De vertegenwoordigers van een derde ondergeslacht der Boviden--de

_Runderen_ in de meest beperkte beteekenis van het woord

(_Taurus_)--komen thans alleen nog maar als huisdieren voor. De

laatste in 't wild levende soort der Taurinen was de _Oeros_ _[Bos

(Taurus) primigenius_]; zij is sinds de 16e eeuw uitgestorven.

Volgens Rütimeijer zouden drie verschillende soorten van Taurinen

deel gehad hebben in het stamvaderschap van 40 à 50 rassen van Tamme

Runderen, die men tot dusver onderscheiden heeft. Deze zijn: het _Rund

der Voorwereld_ (_Bos primigenius),_ dat waarschijnlijk met den reeds

genoemden _Auer_ of _Oeros_ één soort uitmaakte, het _Korthoornige

Rund_ (_Bos brachyceros),_ en het _Breedkoppige Rund_ (_Bos

frontosus)._ Naar aanleiding hiervan zegt Wilckens: "Een stelselmatige

indeeling van de rassen, gegrond op talrijke en zorgvuldige metingen

van den schedel en van het skelet, is tot nog toe even onuitvoerbaar

voor het Tamme Rund, als voor de vroeger beschouwde huisdieren. De

verdeeling van alle Tamme Runderen in twee of drie groepen van rassen,

die door Rütimeijer is voorgesteld, berust op een zoo beperkt materiaal

voor onderzoek, dat uit zulk een klein deel van het verbreidingsgebied

van het Tamme Rund (hoofdzakelijk uit Zwitserland) afkomstig is,

dat zij niet algemeen toegepast kan worden. Wel heb ik in mijn werk

over de "Rundvee-rassen van Middel-Europa" het stelsel van Rütimeijer

aangenomen, nadat ik een vierde groep van rassen--het _Kortkoppige

Rund_ (_Bos brachycephalus_)--aan toegevoegd had; sedert ik echter

bijna alle Rundvee-rassen van Frankrijk en Engeland heb leeren kennen,

zie ik de onmogelijkheid in om het rassenstelsel van Rütimeijer

toe te passen, zij het dan ook alleen op de Rundvee-rassen van

Europa." Op het tegenwoordige standpunt der wetenschap is het daarom

beter, de Rundvee-rassen te groepeeren naar hun verbreidingsgebied,

tevens lettend op den vorm van 't lichaam en op het doel waarvoor

zij dienen. Zulk een indeeling, welke gedeeltelijk nog met die

van Rütimeijer overeenstemt, bevat de 8 volgende groepen: 1o. het

Steppenvee of Grijze Vee van Oost- en Zuid-Europa; 2o. het Laagland-vee

waartoe behooren: (a) de Hollandsche, (b) de Oost-Friesche, (c) de

Oldenburger, (d) de Sleeswijk-Holsteinsche slagen, (e) de overige

Duitsche Laagland slagen, (f) de Belgische en Fransche slagen van

het Laaglandras; 3o. het Breedkoppige of Frontosus-ras; 4o. het

Korthoornige of Brachyceros-ras; 5o. de Landslagen van Duitschland

en Oostenrijk; 6o. de slagen van Groot-Britannië; 7o. de slagen van

Frankrijk; 8o. het Rundvee van de overige Europeesche landen (Rusland,

Spanje, en Portugal). De beide eerstgenoemde groepen en ook eenige

slagen van de andere groepen (o. a. van de Groot-Britannische) stammen,

volgens Rütimeijer, van het Rund der Voorwereld, van den Oeros, af.

Volgens Rütimeijer leven thans nog directe, zij het dan ook

eenigszins gewijzigde afstammelingen van het Rund der Voorwereld in

halfwilden toestand in de groote dierparken van Noord-Engeland en

Schotland. Een dier, dat, naar de beschrijving te oordeelen, volkomen

overeenstemde met het bedoelde _Parkrund_, bestond nog in de tiende

eeuw in Wales. 400 stuks witte Runderen met roode ooren werden aan

_Koning Jan_ gezonden; volgens een oude oorkonde werden 100 van deze

zelfde dieren geëischt tot zoen van het een of ander misdrijf. Het

bewijs is geleverd, dat dit dier destijds nog in wilden toestand

leefde in een oerwoud, dat zich dwars door geheel Noord-Engeland en

Schotland, van Chillingham tot Hamilton, uitstrekte. Van dit oerwoud

en van de daarin geleefd hebbende Runderen, zijn in de beide parken,

die gewoonlijk met de namen der beide genoemde eindpunten aangeduid

worden, nog overblijfselen aanwezig. Reeds omstreeks het jaar 1260

werd op aansporing van William van Farrarn het park Chartley in

Staffordshire door een omtuining afgesloten met het doel om het Wilde

Rund in deze veenachtige boschstreek te behouden. Dit voorbeeld werd

des te gretiger nagevolgd, naarmate het Wilde Rund zeldzamer werd;

ook andere groote grondeigenaars namen denzelfden voorzorgmaatregel,

zoodat het Parkrund reeds vóór de Hervorming nog slechts op afgesloten

terreinen voorkwam; van deze zijn er 14 tot in deze eeuw en 5 tot op

den huidigen dag blijven bestaan.

Het _Parkrund_ (_Bos taurus scoticus_) is middelmatig groot, forsch

maar niet plomp gebouwd. Zijn haarkleed is dicht en kort aanliggend,

op de kruin en aan de hals langer en kroes, langs het midden van

den nek tot aan de schoft zwakke manen vormend, met uitzondering van

den snuit, de ooren, de hoornen en de hoeven melkwit. De ooren zijn

van binnen roodbruin, het voorste gedeelte van den snuit bruin, de

oogen met een zwarten rand omgeven, de hoeven zwart. De hoornen zijn

matig lang, tamelijk dun, maar slank en scherp toegespitst, van den

wortel af naar buiten en naar boven gericht en met de spitsen weder

(hoewel ternauwernood merkbaar) binnenwaarts gekeerd; hun kleur is

grijsachtig wit met zwarte spits.

De voorname eigenaars van alle in Schotland nog bestaande parken

stellen er een eer in, deze uit den ouden tijd overgebleven dieren

onder hunne bijzondere bescherming te nemen. Zij leggen niet

onbelangrijke sommen ten koste aan hun onderhoud: bepaaldelijk voor

dit doel aangestelde opzichters waken over hen, doen zooveel mogelijk

hun best om gevaren van hen verwijderd te houden en schieten eindelijk

de stieren, die wegens hun hoogen ouderdom of op een andere wijze

onbruikbaar geworden zijn, dood. Het vleesch verschilt in smaak niet

van dat van het Tamme Rund.

Het Parkrund heeft alle kenmerkende eigenschappen van een echt wild

dier. Het verbergt zijne jongen en graast des nachts; overdag slaapt

het en laat het zich koesteren door de zonnestralen. Kwaadaardig is het

alleen, wanneer het in 't nauw wordt gebracht; in alle andere gevallen

is het zeer schuw en neemt voor iedereen reeds op grooten afstand de

vlucht. Al naar het jaargetijde en de wijze waarop men hen nadert,

gedragen de dieren zich verschillend. In den zomer krijgt men ze soms

in vele weken niet te zien, al zoekt men ze op, daar zij in dezen

tijd, zoodra zij de lucht van een mensch krijgen, zich terugtrekken

in een deel van het woud, dat door niemand betreden wordt. In den

winter echter bezoeken zij de voederplaatsen; omdat zij hier aan den

mensch gewoon geraken, is het in dezen tijd mogelijk, vooral voor

iemand die te paard zit, bijna te midden van de kudde te komen.

Ludwig Beckmann, de bekende dierenteekenaar, die in 1847 het park

van den _hertog van Hamilton_ in Lanarkshire bezocht, zegt van het

Parkrund, dat hij hier aantrof: "Door zijn geheele voorkomen maakt

dit dier op den onbevooroordeelden onderzoeker eerder den indruk van

een met zorg zuiver gehouden verscheidenheid van ons Tamme Rund dan

dien van een "Oer-rund". Reeds de witte kleur moet als iets ongewoons

beschouwd worden bij een groot Zoogdier, dat in het zachte klimaat

van een eiland in 't wild leeft. Bovendien wijzen de evenredigheid

der verschillende lichaamsdeelen, de horizontale rug, de hooge

plaats aanhechting van den staart en de vorm en uitgebreidheid van

den sterk geplooide kossem bij oude stieren, mijns inziens, op een

sedert langen tijd door den mensch uitgeoefenden invloed op den

vorm dezer Runderen,--misschien wel hierop, dat zij afstammen van

dieren, die in overouden tijd getemd waren. De hooge ouderdom van

het ras, die uit historische bewijsstukken blijkt, geeft aanleiding

tot het vermoeden, dat het reeds in den heidenschen vóórtijd bij de

godsdienst-plechtigheden der Druïden een rol speelde, op soortgelijke

wijze als de aan _Hertha_ gewijde witte koeien en de heilige stieren

der Brahminen. Ook zou het kunnen zijn, dat de "wilde witte Bisons"

van het Caledonische woud, waarvan in de oude Schotsche volksverhalen

dikwijls sprake is, en die Walter Scott in sommige zijner romans ten

tooneele voert, de verwilderde afstammelingen van deze heilige Runderen

der Druïden zijn."--Ook thans nog ziet men trouwens bij het gewone

Schotsche Rundvee soms enkele exemplaren of zelfs geheele beslagen,

die, op de kleur na, alle eigenaardigheden van het Parkrund vertoonen;

in enkele gevallen bestaat er, naar Colquhoun bericht, zelfs in de

kleur geen verschil.

De wijze waarop men nog kort vóór het einde van de vorige eeuw

een Parkstier doodde, herinnert sterk aan de jacht in overouden

tijd. Op den hiervoor bepaalden dag kwamen de bewoners van den

geheelen omtrek bijeen: sommigen te paard, anderen te voet, allen

met geweren gewapend. Niet zelden bestond de jachtstoet uit vijf-

à zeshonderd jagers, waarvan er dikwijls meer dan honderd te paard

zaten. Zij die onbereden waren, gingen zitten op de muren, die het

park insluiten, of klommen met hun geweer bij zich in de boomen, die de

open plek omgaven, waar de stier gedood zou worden. De bereden jagers

doorkruisten het woud en dreven de kudde naar de bedoelde open plek,

waar de stier door de ruiters omsingeld werd. Zoodra dit geschied was,

sprong de ruiter, die de eer zou genieten het eerste schot te lossen,

van zijn paard en schoot zijn geweer af op het onrustige en door

vrees buitengewoon wild geworden dier. Hierna vuurden alle overige

jagers, voor zoover zij een hiervoor geschikte plaats hadden kunnen

innemen; dikwijls werden meer dan dertig schoten op den stier gelost,

voordat hij dood was. Door de hevige pijn en het luide geschreeuw der

jagers dol geworden, viel het bloedende dier niet zelden, zonder zich

om de menschenmenigte te bekommeren, met inspanning zijner laatste

krachten zijne belagers aan en bracht hen gevaarlijke wonden toe, of

veroorzaakte zulk een verwarring, dat hij door den kring heenbreken

en zich aan verdere vervolging onttrekken kon. Wegens de ongelukken,

die bij deze jachten plaats hadden, zijn zij in onbruik geraakt.--

Groot is de invloed, die de mensch kan oefenen op het variëeren der

dieren, die hij aan zich onderworpen heeft en die huisdieren zijn

geworden. Door de ervaring geleerd koos hij zijne fokdieren volgens een

vooraf beraamd plan, met een bepaald doel voor oogen. Soms langzaam,

soms reeds na verloop van betrekkelijk korten tijd verkreeg het ras,

welks veredeling gewenscht werd, andere erfelijke eigenschappen,

belangrijk verschillend van de oorspronkelijke kenmerken. Zoo

ontstonden, na verloop van tijd nieuwe rassen, terwijl vroegere rassen

verdwenen. Ook uit dit oogpunt beschouwd zijn de Rundvee-rassen zeer

merkwaardig. Uitmuntende werken bestaan er, waarin dit onderwerp meer

uitvoerig wordt behandeld, o.a. het met zorg geschreven "Handboek voor

den Nederlandschen Landbouw en Veeteelt door G. Reinders." Wij moeten

ons bepalen tot enkele grepen uit de talrijke wetenswaardigheden op

dit gebied.

Het _Laaglandras_, waartoe ook de _Nederlandsche Rundveeslagen_

behooren, is inheemsch in de Noord-Duitsche laagvlakte en in sommige

gewesten van Engeland. Het is groot en zwaar gebouwd, maar eenigszins

weekelijk en zwak van aard. De kop is lang en smal met korte horens,

welker spits bij de stieren eenigszins achterwaarts, bij de koeien

meestal naar voren en naar binnen gekromd is. De neus is recht; de

groote oogen hebben een min of meer slaperige uitdrukking; de lange

oorschelpen zijn slap. De hals is zeer lang, de kossem kort, de schoft

laag, het kruis verheven, de heup zeer breed met sterk uitstekenden

darmbeenrand, het kruis naar achteren afhellend, de staart diep

aangehecht, de borst smal. De schouders zijn smal en steil geplaatst,

de ribben dikwijls vlak; de romp is sterk gewelfd, het jaar (de uier)

groot en slap, met sterk ontwikkelde spenen. De dijen zijn dikwijls

plat en met weinig vleesch bezet, de pooten betrekkelijk kort en dik,

de gewrichten dikwijls sponzig, de spronggewrichten dicht bijeen

geplaatst (koehakkig), de hoeven breed en plat. De huid is dun en

zacht en kan gemakkelijk over de onderliggende deelen verschoven

worden. Het haar is sluik en fijn, het haarkleed meestal glanzig

en in den regel bont van kleur, n.l. wit en zwart of wit en rood,

of bruin met witte plekken aan den kop en de voeten. De neusspiegel

(het onbehaarde gedeelte van de muil) is meestal loodkleurig, bij licht

gekleurde (roodbonte) dieren, ook wel rozerood. Het Laaglandras is

niet zeer geschikt om trekvee te leveren: daarentegen brengt het veel

melk voort, en kan meestal ook uitstekend dienen voor de productie

van vleesch en vet.

Het meest verbreide slag van het Laaglandras is ongetwijfeld het

_Nederlandsche slag_ (_Bos taurus hollandicus_), waarvan men als

hoofdtypen onderscheidt: de Groninger Witkoppen, de Friesche

en Noordhollandsche, de Geldersche, de Zeeuwsche type, het

Heidevee in Overijsel enz. Ook buiten Nederland (Oost-Friesland,

Sleeswijk-Holstein, enz.) wordt het veelvuldig gefokt en meer of

minder zuiver gehouden; in andere, meer binnenlands gelegen gewesten,

wordt het niet zelden gebruikt tot kruising met de daar inheemsche

rassen; wijl het zich onderscheidt door groote melkproductie en

geschiktheid om vet gemest te worden. Al naar den grond waarop zij

leven, de behandeling die zij ondervinden, enz., bestaat er tusschen

de dieren van dit slag verschil. Opmerkelijk vooral is het verschil

tusschen het vee der laagveen- en kleistreken en het vee der uit zand

en hoogveen samengestelde geestgronden; het laatstgenoemde is kleiner,

schraler en langpootiger.

De Nederlandsche runderen--volgens Fitzinger directe afstammelingen

van den Oeros--onderscheiden zich door aanzienlijke grootte,

tamelijk evenredige ontwikkeling van alle lichaamsdeelen en groote

gelijkmatigheid van kleur en teekening. De kop is lang, naar

voren spits toeloopend, de hals lang en dun, de romp tonvormig,

d. i. gestrekt en breed, de schoft smal, het kruis breed, de staart

matig lang. Vooral de achterpooten zijn sterk ontwikkeld; beide paren

pooten hoog en krachtig, maar niet plomp. De hoornen zijn kort, zwak,

meestal eerst zijwaarts, daarna voorwaarts gericht; de kleur is bont

gevlekt: op witten of grijswitten grond komen in den regel zwarte,

soms echter ook wel bruine en roode, meer of minder groote vlekken

van zeer verschillenden vorm voor.

Een geheel ander uiterlijk heeft het _Breedkoppige Ras_ (_Bos

frontosus_), dat vooral in het westen en noorden van Zwitserland (het

meest in het kanton Bern) gevonden wordt, en waarvan wij het wegens

zijn groote melkproductie beroemde _Freiburger slag_ (_Bos taurus

friburgensis_) als voorbeeld kiezen. De dieren van dit ras zijn in

den regel groot en zwaar en hebben een stevig beenderenstelsel. De

kop is breed en betrekkelijk kort; de sterk uitpuilende opzwelling

van het gewelfde, tusschen de hoornen zeer breede voorhoofd,

verheft zich boven de achterkopsvlakte. De langgesteelde hoornen

zijn van middelmatige lengte, een weinig afgeplat, beneden-, zij-

en bovenwaarts gekromd. De oorschelp is zeer breed en van binnen met

lange haren begroeid. De groote oogen staan zijwaarts. De hals is kort

en dik en met een langen kossem voorzien. De romp is betrekkelijk kort,

het voorstel meer ontwikkeld dan het achterstel. De voorborst is breed,

de schouder breed en gespierd, dikwijls eenigszins steil geplaatst. De

ribben zijn meestal goed gewelfd en de flanken gesloten. De buik

is weinig uitgebreid, de middelmatig groote uier goed tegen den romp

aangevoegd. De schoft is breed en evenals het kruis een weinig verheven

boven de overigens rechte ruglijn; de hoog aangehechte, dikke staart

eindigt in een langen kwast. De heup is meestal breed, het kruis breed

en rond; de schenkels zijn vol en flink met vleesch bezet, de pooten

krachtig en goed geplaatst, de spronggewrichten breed. De huid is dik

en zacht, gemakkelijk verschuifbaar, begroeid met dik en kort haar,

dat bij de stieren aan den kop en den hals dikwijls kroes is. Het

haarkleed is rood-, geel- en zwartgevlekt, met witte plekken aan den

kop en de voeten; effenkleurige (roode of gele) dieren zijn zeldzaam.

Als een waarlijk afschuwelijk product van planmatig voortgezette

veefokkerij vermelden wij ten slotte nog het _Durham_- of _Korthoornig

Rund_, den "Shorthorn" der Engelschen (_Bos taurus dunelmensis_):

een wanstaltig dier met kleinen kop en zeer zwakke hoornen, rechten

rug en korte pooten, dikken hals en onbehouwen romp, voornamelijk

bestemd om als mestvee de grootst mogelijke hoeveelheid vleesch

voort te brengen. Oorspronkelijk kwam het bijna uitsluitend in de

oostelijke graafschappen van Engeland voor; tegenwoordig is het over

geheel Engeland en Ierland verbreid; hier en daar, hoewel altijd nog

zeldzaam, wordt het ook wel in Nederland, Duitschland en Frankrijk

aangetroffen. Wat de melkproductie betreft, staat dit vee ver achter

bij andere slagen; door de vleeschopbrengst overtreft het ze echter

alle; enkele stieren hebben op den leeftijd van 12 maanden reeds een

gewicht van 700 à 800 K.G. bereikt.

Even gemakkelijk als een in 't wild levend Rund getemd en tot

huisdier wordt, neemt het, uit de slavernij ontvlucht, de levenswijze

en gewoonten van de stamsoort weer aan. Verwilderde Runderen, d.w.z

zulke, die van tam weder geheel of half wild geworden zijn, komen

gewoonlijk dáár voor, waar de Spanjaarden heerschten of nog heerschen.

De in Spanje zeer gezochte stier, die bij de stierengevechten een

hoofdrol speelt, is eveneens een afstammeling van Runderen, die

vroeger in den getemden staat verkeerden. Hij leeft geheel en al op

de wijze van de Wilde Runderen, komt jaar in jaar uit in geen stal

en wordt eigenlijk ook niet gehoed; slechts nu en dan komt een voor

dit doel aangewezen persoon de kudde bezichtigen. Niet bijzonder

groot, maar fraai gebouwd en buitengewoon gespierd, onderscheidt de

Spaansche stier zich door tamelijk lange, buitenwaarts gebogen en

zeer spitse horens; de kleur is in den regel, hoewel niet altijd,

donker kastanjebruin of zwartbruin.

"De levensloop van den stier," zegt W. Joest, "die door zijn

onbeminnelijken aard of door zijn uiterlijk voor het stierengevecht

geschikt schijnt te zijn, is ongeveer als volgt: Geboren op een van

de groote veeboerderijen van Castilië of Andalusië, die dikwijls een

oppervlakte van 10000 hectare beslaan, wordt hij, zoodra hij één jaar

oud is, met zijne gezellen bijeengedreven om gebrand, d.w.z. met het

eigendomsmerk van zijn meester geteekend, te worden. De herders,

die met behulp van een langen stok, waaraan een scherpe punt

voorkomt, de dieren bijeendrijven, bemerken vrij spoedig, welke

stier strijdlustig is en welke niet. De bullen, die in weerwil van de

gevoelige prikken met den puntstok, die zij ontvangen, den drijver

telkens weer aanvallen, worden op nieuw naar de weide gedreven om

ze nader na te gaan; de minder kwaadaardigen daarentegen worden tot

ossen gemaakt. De boosaardige stieren worden nu in de eerste plaats

(nadat hunne horens omwoeld of ongevaarlijk gemaakt zijn door op de

punt een bal te steken) in dorpen of kleine steden, die niet bij

machte zijn om een gevecht te bekostigen, waarbij de stier gedood

wordt, op het voornaamste plein losgelaten in tegenwoordigheid van

de straatjeugd of van andere liefhebbers, die hier hunne studiën

maken. Honderden van groote en kleine kinderen ergeren en kwellen dan

den bul met alle hun ten dienste staande middelen, maar zonder hem te

beschadigen. Het dier, wiens wapens onbruikbaar zijn gemaakt, en dat

nog nooit tien menschen bijeen heeft gezien, gedraagt zich hierbij

natuurlijk zeer lomp en onbeholpen. Als de stieren op deze wijze 4 of

5 jaar oud geworden zijn, gaat een ondernemer van stierengevechten

de voor hem geschikte dieren op de weide uitkiezen; hij besteedt

dikwijls buitengewoon hooge prijzen voor uitmuntende exemplaren

en vervoert ze in den nacht vóór het gevecht naar de stallen, die

zich bij ieder amphitheater bevinden. Als geleiders van de wilde,

menschenschuwe dieren, dienen tamme ossen, die voor den dienst, welke

men van hen verlangt, op soortgelijke wijze afgericht worden, als de

tamme Olifanten die bij de olifantenjacht in Indië den mensch helpen."

In de Nieuwe Wereld waren de omstandigheden van oudsher gunstig voor

het verwilderen van het Rund. Columbus bracht het nuttige huisdier op

zijn tweede reis voor 't eerst naar San Domingo. Hier vermenigvuldigde

het zich zoo snel, dat men reeds weinige jaren later kalveren van

beiderlei geslacht over het geheele eiland kon verspreiden; 27 jaar

na de ontdekking van het eiland waren kudden van 4000 stuks reeds

geen zeldzaamheid meer. In het jaar 1587 werden alleen van hier 35.000

runderhuiden uitgevoerd. Omstreeks het jaar 1540 bracht men uit Spanje

Runderen naar sommige landen van Zuid-Amerika. Ook hier was het klimaat

zoo geschikt voor de ontwikkeling dezer dieren, dat zij zich in korten

tijd geheel onafhankelijk maakten van den mensch. Een eeuw later

bevolkten zij reeds in zoo verbazend groote getale de Pampas, dat op

hen--evenals later in Noord-Amerika op de Bisons--alleen ter wille van

hun huid jacht werd gemaakt. Het vleesch en vet bleven liggen voor de

tamme en wilde Honden en voor de Gieren. Door dergelijke slachtingen

werden zelfs deze ontzaglijke kudden gedund; eerst in den nieuwsten

tijd, nadat men geleerd had, beter partij te trekken van den buit,

kwam er verandering in de vroeger gevolgde handelwijze.

Op de Falkland-eilanden is het Rund geheel verwilderd; alleen door

zeelieden, die hun voorraad proviand moeten vernieuwen, wordt er nu

en dan jacht op gemaakt. Op de Galopagos-eilanden, de Philippijnen,

de Sandwich-eilanden en op Celebes komen eveneens verwilderde Runderen

voor, zoo ook in Australië en Nieuw-Zeeland. Ook in de hoog gelegen

gewesten van Centraal-Azië is dit het geval, n.l. daar, waar de

kudden ten gevolge van oorlogen hunne meesters verloren hebben. In

Columbia en in de meeste overige landen van Zuid-Amerika leiden zij

evenzeer een vrij leven: zij bewonen hier echter niet de laaglanden,

maar de bergstreken van de Cordilleras.

Al heeft het Rund zich in verschillende landen der wereld weder aan de

heerschappij van den mensch onttrokken, in de meeste is het zijn slaaf

gebleven, zooals het reeds in overouden en zelfs in voorhistorischen

tijd was. Over 't algemeen werd en wordt het Rund hoog geëerd. De oude

Egyptenaars aanbaden den god _Apis_ in de gedaante van een Stier en

bewezen dezen onder vele feestelijkheden hooge eer. De godin _Isis_

(en later bij de Grieken _Io_) werden voorgesteld met koehoornen op het

hoofd; aan beiden werden ossen geofferd, omdat deze bijzonder heilig

werden geacht. In Libye werden de Runderen getemd, maar nooit geslacht,

alleen hun melk werd gebruikt. In Cyrene werd het slaan van een koe als

een misdaad beschouwd. De Kelten hielden de koe voor een onmiddellijk

van de goden afkomstig geschenk. De hedendaagsche Indiërs doen, wat

de vereering van Runderen betreft, voor de oude Egyptenaars volstrekt

niet onder. Bij de Brahminen van Kasjmir is, zooals Hügel ervaren

heeft, de koe onschendbaar; ieder die er een doodt, wordt met den

dood gestraft. Görtz noemt de Runderen een lastpost voor alle steden

van de Hindoes. Wanneer b.v. de een of ander om een verdienstelijk

werk te verrichten op enkele zijner Runderen het teeken van Schiwa

ingebrand heeft, zoo ziet men deze dieren met monniken en bedelaars

in de straten rondloopen; zij gaan voor niemand uit den weg, maar

verdringen, schoppen en stooten allen die zij tegenkomen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 11 / 28 段