Een blik op het leven der Tamme Runderen in verschillende gedeelten

van de wereld is even leerzaam als aantrekkelijk. Beschouwen wij,

om in zekeren zin den historischen gang te volgen in de eerste plaats

de kudden, die nog in dezelfde levensomstandigheden verkeeren als die

van de aartsvaders. Deze vindt men bij de nomaden van Oost-Soedan, die

de veeteelt nog op dezelfde wijze uitoefenen als hunne voorvaders vóór

duizenden van jaren. Hunne kudden zijn hun eenige rijkdom. Zij worden

geschat naar het aantal hunner Schapen en Runderen op gelijke wijze

als men de Lappen naar het aantal hunner Rendieren schat. Hun geheele

leven is met de veeteelt op de innigste wijze verbonden. Hoewel zij

soms ook wel door rooverij het een en ander verkrijgen, wat zij noodig

hebben, danken zij toch over 't algemeen hun levensonderhoud alleen

aan hun vee. Vele Arabische stammen, die de meer veevoeder opleverende

steppen ten zuiden van den 18en graad N. B. doorkruisen, leven wegens

hunne kudden steeds op voet van oorlog met elkander en trekken om

dezelfde reden onverpoosd van het eene oord naar het andere. Het

spreekt van zelf, dat het vee in deze gewesten voortdurend in de

open lucht verkeert, dat niemand er aan denkt voor zijne huisdieren

een stal te bouwen. Alleen daar, waar de Leeuw veelvuldig voorkomt,

tracht men des nachts de Runderen, Schapen en Geiten te beveiligen

door een dikke heg van mimosa-doornstruiken, waarmede de legerplaats

kringvormig omgeven wordt. Overal waar men den koning der wildernis

geen tol behoeft te betalen, laat men de kudde overnachten op de

plaats, waar zij, vermoeid van 't grazen, zich nedervleit.

Zelfs de grootste van onze veefokkers zullen zich bezwaarlijk een

denkbeeld kunnen vormen van den rijkdom aan kudden dezer nomaden. In

de nabijheid van het reeds vroeger genoemde dorp Melbesz, verdiept de

steppe zich tot een wijde kom, op welker bodem men tal van bronnen

heeft aangelegd, uitsluitend met het doel om de kudden te drenken,

die hier dagelijks gedurende de middaguren bijeenstroomen. In deze

kom kan men van den vroegen morgen tot den laten avond en gedurende

den geheelen nacht een bijna onbeschrijfelijk gewoel van menschen

en vee opmerken. Naast elke bron bevinden zich zes à acht ondiepe

drinkvijvers: groote troggen, gevormd door het opwerpen van een dam

van kleiachtige aarde. Deze troggen worden iederen dag gevuld, en

door de kudden, die hier komen drinken, telkens weer geledigd. Bijna

honderd menschen zijn van 's namiddags af, gedurende den geheelen

nacht tot aan den volgenden middag, ijverig bezig met uit de diepe

putten water op te halen en in deze vijvers te gieten; gewoonlijk

wordt aan het water een weinig zouthoudende aarde toegevoegd. Meestal

zijn de vijvers nog niet geheel gevuld, als de kudden komen. Van alle

kanten naderen nu tallooze scharen van Schapen, Geiten en Runderen:

eerst drinkt het kleine vee, later is het de beurt van de Runderen. In

weinige minuten is de geheele, groote kom volkomen gevuld. Men ziet

hier één aaneengesloten massa van ijverig elkander opdringende

dieren, waarboven hier en daar een donkere mannelijke gestalte

uitsteekt. Duizenden van Schapen en Geiten stroomen onophoudelijk toe,

en evenzoo vele gaan voldaan terug. Zoodra de kom nagenoeg ledig is,

mogen de Runderen komen, die tot dusver ternauwernood in bedwang konden

worden gehouden; nu ziet men hier slechts één bruine, golvende massa,

waarboven een woud van hoornspitsen zich verheft. Het bruin heeft

geheel de overhand gekregen; van de tusschen 't vee heen en weer

gaande mannen is geen spoor meer te ontdekken. De geheele drinkplaats

gelijkt op een stal, waarin sedert maanden geen poging tot reiniging

is gedaan. Ondanks de blakerende zonnehitte ligt de mest overal meer

dan kniehoog op den bodem; alleen de drinkvijvers worden zorgvuldig

schoon gehouden. Tegen den avond gaan eindelijk de laatste dorstige

gasten heen; oogenblikkelijk begint het waterscheppen op nieuw, om

de hoeveelheid water, die voor den volgenden dag vereischt wordt,

te rechter tijd bijeen te hebben. Op sommige dagen komen ook tal van

langpootige, als 't ware op stelten loopende Kameelen deze plaats

bezoeken, vijfhonderd à duizend stuks te gelijk; zij drinken zich zat

en trekken weer heen. Ik acht het onmogelijk het aantal Runderen te

schatten, dat hier dagelijks komt drinken, want in het dichte gedrang

houdt het tellen weldra op: toch overdrijf ik stellig niet, wanneer ik

al het vee op minstens zestigduizend stuks begroot, waarbij ongeveer

veertigduizend Runderen. Aanzienlijke lieden van Oost-Soedan, die met

het bijeengaren van de schatting bij deze nomadische stammen belast

waren, verzekerden mij, dat het gladweg onmogelijk is, ook maar bij

benadering een maatstaf voor de grootte der bezittingen dezer lieden

te verkrijgen.

In Zuid-Afrika spelen de Runderen ook nog om een andere reden een

belangrijke rol: zonder hun hulp zou men de uitgestrekte jacht-

en handelsexpedities door de wildernissen, die dikwijls over groote

afstanden in 't geheel geen water en veevoeder opleveren, in 't geheel

niet kunnen ondernemen.

In Zuid-Rusland, in Tatarije en waarschijnlijk ook in een groot

deel van Centraal-Azië treft men niet minder aanzienlijke kudden

Rundvee aan. De geheele Zuid-Russische steppe is met kudden Paarden,

Schapen en Runderen bedekt. In den zomer leven al deze huisdieren dag

in dag uit in de open lucht; in den strengen, langen winter vinden

zij achter een aarden wal eenige bescherming tegen de stormen. Als de

bedoelde wal aan de eene zijde een ellendig stuk dak heeft, wordt dit

als een uitmuntenden stal beschouwd. Onder de genoemde dieren staan

de Runderen, wat het aantal betreft, bovenaan; in één opzicht hebben

zij een groot voorrecht boven hunne weidegenooten: de sneeuwstormen,

die voor de Schapen en Paarden zoo gevaarlijk zijn, doen hen niet

zoo licht verongelukken, omdat zij hunne bezinning niet verliezen,

maar regelrecht naar huis rennen, voor zoover de stormen niet al te

hevig zijn. In de meeste van deze gewesten worden de kudden geheel

aan zich zelf overgelaten.

Op soortgelijke wijze ging men vroeger bij het fokken van Rundvee

in Hongarije te werk. De dieren moesten zelf hun voedsel zoeken

en werden zoomin beschermd als verzorgd. Sommige waren zoo wild,

dat zij geen mensch toestonden hen te naderen. De kalveren zogen,

zoolang zij hieraan behoefte gevoelden en werden eerst in het tweede

levensjaar van hun moeder gescheiden. In dezen toestand is echter in

lateren tijd een groote verandering gekomen.

Zelfs in Italië leven nog Runderen in half wilden toestand. Talrijk

zijn zij in de Maremmen, in de bijna volkomen vlakke, hier en daar

vruchtbare, overigens echter moerassige kuststreken tusschen Pisa

en Napels, die wegens hun ongezond klimaat berucht en daarom schaars

bevolkt zijn. Hier zwerven talrijke kudden Runderen rond, die jaar in,

jaar uit in de open lucht verblijf houden en groote reizen ondernemen;

er zijn zeer geharde menschen noodig om over dit vee toezicht te

houden. In Walachije, Servië, Bosnië, Bulgarije en Syrië treft men

de Runderen in soortgelijke levensomstandigheden aan.

Een veel betere verzorging ondervindt het nuttige huisdier in de

berglanden van Middel-Europa, vooral in de Alpen, hoewel ook hier voor

het Rund nog veel te wenschen overblijft. "Meestal," zegt Tschudi,

"ontbreekt een doelmatige stal, soms is er zelfs in 't geheel geen

aanwezig. Als er in de lente of in de herfst plotseling sneeuw valt,

kunnen de Runderen het geurige, maar korte gras niet meer bereiken,

en verzamelen zij zich loeiend voor de hutten, waar ternauwernood een

schuilplaats voor hen te vinden is en waar de herder hen dikwijls niet

eens een handvol hooi kan aanbieden. Bij aanhoudenden kouden regen

zoeken zij beschutting onder de rotsen of in de wouden. In weerwil

van deze bezwaren, is de schoone, rustige tijd van het verblijf in de

Alpen buitengewoon aangenaam voor het vee. Dit blijkt o. a., wanneer

de groote schel, die bij het drijven van het vee naar den Alp en bij

het terugkeeren naar het dal haar ver klinkend geluid laat hooren,

in de lente bij de kudde in het dal wordt gebracht. Dadelijk trekt

zij de algemeene aandacht: de koeien komen er met vroolijke sprongen

en opgewonden geloei op af, in de meening dat hun het teeken voor

den aftocht wordt gegeven. Zoodra de tocht werkelijk aanvangt,--als

de grootste bel aan een bonten band bevestigd, aan den hals van de

fraaiste koe gehangen en deze met bloemen tusschen de hoornen getooid

is, als het pakpaard, met de kaasketels en den proviand beladen, gereed

staat, terwijl de melkstoeltjes tusschen de hoornen van de Runderen

gebonden zijn, als de knappe herders en herderinnen hunne Alpenliederen

aanheffen en een jubelend gejoedel door het dal weerklinkt,--geve men

acht op de blijmoedige stemming, waarmede de goedhartige en dikwijls

dartele dieren hun plaats in den stoet innemen en vroolijk loeiend

naar de bergen marcheeren. De in het dal achtergehouden koeien volgen

dikwijls onverwachts en uit eigen aandrift hare vroegere lotgenooten

naar de verafgelegen Alpen.

"De koe leidt trouwens bij fraai weder op de hooge bergweiden een

heerlijk leven. De leeuweklauw, de melisse en de alpen-weegbree bieden

het vrij rondsnuffelende dier een voedsel aan, zoo voedzaam en geurig,

als het dit verlangen kan. De zon brandt niet zoo heet als in het dal;

geen lastige horzels komen het middagslaapje verstoren; de rustig

hier rondloopende Spreeuwen en Groote Gele Kwikstaarten zijn steeds

tot liefdediensten bereid, wanneer het vee bijgeval door ongedierte

gekweld wordt: de Runderen zijn hier vroolijker, frisscher en gezonder

dan in het dal. De met hun aard overeenkomstige levenswijze doet

de geestvermogens beter tot ontwikkeling komen: het Rund, dat voor

zich zelf moet zorgen, is opmerkzamer en zorgvuldiger en heeft meer

geheugen dan het dier, dat door anderen verzorgd wordt; de Alpenkoe

kent iederen struik, iederen poel, is nauwkeurig op de hoogte van de

plaatsen die het beste gras opleveren, onthoudt den tijd waarop zij

gemolken wordt, herkent op een afstand de lokstem van den herder, en

komt met vertrouwen tot hem; zij weet, wanneer zij zout zal krijgen,

wanneer zij zich naar de hut of naar de drinkplaats moet begeven;

zij speurt het naderen van het onweder, onderscheidt de planten, die

voor haar niet goed zijn, van die welke haar goed bekomen, bewaakt

en beschut haar jong en vermijdt met zorg gevaarlijke plaatsen. Niet

altijd echter gelukt haar dit volkomen, hoe voorzichtig zij ook is. De

honger lokt haar dikwijls naar tot dusver onaangeroerde plaatsen,

die met malsch gras begroeid zijn; terwijl zij over de met rolsteenen

bedekte helling loopt, wijkt de losse grond onder hare hoeven uit, en

begint zij naar beneden te glijden. Zoodra zij bemerkt, dat zij zich

zelf niet meer redden kan, gaat zij op den buik liggen, sluit de oogen

en berust in haar noodlot; langzaam glijdt zij voort, totdat zij in

den afgrond stort, of door een boomwortel tegengehouden wordt, waarna

zij gelaten de hulpvaardige tusschenkomst van den herder afwacht."

Het verblijf in de bergstreken is als 't ware de poëzie van 't

runderleven. In de meeste overige landen heeft het goede huisdier

een minder aangenaam bestaan. In Duitschland geniet het gedurende

den zomer alleen in de gebergten een vrijheid, die soms meer, soms

minder beperkt wordt, maar aan het Rund van de Noord-Duitsche vlakte

niet eens overal ten deel valt.

Vooral in het hooge noorden is de winter een treurige tijd voor

het Rundvee. De korte zomer van Norrland en Lapland kan niet genoeg

wintervoeder voortbrengen; om deze reden krijgt het vee in den winter

niet alleen hooi en stroo, boombladen en berkentakken, rendiermos

en paardenmest, zeeplanten, wieren en soortgelijken kost, maar ook

Visschen en vooral de koppen van de Dorschen, een Kabeljauwachtige

Visch, die men juist in het tijdperk van voedselgebrek in groote

hoeveelheid vangt. De vischkoppen worden met allerlei soorten van

wieren en mossen in een ketel zoo lang gekookt, totdat de beenderen in

gelei veranderd zijn; deze breiachtige massa wordt aan de Runderen

gegeven, die haar gretig verzwelgen ondanks de met hun aard zoo

strijdige samenstelling van dit voedsel. De bewoners van de Lofodden

hebben mij verzekerd, dat men de Runderen verwijderd moet houden van

de stellages, waarop de Dorschen gedroogd en tot stokvisch worden,

omdat deze Herkauwers zich anders verzadigen zouden met de half

gedroogde Visschen.

In vele landen van Europa is het Rund een ellendige slaaf van

den mensch; in Spanje echter speelt niet de koe maar de stier een

hoofdrol. Hij geniet hier een achting, soortgelijk aan die, welke

in Indië vaak den Zeboe ten deel valt; hij kan de held van den dag

worden en zal dan vaak in veel hoogere mate de belangstelling van

het publiek trekken dan zaken, die in werkelijkheid veel gewichtiger

zijn. De Spanjaard heeft voor de schoonheden van den stier een open

oog; hij onderzoekt en beoordeelt hem, zooals bij ons een deskundige

een edel Paard of een goeden Hond keurt. Zelfs voor een eerzamen

trekstier is hij niet onverschillig; een veel belovend bulkalf brengt

hem in vervoering. Dit komt, omdat de Spanjaarden, zoowel zij, die hun

oorspronkelijk vaderland bewonen, als die welke in de Nieuwe Wereld

gevestigd zijn, hartstochtelijke liefhebbers zijn van schouwspelen

van soortgelijken aard als die, welke de bewoners van het oude Rome

bekoorden, en bij hooger ontwikkelde en beschaafde volken niet meer

in den smaak vallen; iedere stier wordt er daarom op aangezien,

of hij voor een stierengevecht geschikt is en welke figuur hij in

't strijdperk zou maken.

De stierengevechten zijn vermakelijkheden, die een Zondagnamiddag

op een zeer gewenschte wijze vullen en het publiek in de gelegenheid

stellen een werkzaam aandeel aan de vertooning te nemen: behalve de

toreros, de stierenbevechters van beroep, ziet men soms ook jonge,

voorname leeploopers in het strijdperk treden en een duidelijk bewijs

geven van de trap van beschaving waarop zij staan, door den taak van

den torero op zich te nemen.

Ongeloofelijk groot is de geestdrift, die de toeschouwers bij

een stierengevecht bezielt. Niet alleen mannen dweepen met dit

vloekwaardige spel, zelfs vrouwen verzuimen, zooveel mogelijk, geen

enkele van deze voorstellingen en nemen zelfs hare zuigelingen daarheen

mede. De stierenbevechters verwerven zich gewoonlijk een aanzienlijk

vermogen en zijn de helden van den dag, hoewel zij overigens weinig

geacht worden; het rijke en voorname gepeupel gaat vriendschappelijk

met hen om, hoewel zij tot de heffe des volks behooren. Meer nog dan

hen bewondert men de stieren; van sommige, die vele Paarden doodden,

blijft de herinnering nog jaren lang leven; aan hen dankt het Rundvee

de achting, waarmede de Spanjaard het behandelt.

Na het voorafgaande behoef ik over de geestesgaven van het Tamme Rund

niet veel te zeggen. Klaarblijkelijk staat dit dier op een zeer lagen

trap; naast het Schaap is het Rund het domste van onze huisdieren. Het

leert zijn verzorger kennen en tot op zekere hoogte liefhebben,

gehoorzaamt aan zijn bevel en volgt hem, als hij roept; ook toont

het een zekere belangstelling voor menschen, die het dikwijls bij

zich ziet; dit geschiedt echter, naar het schijnt, meer door de macht

der gewoonte, dan als uitvloeisel van een hooger gevoel. "De geest,"

zegt Scheitlin, "openbaart zich bij de Runderen, die veel in de vrije

natuur verkeeren, duidelijker dan bij die, welke steeds in den stal

blijven. De Alpenkoeien leeren haar verzorger spoediger kennen, zijn

opgewekter van aard, toonen duidelijker haar blijdschap, worden meer

vervroolijkt door het geluid der klokjes, schrikken minder, strijden

ridderlijker met elkander in ernst en uit scherts. Haar eergevoel

is echter gering. Als de eene de andere van haar plaats gedrongen

heeft, bekommert de overwonnene zich hierover in 't geheel niet,

maar stelt zich tevreden met de plaats, die voor haar overschiet,

laat den kop zakken en gaat weer aan 't grazen. De andere koe verheft

zich niet op haar zege, toont geen spoor van blijdschap, ook zij gaat

onmiddellijk weer aan 't vreten. Bij 't trekken naar de Alp evenwel

gevoelt de koe, die de optocht leidt, haar meerderheid; dit blijkt

uit haar plechtstatigen gang; ook duldt zij niet, dat een andere koe

haar vóórkomt. De Stier staat, wat vermogens betreft, ver boven de

meest ontwikkelde koe; hij heeft een veel grooter lichaamskracht,

scherpere zinnen, meer bewustzijn van macht, meer moed, behendigheid

en vlugheid; hij kijkt veel frisscher en met meer verstand om zich

heen, acht zich gewichtig als machtige beschermer van zijn kudde,

gaat op den vijand los en strijdt moedig met hem. Een vreemde bul

duldt hij niet op zijn gebied, maar strijdt met hem op leven en dood."

In het tweede levensjaar is het Rund voor de voortplanting geschikt. De

draagtijd duurt in den regel 285 dagen, maar is soms aanmerkelijk

korter of langer. Het kalf staat kort na de geboorte op zijne pooten;

het zuigt reeds op den eersten levensdag. Naar het schijnt, wordt

het Rund niet ouder dan 25 jaar. Bij de koeien, die geregeld ieder

jaar een kalf ter wereld brengen, ontstaat aan het onderste gedeelte

van den hoorn gedurende iederen draagtijd een ringvormige groeve

of jaarring. Daar de meeste koeien in hun derde levensjaar voor 't

eerst kalven, kan men in den regel de ouderdom dezer dieren bepalen

door bij het aantal hunner jaarringen 2 op te tellen. Hierbij moet

men echter in 't oog houden, dat men er niet volkomen zeker van kan

zijn, dat de koe ieder jaar drachtig is geweest; ook zijn er koeien,

die de hoornringen zeer onregelmatig vormen.

Verscheidene planten in verschen en gedroogden toestand, wikken,

erwten, jong graan en sappig gras maken het liefste voedsel van het

Rund uit. Schadelijk zijn: vlas, taxis, waterscheerling, luizenkruid,

biezen, kikkerbeet, tijdeloozen, wolfsmelk, monnikskap, jonge bladen

van eiken en walnoten, natte klaver enz. Peterselie, selderij, look

en uien hebben een nadeeligen invloed op de melkafscheiding. Thijm,

boterbloemen, weegbree worden in geval van nood, allerlei slag van ooft

en andere vruchten, aardappels en peenen hartstochtelijk graag gegeten;

zout is een levensbehoefte. Terecht wordt het Rund het voordeeligste

van alle huisdieren genoemd.

De voornaamste ziekten waaraan het Rundvee onderhevig is, zijn:

runderpest of veetyphus, miltvuur, kalverziekte, mond- en klauwzeer,

parelzucht of tuberculose, longziekte, broosheid van de beenderen,

trommelzucht enz. Zeer verschillend is het weerstandsvermogen

van verschillende rassen tegen besmettelijke ziekten. Bij de

veetyphus-epidemie van 1878-1879 bedroeg de sterfte in Duitschland

90 à 95, in de Russische steppen 30 à 50 percent van het aantal

aangetaste dieren.

De _Buffels_ (_Bubalus_) zijn plomp gebouwde Runderen met een zwaren,

onbehaaglijken romp, betrekkelijk korte, krachtige pooten en breeden

kop, die op het lage voorhoofd sterk gewelfd is; de oogen hebben een

flauwe en sombere uitdrukking; de zijdelings gerichte, meestal groote

en breede ooren zijn dikwijls sterk behaard. De hoornen zijn aan de

achterste hoeken van den schedel aangehecht en aan den wortel meestal

onevenredig verdikt, richten zich eerst naar onderen en achteren,

daarna naar buiten en ten slotte naar boven, in sommige gevallen ook

weder een weinig naar voren of zijn met een flauwe bocht naar onderen

gekeerd en eindelijk zwak naar buiten gekromd. Het in 't oog vallend

dunne haarkleed ontbreekt bij de oude soms geheel.

Het sterkste en wildste lid van dit ondergeslacht is de _Kaapsche

Buffel_ (_Bos caffer_); door zijne eigenaardige hoornen onderscheidt

hij zich in 't oog vallend van zijne verwanten. Hij is gedrongener

gebouwd dan de andere Buffels; de kop is betrekkelijk klein, de

hals tamelijk dik, de romp in de schoft weinig verhoogd; de staart

is lang en dun, aan de onderste helft met lange haren begroeid,

die te zamen een dikken, goed gevulden kwast vormen. De hoornen zijn

bij den wortel zij- en achterwaarts, daarna boven- en achterwaarts,

met de spitsen weder duidelijk naar binnen gebogen. Bij oude stieren

zijn zij aan den wortel buitengewoon verbreed, afgeplat, met dikke

rimpels bedekt en over het geheele voorhoofd uitgebreid, zoodat

alleen in 't midden een smalle strook vrij blijft. Met uitzondering

van het oor en van de staartspits is de beharing buitengewoon dun,

zoodat enkele plaatsen bijna naakt schijnen en men eigenlijk alleen

aan den kop en de pooten van een haarkleed spreken kan. De kleur van

het dier wordt dan ook niet zoo zeer veroorzaakt door het zwarte, aan

de spits een weinig lichter gekleurde haar, als wel door de donker

bruinachtig grijze huid. De schouderhoogte van den Kaapschen Buffel

wisselt al naar het geslacht en de grootte van het dier van 1.5 tot

1.8 M. af. De hoornen, die bij het wijfje slechts ongeveer half zoo

breed en zwaar zijn als bij het mannetje, en dus een half zoo smalle

strook van het voorhoofd bedekken, kunnen bij beide geslachten een

spanwijdte van hoogstens 1 à 1.2 M. bereiken.

Het verbreidingsgebied van den Kaapschen Buffel omvat, evenals dat van

de Giraffe, het grootste deel van de oostelijke helft van Afrika. In

het Kaapland bewoont hij, gemeenschappelijk met de laatste Olifanten

van de Kaapkolonie, nog slechts een geheel en al afgezonderd,

weinig uitgebreid district, n.l. tusschen de Mossel-baai en de

Algoa-baai. De zuidelijke grens van het thans nog door hem bewoonde

gebied wordt gevormd door een lijn, die bij den Koebango langs tot

aan het Ngami-meer en van hier oostwaarts tot aan den Limpopo loopt,

daarna ten oosten van de Transvaalsche republiek zuidwaarts gericht

is en ten naastenbij in de St. Lucia-baai eindigt. Ten noorden van

deze lijn tot op ongeveer 16° N.B. is hij in de meeste Afrikaansche

gewesten inheemsch. Hij houdt meer van de vlakte dan van het gebergte

en kiest als vaste verblijfplaats steeds een streek, waar geen gebrek

is aan water.

Gezellig van aard, vormt de Kaapsche Buffel met zijne soortgenooten

geregeld gezelschappen; daar waar hij vervolgd wordt, bestaan deze

kudden uit 30 à 60 stuks; daar waar hij weinig of in 't geheel niet

verontrust wordt, bevatten zij honderden en zelfs duizenden exemplaren.

Gedurende de heetste uren van den dag ligt de Kaapsche Buffel steeds

op dezelfde plaats stil en bewegingloos te slapen en intusschen te

herkauwen; niet zelden kiest hij een modderpoel als ligplaats en

is dan ook dikwijls met een flinke korst vuil bedekt. In de late

namiddaguren of tegen den avond staat hij op en zoekt daarna, met

tusschenpoozen, tot aan den vroegen morgen zijn voedsel; hij doet

dit evenwel niet op zijn gemak en als 't ware tot uitspanning, zooals

de andere Runderen, maar met horten en stooten, in onrustige haast:

hij weert de lastige vliegen af, laat dikwijls een dof geknor hooren,

houdt telkens den steeds vochtigen, dikken neusspiegel in den wind

om te speuren, richt de breede, met een dichten haarkrans versierde

ooren op en zweept met den in een kwast eindigenden staart mistroostig

zijne flanken. Hij ziet er uit, alsof hij altijd slecht gemutst is en

volkomen onvatbaar voor een vroolijke aandoening; grimmig, boosaardig

en valsch draagt hij den breeden en zwaren, door de kolossale hoornen

gedeeltelijk bedekten kop half gebogen, als 't ware steeds tot den

aanval bereid; groote, blauw-zwarte oogen glinsteren woest beneden

de op een helm gelijkende hoornmassa, die het voorhoofd bekleedt,

en wekken bij iederen toeschouwer den indruk, dat toomelooze woede

en opzettelijke valschheid dit dier bezielen.

"De Kaapsche Buffels," zegt reeds de oude Kolbe, "zijn hoogst

gevaarlijke dieren. Wanneer men ze door het toonen van roodgekleurde

voorwerpen, door schieten of door hevige vervolging vertoornt, is men

zijn leven niet zeker; zij beginnen hevig te brullen en te stampen,

vreezen niets meer en ontzien niets, hoeveel gewapende menschen ook

tegenover hen staan. Zij springen in hun woede door vuur en water,

door al wat hun in den weg komt."

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 12 / 28 段