"Den 28en December had ik het genoegen voor de eerste maal

Trekbokken te zien. Dit was, voorzoover ik mij herinneren kan, het

prachtigste en verhevenste schouwspel, dat jachtdieren mij ooit hebben

verschaft. Sedert ongeveer 2 uren voor het aanbreken van den dag had

ik wakker gelegen in mijn wagen en het knorren der Bokken gehoord,

die zich op een afstand van ongeveer 200 schreden bevonden. Hoewel ik

hieruit kon afleiden, dat er een groote kudde naast onze legerplaats

graasde, was ik toch ten hoogste verbaasd over het tooneel dat ik

aanschouwde, toen het licht geworden was en ik opstond: een ontzaglijk

groote menigte Springbokken bedekte in den letterlijken zin van 't

woord de geheele vlakte. Deze dieren trokken langzaam heen en weer. Van

een opening in de lange heuvelreeks, die zich westwaarts uitstrekte, en

waardoor een stroom van dieren als het water van een groote rivier naar

binnen vloeide, strekte het gewemel zich uit tot aan een verhevenheid,

ongeveer een mijl ver noordoostwaarts van ons gelegen, waarachter het

verdween. Ik stond bijna 2 uren lang op het voorste gedeelte van mijn

wagen, sprakeloos van verbazing over dit wonderbaarlijk schouwspel. De

kudde Springbokken, die ik 's morgens zag, hoe ontzaglijk en verrassend

groot zij ook was, werd nog verre overtroffen door die, welke ik 's

avonds te zien kreeg. Want, toen wij de lage heuvelketen overtrokken,

door welker opening de Springbokken binnengedrongen waren, zag ik de

vlakte en zelfs de heuvelhellingen, die haar aan alle zijden omgeven,

dicht bedekt, niet met kudden, maar met een aaneengesloten massa van

Springbokken. Zoo ver het oog reikte, wemelde het landschap van deze

dieren, totdat zij eindelijk aan den gezichteinder tot een onduidelijk

mengelmoes van levende wezens ineenvloeiden." Ook Le Vaillant spreekt

van zwermen van 10.000 à 50.000 stuks, die door Leeuwen, Luipaarden

en Hyenas vervolgd werden, en E. Kretschmar maakt melding van scharen,

die volgens zijn schatting uit millioenen individuën bestonden.

Wonderbaarlijk dicht opeengedrongen zijn soms de dieren in de

massa, die zich op deze wijze voortbeweegt. Harris verhaalt, dat een

schapenkudde, die toevallig onder de trekkende Springbokken gekomen

was, gedwongen werd, met hen te gaan. Zelfs de machtige Leeuw, die

deze Antilopen ijverig vervolgt, wordt, naar men zegt, menigmaal

door de reizende schare in den letterlijken zin van 't woord gevangen

gehouden en medegevoerd.

De Springbok heeft van de kolonisten terecht dezen naam

gekregen. Als hij vlucht, maakt hij een aantal vreemdsoortige,

loodrechte sprongen. Terwijl hij zich met gekromde pooten hoog

boven den bodem verheft, fladdert het lange, sneeuwwitte, langs

den rug groeiende haar in de lucht; hierdoor verkrijgt dit dier

het echt tooverachtige voorkomen, waardoor het zich van alle andere

Antilopen onderscheidt. Soms springt het meer dan 2 M. hoog en met

iederen sprong 4 à 5 M. ver, en toch schijnt deze het dier niet de

geringste inspanning te kosten. Vóór den sprong buigt het den kop

benedenwaarts en naar de voorpooten terug; daarna worden alle vier

pooten tegelijk opgelicht; het dier verheft zich met sterk gebogen rug

tot de reeds genoemde hoogte en breidt intusschen de huidplooi op den

rug waaiervormig uit. Eén oogenblik schijnt het in de lucht te zweven,

komt daarna met alle vier pooten tegelijk op den bodem terug, om

dadelijk daarop nogmaals omhoog te stijgen, alsof het wegvliegen wil.

Jong gevangen Springbokken worden spoedig tam. Die welke ik gezien

en verzorgd heb, waren schuw en voorzichtig tegen vreemden, maar

uitgelaten, als zij met bekenden te doen hadden. Als er verscheidene

tegelijk in één ruimte zijn opgesloten, houden zij niet altijd vrede

met elkander; vooral de bokken gedragen zich als twistzoekers,

die zelfs de wijfjes mishandelen of althans plagen. Afgezien van

deze onverdraagzaamheid zijn de gevangen Springbokken bekoorlijke

dieren. Hun zacht vel, dat zich door kleurenpracht onderscheidt, hun

bevallige gestalte en de sierlijkheid van hunne bewegingen boeien

iedereen, zelfs dan nog, als de dieren door de nauwe ruimte binnen

de omheining eigenlijk niet geheel tot hun recht komen. Ongelukkig

worden maar weinige exemplaren levend tot ons gebracht.

Op de Gazellen zullen wij de _Koe-antilopen_ (_Bubalis_) laten volgen;

daar zij in zekeren zin een overgang vormen tusschen de slanke en de

plompe vormen van de onderfamilie. Deze groep omvat groote, krachtige,

bijna plomp gebouwde Antilopen met hoogen schoft en afhellenden rug,

onbehouwen, langwerpigen kop met breeden snuit, korten hals, krachtige

ledematen en bij beide geslachten horens, die op de voorhoofdslijst

staan en dubbel gebogen zijn.

Het _Hartebeest_ der Zuid-Afrikaansche Boeren, de _Kama_ der

Beetsjoeanen (_Bubalis caama_), onderscheidt zich van zijne verwanten

door den langeren kop, de dikkere horens, die volgens scherpere hoeken

gebogen zijn, de betrekkelijk kleine ooren en de kleur. De hoornen

zijn kort, aan den wortel zeer dik, met ongeveer 16 knobbelvormige

opzwellingen voorzien; aanvankelijk stijgen zij nevens en ongeveer

evenwijdig aan elkander omhoog, zijn dan in het tweede derde gedeelte

van hun lengte een weinig naar voren gebogen, terwijl het laatste

derde gedeelte met de scherpe spits bijna rechthoekig naar buiten

en naar achteren gekromd is. Ook bij deze Antilope is fraai, licht

kaneelbruin de heerschende kleur.

In vroegere tijden veelvuldig in het noorden van het Kaapland,

is het Hartebeest door de onophoudelijke vervolging, waaraan het

blootstaat, tegenwoordig over de Oranje-rivier teruggedrongen. Ten

noorden van de volksplantingen en van de landstreken, die door de

jagers bezocht worden, komt het in vrij grooten getale voor; in het

binnenland van Oost-Afrika is het op gunstig gelegen plaatsen een van

de meest voorkomende Antilopen. Schweinfurth leerde het als een der

algemeenste bewoners van de Bongo- en Niam-niam-landen kennen. "Het

veelvuldigst," zegt hij, "ontmoet men het bij troepen van 5 à 10

stuks in de onbewoonde wildernissen, die aan bebouwde gewesten

grenzen; in de bebouwde streken geeft het de voorkeur aan de lichte

kreupelhoutbosschen in de nabijheid van de rivierdalen, zonder deze

zelf te betreden. Het heeft de gewoonte om op het midden van den dag

bij boomstammen of helder door de zon beschenen Termieten-heuvels te

gaan staan om te rusten; het onttrekt zich dan dikwijls lang aan de

blikken van den onderzoeker door zijn onbeweeglijkheid en doordat het

bij voorkeur een achtergrond kiest, welks kleur overeenstemt met die

van zijn lichaam." Hoewel zijn niet-fraaie gestalte en zijn leelijke,

wanstaltige kop den Kama, wanneer hij loopt, een in 't oogvallend en

plomp uiterlijk verschaffen, maakt hij toch een grootschen indruk

op den toeschouwer als hij galoppeert. Even belust op beweging als

andere Antilopen, schept hij dikwijls behagen in stoute sprongen en

wendingen, niet zelden ook in eigenaardige spelen.

Hartebeesten, die van de jeugd af onder de leiding van den mensch

staan, worden buitengewoon tam, volgen hun verzorger op den voet,

nemen hem brood en andere lekkernijen uit de hand en geven hem hun

genegenheid op velerlei wijzen te kennen. Ongelukkig duurt deze

aangename verhouding nooit lang, want zoodra zij het bewustzijn

krijgen van hun lichaamskracht, toonen zij, en wel vooral de

bokken, den twistzieken aard van hun geslacht; zij zijn gewoonlijk

het allerboosaardigst tegen dezelfde personen, waaraan zij vroeger

gehechtheid lieten blijken. Het vleesch van deze dieren wordt overal

hoog geschat; het behoort tot de smakelijkste soorten van wild,

die de onderfamilie der Antilopen levert. Het vel gebruikt men voor

dekens; van de gelooide huid maakt men riemen en paardentuig; de

hoornen worden wegens hun hardheid tot allerlei gereedschappen en

versierselen verwerkt.

Evenals de Koe-antilopen gelijken ook de _Riet-antilopen_ (_Redunca_)

op de Gazellen. Het zijn groote of middelmatig groote dieren

van ineengedrongen gestalte, met tamelijk langen staart. _Alleen

het mannetje is gehoornd._ De hoornen zijn aan den voet met ringen

voorzien, overigens rond en glad, met de spits naar voren gebogen. Het

wijfje heeft vier spenen; bij _Antilope_ en _Bubalis_ heeft het er

slechts twee.

Het meest bekende lid van dit geslacht is de _Rietbok_ (_Redunca

eleotragus_). Dit fraaie dier wordt 1.4 à 1.5 M. lang, met inbegrip

van den 27 cM. langen staart; de schoft is ongeveer 95 cM., het kruis

80 cM. hoog. Over 't geheel genomen gelijkt de Rietbok op onze Ree,

hoewel hij eenigszins slanker gebouwd is.

De Rietbok komt in Zuid Afrika en in de oostelijke gedeelten van

Middel-Afrika voor; hier bemerkt men hem eerst aan gene zijde van de

groote moerassen van het stroomgebied van den Boven-Nijl. Paarsgewijs

bewonen deze dieren kreupelhoutbosschen in de nabijheid van plassen

en moerassen, terreinen die met biezen en riet bedekt zijn, en

de met hooghalmige zeggen begroeide beddingen van stroomen, die

slechts gedurende een deel van het jaar water afvoeren. Wegens hun

teruggetrokken levenswijze ziet men de Rietbokken veel zeldzamer dan

hun talrijkheid zou doen verwachten.

Na verwant aan de Riet-antilopen zijn de _Waterbokken_ (_Kobus_),

groote, tamelijk lang behaarde, dikwijls manendragende Antilopen van

regelmatige gestalte. Hunne lange, spitse horens vertoonen vele ringen;

zij zijn eerst buitenwaarts, van het midden af naar voren, met de

spits naar binnen gekromd. De neusspiegel is matig sterk ontwikkeld;

klauwklieren zijn aanwezig; aan het uiteinde van den staart komt een

lange haarkwast voor.

De _Waterbok_ (_Kobus ellipsiprymnus_) is een indrukwekkend dier;

het wordt bijna zoo groot als een Edelhert, daar het met inbegrip van

den 50 cM. langen staart een lengte van 2 M. bereikt; de schoft is

1.25, het kruis 1.3 M. hoog. Zijn vacht is over 't algemeen grijs van

kleur, aan den kop, den romp, den staart en de dijen naar geelrood of

roodbruin zweemend. De hoornen hebben, langs de krommingen gemeten,

een lengte van 80 cM.; tot dicht bij de spits dragen zij ringen,

die meestal sterk uitpuilen en scherpkantig zijn.

A. Smith ontmoette de Waterbokken in kleine kudden van 8 à 10

stuks aan de oevers der Zuid-Afrikaansche rivieren; Von Heuglin

en (later) Schweinfurth leerden hen kennen als bewoners van de

noordoostelijke gewesten van Centraal-Afrika; Pechuel-Loesche vond

ze in het westelijk gedeelte van 't Congo-gebied, waar zij in sommige

oorden zeer veelvuldig zijn. In weerwil van zijn bijna plompe gedaante

maakt de Waterbok een gunstigen indruk: levendig en vol uitdrukking,

verraden zijne oogen zelfstandigheid van karakter, bijna zelfs

wildheid; bovendien maakt hij vrij sierlijke bewegingen. Volgens

Von Heuglin is hij geen echte moerasbewoner, hoewel hij bij voorkeur

oorden, begroeid met meer dan manshoog rietgewas, tot verblijfplaats

kiest. Evenals de Paard-antilopen (_Hippotragus_) heeft hij de gewoonte

Termieten-heuvels te beklimmen en van hun top in majestueuze houding

zijn waterrijk gebied te overzien. Zoodra de aanvoerder van de kudde

gevaar bespeurt, spoedt hij zich heen in suizenden galop en de geheele

kudde stormt hem achterna. Altijd vluchten de angstig geworden dieren

naar den waterkant, waar zij zich met een plomp in den stroom storten.

Dit wild wordt nagenoeg oneetbaar geacht, daar het vleesch taai,

vezelig en met een onaangenamen, sterken reuk bedeeld is; de

laatstgenoemde eigenschap maakt, dat zelfs de hongerige Kaffer er

een afkeer van heeft.

De _Spiesbokken_ (_Oryx_) waren reeds in den ouden tijd bekend en

beroemd; afbeeldingen van minstens één soort dezer dieren komen

veelvuldig voor op de Egyptische en Nubische gedenkteekenen. Zij

toonen den Oryx in de meest verschillende standen, gewoonlijk met

een touw om den hals, ten teeken dat men jacht op hem gemaakt en hem

gevangen heeft. In de vertrekken van de groote pyramide van Cheops

wordt hetzelfde dier op sommige afbeeldingen met slechts één hoorn

voorgesteld; hierop gronden eenige natuuronderzoekers de onderstelling,

dat de Oryx aanleiding heeft gegeven tot de sage van den Eénhoorn. Bij

nauwkeuriger onderzoek blijkt het echter duidelijk, dat men met den

Eenhoorn (den "Rem" van den bijbel) niet anders dan het Neushoorndier

bedoeld kan hebben.

Als type van dit geslacht beschouwt men gewoonlijk den _Passan_,

den _Gemsbok_ der Hollandsche Boeren, den _Koekama_ der Beetsjoeanen

(_Oryx capensis_), een flink dier van 2.4 M. lichaamslengte (waarbij

40 cM. voor den staart) en 1.2 M. schofthoogte. De hals, de nek, de

rug en de zijden zijn geelachtig wit; zuiver wit daarentegen zijn de

kop, de ooren, het bovenste gedeelte van de achterschenkels, de borst,

de buik en de onderste gedeelten der pooten (bij het voetgewricht te

beginnen). Een streep op het voorhoofd, een breede vlek op het voorste

deel van den neus, de buitenrand van het oor, een van den hoorn over

het oog naar de onderkaak loopende en een tweede, langs de onderkaak

zich uitstrekkende streep zijn zwart; de kop vertoont hierdoor een

op een halster gelijkende teekening. Zwart zijn bovendien een op den

rug beginnende vlek, de onderschenkels, een streep aan de voorzijde

van het voetgewricht, een streep die van de middelborst naar voren en

naar boven over de flanken loopt, eindelijk ook nog de dikke kwast aan

den staart. De prachtige zwarte hoornen, die _bij beide geslachten_

voorkomen, zijn slechts zeer weinig gebogen, dikwijls zelfs lijnrecht;

aan de onderste helft komen ringen voor, de bovenste is echter glad

en eindigt in een scherpe spits.

De Passan is tot dusver nergens anders dan in Zuid-Afrika gevonden;

in het noordoosten van Afrika wordt hij echter door een zeer na

verwante soort vervangen.

Deze, de _Beisa_ (_Oryx heisa_), waarschijnlijk de echte Oryx van

de Ouden, doet in grootte voor den Passan niet onder; ook bij deze

soort hebben de mannetjes zoowel als de wijfjes, nagenoeg rechte,

minstens één meter lange horens; de kleur is eenigszins lichter,

maar gelijkt overigens, evenals de teekening, zeer veel op die van

den Passan. De Beisa bewoont het kustland van Abessinië en andere

gewesten van het noordoosten van Afrika, noordwaarts tot op ongeveer

20° N. B., zuidwaarts tot in het land der Somalis.

Een derde soort van het geslacht der Spiesbokken, door ons gewoonlijk

_Sabel_-_antilope_, door de Arabieren _Wilde Koe_ of _Steppenkoe_

genoemd (_Oryx leucoryx_), is eenigszins plomper van bouw dan hare

verwanten; zij draagt even lange, op dezelfde wijze geringde, maar

zacht gebogen, naar buiten en achteren gerichte, met de spits naar

beneden wijzende hoornen. Het korte, glad aanliggende haarkleed is

tamelijk gelijkmatig van kleur. De grondkleur is meer of minder zuiver

geelachtig wit, aan de onder- en binnenzijde der pooten lichter,

aan den hals door roestkleur vervangen; de kop is met zes dof-bruine

vlekken geteekend. De oude bokken worden ruim 2 M. lang (waarbij 50

cM. voor den staart) en hebben dan een schofthoogte van 1.3 M.

Het verbreidingsgebied van de Sabel-antilope strekt zich uit over het

noordoostelijk deel van Centraal-Afrika; zij is veelvuldig in Sennaar

en Kordofan, wordt zeldzamer in Middel- en West Soedan, komt echter

ook verder noordwaarts voor en wel in enkele woestijndalen van Nubië.

In levenswijze stemmen de Oryx-antilopen vermoedelijk in de meeste

opzichten overeen. De natuurlijke geschiedenis van deze sinds overouden

tijd beroemde dieren bevat echter nog altijd vele leemten, daar hun

leven in de vrije natuur tot dusver nog niet voldoende werd nagegaan.

Men ziet de Oryx-antilopen gewoonlijk bij paren, of bij zeer

kleine troepen, die dikwijls slechts uit één wijfje met hare jongen

bestaan. Zij stappen met lichten tred, maar draven zwaar; hun galop

is zeer zwaar, maar kan lang volgehouden worden en hen met een

gelijkmatigen, vrij grooten spoed verplaatsen. Toch kan een jager

te paard, soms zonder een schot te doen, den Passan bedwingen; het

vervolgde dier zal ten slotte door vermoeidheid genoodzaakt zijn om te

blijven staan. Dat de Zuid-Afrikaansche Passan met andere Antilopen in

vrede leeft, zou men kunnen afleiden uit het feit, dat men hem dikwijls

volkomen eendrachtig ziet grazen naast de Eland-antilope. De Sabelbok

is echter, gelijk ik zelf opgemerkt heb, hoogst onverdraagzaam; als

hij slecht geluimd is, mishandelt hij andere dieren op afschuwelijke

wijze. Getergde Oryx-antilopen vallen hare tegenstanders woedend aan

en trachten hen te kwetsen. Lichtenstein verhaalt, dat een zijner

reisgezellen in de Groote Karroo-vlakte het geraamte van een Luipaard

en dat van een Oryx naast elkander vond liggen: de bok had zijn

gevaarlijken vijand met een hoornstoot gedood, maar was zelf bezweken

aan de vroeger ontvangen wonden. Harris acht het niet onmogelijk,

dat den Leeuw soms een dergelijk lot ten deel valt.

De Oryx-antilopen worden bij voorkeur te paard gejaagd. Gordon

Cumming beschrijft zulk een jacht en verhaalt, dat hij den ganschen

dag een reeds gewonden Passan nagereden heeft, vóórdat het dier door

uitputting niet verder kon gaan. Geen Antilope levert een prachtiger

schouwspel op dan een vluchtende Oryx-bok. Zoodra hij bemerkt, dat

hij vervolgd wordt, laat hij een doordringend geschreeuw hooren, heft

den kop op, zoodat de hoornen hem op den rug komen te liggen strekt

den staart naar achteren en ijlt nu in wilde haast over de vlakte,

alles wat hem in den weg komt neerwerpend of doorborend. Struiken die

hem den weg versperren, overschrijdt hij met een kolossalen sprong,

door de Zebra-kudden breekt hij heen, Struisvogel-kudden jaagt hij

in dolle vaart voor zich uit. Eerst na een vervolging van vele uren

kan men hem onder schot krijgen.

De nomaden der steppe vangen nu en dan een der bij hen inheemsche

Spiesbokken en brengen hem naar de stad om hem aan de voornamen

des lands of aan de Europeanen te koop te bieden. Op deze wijze heb

ik er gedurende mijn verblijf in Afrika verscheidene gekregen. Ik

kan deze gevangen dieren niet roemen. Zij zijn traag, vervelend en

onverdraagzaam. De gevangenschap kunnen zij gemakkelijk doorstaan,

ook leeren zij hun oppasser kennen en geraken aan hem gewend; deze kan

hen echter nooit vertrouwen, daar zij hunne hoornen soms, als 't ware

uit scherts, op hoogst gevaarlijke wijze gebruiken. Men kan ze niet in

gezelschap van andere dieren laten blijven, daar zij zich in korten

tijd van de heerschappij meester maken en dan hunne metgezellen op

afschuwelijke wijze mishandelen. Ook onderling twisten zij nu en dan en

stooten elkander terdege. Bovendien zijn zij zoo onhandelbaar, dat het

groote moeite kost ze van de eene plaats naar een andere te brengen.

In den laatsten tijd is de "Steppenkoe" dikwijls naar Europa vervoerd;

in de dierentuinen heeft men haar zeer goed in 't leven kunnen houden

en heeft zij zich zonder bijzondere voorzorgen voortgeplant. Zeldzamer

ziet men hier de Beisa en nog veel zeldzamer de Passan.

Het vleesch en het vel van de Oryx-antilopen worden op de gewone

wijze gebruikt. De rechte hoornen van den Passan en den Beisa doen

dikwijls dienst als lansspitsen. De Europeanen aan de Kaap laten

deze hoornen ook wel polijsten en met zilveren knoppen voorzien,

om ze daarna als wandelstokken te gebruiken.

De _Mendes_-_antilopen_ (_Addax_) zijn het naast verwant aan

de Oryx-bokken; alleen door de lichte, slanke en lange _hoornen_

(eveneens _bij beide geslachten_ aanwezig), die schroef- of liervormig

gewonden en over het grootste deel van hun lengte geringd zijn,

verschillen zij van de leden der vorige groep. Op de Oud-Egyptische

gedenkteekenen treft men veelvuldig afbeeldingen van de Mendes-antilope

aan. _Mendes_ is de naam van een Egyptische godheid, welke min of meer

met den Griekschen god _Pan_ overeenkomt. De _Mendes_hoornen, die de

hoofden der afgodsbeelden, der priesters en der koningen van Oud-Egypte

versieren, zijn gevormd naar de hoornen van deze Antilope. Van Egypte

uit heeft zich de roem van dit dier verder verbreid. Het was bij de

Grieken en Romeinen goed bekend.

De _Mendes_-_antilope_ (_Addax nasomaculatus_) is tamelijk plomp

gebouwd. De beharing is dicht en op verreweg de meeste lichaamsdeelen

kort en grof. Vóór den wortel van de hoornen staat een kuif, die over

het voorhoofd naar beneden hangt; van het oor naar het achterhoofd

strekt zich een strook langere haren uit; het voorste gedeelte van

den hals is met lange manen versierd. Gedurende het koele jaargetijde

gaat de geelachtig witte kleur allengs in grijs over. Jonge dieren zijn

zuiver wit van kleur. De lichaamslengte bedraagt 2 M., de schofthoogte

ruim 1 M.

Het verbreidingsgebied van de Mendes-antilope omvat het ten zuiden van

18° N.B. gelegen binnenland van Noord-Afrika van de Nijllanden tot aan

het Tsad-gebied. Zij bewoont ook de dorste gewesten, waar volgens de

verzekering der nomaden wijd en zijd geen druppel water te vinden is;

als men deze lieden geloof mag schenken, is zij in staat om maanden

lang het water te ontberen. Zij is even schuw en vreesachtig als de

overige Antilopen, even behendig en volhardend bij 't loopen, en niet

minder dan deze aan vele vervolgingen blootgesteld. De machthebbers

der nomaden en Bedoeïnen zien in haar een van de edelste jachtdieren:

zij "hitsen" haar, deels om haar vleesch te gebruiken, deels om de

snelheid van hunne Paarden en Windhonden te beproeven, deels ook om

jongen buit te maken, die zij dan groot brengen.

Levende Mendes-antilopen zijn herhaaldelijk naar Europa gebracht,

waar zij in verschillende diergaarden geleefd hebben en nagegaan

werden. Door hare handelingen toonen zij haar nauwe verwantschap

met de Oryx-bokken, want zij zijn even nukkig en onverdraagzaam als

deze. Er zijn echter ook uitzonderingen op dezen regel. Een exemplaar,

dat de hertog van Toskane uit Egypte ten geschenke had gekregen,

was volstrekt niet schuw in het bijzijn van menschen. Zij liet zich

streelen en liefkoozen en likte de hand van haar oppasser. Soms wilde

zij spelen en werd dan lastig; want dikwijls toonde zij onverwachts

hare hoornen en trachtte den persoon, dien zij zooeven geliefkoosd

had, te stooten en te slaan. Bij de geringste achterdocht spitste zij

de ooren en stelde zich in staat van tegenweer. Op Honden en andere

vijanden liep zij met achterwaarts gerichte hoornen toe, drukte

de voorpooten tegen den grond aan, richtte de horens naar voren en

stiet dan snel van onderen naar boven; ook met de pooten sloeg zij

zoowel voor- als achteruit. Haar stem was soms een geknor, soms een

zacht geloei; door het loeien gaf zij haar verlangen naar voedsel te

kennen. In gevangenschap gedijen deze Antilopen bij eenvoudig voedsel

goed en leven lang; ook haar voortplanting levert geen bezwaren op.

_Draaihoorn_-_antilopen_ (_Strepsiceros_) noemt men eenige groote

Antilopen met schroefvormig gewonden, samengedrukte en gekielde

_hoornen_, _die alleen bij het mannetje_ aangetroffen worden; haar

vel is gestreept of op een andere wijze met een teekening van lichtere

kleur versierd.

Een vertegenwoordiger van deze groep is de statige _Koedoe_

(_Strepsiceros kudu_), die ons Edelhert aan grootte overtreft. Oude

bokken zijn 3 M. lang, gemeten van den neus tot aan de spits van

den ongeveer 50 cM. langen staart; de schoft is dan 1.7 M. hoog,

terwijl het gewicht 300 KG. of meer bedraagt. Het wijfje is

aanmerkelijk kleiner. Door zijn lichaamsbouw herinnert de Koedoe

in vele opzichten aan ons Hert. De grondkleur is een moeilijk te

beschrijven roodachtig bruingrijs, dat op de achterste gedeelten van

den buik en de binnenzijde van de pooten in witachtig grijs overgaat.

Witte strepen, meestal ten getale van 7 of 9, van welke sommige zich

vorkswijs vertakken, steken sterk bij deze grondkleur af. Onderling

evenwijdig strekken zij zich van den rug naar den buik, langs de zijden

uit. Tusschen de beide oogen bevindt zich een witte, halvemaanvormige

vlek, welker bolle zijde naar de spits van den snuit gekeerd is. De

hoornen zijn een prachtig sieraad voor den bok; zij behooren tot de

grootste, die bij eenige Antilope voorkomen. Volgens een rechte lijn

gemeten, bereiken zij een hoogte van 90 à 100 soms zelfs van 105

cM.; de afstand tusschen de beide spitsen bedraagt 70 à 80 cM. Met

verbazing merkt men op, hoe gemakkelijk en fier het dier de last van

deze hoornen draagt.

Onze bekendheid met den Koedoe dagteekent eerst van de laatste helft

der vorige eeuw. Wel is waar hebben reeds de schrijvers der oudheid

een tamelijk juiste beschrijving van den "Strepsiceros" gegeven;

zij kenden hem echter slechts van hooren zeggen. Ook onze voorouders

wisten niets te vertellen van de dragers der schroefvormige horens,

die dikwijls naar Europa gezonden werden en er sterk de aandacht

trokken. Eerst tegen het einde van de vorige eeuw werd een Koedoe

levend naar Holland gebracht; hiermede neemt de geschiedenis van dit

prachtige dier voor ons een aanvang; nog altijd echter is men niet

in staat een volledige beschrijving van zijn levenswijze te geven.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 15 / 28 段