Trekbokken te zien. Dit was, voorzoover ik mij herinneren kan, het
prachtigste en verhevenste schouwspel, dat jachtdieren mij ooit hebben
verschaft. Sedert ongeveer 2 uren voor het aanbreken van den dag had
ik wakker gelegen in mijn wagen en het knorren der Bokken gehoord,
die zich op een afstand van ongeveer 200 schreden bevonden. Hoewel ik
hieruit kon afleiden, dat er een groote kudde naast onze legerplaats
graasde, was ik toch ten hoogste verbaasd over het tooneel dat ik
aanschouwde, toen het licht geworden was en ik opstond: een ontzaglijk
groote menigte Springbokken bedekte in den letterlijken zin van 't
woord de geheele vlakte. Deze dieren trokken langzaam heen en weer. Van
een opening in de lange heuvelreeks, die zich westwaarts uitstrekte, en
waardoor een stroom van dieren als het water van een groote rivier naar
binnen vloeide, strekte het gewemel zich uit tot aan een verhevenheid,
ongeveer een mijl ver noordoostwaarts van ons gelegen, waarachter het
verdween. Ik stond bijna 2 uren lang op het voorste gedeelte van mijn
wagen, sprakeloos van verbazing over dit wonderbaarlijk schouwspel. De
kudde Springbokken, die ik 's morgens zag, hoe ontzaglijk en verrassend
groot zij ook was, werd nog verre overtroffen door die, welke ik 's
avonds te zien kreeg. Want, toen wij de lage heuvelketen overtrokken,
door welker opening de Springbokken binnengedrongen waren, zag ik de
vlakte en zelfs de heuvelhellingen, die haar aan alle zijden omgeven,
dicht bedekt, niet met kudden, maar met een aaneengesloten massa van
Springbokken. Zoo ver het oog reikte, wemelde het landschap van deze
dieren, totdat zij eindelijk aan den gezichteinder tot een onduidelijk
mengelmoes van levende wezens ineenvloeiden." Ook Le Vaillant spreekt
van zwermen van 10.000 à 50.000 stuks, die door Leeuwen, Luipaarden
en Hyenas vervolgd werden, en E. Kretschmar maakt melding van scharen,
die volgens zijn schatting uit millioenen individuën bestonden.
Wonderbaarlijk dicht opeengedrongen zijn soms de dieren in de
massa, die zich op deze wijze voortbeweegt. Harris verhaalt, dat een
schapenkudde, die toevallig onder de trekkende Springbokken gekomen
was, gedwongen werd, met hen te gaan. Zelfs de machtige Leeuw, die
deze Antilopen ijverig vervolgt, wordt, naar men zegt, menigmaal
door de reizende schare in den letterlijken zin van 't woord gevangen
gehouden en medegevoerd.
De Springbok heeft van de kolonisten terecht dezen naam
gekregen. Als hij vlucht, maakt hij een aantal vreemdsoortige,
loodrechte sprongen. Terwijl hij zich met gekromde pooten hoog
boven den bodem verheft, fladdert het lange, sneeuwwitte, langs
den rug groeiende haar in de lucht; hierdoor verkrijgt dit dier
het echt tooverachtige voorkomen, waardoor het zich van alle andere
Antilopen onderscheidt. Soms springt het meer dan 2 M. hoog en met
iederen sprong 4 à 5 M. ver, en toch schijnt deze het dier niet de
geringste inspanning te kosten. Vóór den sprong buigt het den kop
benedenwaarts en naar de voorpooten terug; daarna worden alle vier
pooten tegelijk opgelicht; het dier verheft zich met sterk gebogen rug
tot de reeds genoemde hoogte en breidt intusschen de huidplooi op den
rug waaiervormig uit. Eén oogenblik schijnt het in de lucht te zweven,
komt daarna met alle vier pooten tegelijk op den bodem terug, om
dadelijk daarop nogmaals omhoog te stijgen, alsof het wegvliegen wil.
Jong gevangen Springbokken worden spoedig tam. Die welke ik gezien
en verzorgd heb, waren schuw en voorzichtig tegen vreemden, maar
uitgelaten, als zij met bekenden te doen hadden. Als er verscheidene
tegelijk in één ruimte zijn opgesloten, houden zij niet altijd vrede
met elkander; vooral de bokken gedragen zich als twistzoekers,
die zelfs de wijfjes mishandelen of althans plagen. Afgezien van
deze onverdraagzaamheid zijn de gevangen Springbokken bekoorlijke
dieren. Hun zacht vel, dat zich door kleurenpracht onderscheidt, hun
bevallige gestalte en de sierlijkheid van hunne bewegingen boeien
iedereen, zelfs dan nog, als de dieren door de nauwe ruimte binnen
de omheining eigenlijk niet geheel tot hun recht komen. Ongelukkig
worden maar weinige exemplaren levend tot ons gebracht.
Op de Gazellen zullen wij de _Koe-antilopen_ (_Bubalis_) laten volgen;
daar zij in zekeren zin een overgang vormen tusschen de slanke en de
plompe vormen van de onderfamilie. Deze groep omvat groote, krachtige,
bijna plomp gebouwde Antilopen met hoogen schoft en afhellenden rug,
onbehouwen, langwerpigen kop met breeden snuit, korten hals, krachtige
ledematen en bij beide geslachten horens, die op de voorhoofdslijst
staan en dubbel gebogen zijn.
Het _Hartebeest_ der Zuid-Afrikaansche Boeren, de _Kama_ der
Beetsjoeanen (_Bubalis caama_), onderscheidt zich van zijne verwanten
door den langeren kop, de dikkere horens, die volgens scherpere hoeken
gebogen zijn, de betrekkelijk kleine ooren en de kleur. De hoornen
zijn kort, aan den wortel zeer dik, met ongeveer 16 knobbelvormige
opzwellingen voorzien; aanvankelijk stijgen zij nevens en ongeveer
evenwijdig aan elkander omhoog, zijn dan in het tweede derde gedeelte
van hun lengte een weinig naar voren gebogen, terwijl het laatste
derde gedeelte met de scherpe spits bijna rechthoekig naar buiten
en naar achteren gekromd is. Ook bij deze Antilope is fraai, licht
kaneelbruin de heerschende kleur.
In vroegere tijden veelvuldig in het noorden van het Kaapland,
is het Hartebeest door de onophoudelijke vervolging, waaraan het
blootstaat, tegenwoordig over de Oranje-rivier teruggedrongen. Ten
noorden van de volksplantingen en van de landstreken, die door de
jagers bezocht worden, komt het in vrij grooten getale voor; in het
binnenland van Oost-Afrika is het op gunstig gelegen plaatsen een van
de meest voorkomende Antilopen. Schweinfurth leerde het als een der
algemeenste bewoners van de Bongo- en Niam-niam-landen kennen. "Het
veelvuldigst," zegt hij, "ontmoet men het bij troepen van 5 à 10
stuks in de onbewoonde wildernissen, die aan bebouwde gewesten
grenzen; in de bebouwde streken geeft het de voorkeur aan de lichte
kreupelhoutbosschen in de nabijheid van de rivierdalen, zonder deze
zelf te betreden. Het heeft de gewoonte om op het midden van den dag
bij boomstammen of helder door de zon beschenen Termieten-heuvels te
gaan staan om te rusten; het onttrekt zich dan dikwijls lang aan de
blikken van den onderzoeker door zijn onbeweeglijkheid en doordat het
bij voorkeur een achtergrond kiest, welks kleur overeenstemt met die
van zijn lichaam." Hoewel zijn niet-fraaie gestalte en zijn leelijke,
wanstaltige kop den Kama, wanneer hij loopt, een in 't oogvallend en
plomp uiterlijk verschaffen, maakt hij toch een grootschen indruk
op den toeschouwer als hij galoppeert. Even belust op beweging als
andere Antilopen, schept hij dikwijls behagen in stoute sprongen en
wendingen, niet zelden ook in eigenaardige spelen.
Hartebeesten, die van de jeugd af onder de leiding van den mensch
staan, worden buitengewoon tam, volgen hun verzorger op den voet,
nemen hem brood en andere lekkernijen uit de hand en geven hem hun
genegenheid op velerlei wijzen te kennen. Ongelukkig duurt deze
aangename verhouding nooit lang, want zoodra zij het bewustzijn
krijgen van hun lichaamskracht, toonen zij, en wel vooral de
bokken, den twistzieken aard van hun geslacht; zij zijn gewoonlijk
het allerboosaardigst tegen dezelfde personen, waaraan zij vroeger
gehechtheid lieten blijken. Het vleesch van deze dieren wordt overal
hoog geschat; het behoort tot de smakelijkste soorten van wild,
die de onderfamilie der Antilopen levert. Het vel gebruikt men voor
dekens; van de gelooide huid maakt men riemen en paardentuig; de
hoornen worden wegens hun hardheid tot allerlei gereedschappen en
versierselen verwerkt.
Evenals de Koe-antilopen gelijken ook de _Riet-antilopen_ (_Redunca_)
op de Gazellen. Het zijn groote of middelmatig groote dieren
van ineengedrongen gestalte, met tamelijk langen staart. _Alleen
het mannetje is gehoornd._ De hoornen zijn aan den voet met ringen
voorzien, overigens rond en glad, met de spits naar voren gebogen. Het
wijfje heeft vier spenen; bij _Antilope_ en _Bubalis_ heeft het er
slechts twee.
Het meest bekende lid van dit geslacht is de _Rietbok_ (_Redunca
eleotragus_). Dit fraaie dier wordt 1.4 à 1.5 M. lang, met inbegrip
van den 27 cM. langen staart; de schoft is ongeveer 95 cM., het kruis
80 cM. hoog. Over 't geheel genomen gelijkt de Rietbok op onze Ree,
hoewel hij eenigszins slanker gebouwd is.
De Rietbok komt in Zuid Afrika en in de oostelijke gedeelten van
Middel-Afrika voor; hier bemerkt men hem eerst aan gene zijde van de
groote moerassen van het stroomgebied van den Boven-Nijl. Paarsgewijs
bewonen deze dieren kreupelhoutbosschen in de nabijheid van plassen
en moerassen, terreinen die met biezen en riet bedekt zijn, en
de met hooghalmige zeggen begroeide beddingen van stroomen, die
slechts gedurende een deel van het jaar water afvoeren. Wegens hun
teruggetrokken levenswijze ziet men de Rietbokken veel zeldzamer dan
hun talrijkheid zou doen verwachten.
Na verwant aan de Riet-antilopen zijn de _Waterbokken_ (_Kobus_),
groote, tamelijk lang behaarde, dikwijls manendragende Antilopen van
regelmatige gestalte. Hunne lange, spitse horens vertoonen vele ringen;
zij zijn eerst buitenwaarts, van het midden af naar voren, met de
spits naar binnen gekromd. De neusspiegel is matig sterk ontwikkeld;
klauwklieren zijn aanwezig; aan het uiteinde van den staart komt een
lange haarkwast voor.
De _Waterbok_ (_Kobus ellipsiprymnus_) is een indrukwekkend dier;
het wordt bijna zoo groot als een Edelhert, daar het met inbegrip van
den 50 cM. langen staart een lengte van 2 M. bereikt; de schoft is
1.25, het kruis 1.3 M. hoog. Zijn vacht is over 't algemeen grijs van
kleur, aan den kop, den romp, den staart en de dijen naar geelrood of
roodbruin zweemend. De hoornen hebben, langs de krommingen gemeten,
een lengte van 80 cM.; tot dicht bij de spits dragen zij ringen,
die meestal sterk uitpuilen en scherpkantig zijn.
A. Smith ontmoette de Waterbokken in kleine kudden van 8 à 10
stuks aan de oevers der Zuid-Afrikaansche rivieren; Von Heuglin
en (later) Schweinfurth leerden hen kennen als bewoners van de
noordoostelijke gewesten van Centraal-Afrika; Pechuel-Loesche vond
ze in het westelijk gedeelte van 't Congo-gebied, waar zij in sommige
oorden zeer veelvuldig zijn. In weerwil van zijn bijna plompe gedaante
maakt de Waterbok een gunstigen indruk: levendig en vol uitdrukking,
verraden zijne oogen zelfstandigheid van karakter, bijna zelfs
wildheid; bovendien maakt hij vrij sierlijke bewegingen. Volgens
Von Heuglin is hij geen echte moerasbewoner, hoewel hij bij voorkeur
oorden, begroeid met meer dan manshoog rietgewas, tot verblijfplaats
kiest. Evenals de Paard-antilopen (_Hippotragus_) heeft hij de gewoonte
Termieten-heuvels te beklimmen en van hun top in majestueuze houding
zijn waterrijk gebied te overzien. Zoodra de aanvoerder van de kudde
gevaar bespeurt, spoedt hij zich heen in suizenden galop en de geheele
kudde stormt hem achterna. Altijd vluchten de angstig geworden dieren
naar den waterkant, waar zij zich met een plomp in den stroom storten.
Dit wild wordt nagenoeg oneetbaar geacht, daar het vleesch taai,
vezelig en met een onaangenamen, sterken reuk bedeeld is; de
laatstgenoemde eigenschap maakt, dat zelfs de hongerige Kaffer er
een afkeer van heeft.
De _Spiesbokken_ (_Oryx_) waren reeds in den ouden tijd bekend en
beroemd; afbeeldingen van minstens één soort dezer dieren komen
veelvuldig voor op de Egyptische en Nubische gedenkteekenen. Zij
toonen den Oryx in de meest verschillende standen, gewoonlijk met
een touw om den hals, ten teeken dat men jacht op hem gemaakt en hem
gevangen heeft. In de vertrekken van de groote pyramide van Cheops
wordt hetzelfde dier op sommige afbeeldingen met slechts één hoorn
voorgesteld; hierop gronden eenige natuuronderzoekers de onderstelling,
dat de Oryx aanleiding heeft gegeven tot de sage van den Eénhoorn. Bij
nauwkeuriger onderzoek blijkt het echter duidelijk, dat men met den
Eenhoorn (den "Rem" van den bijbel) niet anders dan het Neushoorndier
bedoeld kan hebben.
Als type van dit geslacht beschouwt men gewoonlijk den _Passan_,
den _Gemsbok_ der Hollandsche Boeren, den _Koekama_ der Beetsjoeanen
(_Oryx capensis_), een flink dier van 2.4 M. lichaamslengte (waarbij
40 cM. voor den staart) en 1.2 M. schofthoogte. De hals, de nek, de
rug en de zijden zijn geelachtig wit; zuiver wit daarentegen zijn de
kop, de ooren, het bovenste gedeelte van de achterschenkels, de borst,
de buik en de onderste gedeelten der pooten (bij het voetgewricht te
beginnen). Een streep op het voorhoofd, een breede vlek op het voorste
deel van den neus, de buitenrand van het oor, een van den hoorn over
het oog naar de onderkaak loopende en een tweede, langs de onderkaak
zich uitstrekkende streep zijn zwart; de kop vertoont hierdoor een
op een halster gelijkende teekening. Zwart zijn bovendien een op den
rug beginnende vlek, de onderschenkels, een streep aan de voorzijde
van het voetgewricht, een streep die van de middelborst naar voren en
naar boven over de flanken loopt, eindelijk ook nog de dikke kwast aan
den staart. De prachtige zwarte hoornen, die _bij beide geslachten_
voorkomen, zijn slechts zeer weinig gebogen, dikwijls zelfs lijnrecht;
aan de onderste helft komen ringen voor, de bovenste is echter glad
en eindigt in een scherpe spits.
De Passan is tot dusver nergens anders dan in Zuid-Afrika gevonden;
in het noordoosten van Afrika wordt hij echter door een zeer na
verwante soort vervangen.
Deze, de _Beisa_ (_Oryx heisa_), waarschijnlijk de echte Oryx van
de Ouden, doet in grootte voor den Passan niet onder; ook bij deze
soort hebben de mannetjes zoowel als de wijfjes, nagenoeg rechte,
minstens één meter lange horens; de kleur is eenigszins lichter,
maar gelijkt overigens, evenals de teekening, zeer veel op die van
den Passan. De Beisa bewoont het kustland van Abessinië en andere
gewesten van het noordoosten van Afrika, noordwaarts tot op ongeveer
20° N. B., zuidwaarts tot in het land der Somalis.
Een derde soort van het geslacht der Spiesbokken, door ons gewoonlijk
_Sabel_-_antilope_, door de Arabieren _Wilde Koe_ of _Steppenkoe_
genoemd (_Oryx leucoryx_), is eenigszins plomper van bouw dan hare
verwanten; zij draagt even lange, op dezelfde wijze geringde, maar
zacht gebogen, naar buiten en achteren gerichte, met de spits naar
beneden wijzende hoornen. Het korte, glad aanliggende haarkleed is
tamelijk gelijkmatig van kleur. De grondkleur is meer of minder zuiver
geelachtig wit, aan de onder- en binnenzijde der pooten lichter,
aan den hals door roestkleur vervangen; de kop is met zes dof-bruine
vlekken geteekend. De oude bokken worden ruim 2 M. lang (waarbij 50
cM. voor den staart) en hebben dan een schofthoogte van 1.3 M.
Het verbreidingsgebied van de Sabel-antilope strekt zich uit over het
noordoostelijk deel van Centraal-Afrika; zij is veelvuldig in Sennaar
en Kordofan, wordt zeldzamer in Middel- en West Soedan, komt echter
ook verder noordwaarts voor en wel in enkele woestijndalen van Nubië.
In levenswijze stemmen de Oryx-antilopen vermoedelijk in de meeste
opzichten overeen. De natuurlijke geschiedenis van deze sinds overouden
tijd beroemde dieren bevat echter nog altijd vele leemten, daar hun
leven in de vrije natuur tot dusver nog niet voldoende werd nagegaan.
Men ziet de Oryx-antilopen gewoonlijk bij paren, of bij zeer
kleine troepen, die dikwijls slechts uit één wijfje met hare jongen
bestaan. Zij stappen met lichten tred, maar draven zwaar; hun galop
is zeer zwaar, maar kan lang volgehouden worden en hen met een
gelijkmatigen, vrij grooten spoed verplaatsen. Toch kan een jager
te paard, soms zonder een schot te doen, den Passan bedwingen; het
vervolgde dier zal ten slotte door vermoeidheid genoodzaakt zijn om te
blijven staan. Dat de Zuid-Afrikaansche Passan met andere Antilopen in
vrede leeft, zou men kunnen afleiden uit het feit, dat men hem dikwijls
volkomen eendrachtig ziet grazen naast de Eland-antilope. De Sabelbok
is echter, gelijk ik zelf opgemerkt heb, hoogst onverdraagzaam; als
hij slecht geluimd is, mishandelt hij andere dieren op afschuwelijke
wijze. Getergde Oryx-antilopen vallen hare tegenstanders woedend aan
en trachten hen te kwetsen. Lichtenstein verhaalt, dat een zijner
reisgezellen in de Groote Karroo-vlakte het geraamte van een Luipaard
en dat van een Oryx naast elkander vond liggen: de bok had zijn
gevaarlijken vijand met een hoornstoot gedood, maar was zelf bezweken
aan de vroeger ontvangen wonden. Harris acht het niet onmogelijk,
dat den Leeuw soms een dergelijk lot ten deel valt.
De Oryx-antilopen worden bij voorkeur te paard gejaagd. Gordon
Cumming beschrijft zulk een jacht en verhaalt, dat hij den ganschen
dag een reeds gewonden Passan nagereden heeft, vóórdat het dier door
uitputting niet verder kon gaan. Geen Antilope levert een prachtiger
schouwspel op dan een vluchtende Oryx-bok. Zoodra hij bemerkt, dat
hij vervolgd wordt, laat hij een doordringend geschreeuw hooren, heft
den kop op, zoodat de hoornen hem op den rug komen te liggen strekt
den staart naar achteren en ijlt nu in wilde haast over de vlakte,
alles wat hem in den weg komt neerwerpend of doorborend. Struiken die
hem den weg versperren, overschrijdt hij met een kolossalen sprong,
door de Zebra-kudden breekt hij heen, Struisvogel-kudden jaagt hij
in dolle vaart voor zich uit. Eerst na een vervolging van vele uren
kan men hem onder schot krijgen.
De nomaden der steppe vangen nu en dan een der bij hen inheemsche
Spiesbokken en brengen hem naar de stad om hem aan de voornamen
des lands of aan de Europeanen te koop te bieden. Op deze wijze heb
ik er gedurende mijn verblijf in Afrika verscheidene gekregen. Ik
kan deze gevangen dieren niet roemen. Zij zijn traag, vervelend en
onverdraagzaam. De gevangenschap kunnen zij gemakkelijk doorstaan,
ook leeren zij hun oppasser kennen en geraken aan hem gewend; deze kan
hen echter nooit vertrouwen, daar zij hunne hoornen soms, als 't ware
uit scherts, op hoogst gevaarlijke wijze gebruiken. Men kan ze niet in
gezelschap van andere dieren laten blijven, daar zij zich in korten
tijd van de heerschappij meester maken en dan hunne metgezellen op
afschuwelijke wijze mishandelen. Ook onderling twisten zij nu en dan en
stooten elkander terdege. Bovendien zijn zij zoo onhandelbaar, dat het
groote moeite kost ze van de eene plaats naar een andere te brengen.
In den laatsten tijd is de "Steppenkoe" dikwijls naar Europa vervoerd;
in de dierentuinen heeft men haar zeer goed in 't leven kunnen houden
en heeft zij zich zonder bijzondere voorzorgen voortgeplant. Zeldzamer
ziet men hier de Beisa en nog veel zeldzamer de Passan.
Het vleesch en het vel van de Oryx-antilopen worden op de gewone
wijze gebruikt. De rechte hoornen van den Passan en den Beisa doen
dikwijls dienst als lansspitsen. De Europeanen aan de Kaap laten
deze hoornen ook wel polijsten en met zilveren knoppen voorzien,
om ze daarna als wandelstokken te gebruiken.
De _Mendes_-_antilopen_ (_Addax_) zijn het naast verwant aan
de Oryx-bokken; alleen door de lichte, slanke en lange _hoornen_
(eveneens _bij beide geslachten_ aanwezig), die schroef- of liervormig
gewonden en over het grootste deel van hun lengte geringd zijn,
verschillen zij van de leden der vorige groep. Op de Oud-Egyptische
gedenkteekenen treft men veelvuldig afbeeldingen van de Mendes-antilope
aan. _Mendes_ is de naam van een Egyptische godheid, welke min of meer
met den Griekschen god _Pan_ overeenkomt. De _Mendes_hoornen, die de
hoofden der afgodsbeelden, der priesters en der koningen van Oud-Egypte
versieren, zijn gevormd naar de hoornen van deze Antilope. Van Egypte
uit heeft zich de roem van dit dier verder verbreid. Het was bij de
Grieken en Romeinen goed bekend.
De _Mendes_-_antilope_ (_Addax nasomaculatus_) is tamelijk plomp
gebouwd. De beharing is dicht en op verreweg de meeste lichaamsdeelen
kort en grof. Vóór den wortel van de hoornen staat een kuif, die over
het voorhoofd naar beneden hangt; van het oor naar het achterhoofd
strekt zich een strook langere haren uit; het voorste gedeelte van
den hals is met lange manen versierd. Gedurende het koele jaargetijde
gaat de geelachtig witte kleur allengs in grijs over. Jonge dieren zijn
zuiver wit van kleur. De lichaamslengte bedraagt 2 M., de schofthoogte
ruim 1 M.
Het verbreidingsgebied van de Mendes-antilope omvat het ten zuiden van
18° N.B. gelegen binnenland van Noord-Afrika van de Nijllanden tot aan
het Tsad-gebied. Zij bewoont ook de dorste gewesten, waar volgens de
verzekering der nomaden wijd en zijd geen druppel water te vinden is;
als men deze lieden geloof mag schenken, is zij in staat om maanden
lang het water te ontberen. Zij is even schuw en vreesachtig als de
overige Antilopen, even behendig en volhardend bij 't loopen, en niet
minder dan deze aan vele vervolgingen blootgesteld. De machthebbers
der nomaden en Bedoeïnen zien in haar een van de edelste jachtdieren:
zij "hitsen" haar, deels om haar vleesch te gebruiken, deels om de
snelheid van hunne Paarden en Windhonden te beproeven, deels ook om
jongen buit te maken, die zij dan groot brengen.
Levende Mendes-antilopen zijn herhaaldelijk naar Europa gebracht,
waar zij in verschillende diergaarden geleefd hebben en nagegaan
werden. Door hare handelingen toonen zij haar nauwe verwantschap
met de Oryx-bokken, want zij zijn even nukkig en onverdraagzaam als
deze. Er zijn echter ook uitzonderingen op dezen regel. Een exemplaar,
dat de hertog van Toskane uit Egypte ten geschenke had gekregen,
was volstrekt niet schuw in het bijzijn van menschen. Zij liet zich
streelen en liefkoozen en likte de hand van haar oppasser. Soms wilde
zij spelen en werd dan lastig; want dikwijls toonde zij onverwachts
hare hoornen en trachtte den persoon, dien zij zooeven geliefkoosd
had, te stooten en te slaan. Bij de geringste achterdocht spitste zij
de ooren en stelde zich in staat van tegenweer. Op Honden en andere
vijanden liep zij met achterwaarts gerichte hoornen toe, drukte
de voorpooten tegen den grond aan, richtte de horens naar voren en
stiet dan snel van onderen naar boven; ook met de pooten sloeg zij
zoowel voor- als achteruit. Haar stem was soms een geknor, soms een
zacht geloei; door het loeien gaf zij haar verlangen naar voedsel te
kennen. In gevangenschap gedijen deze Antilopen bij eenvoudig voedsel
goed en leven lang; ook haar voortplanting levert geen bezwaren op.
_Draaihoorn_-_antilopen_ (_Strepsiceros_) noemt men eenige groote
Antilopen met schroefvormig gewonden, samengedrukte en gekielde
_hoornen_, _die alleen bij het mannetje_ aangetroffen worden; haar
vel is gestreept of op een andere wijze met een teekening van lichtere
kleur versierd.
Een vertegenwoordiger van deze groep is de statige _Koedoe_
(_Strepsiceros kudu_), die ons Edelhert aan grootte overtreft. Oude
bokken zijn 3 M. lang, gemeten van den neus tot aan de spits van
den ongeveer 50 cM. langen staart; de schoft is dan 1.7 M. hoog,
terwijl het gewicht 300 KG. of meer bedraagt. Het wijfje is
aanmerkelijk kleiner. Door zijn lichaamsbouw herinnert de Koedoe
in vele opzichten aan ons Hert. De grondkleur is een moeilijk te
beschrijven roodachtig bruingrijs, dat op de achterste gedeelten van
den buik en de binnenzijde van de pooten in witachtig grijs overgaat.
Witte strepen, meestal ten getale van 7 of 9, van welke sommige zich
vorkswijs vertakken, steken sterk bij deze grondkleur af. Onderling
evenwijdig strekken zij zich van den rug naar den buik, langs de zijden
uit. Tusschen de beide oogen bevindt zich een witte, halvemaanvormige
vlek, welker bolle zijde naar de spits van den snuit gekeerd is. De
hoornen zijn een prachtig sieraad voor den bok; zij behooren tot de
grootste, die bij eenige Antilope voorkomen. Volgens een rechte lijn
gemeten, bereiken zij een hoogte van 90 à 100 soms zelfs van 105
cM.; de afstand tusschen de beide spitsen bedraagt 70 à 80 cM. Met
verbazing merkt men op, hoe gemakkelijk en fier het dier de last van
deze hoornen draagt.
Onze bekendheid met den Koedoe dagteekent eerst van de laatste helft
der vorige eeuw. Wel is waar hebben reeds de schrijvers der oudheid
een tamelijk juiste beschrijving van den "Strepsiceros" gegeven;
zij kenden hem echter slechts van hooren zeggen. Ook onze voorouders
wisten niets te vertellen van de dragers der schroefvormige horens,
die dikwijls naar Europa gezonden werden en er sterk de aandacht
trokken. Eerst tegen het einde van de vorige eeuw werd een Koedoe
levend naar Holland gebracht; hiermede neemt de geschiedenis van dit
prachtige dier voor ons een aanvang; nog altijd echter is men niet
in staat een volledige beschrijving van zijn levenswijze te geven.