Buitengewoon bekwaam in het beklimmen van bergen is de _Goral_,

(_Nemorhoedus goral_), die de grootte van een Geit bereikt. Zijn

verbreidingsgebied is beperkt tot den Himalaja en, wel tot den gordel,

die tusschen 1000 en 2600 M. hoogte gelegen is. Volgens Kinloch leeft

hij gezellig, dikwijls in groote troepen, gewoonlijk echter over

een groote oppervlakte verstrooid in kleine gezelschappen, ook wel

afzonderlijk en paarsgewijs. Hij bewoont zoowel de bosschen als de

kale rotsen en steenachtige hellingen; het liefst echter houdt hij

verblijf op steile klippen, die met ijl kreupelhout en groepen van

dicht bijeengeplaatste boomen begroeid zijn. De bewoners van Nepal

beschouwen hem als het snelvoetigste van alle wezens. Tot dusver is

de Goral nog niet levend naar Europa overgebracht; zelfs de huiden

van deze dieren behooren in de musea tot de zeldzaamheden.

Op deze uitheemsche Berg-antilopen kunnen wij de bevallige,

fel vervolgde bewoners der Europeesche bergen, de _Gemzen_, laten

volgen. Zij worden tot een afzonderlijk geslacht (_Capella_) gerekend,

welks voornaamste kenteeken gelegen is in de loodrecht bovenwaarts

gerichte, met de spits haakvormig naar achteren gekromde hoornen.

De _Gems_ (_Capella rupicapra_), de eenige soort van haar geslacht,

bereikt een lengte van 1.1 M., waarvan 8 cM. op den staart komen;

de hoogte van de schoft bedraagt 75, die van het kruis 80 cM., het

gewicht 40 à 45 KG. De hoornen zijn, volgens de kromming gemeten,

ongeveer 25 cM. lang; zij staan bij den bok verder van elkander

af en zijn ook dikker en sterker gekromd dan bij de Geit. Voor 't

overige gelijken het mannetje en het wijfje volkomen op elkander,

hoewel de bokken in den regel iets forscher zijn dan de Geiten. Al

naar het jaargetijde verschilt het haarkleed van de Gemzen. In

den zomer gaat de vuil-roodbruine of roestroode hoofdkleur aan de

onderzijde in lichtroodachtig geel over; over het midden van den rug

loopt een zwartbruine streep; de keel is vaalgeel, de nek geelachtig

wit; op de schouders, de schenkels, de borst en de flanken wordt

deze kleur donkerder; een streep op de achterzijde toont een bijna

op wit gelijkende nuance van geel. Van de ooren tot over de oogen

loopt een smalle, zwartachtige, overlangsche streep, die bij de vale

grondkleur scherp afsteekt. Gedurende den winter is de Gems van boven

donkerbruin of glanzig bruinzwart, aan den buik wit; de pooten zien

er van onderen lichter uit dan van boven en hebben een roodere tint;

de voeten zijn geelachtig wit, evenals de kop, die op de kruin en aan

den snuit een weinig donkerder van kleur is. De overlangsche streep

van de spits van den snuit tot aan de ooren is donker zwartbruin. De

haarwisseling heeft zoo langzaam plaats, dat het zuivere winterkleed,

zoowel als het zuivere zomerkleed steeds slechts gedurende zeer korten

tijd gedragen wordt. De jonge dieren zijn roodbruin en lichter van

kleur in de omgeving van de oogen. Zelden ontmoet men lichtkleurige

verscheidenheden of albino's.

De Alpen zijn het eigenlijke vaderland van de Gemzen. Wel strekt

haar verbreidingsgebied zich nog aanmerkelijk verder uit; daar zij

ook gevonden worden in de Abruzzen, Pyreneeën, de gebergten van de

kusten van Cantabrië, Dalmatië en Griekenland, de Karpathen, vooral

op de toppen van den Hoogen Tatra, in de Transsylvanische Alpen, en

eindelijk in den Kaukasus, in Taurië en Georgië. In de Zwitsersche

Alpen is zij tegenwoordig zeldzaam, althans veel minder talrijk dan in

de oostelijke Alpen, vooral in Opper-Beieren, Salzburg, Salzkammergut,

Stiermarken en Karinthië, waar zij, beschermd en gespaard door

welvarende en jachtkundige groote grondeigenaars of jachtpachters,

in zeer grooten getale leeft. Ook zijn zij veelvuldig op de steile,

ontoegankelijke hoogten van de middelste Karpathen, hoewel hier geen

maatregelen ter harer bescherming genomen worden.

De algemeen verbreide meening, dat de Gems een Alpendier zou zijn

in den engsten zin van het woord, d. w. z. uitsluitend boven den

woudgordel, in de onmiddellijke nabijheid van de gletschers zou leven,

is onjuist, daar zij eigenlijk tot de Woud-antilopen behoort. Overal

waar zij ontzien wordt, bewoont zij met duidelijk merkbare voorliefde

jaar in jaar uit den bovensten woudgordel. Van hier begeven deze

dieren zich wel is waar in den zomer in meer of minder grooten getale

naar de hoogere gedeelten van het gebergte, om weken en maanden lang

in de nabijheid van de firnsneeuw en van de gletschers te blijven,

en tijdelijk de hoogst gelegen weiden en boomlooze rotsen te bewonen;

de meeste Gemzen van een gebied worden echter ook nog gedurende den

zomer in den bovensten woudgordel aangetroffen. Zelfs zij, die in dit

seizoen op de bergkammen en in het gletschergebied verblijf houden,

treft men bij hevig onweder in het woud aan; vooral ook is dit het

geval, wanneer zware stormen in aantocht zijn, die zij dikwijls reeds

twee dagen te voren schijnen te voorzien, voorts in den na-herfst en

in den winter. Steeds echter keeren zij ten spoedigste weder naar

hare hoogere woonplaatsen terug, omdat de sneeuw hier bijna altijd

vroeger verstuift of wegdooit dan in het dal.

De Gems is gewoon des nachts te rusten. Als de morgenschemering

aanvangt, verheft zij zich van haar leger en gaat op voedsel uit,

waarbij zij in den regel langzaam in benedenwaartsche richting

loopt. De voormiddag-uren brengt zij herkauwend in de schaduw

van overhangende rotsen of onder de takken van oude dennen door;

gewoonlijk ligt zij dan op de saamgebogen pooten zoo gemakkelijk

mogelijk uitgestrekt. Tegen den middag klimt zij langzaam naar boven en

rust des namiddags weder eenige uren onder boomen, op vooruitstekende

en gladde rotsterrassen, op firn-sneeuw en dergelijke, meestal vrije

plaatsen; deze worden niet geregeld telkens weder opgezocht, maar zijn

willekeurig gelegen, nu eens hier, dan weer daar. Tegen den avond gaat

zij nogmaals voedsel zoeken en na het begin van de schemering legt zij

zich te ruste. Naar men zegt, wijkt zij in den zomer, wanneer de maan

's nachts helder schijnt, soms van deze tijdverdeeling af.

De Gemzen zijn zeer gezellige dieren; zij vereenigen zich tot

troepen, die soms uit een zeer groot aantal individuën bestaan. Deze

gezelschappen worden gevormd door de Geiten, hare jongen en de

jongste bokken tot in het tweede of hoogstens derde levensjaar. De

oude bokken leven buiten den paartijd afzonderlijk of vereenigingen

zich misschien met een, twee of drie van huns gelijken; met deze

blijven zij echter, naar het schijnt, nooit gedurenden langen tijd in

innige gemeenschap. In elken troep treedt een oude ervaren geit als

aanvoerster op. Deze regelt meestal de bewegingen van den troep; zij

doet dit echter op lange na niet altijd, evenmin als hare gezellen zich

eenig en alleen op haar waakzaamheid verlaten. Bij iederen rustenden

troep merkt men geregeld een of meer dieren op, die rechtopstaan en om

zich heenkijken; deze zijn het meestal, die de overige kennis geven van

de nadering van een gevaarlijk wezen. Zij oefenen echter geen ambt uit,

dat hun opgedragen werd, maar volgen eenvoudig een aandrift, die alle

gelijkelijk beheerscht en zich op gelijke wijze openbaart. Iedere Gems,

die een verdacht verschijnsel opmerkt, geeft dit te kennen door een

op grooten afstand hoorbaar gefluit; zij stampt tevens met den eenen

voorpoot op den grond. Zoodra de troep zich overtuigd heeft van het

werkelijk bestaan van een gevaar, nemen alle onmiddellijk de vlucht.

De Gems staat bij de ons reeds bekende bergbewoners uit haar familie

niet achter, wat hare bewegingen betreft. Zij klimt behendig, springt

zonder haar doel te missen, kortom zij is een koene en wakkere

bergbestijger, die zich snel en flink voortrept op plaatsen die zoo

gevaarlijk zijn, dat geen Alpengeit het wagen zou ze te beklimmen. Als

zij zich langzaam beweegt, is haar gang eenigszins log en onbeholpen en

haar houding niet fraai; zoodra echter haar aandacht getrokken wordt

door een dreigend gevaar en zij op de vlucht gaat, is zij als 't ware

een geheel ander dier geworden. Zij ziet er frisscher, stoutmoediger,

edeler en krachtiger uit; met snelle sprongen spoedt zij zich voort en

verraadt in elk harer bewegingen zoowel kracht als bevalligheid. Over

haar buitengewone vaardigheid in 't springen zijn eenige bepaalde

waarnemingen gedaan: de door Von Wolten gemeten sprongwijdte van een

Gems bedroeg 7 M. De genoemde onderzoeker zag een tamme Gems boven

op een 4 M. hoogen muur en aan den anderen kant er weer afspringen;

zij kwam juist op den rug van een boerenmeid terecht, die daar aan

't grasmaaien was. Overal waar slechts een klein uitsteeksel zichtbaar

is, kan de Gems een steunpunt vinden; in weinige sprongen bereikt zij

een hoog gelegen punt, alsof zij vliegen kan; zij neemt hiertoe een

aanloop en tracht in schuinsche richting op te stijgen. Zij springt

gemakkelijker den berg op, dan er af; met buitengewone behoedzaamheid

zet zij de bijzonder lenige voorpooten neer, opdat er geen steen

zal losraken. Als zij zwaar gewond is, rent zij nog vlug over de

gevaarlijkste paden voort, zelfs door het stukschieten van een poot,

wordt haar geschiktheid om te vluchten slechts weinig verminderd. Hoe

bekwaam en behendig de Gemzen ook zijn, gebeurt het, volgens Schinz,

toch wel eens, dat zij zich begeven hebben naar plaatsen, waar zij

zoomin vooruit, als achteruit kunnen komen, waar zij geen voet meer

kunnen verzetten en van honger bezwijken of in den afgrond storten

moeten. Tschudi vult deze mededeeling aan met de opmerking, dat de

Gems ook in dergelijke gevallen het onmogelijke mogelijk tracht te

maken, door in den afgrond te springen, al zou zij verpletterd beneden

aankomen. "De Gems geeft nooit den moed verloren, d.i. zij blijft

nooit radeloos staan zonder een uitweg te zien, zooals b.v. de Geiten,

die blatend wachten, totdat de herder haar met gevaar voor zijn eigen

leven komt halen. De Gems zal eerder den dood te gemoet springen. Dit

zal echter vermoedelijk zeer zelden geschieden, daar het vermogen om

te oordeelen bij haar veel sterker ontwikkeld is dan bij de Geit. Als

zij op een smallen rotskam geraakt is, en niet verder kan komen,

zal zij een oogenblik bij den afgrond staan blijven en dan pijlsnel

den terugweg aanvaarden, waarbij zij dikwijls de vrees voor de haar

volgende menschen overwint. Als het dier langs een bijna loodrechten

rotswand naar beneden gejaagd wordt, maakt het gebruik van iedere

uitstekende punt, al is deze niet grooter dan een vuist, teneinde de

snelheid van den val te vertragen door althans een oogenblik stil

te staan. Als het geen kans ziet, zulk een steunpunt te bereiken,

begeeft het zich toch omlaag maar buigt hierbij den hals en den kop

naar achteren om het gewicht van het lichaam zooveel mogelijk op de

achterpooten te laten rusten, die dan sterk langs de rotsen schuren

en de vaart van het dier zooveel mogelijk verminderen. Zelfs bij het

naar beneden glijden toont het dier zijn tegenwoordigheid van geest,

door met den romp en pooten te roeien en te werken en zoo gedurende

den val een kromme lijn te beschrijven, wanneer het onderweg een

redding belovend uitsteeksel heeft opgemerkt, dat het op deze wijze

tracht te bereiken."

Hoogst voorzichtig is de Gems bij het overtrekken van met sneeuw

bedekte gletschers, steeds vermijdt zij zorgvuldig de met sneeuw

bedekte spleten, hoewel zij deze met de oogen niet kan waarnemen. Even

behoedzaam en langzaam schrijdt zij langs rotshellingen voort. Eenige

leden van den troep vestigen hun aandacht op de paden, de overige

speuren onverpoosd naar andere gevaren. "Wij hebben gezien," verhaalt

Tschudi, "hoe een troep Gemzen een gevaarlijke, zeer steile, met

rolsteenen bedekte rotshelling overtrekken wilde, en het geduld en

de schranderheid dezer dieren bewonderd. Eén hunner ging vooraan

en klauterde voorzichtig naar boven; de overige wachtten tot het

zijn doel volkomen bereikt had; eerst als er geen steen meer rolde,

volgde het tweede, daarna het derde en zoo voort. Die, welke boven

aangekomen waren, verstrooiden zich niet onmiddellijk over de weide,

maar bleven op den uitkijk staan aan den rand van de helling, totdat

de laatste kameraad zonder ongeval de reis volbracht had." Haar

buitengewone plaatskennis komt de Gems bij hare vermetele tochten

uitmuntend te stade. Zij herinnert zich iederen weg, al heeft zij

dien slechts éénmaal begaan; in haar gebied is haar bij wijze van

spreken iedere steen bekend; juist hierom toont zij zich evenzeer

te huis in het hooge gebergte, als zij onbeholpen schijnt, wanneer

zij het verlaat. "In den zomer van 1815," bericht Tschudi verder,

"vertoonde zich plotseling, tot niet geringe verbazing der ooggetuigen,

een waarschijnlijk gehitste Gemsbok op de weide bij Arbon. Zonder door

vervolging hiertoe genoopt te zijn, sprong zij over alle omheiningen

en daarna in het meer, waar zij lang dwalend rondzwom, en eindelijk,

het verdrinken nabij, met behulp van een schuit gevangen werd. Eenige

jaren te voren werd in het Rijndal een jonge Gems, die in het moeras

was blijven steken, levend gevangen."

De zinnen van de Gemzen zijn ongelijk scherp, maar volstrekt

niet stomper dan bij andere haar verwante dieren. De reuk en het

gehoor zijn vermoedelijk het meest, het gezicht is minder goed

ontwikkeld. De voortreffelijkheid van het reukzintuig der Gemzen

blijkt niet alleen hieruit, dat zij op grooten afstand den vijand

opmerken, maar ook uit de geschiktheid dezer dieren om te speuren;

zij kunnen een spoor vinden en het zonder af te dwalen volgen. Ieder

die Gemzen nagaan of naderen wil, moet zorgvuldig op den wind letten,

omdat de schuwe dieren anders stellig vluchten. Tot op welken afstand

haar reukvermogen reikt, kan niet met zekerheid aangeven worden;

men kan er echter van overtuigd zijn, dat deze afstand de draagwijdte

van een geweer aanmerkelijk overtreft. Ongetwijfeld is de reukzin het

middel, waardoor de Gemzen het eerst en het best gewaarschuwd worden

voor het naderen van een gevaar, of, wat op 't zelfde neerkomt, tot

een onmiddellijke vlucht worden genoopt. Het gehoor, hoewel eveneens

zeer scherp, kan veel lichter aanleiding geven tot zinsbedrog. Om het

kletteren van de vallende steenen bekommert de Gems zich gewoonlijk

zeer weinig; hieraan is zij in het gebergte gewoon geraakt; zelfs het

knallen van een schot maakt niet altijd een bijzonderen indruk op

haar. Als een Gems ondervonden heeft, wat een schot kan uitwerken,

en zij den knal van het vuurwapen goed heeft leeren onderscheiden,

gaat zij natuurlijk zonder eenige aarzeling op de vlucht; in vele

gevallen echter blijft zij na den knal een oogenblik verwonderd staan

en geeft soms den jager gelegenheid haar een tweeden kogel toe te

zenden. De verklaring van dit feit is ten deele hierin gelegen, dat

het in 't gebergte voor haar, evenals voor de menschen, moeielijk is

te beoordeelen, van welken kant het schot kwam, en ook zelfs, of dit

geluid gehoord werd en niet de schok van een losgeraakten steen, die in

de diepte neerploft. Het gezicht van de Gems beheerscht ongetwijfeld

groote afstanden, maar bewijst haar geen dienst bij het herkennen van

stilstaande of verborgen vijanden. Evenals de meeste dieren, herkennen

zij, naar 't schijnt, den bewegingloozen mensch niet als zoodanig; hij

wordt voor haar eerst dan een reden van vrees, als hij zich beweegt.

Kort vóór den paartijd, die omstreeks het midden van November begint en

tot in het begin van December duurt, komen de volwassen bokken bij de

uit wijfjes en jongen bestaande troepen. Zoo stilzwijgend zij gedurende

het overige gedeelte van het jaar zijn, zoo dikwijls hoort men thans

hun stem: een moeielijk navolgbaar, dof en holklinkend geknor. Bij hun

komst stuiven de jonge bokken verschrikt uiteen; de oude mannetjes

daarentegen, die elkander bij één troep ontmoeten, houden stand en

vechten met elkander; daar de volwassen bok geen tweeden bij den

troep duldt, al bestaat deze uit 30 of 40 stuks. De jongen worden in

de laatste dagen van Mei of in het begin van Juni geboren. De oude

geiten werpen dikwijls twee, bij uitzondering zelfs drie jongen;

de jongere wijfjes brengen nooit meer dan één jong ter wereld.

De jongen zijn allerliefste diertjes, die een dichte, wollige, bleek

vaalroode vacht bezitten; zij volgen hun moeder overal en toonen zich

reeds na verloop van een paar dagen even behendig als zij is. Minstens

6 maanden lang behandelt de geit hen met de warmste genegenheid,

is zeer zorgvuldig voor hen en onderricht hen in alle noodzakelijke

kundigheden. Zij bestuurt hare spruiten met een eenigszins aan

't geblaat van een geit herinnerend geluid, leert hen klauteren en

springen en doet hen soms eenige sprongen opzettelijk zoo lang voor,

tot zij behendig genoeg zijn om hetzelfde waagstuk te ondernemen. De

jongen zijn innig aan hun moeder gehecht en verlaten haar, zoolang

zij jong zijn, zelfs niet bij haar dood. Zij groeien zeer snel,

krijgen reeds in de derde levensmaand hoornen en hebben reeds in

het derde levensjaar de volle grootte van het oude dier bereikt. Hun

levensduur wordt op 20 à 25 jaren geschat; 't is moeielijk na te gaan,

of dit terecht of te onrecht geschiedt.

In weerwil van de velerlei gevaren, waaraan zij blootstaan,

vermenigvuldigen de Gemzen zich buitengemeen snel daar, waar zij

ontzien worden en men de jacht op deze dieren door verstandige

maatregelen beperkt heeft; zij zijn, zooals de zeer ervaren Von

Kobell zegt, het eenige wild, dat van de strenge winters betrekkelijk

weinig te lijden heeft. Op de steile hellingen, van welke de sneeuw

meestal door den wind wordt weggejaagd, of onder de rotsen en dennen,

die de sneeuw eenigszins tegenhouden, vinden zij nog altijd voedsel,

terwijl de Herten en Reeën zich naar het dal moeten begeven en zonder

kunstmatige voedering dikwijls om 't leven komen.

Gedurende den zomer voedt de Gems zich met de beste, saprijkste

en lekkerste Alpenplanten, vooral met die, welke in de nabijheid

van de sneeuwgrens groeien, bovendien met de jonge twijgen en de

wortelspruiten van de op deze hoogten groeiende houtige planten,

onverschillig hoe groot zij zijn, zoowel die van het Alpenroosje

als die van de naaldboomen. In het laatste gedeelte van den herfst

en in den winter moet zij zich daarentegen tevreden stellen met het

lange gras, dat boven de sneeuw uitsteekt, en met allerlei mossen

en korstmossen. Zout schijnt voor haar, evenals voor de meeste

Herkauwers, onontbeerlijk te zijn. Drinkwater heeft zij echter niet

noodig; waarschijnlijk stilt zij haar dorst op voldoende wijze door

het aflikken van de met dauw bedekte bladen. Zij is een lekkerbek,

wanneer zij in de gelegenheid is om het te zijn, en stelt geen hooge

eischen, wanneer zij in minder gunstige omstandigheden verkeert. Bij

goede voeding wordt zij vet en neemt zeer sterk in omvang en gewicht

toe; bij armoedige kost daarentegen vermagert zij schielijk weder. Om

de hooischelven, die men in sommige Alpengewesten in de vrije natuur

opstapelt, verzamelen zich dikwijls troepen van Gemzen; deze vreten

langzamerhand zulke diepe gaten in den hooibult, dat zij van deze

ook gebruik kunnen maken als schuilplaats tegen stormen. Op andere

plaatsen daarentegen, waar zulke hooischelven niet voorkomen, nemen

zij zelfs in den strengsten winter geen voedsel van den mensch aan;

zij lijden daar gebrek en vermageren.

De winter is voor de Gemzen echter een tijd niet alleen van gebrek

maar ook van gevaar; soms worden geheele troepen van deze dieren door

sneeuwlawinen bedolven. Hoewel zij dit gevaar kennen, en plaatsen

opzoeken, waar zij er het meest tegen beveiligd zijn, kunnen zij zich

er niet altijd tegen vrijwaren. Ook worden verscheidene van haar gedood

door rollende steenen en neerstortende rotsblokken. Besmettelijke

en andere ziekten richten onder dit wild verwoestingen aan; tal van

vijanden, hoofdzakelijk Los, Wolf, Beer en Arend, zitten het steeds

op de hielen. De Lossen beloeren het des winters in de wouden, en

richten er soms een groote slachting onder aan; de Wolven vervolgen

het vooral, als er een dikke sneeuwlaag ligt; de Beren boezemen het

op zijn minst genomen grooten angst in. In Engadin moet een Beer een

Gems eens nageloopen zijn tot in een dorp, waar het vervolgde dier

zich in een houtloods wist te redden. De Arenden brengen het leven

van de Gems niet minder in gevaar, daar zij, als een bliksemstraal

uit den helderen hemel, zich op haar werpen, jonge dieren zonder eenig

bezwaar van den bodem opnemen, en oudere, ondanks de tegenweer die zij

bieden, in den afgrond trachten te stooten. Bij deze vijanden, die

bijna uitgeroeid zijn in de gewesten, waar men de Gemzen beschermt,

komt nog als allergevaarlijkste vijand de mensch, overal waar geen

vaste jachtwetten of jachtgebruiken een geregelde bescherming van

het edele wild trachten te bewerken en werkelijk te verschaffen.

Van oudsher werd de gemzenjacht beschouwd als een vermaak, dat

den edelsten man betaamt. Maximiliaan, de groote Duitsche Keizer,

schiep er behagen in de verblijfplaatsen van de kinderen der Alpen te

beklimmen en volgde hen zelfs op zulke gevaarlijke hoogten, dat er,

naar de overlevering bericht, een wonder noodig was, om hem weder

naar beneden in de voor menschen geschikte vlakte te brengen. Weinige

Duitsche vorsten waren even hartstochtelijke liefhebbers van de

gemzenjacht als hij. De aartsbisschoppen hielden zich met deze jacht

bezig en vaardigden wetten uit tot bescherming en instandhouding van

het reeds in dien tijd zeldzamer wordende wild. Het bezoar-bijgeloof

gaf aanleiding tot onbarmhartige vervolgingen van deze dieren. Daarop

volgde een tijdperk van bijna 100 jaren, waarin de gemzenjacht als 't

ware uit de mode was. Onder de grooten der aarde greep _Aartshertog_

Johan _van Oostenrijk_ voor 't eerst weer naar de buks, hem volgden de

Koningen van Beieren en eenige van de Duitsche Hertogen. Tegenwoordig

is deze jacht een vorstelijk vermaak geworden. De jachtdistricten, die

het rijkst zijn aan Gemzen, behooren aan den Keizer van Oostenrijk,

aan den Koning van Beieren, aan verscheidene Aartshertogen van het

keizerlijke huis en aan rijke edelen van de Oostenrijksch-Hongaarsche

monarchie. Daar het wild onder toezicht staat van ervarene, meestal

in het midden van deze districten wonende jagers, is hier ieder

jaar gelegenheid tot het houden van jachtpartijen, die niet minder

aantrekkelijk dan voordeelig zijn.

"Over de gemzenjacht," zegt Franz von Kobell, "is zeer veel

geschreven. Dikwijls heeft iemand, die hoogstens een paar jachttochten

bijwoonde, de pen opgevat en--al naar de stemming waarin hij

verkeerde, of de bijzonderheden, die de tocht, waarvan hij getuige

was, opleverde--deze jacht voorgesteld als de gevaarlijkste van alle,

of den lezer in den waan trachten te brengen, dat zij niet veel meer

te beteekenen heeft dan een drijf jacht op Reeën en Hazen. Dat deze

jacht romantischer is dan de meeste andere, ligt aan den aard van

het gebied, waarop zij plaats heeft; wat echter de gevaren betreft,

die de jager loopt, deze hangen af van de wijze van jagen en van de

omstandigheden, waaronder men jaagt. Ook hem, die vele malen Gemzen

heeft nagespoord, zal waarschijnlijk wel een rilling door de leden

zijn gegaan, als hij bij het beklimmen van een bergwand of bij het

doortrekken van een kloof plotseling het gekletter hoorde van de door

vluchtende Gemzen losgemaakte en vallende steenen, en ter nauwernood

het lijf kon bergen onder een vooruitstekende rots, of als hij, bij

't achternaklimmen van een aangeschoten Gems, onverwachts op plaatsen

kwam; waar de gevolgen van het mislukken van een stap of sprong, die

toch noodzakelijk gedaan moest worden, hem wat al te duidelijk voor

den geest kwam.... Men moet zich trouwens ook al weer niet voorstellen,

dat de gemzenjagers altijd, als Vliegen aan den muur, langs rotswanden

moeten op- en neerkrabbelen. De plaats is dikwijls zoo gunstig gelegen,

dat men zonder bijzondere kunst en moeite zijn buit verwerft, vooral

bij een drijfjacht, wanneer b. v. de wissels over een Alpenweg gaan, of

door een lagen woudrand, of zelfs door het dal. Er is bijna geen jacht

te bedenken, waarbij deze omstandigheden meer uiteen kunnen loopen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 17 / 28 段