hen naderenden mensch geregeld de vlucht en vermijden de nabijheid
van hun vreeselijksten vijand zooveel mogelijk, vooral wanneer deze
dikwijls jacht op hen gemaakt heeft. Wanneer zij in 't nauw gebracht
en getergd worden, stellen zij zich echter zonder eenige aarzeling
tegen den jager te weer; in hun blinde woede letten zij dan zoomin op
den lans als op den nog zwaarder wondenden kogel. De gewonde Buffel
vlucht nooit ver weg, wanneer hij zijn tegenstander niet onmiddellijk
aanvalt; maar verbergt zich spoedig in het hooge gras en loert
daar arglistig op de naderende vervolgers, om zich te rechter tijd
bliksemsnel op hen te werpen. Als zijne vijanden op de vlucht gaan,
of zich in een schuilhoek verbergen, volgt hij hen snuivend na en
tracht hen door den reuk te vinden. De bullen, die door de overige
leden van de kudde in den ban zijn gedaan en een eenzaam leven leiden,
worden door vroegere reizigers voorgesteld als zeer verschrikkelijke
wezens. "Zooals men weet," zegt Drayson, "is het de gewoonte van
alle dieren voor den mensch te vluchten, tenzij deze hen gewond,
of zich op een ongeschikt oogenblik aan hen opgedrongen heeft; de
oude kluizenaars echter wachten zulk een aanleiding in 't geheel niet
af, maar komen uit eigen beweging den jager halverwege te gemoet en
zoeken strijd met hem." Volgens de berichten van reizigers uit lateren
tijd, zijn deze verhalen zeer overdreven. Selous, die in Zuid-Afrika
verscheidene honderden Buffels geschoten heeft, zegt: "Ik vond de oude
bullen niet gevaarlijker dan de tot kudden vereenigde dieren: zoolang
zij niet gewond zijn, vluchten zij meestal voor den mensch; nadat men
ze aangeschoten heeft, toonen zij zich niet boosaardiger dan een dier
van de kudde in dezelfde omstandigheden." Hij verhaalt echter later, om
de reusachtige kracht van een ouden stier aan te geven, dat hij eens,
in den zadel zittend, door een gewonden, ouden Buffel aangevallen werd,
die het Paard in de lucht wierp, "alsof het een Hond was."
Uit het zooeven gezegde kan men afleiden, dat de jacht op den
Kaapschen Buffel in sommige gevallen niet zonder gevaar is; in de
meeste gevallen wordt het dier niet door het eerste schot neergeveld
en heeft dan nog tijd genoeg om op zijn aanvaller los te gaan.
Het vleesch van den Kaapschen Buffel wedijvert met dat van gemeste
Runderen, wat den goeden smaak betreft; wel is het taaier en grover
van vezels, maar toch zeer sappig, hoewel het geen vet bevat.
De mensch is niet de eenige gevaarlijke vijand van den Buffel; ook de
Leeuw waagt het soms, dit sterke dier aan te vallen; het gelukt hem
in 't gunstigste geval, het de halswervels te ontwrichten en buit te
maken. In Zuid-Afrika ontmoeten de jagers niet zelden Buffels, die
het Roofdier wel is waar nog hebben kunnen afschudden en misschien
zelfs dooden, maar toch als herinnering aan den strijd diepe wonden
aan den hals en de schouders hebben.
De Kaapsche Buffel werd door Th. von Heuglin voor 't eerst levend naar
Europa gebracht. "Hoewel dit dier in de wildernis zeer onhandelbaar
is," zegt hij, "komt het mij voor, dat het gemakkelijk getemd kan
worden; het is wel mogelijk dat het dan uitmuntende diensten zal
kunnen bewijzen."
In verscheidene diergaarden hebben de Kaapsche Buffels zich
voortgeplant; de jongen die in gevangenschap geboren zijn,
verschillen echter in aard weinig of niet van de jonge dieren,
die direct uit Afrika komen. Beide geslachten groeien even snel als
andere Runderen; de geweldige horens van den stier ontwikkelen zich
echter zeer langzaam, waaruit men heeft afgeleid, dat er vele jaren
moeten verloopen, vóórdat zij hun eigenaardigen vorm verkrijgen.
Niet de Kaapsche Buffel, maar een andere soort van 't zelfde
ondergeslacht, die ook thans nog in 't zuidoosten van Azië leeft, is
de stamvader van de volkomen getemde Buffels, die in de lage landen
langs den Donau en in Italië, in veel grooter aantal echter in Egypte
en Indië, als huisdieren voorkomen.
De _Indische Buffel_[_Bos (Bubalus) arni_] bereikt, met inbegrip van
den 50 à 60 cM. langen staart, al naar het slag, ongeveer 2.8 à 3
M. totale lengte en 1.4 à 1.8 M. schofthoogte. De kop is korter en
breeder dan bij het Rund, het voorhoofd groot, het aangezicht kort,
de hals gedrongen en dik, van voren geplooid, maar niet met een
kossem voorzien, de romp eenigszins gestrekt, overigens vol en rond,
de schoft bultvormig gezwollen, de rug een weinig hol, het kruis hoog
en naar achteren afhellend, de borst smal, de flanken ingetrokken,
de staart tamelijk kort. De krachtige pooten zijn betrekkelijk kort
en voorzien met lange en breede hoeven, die zich aanmerkelijk kunnen
uitzetten. De kleine oogen hebben een wilde en drieste uitdrukking;
het zijdelings aangehechte en horizontaal gerichte oor is lang
en breed, van buiten kort behaard, van binnen daarentegen met
lange haarbundels begroeid. De lange en forsche hoornen zijn aan
den wortel dik en breed, worden allengs smaller en eindigen stomp;
zij zijn eerst zij- en benedenwaarts, daarna achter- en bovenwaarts
en met de spits boven-, binnen- en voorwaarts gericht; tot nabij
het midden zijn zij sterk, overdwars gerimpeld, verder op tot aan
de spits en aan de achterzijde echter volkomen glad; hun dwarse
doorsnede is onregelmatig driehoekig; de beide spitsen staan soms
wel 2 M. ver uiteen. De ijle, stijve en borstelachtige beharing
verlengt zich slechts weinig op het voorhoofd, aan de schouders,
langs de geheele voorzijde van den hals en aan de spits van den in
een kwast eindigenden staart; daarentegen zijn het achterste deel
van den rug, het kruis, de borst en de buik, de schenkels en het
grootste deel van de pooten bijna volkomen kaal. Het dier ontleent
zijn kleur derhalve meer aan de meestal donker zwartachtig grijze
of zwarte huid dan aan de blauwachtig grijze, soms meer naar bruin
of roodbruin zweemende haren. Witte en gevlekte exemplaren komen ook
wel voor, doch zijn zeldzaam. De koe onderscheidt zich van den stier,
doordat zij een weinig kleiner is. Het verbreidingsgebied van den in
't wild levenden Buffel strekt zich van den voet van den Himalaja door
Bengalen en de oostelijke deelen van Middel-Indië zuidwaarts ongeveer
tot Godawari en oostwaarts door Assam en Birma minstens tot in het
noordwesten van Siam uit. Op Ceylon is dit dier evenzeer inheemsch.
De Indische Buffel, die, evenals alle soorten van zijn ondergeslacht,
een groot vriend van 't water is, komt alleen in de moerassige
gewesten van het genoemde gebied voor, hetzij in de laaglanden langs
de rivieren, of in de onmiddellijke nabijheid van kleine, zij het
dan ook slechts tijdelijk waterhoudende, meren, of eindelijk in de
omstreken van ondiepe lagunen aan de zeekust. Zijne bewegingen zijn
plomp, maar krachtig en kunnen lang volgehouden worden; vooral in 't
zwemmen toont hij zich een meester. Onder zijne zinnen staan, naar het
schijnt, de reuk en het gehoor bovenaan; daarentegen zijn het gezicht
en het gevoel weinig ontwikkeld; de smaak is vermoedelijk ook niet
bijzonder fijn, daar hij tevreden is met het slechtste voedsel, dat
door andere Runderen versmaad wordt. De Buffels grazen hoofdzakelijk
's nachts en in den vroegen morgen; niet zelden dringen zij in de
plantages door en richten hier groote verwoestingen aan.
Volgens de beschrijvingen is de Indische Buffel brommig en
onbetrouwbaar van aard; zijn kracht en zijn moed worden zoo hoog
geschat, dat de Indische dichters hem te dezen aanzien op een lijn
plaatsen met den Tijger. "De Stier", zegt Hodgson, "is zoo sterk en
strijdlustig, dat hij een volwassen Olifant durft aanvallen niet
alleen, maar hem zelfs nu en dan om 't leven brengt." Ook Jerdon
verhaalt, dat het getergde dier werkelijk menigmaal zonder schroom
den strijd met een voor de jacht dienenden Olifant aanvaardt, en
voegt er nog bij: "De Buffels zijn niets minder dan schuw, behalve
in gewesten waar veel op hen geschoten wordt; men kan zelfs met
Olifanten, zonder welke een jacht, die goede uitkomsten oplevert,
niet wel mogelijk is, gemakkelijk zoo dicht bij hen komen, dat men
een goed schot op hen heeft."
De paring heeft, volgens Hodgson, in den herfst plaats; dan verdeelen
de in andere tijden zeer talrijke kudden zich meestal in kleinere
troepen, bestaande uit één stier en de koeien, die hij rondom zich
heeft kunnen verzamelen.
De Indische Buffel is in zekeren zin een geboren vijand van den
Tijger en blijft bij gevechten met dit Roofdier bijna altijd
overwinnaar. W. Rice verhaalt, dat volwassen Stieren soms door
den Tijger aangevallen worden en dat zij niet zelden het Roofdier
voor altoos de uitoefening van zijn handwerk onmogelijk maken. Als
één Buffel overvallen wordt, snellen de andere hem te hulp en
jagen den aanvaller geregeld op de vlucht. Herders die tamme
Buffels hoeden, kunnen, als zij op een van hunne dieren rijden,
onbeschroomd in wildernissen verkeeren. Johnson verhaalt, dat een
Tijger den achtersten man van een karavaan aanviel. Een herder die
in de nabijheid Buffels hoede, kwam dien man te hulp en wondde het
Roofdier. Deze liet onmiddellijk zijn eersten buit los en pakte den
herder aan; de Buffels echter vielen, toen zij hun meester in gevaar
zagen, oogenblikkelijk op den Tijger aan en takelden hem zoo toe,
dat hij op de plaats bleef liggen.
Wanneer en op welke wijze de getemde Buffels zich verder verbreid
hebben, is onbekend; men veronderstelt echter, dat zij in 't gevolg
van groote legers of verhuizende volken naar Perzië kwamen, waar de
metgezellen van Alexander _den Grooten_ hem reeds aantroffen. Later
hebben misschien de Mohammedanen den Tammen Buffel naar Egypte en
Syrië overgebracht. In het jaar 596 van onze tijdrekening, onder de
regeering van Agilulf, kwam hij tot niet geringe verbazing van de
Europeanen naar Italië. In 't eerst heeft hij zich, naar 't schijnt,
zeer langzaam verbreid; tegenwoordig vindt men hem van Zuidelijk China
af door Achter- en Vóór-Indië, Afghanistan, Perzië, Armenië, Syrië
en Palestina tot in Turkije, Griekenland, de lage vlakten langs den
Donau, Italië en zeer dikwijls ook in Egypte, evenwel niet in Nubië.
Heete en moerassige of waterrijke gewesten staan hem en al zijne
verwanten het meest aan. De Nijldelta is voor hem een paradijs. In
de landstreken langs den benedenloop van den Donau gedijt hij zeer
goed; in de Italiaansche moerassen is hij de eenige van zijn familie,
omdat alle overige Holhoornigen in dit ongezonde land bezwijken;
in Beneden-Egypte is hij overal gemeen en, nevens de Geit, eigenlijk
het eenige huisdier, waarvan men melk en boter verkrijgt. Elk dorp
in de Delta en ook de meeste buurschappen van Opper-Egypte hebben
midden tusschen de hutten een grooten poel, die uitsluitend bestemd
is om aan de Buffels een gemakkelijke badplaats te verschaffen. Veel
vaker dan op de weide ziet men deze dieren in 't water en zoo mogelijk
zoo diep er in gedompeld, dat alleen de kop en een deel van den rug
boven den waterspiegel uitsteken. Ten tijde van de overstroomingen
van den Nijl begint voor hen een tijd van genot. Zwemmend bewegen zij
zich over de overstroomde velden, vreten het gras langs de randen
der akkers en het harde rietgras van de nog onbebouwde landen; zij
vereenigen zich tot groote kudden, spelen met elkander in 't water
en komen alleen dan naar huis, als de koeien gevulde uiers hebben
en gemolken willen worden. Zeer eigenaardig is het te zien, hoe een
kudde Buffels den stroom overtrekt, die gemiddeld bijna 1 KM. breed
is. Verscheidene van de herders, meestal kinderen van 8 à 12 jaar,
zitten op den rug dezer trouwe dieren en laten zich onbekommerd door
hen over de vreeselijke diepte en door de hooggaande golven dragen.
De Buffels toonen een bewonderenswaardige meesterschap in 't
zwemmen. Zij gedragen zich, alsof het water hun eigenlijk element is,
duiken onder, gaan op de zijde liggen, half op den rug, laten zich
op hun gemak door den stroom medevoeren zonder een lid te bewegen,
of zwemmen lijnrecht, alleen door de strooming in benedenwaartsche
richting uit den koers gebracht, dwars over de rivier.
Op den vasten wal doet de Buffel zich onbeholpener voor dan in 't
water. Zijn gang is plomp; ofschoon hij tamelijk vlug vooruitkomt,
wanneer hij loopt, maakt ook deze beweging den indruk, dat zij het
dier moeite kost.
Naar alle waarschijnlijkheid zal iemand, die voor de eerste maal
Tamme Buffels ontmoet, van hen schrikken. De uitdrukking van hun
gezicht wijst op toomelooze koppigheid en verborgen woestheid;
in hunne oogen meent men valschheid en gemeenheid te lezen. Weldra
echter komt men tot de overtuiging, dat het zeer onbillijk zou zijn,
den Buffel naar zijn uitzicht te beoordeelen. In Egypte althans is hij
een buitengewoon goedaardig dier, dat iedere boer zonder bezorgdheid
aan de leiding van het zwakste kind toevertrouwd. Een onverstoorbare
onverschilligheid voor alles behalve water en voedsel (misschien is
het noodig bovendien nog het pasgeboren kalf uit te zonderen) zijn
de grondtrekken van 't karakter van dit dier. Het schikt zich met
een werkelijk stompzinnige gelijkmoedigheid in het onvermijdelijke,
trekt den wagen of den ploeg onverschillig voort, laat zich naar
huis drijven en weer naar den akker voeren en verlangt hiervoor niets
anders dan de vrijheid om verscheidene uren achtereen in 't water rond
te spartelen. Behalve voor het lastdragen dient hij als rijdier bij
't overtrekken van den Nijl; bij den akkerbouw maakt men in Egypte
weinig gebruik van den Buffel.
Een bijzonder goede eigenschap van den Buffel is zijn werkelijk
voorbeeldelooze soberheid. Moerasgrassen en moerasplanten van allerlei
soort, jong riet, zeggen en dergelijke planten, kortom voedsel,
dat door ieder ander dier versmaad wordt, vreet hij met evenveel
voldoening, alsof het de lekkerste spijzen zijn. En hij weet van
dit voedsel partij te trekken, want hij levert in ruil hiervoor
smakelijke, zeer vette melk, waaruit men voortreffelijke boter in
ruime hoeveelheid bereidt.
Onaangenaam is de Buffel door zijn onzindelijkheid. Dikwijls ziet
hij er uit als een Zwijn, dat zich zooeven in een drekpoel heeft
rondgewenteld, want aan een dergelijk bad als dat, waarin onze
moddervriend gewoon is zich te verfrisschen, heeft hij zijn hart
opgehaald.
De Buffel houdt er niet van zijn stem te laten hooren. Als hij in
zijn koel waterbad uitrust, doet hij den bek niet open; ook terwijl
hij graast of werkt, gaat hij stil en rustig zijn gang. Alleen van
koeien, die zuigende kalveren hebben of van woedende stieren hoort
men soms een onaangenaam, luid dreunend en afkeerwekkend gebrul,
dat ongeveer het midden houdt tusschen het loeien van ons Rund en
het knorren van het Zwijn.
In de noordelijkste der door hem bewoonde landen paart de Buffel,
indien hij aan zich zelf overgelaten wordt, in April en Mei; 10 maanden
na de paring kalft de koe. Het jong is een wanstaltig schepsel,
dat echter door de moeder teer geliefd en in tijd van gevaar met
den bekenden heldenmoed van de Runderen verdedigd wordt. In het 4e
of 5e levensjaar is de Buffel volwassen; hij wordt ongeveer 18 à 20
jaren oud.
Het nut van den Buffel is betrekkelijk nog grooter dan dat van ons
Rund, omdat hij zoo goed als in 't geheel geen zorg vereischt en zich
verzadigt met planten, die door alle overige huisdieren versmaad
worden. In moerassige streken is hij ook hoogst nuttig voor het
bewerken van de akkers, want wat hij aan verstand te kort schiet,
vergoedt hij door zijn kolossale kracht.
Het vleesch van den Buffel wordt wegens zijn taaiheid en den
daaraan voorkomenden muscusreuk (door de Europeanen althans) niet
gegeten; dat van de kalvers heet goed te zijn; hun vet evenaart door
smakelijkheid en weekheid bijna dat van 't Zwijn. De stevige huid
levert voortreffelijk leder; van de hoornen vervaardigt men duurzame
gereedschappen van verschillenden aard.
Alleen in Indië, misschien ook nog in Perzië, heeft de Buffel
vijanden, die hem kunnen benadeelen. Het zal waarschijnlijk slechts
zelden voorkomen, dat een troep Wolven in de lage oeverlanden van den
Donau een Buffel overvalt, en deze moet wel al eenigszins verzwakt
en moegejaagd zijn, als de booze vijanden iets tegen hem zullen
uitrichten. Ongeveer evenzoo is de toestand in Indië, ofschoon de Tamme
Buffel hier denzelfden vijand tegenover zich ziet staan als de Wilde,
namelijk den Tijger. Wel zal dit vreeselijke Roofdier van tijd tot
tijd een Tammen Buffel buit maken; men kan er echter stellig op aan,
dat een kudde van deze dieren iederen Tijger op de vlucht drijft.
Op de Soenda- en andere Oost-Indische eilanden--vooral op Ceylon,
Borneo, Sumatra, Java, Timor, de Philippijnen en de Marianen--leeft een
ander slag van den Buffel, de _Karbouw_; men vindt hem hier slechts als
huisdier en verwilderd, nergens in echt wilden staat. In levenswijze,
aard en gewoonten verschilt de Karbouw volstrekt niet van den
hierboven bedoelden Tammen Buffel, waarmede hij ook in eigenschappen
genoeg overeenkomt om het verschil te mogen toeschrijven aan den
bij 't veefokken werkzamen invloed van den mensch. De hoornen van
den Karbouw zijn echter veel langer en dunner; bovendien zijn zij
boogvormig naar achteren gericht. De kleur van de huid en van het
haar is lichtblauwachtig aschgrauw, de voeten zijn gedeeltelijk wit;
een (ook wel op Java voorkomende) roodachtige verscheidenheid moet
als een albino beschouwd worden; zij heeft dan ook roode oogen.
De verwilderde Karbouwen worden dikwijls gevaarlijk voor de
reizigers; trouwens de tamste Buffel, die ieder Javaansch kind
gewillig zal volgen, is zelden vriendschappelijk gezind tegen een
Europeaan. Wallace zegt, terwijl hij zijn verblijf te Mamadjan op
Celebes beschrijft, van de Buffels: "Nooit durfde ik deze akelige,
leelijke beesten naderen. Niet uit vrees voor mijn eigen veiligheid,
maar wel om die van anderen niet in gevaar te brengen, moest ik ze
mijden. Zoodra zij mij bespeurden, rekten zij hunne halzen uit om
mij aan te staren; wanneer ik nader kwam, rukten zij zich los van
halster of touw en renden hals over kop voort, alsof de duivel hen
op de hielen zat, zonder zich te storen aan 't geen zich op hun
weg bevond. Zoo dikwijls ik Buffels ontmoette, die lasten droegen
of na den arbeid naar het dorp worden gedreven, moest ik mij in het
kreupelhout verbergen, tot zij voorbij waren; alleen op deze wijze
kon ik ongelukken vermijden, die den weerzin, waarmede de bevolking
mij beschouwde, nog vermeerderd zouden hebben. Dagelijks omstreeks
den middag werden de Buffels naar het dorp gebracht en in de schaduw
van de hutten vastgebonden; ik was dan genoodzaakt als een dief langs
achteromwegen te sluipen, want als ik mij te midden van hen gewaagd
had, zouden zij stellig schade hebben aangericht aan de woningen of
de bij hen staande kinderen gewond hebben."
De Karbouwen worden voor zeer verschillende dienstverrichtingen
gebruikt, vooral als rijdieren. Zoo lang zij geen dienst doen,
liggen zij in 't water. Op Manila en Java b.v. ziet men overal, waar
menschelijke woningen zijn, kudden van zulke Buffels in de rivieren
en meren tot aan den kop in 't water staan. Binnen een omheining van
Bamboes worden zij gevoederd. Opmerkelijk is het, dat zulke Buffels
nooit door Krokodillen aangevallen worden, hoewel deze geen ander
dier verschoonen, zelfs Zeboe-stieren en Paarden niet.
Gedurende den regentijd zijn de Buffels voor de bewoners geheel en al
onmisbaar, omdat zij het eenige middel van vervoer uitmaken op de dan
onbegaanbare wegen. Zij trekken sleden met allerlei goederen beladen,
die over den vochtigen bodem gemakkelijk voortglijden; de voerman
zit op den nek van het dier en bestuurt het.
De vormenrijkste, maar tevens laagst geplaatste onderfamilie van
de Holhoornigen is die der _Antilopen_ (_Antilopinae_). Deze groep
omvat de sierlijkste en bevalligste leden van de geheele familie. Dit
geldt echter slechts voor de Antilopen in 't algemeen, want nevens
de bedoelde staan andere vormen, die weinig overeenkomen met de
voorstelling, die gewoonlijk door haar naam gewekt wordt. Over
't geheel genomen vindt men in deze onderfamilie de typen van de
geheele familie terug; de slankste en sierlijkste van alle Holhoornigen
behooren er toe, maar ook plompe, logge wezens, die men bij een eerste
kennismaking eerder voor Runderen dan voor Antilopen zou houden. Om
deze reden biedt het geven van een algemeen overzicht dezelfde bezwaren
aan voor de afdeeling als voor het geheel. Bovendien is het niet
gemakkelijk deze dieren te herkennen; daar enkele Antilopen veel meer
overeenkomen met Runderen en Geiten dan met den meest karakteristieken
vertegenwoordiger van de onderfamilie; als zoodanig beschouwen wij
de reeds sinds overoude tijden beroemde Gazelle.
Over 't algemeen zijn de Antilopen slank gebouwde, op Herten gelijkende
dieren, die een kortharig, bijna altijd nauw aansluitend haarkleed
hebben; meer of minder gewonden horens komen meestal zoowel bij de
mannetjes als bij de wijfjes voor. De verschillende soorten gelijken
veel op elkander, wat lichaamsbouw betreft; betrouwbare kenmerken
om ze te onderscheiden leveren alleen de vorming van de hoornen, van
de hoeven en van den staart benevens enkele eigenaardigheden van de
beharing. Het aantal Antilopen is echter zoo groot, dat de uiterste
leden der reeks slechts weinig overeenkomst vertoonen.
Het vaderland der Antilopen is geheel Afrika, Zuid-, West- en
Middel-Azië, Zuid- en Middel-Europa. Iedere soort toont, naar het
schijnt, een bijzondere liefhebberij voor het een of ander voedsel;
dit geeft aanleiding tot haar aanwezigheid in een bepaald gebied,
zoolang de mensch niet ingrijpt en de schuwe en snel vluchtende dieren
naar andere gewesten verdrijft. De meeste houden van de vlakte; eenige
geven echter duidelijk de voorkeur aan het hooge gebergte boven laag
gelegen oorden en stijgen tot aan de grens van de eeuwige sneeuw
omhoog; sommige bewonen open gewesten waar de plantengroei armoedig
is, andere houden zich op in ijle kreupelhoutbosschen, enkele ook in
de dichtste wouden, eenige zelfs in moerassen en broeklanden.
Hun voedsel bestaat uitsluitend uit plantaardige stoffen,
hoofdzakelijk uit grassen en kruiden, uit bladen, knoppen en jonge
spruiten. Eenige moeten zich met een zeer schralen kost behelpen,
andere zijn buitengewoon kieschkeurig en maken alleen gebruik van de
sappigste en lekkerste planten. De meeste kunnen lang zonder water,
wanneer zij frisch, groen voeder krijgen; zij, die in de dorre woestijn
leven, kunnen zelfs dagen en weken lang het water volkomen ontberen.
Men mag de Antilopen nuttige dieren noemen, en behoeft op dezen
regel nagenoeg geen uitzonderingen te maken. Op de plaatsen waar zij
leven, brengen zij zelden een noemenswaarde schade teweeg; wel zijn
zij echter nuttig door haar vleesch, hare hoornen en haar uitmuntend
vel. Alle volken, die in het door haar bewoonde gebied voorkomen, maken
ijverig jacht op haar. Verscheidene Antilopen zijn sinds overouden
tijd beroemd en worden sterk geprezen door dichters en reizigers;
voor het verkrijgen van andere waagt de jager in de Alpen honderd
maal zijn leven. Om deze en andere redenen gevoelt de mensch zich
aangetrokken tot alle Antilopen. Daarbij komt nog, dat de meeste, althans
in haar vaderland, de gevangenschap gemakkelijk en gedurende langen tijd
kunnen verduren, in deze omstandigheden zich voortplanten en haar
verzorger door hare tamheid en gehechtheid genoegen verschaffen. Sommige
worden geheel en al huisdieren en werden in vroegeren tijd werkelijk als
zoodanig beschouwd en behandeld.
Wij kunnen alleen de belangrijkste leden van deze vormenrijkste
onderfamilie van de Herkauwers behandelen. Met die, welke tot de
_Antilopen_ (_Antilope_) (in de beperktste beteekenis van 't woord)
behooren, zullen wij een aanvang maken. Het onder dezen naam aangeduide
geslacht omvat middelmatig groote dieren, ongeveer zoo groot als onze
Ree, met lange, liervormige of schroefswijs gewonden hoornen, met
groote (of althans slechts bij uitzondering kleine) traangroeven, met
een zeer weinig uitgebreiden neusspiegel, die slechts uit een kleine,
naakte plek op de bovenlip bestaat en met klieren in de liezen. Tot
deze groep behooren verscheidene ondergeslachten, waarvan wij er
drie zullen beschrijven, n.l. de Hertgeit-antilopen, de Gazellen en
de Spring-antilopen.
_Hertgeit-antilopen_ (_Cervicapra_) noemt men de soorten met ronde,
boven- en achterwaarts gerichte, schroefvormig gedraaide en met
ringvormige verhevenheden voorziene, bijna rechte hoornen, die echter
_alleen bij het mannetje_ voorkomen.