De _Sasi_ of _Indische Antilope_ (_Antilope cervicapra_) speelt in de

Indische godenleer een belangrijke rol. Zij neemt in den dierenriem

van de Hindoes de plaats van den Steenbok in, en is, met vele andere

soorten, aan de godin _Tsjandra_ (de maan) gewijd. Zij is iets kleiner,

slanker en veel sierlijker dan ons Damhert: haar lichaamslengte

bedraagt 1.2 à 1.3 M. met den 15 cM. langen staart, de schoft is 80

cM. hoog. De kleur verschilt al naar den ouderdom en het geslacht. Bij

den ouden bok hebben donker bruingrijze tinten de overhand. De geit

is veel lichter, isabelkleurig bruin. Jonge dieren verschillen, naar

men zegt, van de oude wijfjes, door hun meer roodachtige kleur. De

alleen bij het mannetje voorkomende hoornen worden gemiddeld 40 à 50

cM., in zeldzame gevallen 60 à 65 cM. lang en zijn gewoonlijk drie-

à viermaal, soms echter vijfmaal zwak schroefvormig gedraaid. Aan

den wortel staan de beide stangen dicht bijeen, aan de spits zijn

zij 30 à 40 cM. van elkander verwijderd; al naar den ouderdom van

het dier zijn zij dikker of dunner; de ringen strekken zich uit tot

in de nabijheid van de gladde spits. Bij overoude bokken komen meer

dan 30 zulke ringen voor; hun aantal is echter niet evenredig aan

den ouderdom en de grootte van het dier.

De Sasi bewoont de opene, vlakke gewesten van Voor-Indië met

uitzondering van Beneden-Bengalen en de kust van Malabar. Gewoonlijk

leeft zij in troepen van 20 à 30, dikwijls ook van 40 à 60 stuks. In

alle omstandigheden heeft zij een voorliefde voor open landschappen

en vermijdt de dichtbegroeide, want zij is in hooge mate voor haar

veiligheid bezorgd. Williamson verhaalt, dat altijd eenige jonge

mannetjes en ook oude wijfjes de rol van voorposten op zich nemen, als

de kudde zich gereed maakt om op een lievelingsplaats te grazen. Vooral

struiken, waarachter de jager zou kunnen naderen en in hinderlaag

liggen, worden door deze schildwachten zeer zorgvuldig in 't oog

gehouden. Het zou een dwaasheid zijn, verzekert deze onderzoeker,

Windhonden op hen af te sturen, want alleen als men ze verrast, is

eenig succes te verwachten; anders nemen deze dieren oogenblikkelijk

de vlucht en spoeden zich wonderbaarlijk snel heen. "De hoogte en de

wijdte van hunne sprongen brengen iedereen in verbazing; zij verheffen

zich meer dan 3 M. (?) boven den bodem en springen 6 à 10 M. ver,

alsof zij den hen volgenden Hond bespotten willen." Daarom denken

de Indische vorsten er niet aan de Sasi's met Windhonden te jagen;

zij doen dit met Valken of met Jachtluipaarden.

Jong gevangen dieren worden buitengewoon tam. Zij verdragen zonder

bezwaar de gevangenschap, houden ook tot aan den paartijd vrede

met hunne soortgenooten en maken een aangenamen indruk door hunne

vertrouwelijkheid en gehechtheid. Het best gedijen zij, wanneer

men hun een vrije speelruimte laat. In groote parken verschaffen

zij wegens hunne buitengewone bevalligheid en sierlijkheid een

prachtig schouwspel; ook worden zij hier veel tammer dan in hokken,

waar vooral de mannetjes dikwijls hun oppasser aanvallen en naar hem

stooten. In Indië wordt deze Antilope als een heilig dier dikwijls tam

gehouden. Vrouwen zijn met haar verzorging belast en geven haar melk

te drinken; muzikanten spelen haar melodiën voor. Alleen de Brahminen

mogen haar vleesch eten. Van de hoornen vervaardigt men eigenaardige

wapenen; door ijzeren of zilveren dwarsstangen worden zij van onderen

op zulk een wijze aan elkander bevestigd, dat de spitsen naar beide

zijden uiteenwijken. Dit wapen draagt men als een stok en gebruikt

het als werpspies.

De bezoar-ballen, die men in de maag van deze Antilope vindt, worden

als een bijzonder werkzaam geneesmiddel beschouwd en zijn daarom

zeer gezocht.

De _Gazellen_(_Gazella_) zijn slanke, hoogst bevallige Antilopen met

geringde, liervormige horens, traangroeven, liesklieren, lange, spitse

ooren, kleine bijhoeven en twee tepels. Haar staart is kort en aan

de spits met een haarkwast voorzien, overigens hebben zij geen andere

haarbundels dan aan den handwortel. _Beide geslachten zijn gehoornd._

Een Gazelle in de woestijn is een buitengewoon liefelijke verschijning;

reeds sinds overoude tijden heeft zij aan de Oostersche dichters de

stof tot geestdriftige liederen verschaft! Zelfs de vreemdeling uit

westelijke landen, die haar in vrijheid ziet, begrijpt licht, waarom

juist zij den Oosterlingen als een zoo innig bevriend wezen voorkomt;

ook over hem komt een ademtocht van den gloed, die voor de vurigste

lofliederen op dit dier de woorden louterde en op dichterlijke wijze

deed samenvloeien. Het oog welks diepte het hart van den zoon der

woestijn doet gloeien en bloeien, vergelijkt hij met dat van de

Gazelle; den slanken, blanken hals, dien zijne armen minkoozend

omstrengelen, weet hij niet liefelijker voor te stellen dan door

hem met den hals van dit dier te vergelijken. De vrome vindt in de

sierlijke Antilope een zinnebeeld, dat het verlangen van het hart

naar het verhevene verduidelijkt. De Gazelle oefent op iedereen haar

bekoring uit. Wegens haar bevalligheid wijdden de oude Egyptenaren haar

aan de verhevene godin Isis en offerden hare kalveren aan de koningin

der goden. Als een toonbeeld van schoonheid gold zij den dichter van

't Hooglied: want zij is "de Ree" en "de welp der Herten," waarmede

"de liefste" vergeleken wordt, "de Ree" of "de hinde des velds,"

waarbij de dochters van Jerusalem bezworen worden. Voor de schoonste

bekoorlijkheden van de vrouw volgens Oostersche begrippen heeft de

dichter slechts deze eene vergelijking: zij komen hem voor "als twee

welpen, tweelingen eener Ree, die onder de leliën weiden." De Arabische

dichters van alle tijden vinden geen woorden genoeg om de Gazelle te

schilderen; in de oudste werken van dit volk wordt dit dier geprezen;

de minnezangers op de straten roemen het ook thans nog.

De _Gazelle_ (_ Antilope dorcas_) bereikt niet geheel de grootte van

onze Ree, maar is veel fijner en slanker gebouwd; ook is zij fraaier

geteekend dan deze. De oude bokken hebben een lengte van 1.3 M. met

inbegrip van den 20 cM. langen staart; de schoft is 60 cM. hoog. Het

lichaam is gedrongen, hoewel het wegens de hooge pooten slank schijnt,

de rug zwak gewelfd, het kruis hooger dan de schoft, de staart tamelijk

lang, aan de spits sterk behaard. De pooten zijn buitengewoon fijn,

slank en met zeer sierlijke hoeven voorzien. Op den gestrekten hals

rust de middelmatig lange kop, die van achteren breed en hoog, naar

voren versmald en aan den snuit zwak afgerond is; de ooren hebben

ongeveer drie vierde van de lengte van den kop; de groote, vurige en

levendige oogen hebben een bijna ronde pupil; de traansleuven zijn

middelmatig groot. De heerschende kleur is een aan zand herinnerend

geel, dat echter op den rug en op de pooten allengs in een meer of

minder donker roodbruin overgaat. Een nog donkerder streep loopt aan

iedere zijde van den romp, en scheidt de schitterend wit gekleurde

onderdeelen van de donkere bovendeelen. De hoornen zijn bij mannetje

en wijfje ongelijk. De bok heeft steeds dikkere hoornen dan de geit;

de groeiringen zijn bij genen steeds duidelijker zichtbaar dan bij

deze. Bij beide zijn de hoornen boven- en achterwaarts gericht, met

de spitsen echter weder naar voren en een weinig naar elkander toe

gekromd, zoodat zij van voren gezien aan de lier der ouden herinneren.

Het verbreidingsgebied van de Gazelle strekt zich uit van Barbarije

tot Arabië en Syrië, van de kust van de Middellandsche Zee tot aan de

bergen van Abessinië en de steppen van Centraal-Afrika. De geheele

woestijnstreek en het haar begrenzende steppengebied kan als het

vaderland van dit dier beschouwd worden; in de gebergten van Abessinië

wordt het nog op een hoogte van op zijn meest 1500 M. aangetroffen.

Hoe rijker aan planten de woestijn is, des te veelvuldiger vindt men

er de Gazelle; men moet hierbij echter niet uit het oog verliezen,

dat een volgens Afrikaansche begrippen rijk met planten begroeide

streek zeer verschilt van een streek, die in ons klimaat op deze wijze

aangeduid wordt. Men zou zich vergissen, indien men meende, dat de

Gazelle in werkelijk vruchtbare, lage dalen standvastig voorkomt;

zulke gewesten bezoekt zij alleen terloops, uit eigen beweging

misschien bijna nooit. Wel geeft zij aan laag gelegen gronden de

voorkeur boven de door de zon geblakerde hoogvlakten, maar alleen

aan de lage landen der woestijn; in rivierdalen vindt men haar even

zelden als in het hooge gebergte. Mimosa-boschjes en meer nog zandige

gewesten, waar heuvelrijen met dalen afwisselen en de mimosa's overal

voorkomen, zonder een eigenlijk bosch of kreupelbosch te vormen,

zijn hare lievelingsplaatsen; de mimosa kan beschouwd worden als de

plantensoort, waaraan zij voornamelijk haar voedsel ontleent. In de

steppen komt zij eveneens, in sommige oorden zelfs zeer veelvuldig

voor; ook hier echter verkiest zij de gewesten, die slechts hier en

daar met struiken begroeid zijn, boven het golvende halmenwoud. In de

steppen van Kordofan ziet men troepen van 40 à 50 stuks, die tamelijk

ver rondzwerven, hoewel misschien niet gedurende het geheele jaar;

op hare lievelingsplaatsen bemerkt men ze echter slechts in kleine

gezelschappen van 2 à 8 stuks, zeer dikwijls ook afzonderlijk.

Iedere reiziger, die, al is het ook slechts over een afstand van eenige

mijlen, de woestijn doortrekt, kan een Gazelle te zien krijgen; wie

met haar levenswijze bekend is, vindt haar gewis in alle deelen van

haar verbreidingsgebied. Daar zij een dagdier is, vertoont zij zich

juist op den geschiktsten tijd om gezien te worden. Alleen gedurende

de grootste hitte van den dag, in de middaguren tot ongeveer 4 uur

's avonds, rust en herkauwt zij gaarne in de schaduw van een mimosa;

overigens is zij bijna altijd in beweging. Men merkt haar echter niet

zoo licht op, als men zou kunnen meenen: de gelijkheid van kleur van

haar kleed met de heerschende bodemkleur maakt het moeielijker haar

te vinden. Reeds op een afstand van een achtste mijl verdwijnt zij

voor ons ongeoefend oog; de valkenoogen van de Afrikanen nemen haar

echter op een afstand van meer dan een mijl nog waar. Gewoonlijk

staat de troep onmiddellijk naast of onder de lage mimosa-struiken,

welker kronen zich van onderen af schermvormig naar boven uitbreiden

en dus aan de dieren op den bodem een beschuttend dak verschaffen. De

Gazelle die de wacht houdt, laveit; de andere liggen herkauwend of

op een andere wijze rustend niet ver van haar. Alleen het staande

dier valt in 't oog, het liggende gelijkt zoo volkomen op een steen

der woestijn, dat zelfs de jager zich er in vergissen kan.

Ontegenzeggelijk is de Gazelle een hoog begaafd dier. Zij is zoo

vlug van beweging als eenige andere Antilope, bovendien levendig,

behendig en buitengewoon lieftallig. Zij loopt merkwaardig gemakkelijk;

't is alsof zij ternauwernood den bodem aanraakt. Een vluchtende

troep levert werkelijk een prachtig schouwspel op; zelfs wanneer

het gevaar haar van nabij bedreigt, maakt zij den indruk van slechts

spelenderwijs hare begaafdheden ten toon te spreiden. Dikwijls huppelt

een Gazelle met sierlijke sprongen van 1 à 2 M. hoogte als 't ware

uit puren overmoed over een andere heen; even zoo dikwijls ziet men

haar over steenen en struiken springen, die zich op haar weg bevinden,

maar zeer gemakkelijk omgeloopen konden worden. Al hare zinnen zijn

voortreffelijk ontwikkeld. Zij speurt uitmuntend, kijkt scherp en

hoort een ver verwijderd geluid. Bovendien is zij schrander, sluw en

zelfs listig; zij heeft een voortreffelijk geheugen en wordt door de

ervaringen, die zij opdoet, altijd door verstandiger. Hare handelingen

zijn in vele opzichten aanlokkelijk. Zij is een onschadelijk, min of

meer vreesachtig dier, maar heeft volstrekt niet zoo weinig moed, als

men gewoonlijk meent. Onder de leden van een troep komen dikwijls twist

en strijd voor, vooral onder de bokken. Met alle overige dieren leeft

de Gazelle in vrede, daarom ziet men haar niet zelden in gezelschap

van andere, nauw met haar verwante Antilopen.

Zonder juist schuw te zijn, is de Gazelle voorzichtig; zij vermijdt

zorgvuldig ieder voorwerp, dat haar vreemd voorkomt en ieder dier,

waarvan zij gevaar ducht.

De ongelijkheid van het klimaat in de verschillende gedeelten van

Noordoost-Afrika heeft ten gevolge, dat de paartijd der Gazellen nog

al sterk uiteenloopt. In het noorden valt hij ongeveer in de maanden

Augustus tot October, in de keerkringsgewesten begint hij eerst in

het einde van October en duurt dan tot het einde van December. In

het noorden werpt het wijfje in het einde van Februari of in het

begin van Maart, in het zuiden tusschen de maanden Maart en Mei,

dus na een draagtijd van 5 of 6 maanden, een enkel jong. In de eerste

dagen van zijn leven is het kalf een betrekkelijk hulpbehoevend wezen;

zoo komt het dan ook, dat vele jonge Gazellen door vlugge Arabieren

en Abessiniërs met de handen gevangen worden.

Jong gevangen Gazellen worden na weinige dagen tam; vooral in

haar vaderland verdragen zij zonder bezwaar en op den duur de

gevangenschap. In de Europeesche huizen van de groote steden van Noord-

en Oost-Afrika ziet men geregeld tamme Gazellen en onder haar vindt

men er vele, die zich zoo aan den mensch gewend hebben, dat zij als

echte huisdieren aangemerkt kunnen worden. Zij volgen haar meester

als honden na, komen in de kamers, bedelen aan tafel om voedsel,

doen uitstapjes in de naburige akkers of in de woestijn en keeren,

als de avond nadert, of als zij de stem van haar geliefden verzorger

hooren, bereidwillig en vroolijk naar huis terug. Ook bij ons te

lande kan men de Gazellen jaren lang in 't leven houden, wanneer men

ze slechts goed verzorgt. Zooals te verwachten is, moeten deze hoogst

gevoelige kinderen van het zuiden voor het ongunstige weer zorgvuldig

behoed worden; een warme stal voor den winter en een groot plantsoen

voor den zomer zijn derhalve voor haar gezondheid onontbeerlijk. Een

troep Gazellen is voor ieder park een sieraad, dat moeilijk door iets

anders overtroffen kan worden.

Overal waar men zulke getemde Gazellen goed verzorgt, planten zij zich

voort, in het zuiden natuurlijk gemakkelijker dan in ons ruwe noorden.

Op de Gazellen wordt in haar vaderland ijverig, ja zelfs met hartstocht

jacht gemaakt; men schiet ze, vangt ("bet" of "beit") ze met Valken of

"hitst" ze met Windhonden. De Gazellenjacht met Valken, die o.a. in

Egypte plaats heeft, vereischt een groot aantal menschen, Paarden,

Honden en Valken; zij is dus zeer kostbaar en alleen onder het bereik

van de voorname lieden. Langzaam en stil, zooveel mogelijk tegen den

wind in, nadert men een troep Gazellen en maakt intusschen om zich te

dekken, gebruik van alle aanwezige oneffenheden van het terrein. Op

den gewenschten afstand gekomen, wordt een Valk, die reeds bewijzen

van bekwaamheid gegeven heeft, "afgehuifd" (d. w. z. de "huif" of

"kap," die den kop van den jachtvogel bedekt, wordt hem afgenomen)

en "opgeworpen," zoodra hij de Gazelle in 't oog gekregen heeft. De

Valk verheft zich hoog in de lucht, ijlt in pijlsnelle vlucht op

de Gazelle toe, stort van boven af op haar neder en tracht haar

zijne klauwen in de oogen te slaan. Het overrompelde wild tracht den

Roofvogel af te schudden of hem te verwijderen door over den kop te

buitelen; de Valk verlaat zoo noodig den kop van zijn slachtoffer,

om het onmiddellijk daarna op nieuw aan te pakken. Hoewel de Honden de

Gazelle nog niet gezien hebben, weten zij bij ervaring, dat de jacht

met het afhuiven van den Valk aanvangt; zij worden vurig, trekken aan

de "leissen" (de smalle riemen waaraan de jacht-Honden geleid worden)

en zijn niet meer in toom te houden. Zoodra men ze "losgekoppeld"

(hun de halsbanden afgenomen) heeft, volgen zij onmiddellijk den Valk,

dien zij voortdurend in het oog houden; achter hen aan rennen nu in

vollen galop de jagers. Als de Valk goed is, houdt hij iedere niet

al te groote Antilope op, totdat de Honden aangekomen zijn en het

wild doen neerstorten.

De Gazellen-jacht met de buks biedt veel kans op welslagen. Zoodra wij,

mijn reisgezel Van Arkel en ik, een troep Gazellen zagen, reden wij,

hoogstens met een geringe afwijking van den weg, rustig verder en

naderden de dieren zooveel ons dit noodig voorkwam. Daarna sprong een

van ons achter een struik van het muildier af, liet dit door den ons

vergezellenden dienaar vasthouden en sloop nu, dikwijls kruipend en

steeds zeer zorgvuldig op den wind lettend, op het wild toe; de andere

vervolgde intusschen zijn weg. Gewoonlijk oogde de aanvoerder van den

troep nieuwsgierig het voorbijtrekkende gezelschap na, en verzuimde

hierdoor in de andere richtingen te kijken. De jager trok zooveel

mogelijk partij van deze omstandigheid, en kon hierdoor in de meeste

gevallen van uit het dichte struikgewas een gelukkig schot doen, in

den regel op een afstand van niet meer dan 90 à 150 schreden. De niet

getroffen Gazellen spoedden zich na het schot zoo schielijk mogelijk

voort, het liefst naar den naastbij gelegen heuvel, dien zij ten

spoedigste tot aan den top beklommen. Hier bleven zij echter staan,

alsof zij nauwkeurig onderzoeken wilden, wat er gebeurd was; meer dan

eens is het ons gelukt, zelfs deze als schildwachten dienende dieren

met goed gevolg sluipend te naderen. Op eenige plaatsen verschenen

achtereenvolgens op alle hooge heuvels Gazellen, die, door onze

schoten verschrikt, van alle zijden kwamen toesnellen, om van hun

observatieplaats uit de landstreek te overzien. Zonder overdrijving

kan ik zeggen, dat de meestal kale bergen hierdoor een verwonderlijk

schoone versiering kregen. De schoone gestalten teekenden zich zoo

duidelijk tegen den donkerblauwen hemel af, dat men zelfs op grooten

afstand elk lid van de troep duidelijk kon waarnemen. Dikwijls kwam

het voor, dat de verschrikte Gazellen over een der tallooze lage

heuvels heengingen en staan bleven, zoodra zij den jager uit het oog

verloren hadden. In den beginne fopten zij mij eenige malen door dit

zonderling gedrag. Ik klauterde hoogst voorzichtig bij den heuvel op,

en zocht mijn wild op een afstand, terwijl het dicht bij, onder mij,

stond. Zoodra de Gazellen door het naar beneden rollen van een steen

of een ander door mij gemaakt gedruisch werden opgeschrikt, vluchtten

zij met razenden spoed. Nooit zag ik echter de door menschen vervolgde

Gazellen al hare krachten inspannen; dit doen zij alleen, als een

Hond hen op de hielen is. Het is mij niet mogelijk het schouwspel te

beschrijven, dat deze beide dieren opleveren; ik zou hoogstens kunnen

zeggen, dat een in deze omstandigheden zich voortreppende Gazelle

schijnt te vliegen in plaats van te loopen, hiermede echter zou ik

zijn snelle vlucht nog niet naar behooren geschilderd hebben!

Behalve door den mensch, wordt de volwassen Gazelle door slechts

weinige vijanden vervolgd, vooral door Luipaarden, Hyenahonden,

Jakhalswolven en andere Wilde Honden en misschien ook nog wel door

den een of anderen Arend.

Met de Gazellen hebben de _Spring-Antilopen_ (_Antidorcas_) groote

overeenkomst; deze onderscheiden zich echter van gene (en van al

hare overige verwanten) door een belangrijk, uitsluitend bij haar

voorkomend verschijnsel. Ongeveer op 't midden van den rug begint

nl. een overlangsche, door verdubbeling van de opperhuid gevormde

plooi, die met zeer lange haren bekleed is. Zoolang het dier zich

bedaard beweegt, is deze plooi gesloten; bij hevige beweging, vooral

bij 't springen, wordt zij uitgespreid.--_Bij beide geslachten_

komen _hoornen_ voor, die zich steil boven het voorhoofd verheffen

en gedraaid liervormig zijn. De romp is krachtig en toch sierlijk

gebouwd, de kop matig groot, de hals slank, de staart middelmatig

lang; de pooten zijn tamelijk hoog, de ooren lang en toegespitst,

de oogen zeer groot, schitterend en met lange wimpers voorzien,

de traansleuven klein en onduidelijk.

De eenige vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de _Springbok_,

_Pronkbok_ of _Trekbok_ (_Antilope euchore_), een zeer merkwaardige

Antilope van 1.5 M. lengte, met inbegrip van den 20 cM. langen staart,

en 65 cM. schouderhoogte. Haar kleur is levendig, donker kaneelgeel;

een streep, die van de wortel van elken hoorn over het oog naar den

neus loopt, en een andere, breedere streep, die zich langs de zijden,

van den bovenarm tot het bovenbeen uitstrekt, zijn nootbruin; alle

overige lichaamsdeelen zijn wit. De zwarte hoornen worden bij den bok,

volgens een rechte lijn gemeten, soms wel 28 à 30 cM. hoog en wanneer

men de krommingen volgt, 30 à 40 cM. lang; zij hebben ongeveer 20

volledige dwarsringen, maar zijn aan de spits glad.

Het verbreidingsgebied van den Springbok is tot Zuid-Afrika

beperkt. Men vindt hem ook heden in het Kaapland, vooral in het

noordwesten; hoofdzakelijk bewoont hij echter de eenzame steppen

en de woestijnachtige vlakten, die tusschen de Oranje-rivier en

het Ngami-meer zich eindeloos ver uitstrekken. De hoofdmassa van de

Springbokken bevolkt ongetwijfeld de Kalahari en sommige streken van

Duitsch West-Afrika. Hier komen zij voor in troepen van 2 à 5, ook

wel van 30 à 50, dikwijls zelfs van 100 à 200 stuks; zij veranderen

van verblijfplaats, verstrooien zich over het uitgestrekte gebied

of vereenigen zich tot groote kudden, al naar zij meer of minder

verontrust worden, en ook in verband met de verdeeling van den regen,

die overvloed of gebrek aan voedsel teweegbrengt en drinkplaatsen vult

of doet opdrogen. Wanneer de Zuid-Afrikaansche gewesten van groote

droogte te lijden hebben, hetwelk in tijdperken van ongelijken duur

het geval is, moeten de noodlijdende Antilopen het door hen bewoonde

gebied verlaten en andere woonplaatsen opzoeken. De eene troep na de

andere voegt zich bij de landverhuizers; de kudden groeien aan tot

tallooze scharen, gevolgd door roofdieren, die zich vergasten aan de

lichamen der afgematte of door vermoeienis bezweken exemplaren. Nu

eens losser, dan weer inniger vereenigd, streven de afdeelingen van

dit Antilopen-leger alle in dezelfde richting voorwaarts, verdelgen

overal de armoedige overblijfsels van plantengroei, die zij nog vinden,

en overvallen eindelijk als zwermen Sprinkhanen de meer begunstigde

landstreken. In den laatsten tijd hebben deze uittochten van de

"Trekbokken", gelijk de Boeren ze noemen, op minder groote schaal

plaats en zijn ook minder veelvuldig geworden, niet, omdat er geen

tijden van nood meer voorkomen, maar blijkbaar, omdat het aantal

Springbokken aanmerkelijk verminderd is.

Gordon Cumming, sprekend over een tijdperk dat meer dan 40 jaren

achter ons ligt, schrijft: "Iedere reiziger, die de ontzaglijk

groote scharen gezien heeft, welke de Springbokken gedurende het

trekken vormen, zooals ik ze heb waargenomen, en een waarachtige

en getrouwe beschrijving geeft van zijne ervaringen, moet vreezen,

dat men hem niet zal gelooven: zoo wonderbaarlijk is het schouwspel,

dat de trekkende legers opleveren. Treffend en juist heeft men ze

vergeleken met de zwermen Sprinkhanen, die den reiziger in dit land

vol wonderen zoo goed bekend zijn; evenals deze, verslinden zij in

weinige uren al het groen op hun weg en vernielen in één enkelen

nacht de vruchten van de langjarige vlijt van den landbouwer.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 14 / 28 段