerkt, geeft dit te kennen door een
op grooten afstand hoorbaar gefluit; zij stampt tevens met den eenen
voorpoot op den grond. Zoodra de troep zich overtuigd heeft van het
werkelijk bestaan van een gevaar, nemen alle onmiddellijk de vlucht.
De Gems staat bij de ons reeds bekende bergbewoners uit haar familie
niet achter, wat hare bewegingen betreft. Zij klimt behendig, springt
zonder haar doel te missen, kortom zij is een koene en wakkere
bergbestijger, die zich snel en flink voortrept op plaatsen die zoo
gevaarlijk zijn, dat geen Alpengeit het wagen zou ze te beklimmen. Als
zij zich langzaam beweegt, is haar gang eenigszins log en onbeholpen en
haar houding niet fraai; zoodra echter haar aandacht getrokken wordt
door een dreigend gevaar en zij op de vlucht gaat, is zij als 't ware
een geheel ander dier geworden. Zij ziet er frisscher, stoutmoediger,
edeler en krachtiger uit; met snelle sprongen spoedt zij zich voort en
verraadt in elk harer bewegingen zoowel kracht als bevalligheid. Over
haar buitengewone vaardigheid in 't springen zijn eenige bepaalde
waarnemingen gedaan: de door Von Wolten gemeten sprongwijdte van een
Gems bedroeg 7 M. De genoemde onderzoeker zag een tamme Gems boven
op een 4 M. hoogen muur en aan den anderen kant er weer afspringen;
zij kwam juist op den rug van een boerenmeid terecht, die daar aan
't grasmaaien was. Overal waar slechts een klein uitsteeksel zichtbaar
is, kan de Gems een steunpunt vinden; in weinige sprongen bereikt zij
een hoog gelegen punt, alsof zij vliegen kan; zij neemt hiertoe een
aanloop en tracht in schuinsche richting op te stijgen. Zij springt
gemakkelijker den berg op, dan er af; met buitengewone behoedzaamheid
zet zij de bijzonder lenige voorpooten neer, opdat er geen steen
zal losraken. Als zij zwaar gewond is, rent zij nog vlug over de
gevaarlijkste paden voort, zelfs door het stukschieten van een poot,
wordt haar geschiktheid om te vluchten slechts weinig verminderd. Hoe
bekwaam en behendig de Gemzen ook zijn, gebeurt het, volgens Schinz,
toch wel eens, dat zij zich begeven hebben naar plaatsen, waar zij
zoomin vooruit, als achteruit kunnen komen, waar zij geen voet meer
kunnen verzetten en van honger bezwijken of in den afgrond storten
moeten. Tschudi vult deze mededeeling aan met de opmerking, dat de
Gems ook in dergelijke gevallen het onmogelijke mogelijk tracht te
maken, door in den afgrond te springen, al zou zij verpletterd beneden
aankomen. "De Gems geeft nooit den moed verloren, d.i. zij blijft
nooit radeloos staan zonder een uitweg te zien, zooals b.v. de Geiten,
die blatend wachten, totdat de herder haar met gevaar voor zijn eigen
leven komt halen. De Gems zal eerder den dood te gemoet springen. Dit
zal echter vermoedelijk zeer zelden geschieden, daar het vermogen om
te oordeelen bij haar veel sterker ontwikkeld is dan bij de Geit. Als
zij op een smallen rotskam geraakt is, en niet verder kan komen,
zal zij een oogenblik bij den afgrond staan blijven en dan pijlsnel
den terugweg aanvaarden, waarbij zij dikwijls de vrees voor de haar
volgende menschen overwint. Als het dier langs een bijna loodrechten
rotswand naar beneden gejaagd wordt, maakt het gebruik van iedere
uitstekende punt, al is deze niet grooter dan een vuist, teneinde de
snelheid van den val te vertragen door althans een oogenblik stil
te staan. Als het geen kans ziet, zulk een steunpunt te bereiken,
begeeft het zich toch omlaag maar buigt hierbij den hals en den kop
naar achteren om het gewicht van het lichaam zooveel mogelijk op de
achterpooten te laten rusten, die dan sterk langs de rotsen schuren
en de vaart van het dier zooveel mogelijk verminderen. Zelfs bij het
naar beneden glijden toont het dier zijn tegenwoordigheid van geest,
door met den romp en pooten te roeien en te werken en zoo gedurende
den val een kromme lijn te beschrijven, wanneer het onderweg een
redding belovend uitsteeksel heeft opgemerkt, dat het op deze wijze
tracht te bereiken."
Hoogst voorzichtig is de Gems bij het overtrekken van met sneeuw
bedekte gletschers, steeds vermijdt zij zorgvuldig de met sneeuw
bedekte spleten, hoewel zij deze met de oogen niet kan waarnemen. Even
behoedzaam en langzaam schrijdt zij langs rotshellingen voort. Eenige
leden van den troep vestigen hun aandacht op de paden, de overige
speuren onverpoosd naar andere gevaren. "Wij hebben gezien," verhaalt
Tschudi, "hoe een troep Gemzen een gevaarlijke, zeer steile, met
rolsteenen bedekte rotshelling overtrekken wilde, en het geduld en
de schranderheid dezer dieren bewonderd. Eén hunner ging vooraan
en klauterde voorzichtig naar boven; de overige wachtten tot het
zijn doel volkomen bereikt had; eerst als er geen steen meer rolde,
volgde het tweede, daarna het derde en zoo voort. Die, welke boven
aangekomen waren, verstrooiden zich niet onmiddellijk over de weide,
maar bleven op den uitkijk staan aan den rand van de helling, totdat
de laatste kameraad zonder ongeval de reis volbracht had." Haar
buitengewone plaatskennis komt de Gems bij hare vermetele tochten
uitmuntend te stade. Zij herinnert zich iederen weg, al heeft zij
dien slechts éénmaal begaan; in haar gebied is haar bij wijze van
spreken iedere steen bekend; juist hierom toont zij zich evenzeer
te huis in het hooge gebergte, als zij onbeholpen schijnt, wanneer
zij het verlaat. "In den zomer van 1815," bericht Tschudi verder,
"vertoonde zich plotseling, tot niet geringe verbazing der ooggetuigen,
een waarschijnlijk gehitste Gemsbok op de weide bij Arbon. Zonder door
vervolging hiertoe genoopt te zijn, sprong zij over alle omheiningen
en daarna in het meer, waar zij lang dwalend rondzwom, en eindelijk,
het verdrinken nabij, met behulp van een schuit gevangen werd. Eenige
jaren te voren werd in het Rijndal een jonge Gems, die in het moeras
was blijven steken, levend gevangen."
De zinnen van de Gemzen zijn ongelijk scherp, maar volstrekt
niet stomper dan bij andere haar verwante dieren. De reuk en het
gehoor zijn vermoedelijk het meest, het gezicht is minder goed
ontwikkeld. De voortreffelijkheid van het reukzintuig der Gemzen
blijkt niet alleen hieruit, dat zij op grooten afstand den vijand
opmerken, maar ook uit de geschiktheid dezer dieren om te speuren;
zij kunnen een spoor vinden en het zonder af te dwalen volgen. Ieder
die Gemzen nagaan of naderen wil, moet zorgvuldig op den wind letten,
omdat de schuwe dieren anders stellig vluchten. Tot op welken afstand
haar reukvermogen reikt, kan niet met zekerheid aangeven worden;
men kan er echter van overtuigd zijn, dat deze afstand de draagwijdte
van een geweer aanmerkelijk overtreft. Ongetwijfeld is de reukzin het
middel, waardoor de Gemzen het eerst en het best gewaarschuwd worden
voor het naderen van een gevaar, of, wat op 't zelfde neerkomt, tot
een onmiddellijke vlucht worden genoopt. Het gehoor, hoewel eveneens
zeer scherp, kan veel lichter aanleiding geven tot zinsbedrog. Om het
kletteren van de vallende steenen bekommert de Gems zich gewoonlijk
zeer weinig; hieraan is zij in het gebergte gewoon geraakt; zelfs het
knallen van een schot maakt niet altijd een bijzonderen indruk op
haar. Als een Gems ondervonden heeft, wat een schot kan uitwerken,
en zij den knal van het vuurwapen goed heeft leeren onderscheiden,
gaat zij natuurlijk zonder eenige aarzeling op de vlucht; in vele
gevallen echter blijft zij na den knal een oogenblik verwonderd staan
en geeft soms den jager gelegenheid haar een tweeden kogel toe te
zenden. De verklaring van dit feit is ten deele hierin gelegen, dat
het in 't gebergte voor haar, evenals voor de menschen, moeielijk is
te beoordeelen, van welken kant het schot kwam, en ook zelfs, of dit
geluid gehoord werd en niet de schok van een losgeraakten steen, die in
de diepte neerploft. Het gezicht van de Gems beheerscht ongetwijfeld
groote afstanden, maar bewijst haar geen dienst bij het herkennen van
stilstaande of verborgen vijanden. Evenals de meeste dieren, herkennen
zij, naar 't schijnt, den bewegingloozen mensch niet als zoodanig; hij
wordt voor haar eerst dan een reden van vrees, als hij zich beweegt.
Kort vóór den paartijd, die omstreeks het midden van November begint en
tot in het begin van December duurt, komen de volwassen bokken bij de
uit wijfjes en jongen bestaande troepen. Zoo stilzwijgend zij gedurende
het overige gedeelte van het jaar zijn, zoo dikwijls hoort men thans
hun stem: een moeielijk navolgbaar, dof en holklinkend geknor. Bij hun
komst stuiven de jonge bokken verschrikt uiteen; de oude mannetjes
daarentegen, die elkander bij één troep ontmoeten, houden stand en
vechten met elkander; daar de volwassen bok geen tweeden bij den
troep duldt, al bestaat deze uit 30 of 40 stuks. De jongen worden in
de laatste dagen van Mei of in het begin van Juni geboren. De oude
geiten werpen dikwijls twee, bij uitzondering zelfs drie jongen;
de jongere wijfjes brengen nooit meer dan één jong ter wereld.
De jongen zijn allerliefste diertjes, die een dichte, wollige, bleek
vaalroode vacht bezitten; zij volgen hun moeder overal en toonen zich
reeds na verloop van een paar dagen even behendig als zij is. Minstens
6 maanden lang behandelt de geit hen met de warmste genegenheid,
is zeer zorgvuldig voor hen en onderricht hen in alle noodzakelijke
kundigheden. Zij bestuurt hare spruiten met een eenigszins aan
't geblaat van een geit herinnerend geluid, leert hen klauteren en
springen en doet hen soms eenige sprongen opzettelijk zoo lang voor,
tot zij behendig genoeg zijn om hetzelfde waagstuk te ondernemen. De
jongen zijn innig aan hun moeder gehecht en verlaten haar, zoolang
zij jong zijn, zelfs niet bij haar dood. Zij groeien zeer snel,
krijgen reeds in de derde levensmaand hoornen en hebben reeds in
het derde levensjaar de volle grootte van het oude dier bereikt. Hun
levensduur wordt op 20 à 25 jaren geschat; 't is moeielijk na te gaan,
of dit terecht of te onrecht geschiedt.
In weerwil van de velerlei gevaren, waaraan zij blootstaan,
vermenigvuldigen de Gemzen zich buitengemeen snel daar, waar zij
ontzien worden en men de jacht op deze dieren door verstandige
maatregelen beperkt heeft; zij zijn, zooals de zeer ervaren Von
Kobell zegt, het eenige wild, dat van de strenge winters betrekkelijk
weinig te lijden heeft. Op de steile hellingen, van welke de sneeuw
meestal door den wind wordt weggejaagd, of onder de rotsen en dennen,
die de sneeuw eenigszins tegenhouden, vinden zij nog altijd voedsel,
terwijl de Herten en Reeën zich naar het dal moeten begeven en zonder
kunstmatige voedering dikwijls om 't leven komen.
Gedurende den zomer voedt de Gems zich met de beste, saprijkste
en lekkerste Alpenplanten, vooral met die, welke in de nabijheid
van de sneeuwgrens groeien, bovendien met de jonge twijgen en de
wortelspruiten van de op deze hoogten groeiende houtige planten,
onverschillig hoe groot zij zijn, zoowel die van het Alpenroosje
als die van de naaldboomen. In het laatste gedeelte van den herfst
en in den winter moet zij zich daarentegen tevreden stellen met het
lange gras, dat boven de sneeuw uitsteekt, en met allerlei mossen
en korstmossen. Zout schijnt voor haar, evenals voor de meeste
Herkauwers, onontbeerlijk te zijn. Drinkwater heeft zij echter niet
noodig; waarschijnlijk stilt zij haar dorst op voldoende wijze door
het aflikken van de met dauw bedekte bladen. Zij is een lekkerbek,
wanneer zij in de gelegenheid is om het te zijn, en stelt geen hooge
eischen, wanneer zij in minder gunstige omstandigheden verkeert. Bij
goede voeding wordt zij vet en neemt zeer sterk in omvang en gewicht
toe; bij armoedige kost daarentegen vermagert zij schielijk weder. Om
de hooischelven, die men in sommige Alpengewesten in de vrije natuur
opstapelt, verzamelen zich dikwijls troepen van Gemzen; deze vreten
langzamerhand zulke diepe gaten in den hooibult, dat zij van deze
ook gebruik kunnen maken als schuilplaats tegen stormen. Op andere
plaatsen daarentegen, waar zulke hooischelven niet voorkomen, nemen
zij zelfs in den strengsten winter geen voedsel van den mensch aan;
zij lijden daar gebrek en vermageren.
De winter is voor de Gemzen echter een tijd niet alleen van gebrek
maar ook van gevaar; soms worden geheele troepen van deze dieren door
sneeuwlawinen bedolven. Hoewel zij dit gevaar kennen, en plaatsen
opzoeken, waar zij er het meest tegen beveiligd zijn, kunnen zij zich
er niet altijd tegen vrijwaren. Ook worden verscheidene van haar gedood
door rollende steenen en neerstortende rotsblokken. Besmettelijke
en andere ziekten richten onder dit wild verwoestingen aan; tal van
vijanden, hoofdzakelijk Los, Wolf, Beer en Arend, zitten het steeds
op de hielen. De Lossen beloeren het des winters in de wouden, en
richten er soms een groote slachting onder aan; de Wolven vervolgen
het vooral, als er een dikke sneeuwlaag ligt; de Beren boezemen het
op zijn minst genomen grooten angst in. In Engadin moet een Beer een
Gems eens nageloopen zijn tot in een dorp, waar het vervolgde dier
zich in een houtloods wist te redden. De Arenden brengen het leven
van de Gems niet minder in gevaar, daar zij, als een bliksemstraal
uit den helderen hemel, zich op haar werpen, jonge dieren zonder eenig
bezwaar van den bodem opnemen, en oudere, ondanks de tegenweer die zij
bieden, in den afgrond trachten te stooten. Bij deze vijanden, die
bijna uitgeroeid zijn in de gewesten, waar men de Gemzen beschermt,
komt nog als allergevaarlijkste vijand de mensch, overal waar geen
vaste jachtwetten of jachtgebruiken een geregelde bescherming van
het edele wild trachten te bewerken en werkelijk te verschaffen.
Van oudsher werd de gemzenjacht beschouwd als een vermaak, dat
den edelsten man betaamt. Maximiliaan, de groote Duitsche Keizer,
schiep er behagen in de verblijfplaatsen van de kinderen der Alpen te
beklimmen en volgde hen zelfs op zulke gevaarlijke hoogten, dat er,
naar de overlevering bericht, een wonder noodig was, om hem weder
naar beneden in de voor menschen geschikte vlakte te brengen. Weinige
Duitsche vorsten waren even hartstochtelijke liefhebbers van de
gemzenjacht als hij. De aartsbisschoppen hielden zich met deze jacht
bezig en vaardigden wetten uit tot bescherming en instandhouding van
het reeds in dien tijd zeldzamer wordende wild. Het bezoar-bijgeloof
gaf aanleiding tot onbarmhartige vervolgingen van deze dieren. Daarop
volgde een tijdperk van bijna 100 jaren, waarin de gemzenjacht als 't
ware uit de mode was. Onder de grooten der aarde greep _Aartshertog_
Johan _van Oostenrijk_ voor 't eerst weer naar de buks, hem volgden de
Koningen van Beieren en eenige van de Duitsche Hertogen. Tegenwoordig
is deze jacht een vorstelijk vermaak geworden. De jachtdistricten, die
het rijkst zijn aan Gemzen, behooren aan den Keizer van Oostenrijk,
aan den Koning van Beieren, aan verscheidene Aartshertogen van het
keizerlijke huis en aan rijke edelen van de Oostenrijksch-Hongaarsche
monarchie. Daar het wild onder toezicht staat van ervarene, meestal
in het midden van deze districten wonende jagers, is hier ieder
jaar gelegenheid tot het houden van jachtpartijen, die niet minder
aantrekkelijk dan voordeelig zijn.
"Over de gemzenjacht," zegt Franz von Kobell, "is zeer veel
geschreven. Dikwijls heeft iemand, die hoogstens een paar jachttochten
bijwoonde, de pen opgevat en--al naar de stemming waarin hij
verkeerde, of de bijzonderheden, die de tocht, waarvan hij getuige
was, opleverde--deze jacht voorgesteld als de gevaarlijkste van alle,
of den lezer in den waan trachten te brengen, dat zij niet veel meer
te beteekenen heeft dan een drijf jacht op Reeën en Hazen. Dat deze
jacht romantischer is dan de meeste andere, ligt aan den aard van
het gebied, waarop zij plaats heeft; wat echter de gevaren betreft,
die de jager loopt, deze hangen af van de wijze van jagen en van de
omstandigheden, waaronder men jaagt. Ook hem, die vele malen Gemzen
heeft nagespoord, zal waarschijnlijk wel een rilling door de leden
zijn gegaan, als hij bij het beklimmen van een bergwand of bij het
doortrekken van een kloof plotseling het gekletter hoorde van de door
vluchtende Gemzen losgemaakte en vallende steenen, en ter nauwernood
het lijf kon bergen onder een vooruitstekende rots, of als hij, bij
't achternaklimmen van een aangeschoten Gems, onverwachts op plaatsen
kwam; waar de gevolgen van het mislukken van een stap of sprong, die
toch noodzakelijk gedaan moest worden, hem wat al te duidelijk voor
den geest kwam.... Men moet zich trouwens ook al weer niet voorstellen,
dat de gemzenjagers altijd, als Vliegen aan den muur, langs rotswanden
moeten op- en neerkrabbelen. De plaats is dikwijls zoo gunstig gelegen,
dat men zonder bijzondere kunst en moeite zijn buit verwerft, vooral
bij een drijfjacht, wanneer b. v. de wissels over een Alpenweg gaan, of
door een lagen woudrand, of zelfs door het dal. Er is bijna geen jacht
te bedenken, waarbij deze omstandigheden meer uiteen kunnen loopen.