in Afrika verbreid, daar hij van het Kaapland af door de oostelijke
helft van het werelddeel tot in de Nijllanden voorkomt. In de meer
binnenwaarts gelegen gewesten van de westelijke helft van Afrika
en dus ook in het Congo-gebied, ontbreekt hij, naar het schijnt,
geheel. De Koedoe bewoont, misschien bij voorkeur, rotsachtige en
bergachtige landstreken, hoewel hij, althans in Zuid-Afrika, ook
in de vlakte gevonden wordt; hij houdt van de met struiken of met
boomen begroeide steppen en is ook nog thuis in de bij wijze van
dsjungels opeengedrongen doornstruikbosschen; een bewoner van het
woud, in de beteekenis die wij aan dit woord hechten, kan men hem
echter niet noemen. In het gebied der Bogos troffen wij hem eerst aan
op een hoogte van 600 M. boven den zeespiegel en tot op een hoogte
van 2000 M., steeds op berghellingen, waar wij hem met statigen tred
tusschen de groene mimosa's zagen loopen. De volwassen bokken leven
afzonderlijk, de overige dieren vereenigen zich gaarne tot kleine
troepen van 4 tot 6 stuks.
In alle landen waar de fiere, fraai geteekende Koedoe voorkomt, is
hij aan hevige vervolgingen blootgesteld. Zijn vleesch is, gelijk ik
zelf ondervonden heb, uitmuntend van smaak; deze herinnert aan dien
van 't vleesch van ons Edelhert. Het merg uit de beenderen wordt
bij sommige volken van Zuid-Afrika als een buitengewone lekkernij
beschouwd. De Kaffers o.a. zullen telkens, als zij een Koedoe hebben
gedood, zich haasten om het vleesch van de beenderen los te maken,
deze door te breken en daarna het merg, zoo rauw als het is, uit de
beenderen zuigen. Ook het vel wordt in het zuiden van Afrika hoog
geschat en voor sommige doeleinden zelfs onontbeerlijk geacht. In
Abessinië looit men het vel; men gebruikt de hoornscheeden--waaruit
men, door de hoornen te laten rotten, de beenpit heeft verwijderd--als
bergplaatsen voor honig, zout, koffie en dergelijke waren.
De jacht op den Koedoe heeft op zeer verschillende wijzen
plaats. Filippini gaf aan het "bekruipen" van het dier de voorkeur
boven iedere andere wijze van jagen. Hij kende de plaatsen waar het
wild zich het liefst ophield en trachtte, voorzichtig sluipend, de
op verren afstand zichtbare, hooge gestalten te naderen. Het liefst
ging hij des namiddags ter jacht, omdat de Agasén zich dan naar de
dalen begeeft om te drinken. Ook de "aanstand" op den "wissel" zou
goed gelukken, omdat de Agasén trouw hetzelfde pad blijft volgen.
De groep van de _Rund_-_Antilopen_ (_Buselaphus_) vormt in zekeren
zin een overgang tusschen de Antilopen en de Runderen. De romp van de
leden dezer groep is plomp en zwaar gebouwd, de hals kort en gedrongen,
de kop groot; de staart gelijkt op dien van van een Rund; de huid van
het voorste deel van den hals is tot een ver naar beneden hangende
kossem verlengd; de _hoornen_, die _bij beide geslachten_ voorkomen,
zijn achterwaarts gericht in het verlengde van de aangezichtslijn,
tamelijk recht of zwak gebogen en sterk gedraaid, gelijk uit de
schroefvormig er omheen loopende kiel blijkt.
De _Eland_-_antilope_ (_Buselaphus oreas_) bereikt eene totale
lengte van bijna 4 M., waarvan 70 cM. op den staart komen, een
schofthoogte van 1.5 à 1.9 M. en een gewicht van 500, volgens Harris
zelfs van 1000 KG. Zij is dus de grootste van alle Antilopen. Haar
kleur is verschillend al naar den ouderdom, maar ook naar de streek
waarin de dieren leven. Volwassen bokken zijn aan de bovenzijde
lichtbruin of geelachtig grijs, met een roestrood waas overtogen,
aan de zijden witachtig geel, van onderen en aan de buitenzijden
van de onderschenkels geelachtig wit, aan den kop licht-geelachtig
bruin. Sommige exemplaren zijn duidelijk, andere flauw gestreept,
nog andere ongestreept; de strepen zijn meestal dwars gericht. De
grootste hoornen, die Selous gemeten heeft, waren bij 't mannetje,
waar zij sterk afslijten, 76, bij 't wijfje 86 cM. lang.
Het verbreidingsgebied van de Eland-antilope omvat een veel grooter
deel van Afrika, dan men vroeger had gemeend. Voordat de onderzoekingen
van Von Heuglin en Schweinfurth plaats hadden, onderstelde men, dat
dit dier alleen in Zuid-Afrika zou voorkomen; thans weet men, dat het
in alle voor zijn levenswijze geschikte gewesten van de zuidelijke
en van de oostelijke helft, zelfs nog ver ten noorden van den evenaar
aangetroffen wordt. In de vorige eeuw leefde het nog in het Kaapland;
tot in het begin van deze eeuw hield het zich, in tamelijk groote
kudden van 20 à 30 stuks nog aan de grenzen der volksplantingen op;
tegenwoordig is het verder naar het binnenland teruggedrongen. Zijne
meest gezochte weidegronden zijn de met mimosas spaarzaam begroeide
grasvlakten, van waar het in tijden van droogte naar de waterrijke,
lager gelegen landen afdaalt. Opmerkelijk is het, dat men het ook in
bergachtige streken vindt en wel op zeer woeste, moeilijk toegankelijke
plaatsen. Op de hoogvlakte van den Kilima-ndsjaro, niet minder dan 4400
M. boven den zeespiegel, zag Hans Meyer eenige troepen van deze statige
dieren; hij vond nog op een hoogte van 4700 M. indruksels van hunne
hoeven. Van verre gezien gelijkt eene kudde Eland-antilopen zoozeer
op een kudde Runderen, dat men zich er in zou kunnen vergissen. Als
deze dieren vervolgd worden, loopen zij in een wel niet snellen, maar
toch zeer flinken draf; zeer in 't nauw gebracht, vervallen zij in
een gestrekten galop, dien zij lang kunnen volhouden. Jonge stieren
en koeien loopen veel sneller en toonen meer volharding dan de oude
dieren; zij overtreffen dikwijls het beste Paard, terwijl daarentegen
oude, vette bokken in den regel slechts korten tijd in galop blijven.
De Eland-antilopen waren in de Europeesche diergaarden een gewone
verschijning geworden, maar zijn hier thans op weg om uit te
sterven. Al deze exemplaren stammen, naar Weinland bericht, van
twee paren af, die in de jaren 1840 en 1851 in Engeland ingevoerd
werden. Van Londen kwamen deze dieren eerst in de diergaarden en
parken van Groot-Brittannië en van hier weder naar de diergaarden
van het overige Europa. Zij toonen de goedaardigheid en domheid van
het Rund; hun voortplanting levert geen bezwaar op.
Het vleesch van een uitgezochten jongen stier van deze soort viel,
zoowel op de koninklijke tafel te Windsor als op een tafel in de
Tuileriën te Parijs en ook op een tafel van Lords en van leden van
het Huis der Gemeenten zeer in den smaak; vooral de juiste afwisseling
van vet en mager in het spiervleesch werd toen zeer geroemd.
Het voordeel, dat een gelukkige jacht op Eland-antilopen afwerpt, is
zeer belangrijk. Het vleesch wordt gedroogd of ingezouten; het vet,
dat niet zelden in groote hoeveelheid aanwezig is, wordt, gemengd
met eenige rundertalk en een weinig aluin, voor het maken van goede
kaarsen gebruikt; de buitengewoon dikke, taaie huid eindelijk wordt
tot uitmuntende riemen verwerkt.
In den laatsten tijd wordt een Indische Antilope, waarvan de reizigers
dikwijls melding maken onder den naam _Blauwe Bul_--de _Nylgau_,
(_Portax pictus_)--veelvuldig naar Europa gebracht; in vroegere
eeuwen zag men haar zelfs in Indië, haar vaderland, niet dikwijls in
gevangenschap. De Nylgau, door gedaante en kleur een der opmerkelijkste
soorten van de geheele onderfamilie, houdt wat het uitwendige betreft,
tot op zekere hoogte het midden tusschen een Hert en een Rund. De
overeind staande kegelvormige, flauw halvemaanswijs gebogen, 20 à
25 cM. lange _hoornen_, die bij _beide geslachten_ gevonden worden,
zijn bij het wijfje veel korter dan bij het mannetje en kunnen bij
eerstgenoemde ook wel geheel ontbreken. Donkerbruin aschgrauw met een
zweem naar 't blauw-achtige is de algemeene kleur. Het voorste deel
van den buik, de voorpooten en de buitenzijde van de achterschenkels
zijn zwartachtig grijs, de achterpooten zwart; het middelste en het
achterste deel van den buik en de binnenzijde van den schenkels zijn
wit. Twee dwarsstrepen van dezelfde kleur loopen over den voetwortel en
omgeven ringvormig het kootgewricht; een groote, halvemaanvormige vlek
bevindt zich aan de keel. Oude wijfjes hebben een meer vale, dikwijls
grijsbruine kleur, met die van ons Hert overeenkomend. Volwassen
bokken bereiken een totale lengte van 2.4 à 2.6 M., waarvan 45 à 50
cM. op den staart vallen, en een schouderhoogte van 1.3 à 1.4 M. Het
vaderland van dit dier is Vóór-Indië, aan den voet van den Himalaja
tot aan den Meisoer.
De Nylgau houdt niet van bergachtige streken; toch neemt hij deze
als verblijfplaats voor lief, wanneer zij niet anders dan ijle
bosschen en niet te dichte dsjungels bevatten; af en toe bezoekt
hij ook terreinen, die met eenig struikgewas bezet, doch overigens
open zijn; steeds bepaalt hij zich tot landschappen, die geen gebrek
aan water hebben, want, naar Sterndale verzekert, drinkt hij iederen
dag. Gewoonlijk ziet men troepen van 6 à 20 stuks; oude bokken gaan
ook wel alleen. Overigens is van het leven dezer dieren in de vrije
natuur alleen nog bekend, dat zij minder des nachts dan wel in de
morgen- en avonduren op voedsel uitgaan, gedurende het heetste deel
van den dag echter rusten.
De bewegingen van den Nylgau zijn zeer eigenaardig wegens de
zonderlinge houdingen, die hij soms aanneemt. In gewone omstandigheden
stapt hij op soortgelijke wijze als de andere Antilopen; zoodra hij
echter in opgewonden toestand verkeert, kromt hij den rug, trekt den
hals in en sluipt langzaam voort, terwijl hij de omstanders loensch
aanziet en sombere blikken op hen werpt. De staart wordt dan tusschen
de pooten geknepen. De vluchtende Nylgau's hebben een fiere, waardige
houding; het is een merkwaardig schouwspel een kudde van deze dieren
met loodrecht omhoog geheven staart pijlsnel voorbij te zien stuiven.
Gewoonlijk leeft dit dier bij paren, het liefst in de randen
der dsjungels, waarin hij uit vrees voor den Tijger niet durft
doordringen. Overtallige bokken moeten een eenzaam leven leiden; zij
leveren echter dikwijls hevige gevechten aan hunne meer bevoorrechte
mededingers. De Nylgau is veel stoutmoediger en boosaardiger dan
zijne verwanten. Door den jager vervolgd, keert hij zich woedend om,
valt op de knieën, doet in deze houding onder hevig gebrul eenige
schreden voorwaarts, springt daarna bliksemsnel op zijn vijand toe,
en tracht hem door het snel opheffen van den kop met de hoornen te
kwetsen. Geheel op dezelfde wijze strijden de bokken onderling om
het bezit van de wijfjes; menige edele kampioen komt om 't leven door
een goed gerichten stoot met de hoorns. Zelfs na lange gevangenschap
verliest de Nylgau zijn boosaardigheid niet; om zijn valschheid wordt
bij door alle oppassers gevreesd. Wel neemt hij den schijn aan van
zachtaardig en tam te zijn; vooral gedurende den bronsttijd is hij
echter nooit geheel te vertrouwen.
De jacht op den Nylgau valt, naar 't schijnt, bij de Europeesche jagers
niet zeer in den smaak: men zoekt de dieren op om den grootsten bok
neer te vellen; ook worden zij wel te paard gehitst, daar het niet zeer
moeilijk is ze tot staan te brengen, als men ze van den beginne af met
de grootst mogelijke snelheid vervolgt en daardoor schielijker buiten
adem brengt. Reeds sedert lang zijn de onderhoorigen van de Indische
vorsten gewoon gevangen Antilopes van deze soort aan hunne meesters
en gebieders te brengen; men ziet ze daarom bij de grooten des rijks
hier en daar in parken. Niet vóór het jaar 1767 is het eerste paar in
Engeland aangekomen; in het einde van dezelfde eeuw kwamen andere naar
Frankrijk, de Nederlanden en Duitschland. Thans ziet men den Nylgau in
alle diergaarden, waar hij zich geregeld voortplant. In Italië heeft
men een aantal van deze dieren in de bosschen van het koninklijk domein
losgelaten; sedert 1866 hebben zij zich in vrijheid voortgeplant en
aan de winterkoude weerstand geboden. Wegens hun uitmuntend vleesch
en voortreffelijke huid zijn zij als jachtdieren zeer gezocht.
Voordat wij uit Indië terugkeeren naar Afrika, waar verreweg de meeste
Antilopen inheemsch zijn, gedenken wij nog een van de merkwaardigste
soorten van de geheele onderfamilie, ja zelfs van alle Herkauwers:
de _Vierhoornige Antilope_ (_Tetraceros quadricornis_). Bij de getemde
Herkauwers komen soms exemplaren voor, die vier, ja zelfs acht hoornen
dragen; zij vormen echter nooit een afzonderlijke soort, maar moeten
als zonderlinge uitzonderingen beschouwd worden. Geen enkel in
't wild levend dier echter vertoont een dergelijke ontwikkeling
van de hoornen als deze Antilope. Zij staat dus, voor zoover onze
tegenwoordige ervaringen reiken, geheel op zichzelf.
De _Vierhoornige Antilope_ is een klein, sierlijk dier. Haar lengte
bedraagt 70 à 80 cM. met inbegrip van den 12 cM. langen staart,
de schofthoogte 60 à 65 cM. Alleen het mannetje draagt hoornen: het
voorste paar zit boven den voorsten ooghoek en is een weinig naar
achteren gebogen: het achterste paar ontspruit boven den achtersten
ooghoek, kromt zich een weinig naar voren en is van onderen geringd,
naar de spits toe echter glad; de achterste hoornen worden 10 à
12.5 cM., de voorste slechts 3 à 3.7 cM. lang. Het dier komt, naar
het schijnt, in Vóór-Indië overal voor; op sommige plaatsen is het
zeer overvloedig, n.l. daar, waar de met bosschen of met kreupelhout
begroeide heuvels het een aangename verblijfplaats verschaffen. Het
leeft steeds eenzaam of bij paren.
De groep der _Kuif_-_antilopen_ (_Cephalolophus_) omvat kleine soorten
met korte, rechte of zwak naar voren gebogen _hoornen_, die _in den
regel alleen bij het mannetje_ gevonden worden, _dikwijls_ echter
_ook bij het wijfje_ tot ontwikkeling komen; zij hebben een groeve
tusschen het oog en den neus, tusschen de hoornen een kuif van lange
haren, die overeind gezet kunnen worden.
De _Duikerbok_ (_Cephalolophus mergens_), een van de grootste soorten
van de groep, bereikt een lengte van 1.1 M. (waarvan omstreeks 20
cM. op den staart komen) en een schouderhoogte van 55 cM. Zijne rechte,
priemvormige, vier- à zesmaal vlak geringde hoornen, die 7 à 10 cM.,
in zeldzame gevallen 12.5 cM. lang worden, komen bijna niet boven
de haren van de kuif uit. De dikwijls varieerende kleur is aan de
bovenzijde meestal grijsachtig olijfkleurig, bij het mannetje ook
wel donker geelbruin en gaat aan de onderzijde in wit over. Het
verbreidingsgebied van dit dier strekt zich hoofdzakelijk uit over
Zuid-Afrika, waar het in alle met struikgewas bedekte streken ook
thans nog gemeen is.
De Duikerbok is een van de eerste Antilopen, waarmede de nieuweling in
het Kaapland kennis maakt, daar dit dier in de kreupelhout-wildernissen
van de zeekust bijna nog talrijker is dan in de bosschen van het
binnenland. Evenals alle kleine en dwergachtige Antilopen ontmoet
men hem uitsluitend afzonderlijk of bij paren. Nooit vertoont hij
zich buiten de hem beschuttende struiken.
"Bij het naderen van een mensch of van een anderen vijand", zegt
Drayson, "blijft hij rustig in zijn leger; bewegingloos, stijf als een
beeld, kijkt hij naar de indringers, tot hij op het denkbeeld komt,
dat men hem opmerkt, dan springt hij plotseling op en rent weg,
maakt een aantal "scherpe haken" (volgt een zigzagvormigen weg),
springt over struiken of sluipt er doorheen, "duikt" (gaat op den
grond liggen) en kruipt, zoodra hij zeker meent te zijn, dat zijne
vervolgers hem uit het oog verloren hebben, door het lange gras of
tusschen de struiken zoo stil weg, dat het den schijn heeft, alsof
hij in den grond gezonken is, of zich neergelegd heeft. Dit laatste
gebeurt echter nooit, integendeel hij gaat onder de bladen steeds
verder, tot hij een flinken voorsprong heeft: dan staat hij op en
spoedt zich voort. Zelfs de verstandigste jager en de beste Hond
worden door den Duikerbok vaak genoeg gefopt; wanneer men echter
den weg, dien hij bij 't loopen gevolgd heeft, nagaat, en de plaats,
waar hij begonnen is te kruipen, ontdekken kan, is het niet moeielijk
hem onder den wind te naderen. De buks kan men bijna niet gebruiken,
omdat hij bij zijn onregelmatig heen en weer springen, slechts
door een buitengewoon behendig schutter getroffen kan worden. Van
het vel van den Duikerbok snijdt men de riemen, waarvan aan de
Kaap de lange zweepen gevlochten worden, die bij het rijden met de
ossenwagens noodig zijn; ook wordt van dit dier een voortreffelijke
soep gekookt. Gewoonlijk is het vleesch van de Zuid-Afrikaansche
dieren zeer middelmatig van kwaliteit, droog en smakeloos; alle
fijnproevers kan ik echter de lever van deze kleine Antilope als een
buitengewoon lekker hapje aanbevelen. De Boeren lardeeren een gevilden
en schoongemaakten Duikerbok met spek van de Eland-antilope of van
het Nijlpaard, en bereiden op deze wijze een hoogst smakelijk gerecht."
In de groep van de _Dwerg_-_antilopen_ (_Neotragus_) vereenigt men de
kleinste soorten van de onderfamilie: buitengewoon sierlijk gebouwde
diertjes, die zeer veel op elkander gelijken; _alleen de mannetjes_
van dit geslacht dragen _hoornen_; deze zijn zeer klein en dun en staan
overeind; bovendien zijn deze dieren gekenmerkt door den rondachtigen
kop en den spits toeloopenden neus met kleinen neusspiegel. Alle
bekende soorten gelijken op elkander door haar levenswijze en haar
inborst, zoodat ik wel volstaan kan met een Dwerg-antilope, die ik
zelf heb waargenomen, als voorbeeld te kiezen, en met deze beschrijving
al wat over de andere soorten bekend is, te verbinden.
De _Windhond_-_antilopen_, welke door de bewoners van Massoea, _Beni
Israël_ ("kinderen Israëls"), door die van Tigre _Edro_ worden genoemd
(_Neotragus Hemprichii_), behooren tot de sierlijkste Herkauwers, die
er bestaan. De bok heeft een paar kleine hoornen met 10 of 11 halve
ringen aan de buitenzijde van de onderste helft, en met naar voren
gebogen spitsen, die door de sterk ontwikkelde haarkuif bijna bedekt
en door de zeer lange ooren geheel in de schaduw gesteld worden. De
romp is gedrongen, de staart een kort, behaard stompje; de pooten
zijn middelmatig lang, maar buitengewoon zwak, de hoeven lang, smal
en toegespitst, de bijhoeven ternauwernood zichtbaar. Zeer fijne,
tamelijk lange haren bedekken den romp. De vacht is voskleurig en
blauwachtig grijs. Op den rug gaat de kleur in roodbruin over; de
voorschenkels zijn dikwijls gevlekt, de onderdeelen van den romp en
de binnenzijde der pooten wit; de ooren zijn met een zwartachtigen
zoom omgeven; de hoornen en de hoeven zijn zwart.
In Abessinië zal men van het zeestrand tot op een hoogte
van 2000 M. onze Beni Israël zelden missen in de voor hen
geschikte oorden. Bijna alle Dwerg-antilopen zijn bewoners van de
kreupelhoutbosschen waaraan Afrika zoo rijk is. Wildernissen, die
voor andere, groote Antilopen zoo goed als ondoordringbaar zijn,
verschaffen uitmuntende woonplaatsen aan deze Lilliputters. Voor
haar is zelfs tusschen de dichtst opeengedrongen takken nog een weg
en tusschen de ergste doornen nog een poortje te vinden. De Edro
geeft duidelijk de voorkeur aan het dal boven de hoogten. Het meest
houdt hij van de groene woudzoomen der regenstroombeddingen. Hier
zijn prachtige schuilplaatsen te vinden. Mimosas, Christusdoornen,
eenige wolfsmelkstruiken en andere groote planten zijn als 't ware
door een netwerk van slingerplanten aaneenverbonden. Men vindt
er kostelijke prieeltjes en gewelven onder het struikgewas, die,
van de buitenwereld geheel afgesloten, veilige woningen opleveren;
voorts zijn hier smalle strooken kreupelhout over groote afstanden
onafgebroken aaneengeschakeld. Dit alles komt voor in de nabijheid
van de vruchtbaarheid verschaffende wateraderen. Verder op ontmoet
men meer afgezonderde boschjes van struikgewas, welker omgeving vaak
met groen, saprijk gras bedekt is. Hier zal men den Edro stellig
aantreffen. Evenals de meeste van zijne verwanten, welker gewoonte ons
bekend zijn, leven de Edro's streng paarsgewijs, nooit in troepen,
tenzij het paartje een spruit bezit, dat de moederlijke zorg nog
noodig heeft. In dit geval loopt ook deze met de ouders mede.
Aanvankelijk kost het den jager moeite deze kleine diertjes te
ontdekken; wanneer hij met hunne zeden en gebruiken meer vertrouwd
geworden is, kan hij ze vinden, omdat hij ze op de juiste wijze heeft
leeren zoeken. De kleur van het vel, welke met die van de omgeving
overeenkomt en met deze volkomen ineenvloeit, draagt er veel toe bij,
deze dwergachtige wezens te verbergen. "Een zeer geoefend oog", zegt
Drayson terecht, "is noodig om een _Blauwbokje_" (de Zuid-Afrikaansche
_Neotragus coerulea_) "te ontdekken; zijn vel gelijkt zoo volkomen
op het flauw verlichte onderhout, dat men het beestje niet bemerken
zou, zonder de beweging van de takken, die het aanraakt, terwijl
het loopt. Gewoonlijk is het bokje al opgestaan en weggeloopen,
lang voordat de jager zich heeft kunnen vergewissen, wat hij gezien
heeft. Bij voorkeur eten deze dieren de bladen van de struiken, te
midden waarvan zij wonen. Waarschijnlijk krijgen de Beni Israël hun
voedsel grootendeels van de mimosa's. Behalve de gevinde bladen van
deze heesters--die, naar men zou kunnen meenen, juist zoo fijn verdeeld
zijn opdat zij bij deze kleine lekkerbekken in den smaak zouden
vallen--, zijn ook de groene spruiten en de knoppen van hun gading."
Over de voortplanting der Dwerg-antilopen zijn de mededeelingen tot
dusver nog zeer onvolledig. Ehrenberg zegt, dat de Beni Israël in de
maand Mei jongen werpen; ik heb evenwel reeds in Maart, vaker nog in
April, jongen bij het paartje gezien.
De Kaffers plaatsen op den weg van de Dwergbokjes van hun vaderland
strikken, die door een der pooten van het dier dichtgetrokken worden,
of maken, als zij geen levenden buit verlangen, gebruik van strikken
met een veerenden tak er aan, die het dier worgen, als zijn hals in
de lus geraakt.
Het vleesch van de Dwerg-antilopen, hoewel tamelijk hard en taai,
kan nog wel een bruikbaar gerecht opleveren; het is beter geschikt
om er soep van te koken dan voor gebraad. Volgens Drayson's raad heb
ik mij hoofdzakelijk van de lever van dit wild bediend en de ervaring
opgedaan, dat deze aan alle eischen voldoet.
Buiten haar vaderland bezwijken de Dwerg-antilopen weldra onder den
invloed van het vreemde klimaat; het is daarom zeer moeielijk ze levend
naar Europa te brengen. Alleen aan de Kaap en in andere deelen van
Afrika heeft men ze een geruimen tijd binnenshuis of op het erf in
't leven kunnen houden. Naar men zegt, toonen jong gevangen dieren
zich weldra gehecht aan hun verzorger: zij luisteren naar zijn stem,
laten zich gaarne aanraken, krauwen, op de armen dragen enz., kortom
zij onderwerpen zich aan den wil van den mensch zonder weerstand te
bieden; daarom worden hun groote goedaardigheid, zachtmoedigheid en
beminnelijkheid toegeschreven.
Na den mensch is de Luipaard vermoedelijk overal de ergste vijand van
de Dwerg-antilopen. Kleinere Katten zullen misschien de weerlooze
dwergjes evenzeer vervolgen; hoogst waarschijnlijk neemt ook de
Arend af en toe een van hen, althans een kalfje, mede. Jakhalzen,
Vossen en ander gespuis behooren eveneens tot de vijanden van de Beni
Israël en van hunne verwanten.
Alle Berg-antilopen onderscheiden zich van de overige leden der groep
door haar gedrongen, krachtigen lichaamsbouw. Zij zijn betrekkelijk
diklijvig en kortpootig; hare hoeven zijn zoo geplaatst, dat hun top
het geheele gewicht van het dier draagt. Niet minder eigenaardig is het
meer of minder dicht en stijf haarkleed van deze bewoners der koelere
hoogte. In deze opzichten komen zij alle overeen; ten aanzien van de
hoornen bestaat echter verschil, daar _soms beide geslachten, soms
alleen de mannetjes gehoornd zijn_. Het eerstgenoemde geval doet zich
voor bij de _Boschgeit-antilopen_ (_Nemorhoedus_), welker hoornen op
die van Geiten gelijken. Tot dusver kent men slechts weinige soorten
van dit geslacht en ook deze nog niet nauwkeurig.