Levende vijanden hebben de Bisons minstens evenveel, als eenig ander

lid van hun geslacht. Naar men zegt, ziet de Grisli-beer zelfs tegen

den strijd met den weerbaren stier niet op, en is de Wolf althans

voor jonge Buffels gevaarlijk. Hun ergste vijand is en blijft echter

de mensch, vooral de Europeaan, wiens jacht in deze streken reeds in

de jaren na 1820 en 1830 een bedenkelijken omvang had aangenomen. "In

vroegere tijden," schrijft Möllhausen, "toen de Buffel tot op zekere

hoogte als een huisdier van de Indianen beschouwd kon worden, was er

geen vermindering van de onafzienbare kudden merkbaar; integendeel zij

voeren wel en vermenigvuldigden zich op de weelderige weiden. Toen

kwamen de blanken in deze gewesten. De rijk behaarde, groote vellen

stonden hen aan, het vette buffelvleesch was naar hun smaak en van

beide verwachtten zij een ruime winst. In de eerste plaats werd de

begeerte naar de schitterende of bedwelmende koopwaren der blanken

opgewekt bij de bewoners der steppen, welke waren hun daarna in

de geringst mogelijke hoeveelheid in ruil voor hun jachtbuit werden

aangeboden; daarna nam de slachting een aanvang. Duizenden van Buffels

werden om hun tong, vaker nog ter wille van hun ruige vacht gedood;

reeds na weinige jaren kon men een in 't oog vallende vermindering

van het aantal dezer dieren opmerken. De zorgelooze Indiaan denkt

niet aan de toekomst; hij leeft slechts voor het heden en zijne

genietingen. Hij heeft geen aansporing meer noodig: hij zal de jacht

op de Buffels voortzetten, tot hij aan het laatste exemplaar de huid

heeft afgestroopt. Zonder twijfel is de tijd aanstaande, waarin van

deze ontzaglijke kudden niets anders dan de herinnering over zal zijn,

de tijd, waarin 300.000 Indianen, van hun levensonderhoud beroofd,

door den honger gedreven, met millioenen van Wolven een plaag zullen

worden voor de bewoners der naburige, beschaafde gewesten, die dan

tegen hen een verdelgingskrijg zullen moeten voeren."

Het gedroogde vleesch, dat, fijngemaakt en innig met vet gemengd,

onder den naam "pemmican" bekend is--en waaraan voor de deelnemers aan

expedities in de poolgewesten ook wel rozijnen worden toegevoegd--,

heeft den naam van smakelijk en zeer voedzaam te zijn; de tong wordt

als een lekkernij beschouwd. Het vleesch van de koeien is nog vetter

dan dat van de stieren, dat van de kalveren is buitengewoon malsch. Van

het vel vervaardigden de Indianen warme kleedingstukken, tentkleeden

en bedden, zadels, gordels enz.; ook bedekten zij soms het geraamte

van hunne booten er mede. Van de beenderen maakten zij zadelgestellen

en messen voor het ontharen der huiden; van de pezen vlochten zij

koorden voor hunne bogen en naaigaren; de banden en beenderen van

den voet werden in water gekookt voor de lijmbereiding, van de lange

haren van den hals en den kop werd touw gedraaid; de staart diende

als vliegenverdrijver, de drek als brandstof. Ook bij de Europeanen

waren de vellen van de Bisons zeer gezocht. Het hiervan bereide leder

is uitmuntend, hoewel een weinig sponsachtig; de behaarde huid kan

voor allerlei kleeden gebruikt worden. Vellen zonder gebreken, die een

dertigtal jaren geleden 18 à 30 gulden kostten, brengen thans een drie-

of viermaal hoogeren prijs op, maar zullen weldra in 't geheel niet

meer in den handel voorkomen. Elk dier levert 3 à 4 KG. wol, die voor

't zelfde doel als schapenwol kan dienen, en in sommige streken voor

het vervaardigen van warme en zeer duurzame stoffen gebruikt werd.

Eerst sedert eenige tientallen van jaren ziet men Bisons in onze

diergaarden. Een Engelsche Lord had, naar men mij te Londen verhaalde,

eenige paren uit Amerika ingevoerd en op zijne bezittingen in Schotland

hiervan een kudde van 15 à 20 stuks gefokt; na zijn dood werden de

Bisons echter verkocht. Wanneer deze dieren goed verzorgd worden,

planten zij zich geregeld voort; de kalveren, die in gevangenschap

geboren zijn, worden door hunne moeders krachtdadig beschermd tegen

al wat hen zou kunnen hinderen; zij ontwikkelen zich even goed als

de nakomelingen van onze Tamme Runderen. Dit heeft echter niet kunnen

beletten, dat ook de Bisons in onze diergaarden thans op weg zijn om

uit te sterven.

Vele dierkundigen, vereenigen, in navolging van Hodgson, Rütimeijer

en Wilckens, eenige Aziatische vormen van Runderen--welker getemde

afstammelingen, behalve in Azië, ook in Afrika voorkomen, en

vermoedelijk zelfs medegewerkt hebben tot het ontstaan van sommige

Europeesche Rundvee-rassen--tot een ondergeslacht, dat _Bibos_ wordt

genoemd, omdat het een overgang vormt van de soorten, die men onder

den naam _Bison_ (Wisent) samenvat, tot die welke de groep _Bos_

(het Rund in de meest beperkte beteekenis van het woord) of _Taurus_

uitmaken. Het best kan men de leden van het ondergeslacht _Bibos_

_Wisent-Runderen_ noemen, een nagenoeg letterlijke vertaling van

hun naam. Deze naderen door hun schedelvorm en door het bezit van

een vetbult op den rug tusschen de beide schouderbladen tot de

Bisons. De voorhoofdsbeenderen zijn van achteren sterk verbreed, de

voorhoofdsstreek in dwarse richting dus zeer uitgebreid en bovendien

vlak. De hoornen zijn meer of minder afgeplat of cilindervormig,

ver naar achteren op de grens tusschen voorhoofd en achterhoofd

aangehecht, gedurende de jeugd naar achteren, op latere leeftijd

zijwaarts gericht. Behalve de drie Aziatische Wilde Runderen, waarvan

de beschrijving nu zal volgen, worden gewoonlijk ook de Zeboe-rassen

van Azië en de hiermede nauw verwante bultige of niet-bultige

Afrikaansche Tamme Runderen tot de groep der Wisent-Runderen gerekend,

dikwijls trouwens ook de reeds vroeger behandelde Yak.

De _Gayal_ (_Bos frontalis_) bereikt een totale lengte van 3.6 M.,

waarbij 60 cM. voor den staart, en een schouderhoogte van 1.5 à 1.6

M. Hij onderscheidt zich vooral door de buitengewone breedte van het

vlakke voorhoofd. De zeer dikke, kegelvormige hoornen wenden zich met

een flauwe bocht zijwaarts, achterwaarts en voorwaarts. De rug van den

neus is zeer kort en breed. De pooten zijn kort en goed gevormd. Dit

dier heeft een buitengewoon edel voorkomen; zijne lichaamsdeelen staan

tot elkander in de schoonste harmonie. Het is gedrongen en forsch

gebouwd, hoewel geen enkel deel er plomp uitziet. Vooral de stier maakt

in hooge mate den indruk van kracht en schoonheid. Een kussenvormige

verhevenheid bedekt den geheelen hals, de schouders en den rug. Het

geheele lichaam is gelijkmatig begroeid met een kort, dicht, glad en

glanzig haarkleed; aan de onderzijde van den hals is het haar slechts

weinig verlengd; het vormt echter een dichte kwast aan het onderste

vierde gedeelte van den staart en lokken aan den handwortel. De

donkerzwarte kleur heeft de overhand; de voorhoofdsharen zijn grijs-

of vaalbruin, de haarlokken aan de voorpooten fraai sepia-bruin,

de kin, de mondhoeken en een smalle rand van de bovenlip wit.--De

bergachtige gewesten ten oosten van den Brahmapoetra worden als het

vaderland van den Gayal beschouwd. Daar hij een bergdier is, zijn

levendigheid en behendigheid hem in hooge mate eigen; bij 't klimmen

toont hij bijna dezelfde zekerheid van beweging als de Yak. Steeds

tot kudden vereenigd, gaan de Gayals des morgens, des avonds en in

heldere nachten voedsel zoeken. Om zich tegen de drukkende middaghitte

te beveiligen, zoeken zij een schuilplaats in 't dichtst van het woud

en rusten daar herkauwend in de schaduw. Zij houden veel van 't water,

maar niet van modder; zij vermijden daarom moerassen, en verfrisschen

zich daarentegen gaarne in heldere bergstroomen. Naar men zegt, zijn

zij zachtmoedig en onergdenkend van aard. Nooit waagt de Gayal het

den mensch aan te vallen, maar gaat hem veeleer reeds van verre uit

den weg; tegen Roofdieren verdedigt hij zich echter met moed; zelfs

Tijgers en Panters worden door hem op de vlucht gedreven. Zijn scherp

waarnemingsvermogen verschaft hem veiligheid; zijne behendigheid en

vlugheid van beweging redden hem, wanneer hij voor vijanden vlucht.

De inboorlingen hebben den Gayal reeds sinds onheugelijke tijden tot

huisdier gemaakt; zij fokken deze soort zuiver of kruisen haar met

hunne Tamme Rundvee-rassen. De melk van den Gayal wordt wegens haar

gehalte, zijn vleesch wegens den smaak zeer geroemd.

De _Gaur_ of het _Dsjungel-rund_ (_Bos gaurus_) is ongetwijfeld

zeer na verwant aan den Gayal, van wien hij echter steeds verschilt

door eenige bij uitwendig onderzoek of bij ontleding waarneembare

eigenaardigheden; o. a. heeft hij een paar ribben minder.

Volgens _Sir_ Walter Elliot, die een door hem gedooden Gaur beschreef,

onderscheidt hij zich zeer van het gewone Indische Rund en nadert meer

tot den Wisent en den Bison; de Engelsche jagers geven hem daarom

gewoonlijk den laatstgemelden naam. De kop is korter dan bij het

Gewone Rund; het voorhoofd zeer breed, de aangezichtslijn gewelfd,

het oog en het oor kleiner dan bij den Buffel, de hals kort, dik en

gedrongen, de romp krachtig, de borst breed. De hoornen zijn aan

den wortel zeer dik, maar loopen puntig toe; zij zijn zijdelings

aangehecht, en krommen zich naar achteren en naar boven. Het vel,

dat aan de bovenzijde van den hals, op de schouders, aan den bovenarm

en het bovenbeen een buitengewone dikte heeft, is met korte, dicht

bijeen geplaatste haren bedekt, die zich aan de onderzijde van den

hals en op de borst een weinig verlengen, tusschen de hoornen een

kroeze kuif vormen. Een fraaie, donkerbruine kleur heeft de overhand;

deze gaat aan de onderzijde in donker okergeel, aan de pooten in

vuil wit, op het voorhoofd in licht grijsbruin, in de buurt van de

oogen in grauwzwart over. Volgens de metingen van Elliot, bedraagt de

totale lengte van een geheel volwassen stier van deze soort 3.8 M.,

de lengte van den staart 85 cM., de schouderhoogte 1.86 M.

Het verbreidingsgebied van den Gaur is zeer uitgestrekt. Van de

zuidspits van Indië tot aan den Himalaja, in oostelijke richting door

Assam en Tsjittagong tot in Birma en het Maleische Schiereiland,

vindt men den Gaur overal, waar boschrijk berg- of heuvelland, hoe

steil dan ook, voorkomt. Dicht begroeide, verwarde wildernissen, met

ondoordringbaar struikgewas gevulde wouden, opeenhoopingen van varens,

bamboesbosschen en grasrijke, hoogstammige wouden, leveren hem de meest

gewenschte schuilplaatsen; vooral houdt hij zich gaarne op in diepe,

waterrijke ravijnen, op steile, met steengruis bezaaide hellingen en

op ternauwernood toegankelijke toppen. Op sommige plaatsen bezoekt

hij tijdelijk ook wel vlakkere streken, door het jonge, malsche gras

tot deze afwijking van den regel verleid. Met opmerkelijke vaardigheid

beweegt hij zich door de moeielijkst begaanbare oorden. De kolossale

dieren rennen bijna zoo vlug als Herten bij een oneffene, steile

helling naar boven, of ijlen met ratelend hoefgeklepper in flinken

draf of snellen galop naar beneden in een ravijn.

Gewoonlijk laveit de Gaur alleen 's nachts, het liefst op

plaatsen waar jong gras groeit; daar hij dit, evenals de malsche

bamboes-uitspruitsels, boven ieder ander voedsel verkiest. Als hij

echter in de nabijheid van het bebouwde land leeft, onderneemt hij

plundertochten naar de akkers; hij wordt dan soms zoo lastig en driest,

dat het bijna niet mogelijk is hem van hier te verdrijven. Tegen

den morgen van de weide teruggekeerd, verbergt hij zich te midden

van het hoog opgeschoten gras, of in de met jonge bamboes begroeide

wildernissen, om hier te rusten, te sluimeren en te herkauwen.

Om den Gaur te dooden maakt men gebruik van buksen van zeer groot

kaliber, dezelfde als die, welke voor het dooden van ander groot

wild gebruikt worden. Men maakt jacht op hem, door zijn spoor te

volgen, totdat men hem onder schot heeft; dikwijls ook laat de jager

een exemplaar naar zich toe drijven. Ervaren jagers maken in den

regel geen jacht op de tot troepen of kudden vereenigde dieren, maar

alleen op oude stieren, die een eenzaam leven leiden; na den Olifant

zijn zij het kolossaalste wild, dat in deze gewesten voorkomt. De

gevaarlijkheid van deze jacht is, volgens het eenstemmig oordeel

van alle berichtgevers uit lateren tijd, dikwijls zeer overdreven

voorgesteld hoewel allen erkennen, dat een gewonde en vervolgde stier

in sommige gevallen een zeer lastige tegenstander kan zijn.

Voor het schoonste van alle bekende, thans nog in 't wild levende

Runderen houd ik den _Banteng_ der Maleiers (_Bos banteng_), een dier,

dat door de sierlijkheid van zijn lichaamsbouw met een Antilope kan

wedijveren en zich bovendien door een aangename kleur onderscheidt. De

hoornen zijn aan den wortel verdikt en met onregelmatige opzwellingen

voorzien, voorbij het eerste derde gedeelte van hun lengte echter glad

en tamelijk scherp aan de spits; zij bereiken een lengte van 40 à 50

cM. Eerst maken zij een vlakke bocht naar buiten en naar achteren,

vervolgens naar boven en naar voren; de spitsen zijn echter naar

boven en naar binnen gericht. Het overal even lange, dicht aanliggende

haarkleed heeft een donker grijsbruine, aan de achterdeelen eenigszins

naar rood zweemende kleur. Het meest in 't oog loopende kenteeken van

dit dier is de door zijn witte kleur en breedheid in 't oog vallende

"spiegel" (d. i. het achterste deel van de dijen en van den romp,

waar het haar naar boven gericht is); wit zijn ook de onderste helft

van de pooten en de buitenhoek van het oor.

Het verbreidingsgebied van den Banteng omvat Java, Borneo en

het oostelijk gedeelte van Sumatra; ook op het vasteland is hij

inheemsch, n.l. op het Maleische Schiereiland, in Tenasserim en Pegoe,

waarschijnlijk ook in Birma. Het liefst vestigt hij zijn woonplaats in

vochtige of veenachtige, kortom in waterrijke gedeelten van het woud;

vlakke bergdalen met langzaam stroomende rivieren bevallen hem daarom

beter dan alle overige boschstreken.

De jacht op den Banteng is wegens zijne wildheid en schuwheid zeer

gevaarlijk en moeielijk. Hoewel ook hij bij 't bespeuren van de

nadering van den mensch in den regel vlucht, vreest hij den jager

echter weinig, wanneer hij in de engte gedreven of gewond is; hij valt

hen niet zelden aan en maakt dan een zeer behendig en doeltreffend

gebruik van zijne spitse hoornen.

Volwassen Bantengs zijn ontembaar; hunne kalveren evenwel kunnen

volslagen huisdieren worden; naar men zegt, is de aard van dit

dier zachter en welwillender dan die van alle overige bekende Wilde

Runderen.

Alle tot dusver beschreven Rundersoorten hebben waarschijnlijk geen

(of zoo al, dan toch slechts in zeer geringe mate) deel genomen aan de

vorming van onze Europeesche Tamme Runderen, daarentegen moeten zij,

naar men meent, beschouwd worden als stamouders van de in Afrika

en Azië levende rassen. Hoewel de sluier, die over den oorsprong

van deze buitengewoon nuttige, sedert overouden tijd aan den mensch

onderworpen wezens ligt uitgespreid, niet zoo dicht schijnt, als die,

welke het ontstaan van andere huisdieren aan ons oog onttrekt, kon

hij tot dusver voor gene evenmin als voor deze opgeheven worden. Vrij

algemeen wordt tegenwoordig de onderstelling aangenomen, dat de

Runderen, die in alle drie deelen van de Oude Wereld meer of minder

gelijktijdig in den toestand van huisdieren overgingen, niet van

één enkele, maar van verschillende stamsoorten afstammen; voor het

bepalen van de bedoelde stamvormen zijn echter de scherpzinningste

betoogen, gegrond op de vergelijking van de tot dusver gevonden

schedels van uitgestorven Wilde Runderen, niet voldoende. Zooals uit

de vorige beschrijving blijkt, worden ook thans nog verscheidene Wilde

Runderen getemd en tot huisdieren gemaakt of althans tot veredeling

van Tamme Rundvee-rassen gebruikt; de tijd waarin de mensch voor

't eerst het Wilde Rund temde, of, wat waarschijnlijker is, van

diens jong gevangen nakomelingen een kudde vormde, ligt echter

aan gene zijde van het tijdperk der geschiedenis en der sage. In de

alleroudste verhalen wordt melding gemaakt van kudden Tamme Runderen;

op de oudste gedenkteekenen van de landen, die men als de bakermat

van de beschaving en van een geordenden staat van zaken beschouwt,

zijn zij afgebeeld; uit den slijkerigen bodem rondom de paalwoningen

worden hunne overblijfselen blootgelegd. Niet ten onrechte wordt aan

het laatstgenoemde feit een zeer gewichtige beteekenis toegekend;

het meest nauwgezette onderzoek van deze reliquiën werpt echter,

evenmin als de vergelijking van overoude afbeeldingen met de thans

levende rassen van Runderen, een helder licht over het geheim van hun

oorsprong; dit nog altijd in meer dan een opzicht duistere vraagstuk

wordt er geenszins door ontraadseld.

De nauwkeurig geteekende afbeeldingen van dieren, die wij aan

de oude Egyptenaren te danken hebben, toonen ons duidelijk drie

verschillende Rundvee-rassen: vooreerst, een langhoornig slag, het

meest verbreide ras, waaraan de hooge eer ten deel viel, dat daaruit de

heilige stier _Apis_ werd gekozen; ten tweeden, een korthoornig ras,

dat in de meeste opzichten op het eerstgenoemde geleek, maar korte,

kwartcirkelvormig gebogen hoornen bezat; ten derden, Runderen met een

bult, die gewoonlijk afgebeeld worden onder de voorwerpen, welke door

de Soedaneesche volken als schatting werden opgebracht.

Over deze drie duidelijk herkenbare rassen merkt Hartmann het

volgende op: "De bouw van den kop toont in al deze afbeeldingen

van Runderen de kenmerken van den Zeboe-kop (zie de afbeelding op

p. 462). Het zeboe-slag, dat thans nog over 't geheele binnenland

van Afrika verspreid is, is de stamvorm van het Oud-Egyptische,

zoowel als van het Nieuw-Egyptische Tamme Rund; de _Apis_-schedels

uit Memphis stemmen volkomen overeen met schedels van Zeboe's uit

Sennaar. Begeeft men zich nu van Beneden-Egypte langs den Nijl

bovenwaarts, door Nubië en Dongola naar Sennaar, dan blijkt het,

hoe het Egyptische Tamme Rund met zijn hoogen rug langzamerhand in

den Zeboe van de binnenlanden van Afrika overgaat. In Zuid-Dongola

en de Bahinda-steppe vindt men alleen Zeboe's. Het Oud-Egyptische

langhoornige ras, gelijkt volkomen op den Sanga der Abessiniërs; wel

ontbreekt aan het eerstgenoemde ras den bij den Sanga voorkomenden,

hoogen vetbult, maar deze is ook bij de echte Zeboes van 't binnenland

dikwijls slechts weinig ontwikkeld. Het Oud-Egyptische langhoornige ras

is thans uitgestorven; zelfs de betrekkelijk langhoornige Runderen, die

men thans hier en daar in Egypte ziet rondloopen, staan ten aanzien van

de grootte hunner hoornen steeds bij het oude ras achter. Veeziekten

en verregaande achteloosheid, hebben in den loop der eeuwen den

Egyptischen rundveestapel sterk doen achteruit gaan; om hem aan te

vullen heeft men voortdurend, en nog in den laatsten tijd, groote

kudden van het bultige, korthoornige Sennaarsche Rund naar Egypte

gedreven, en dit gekruist met de nog aanwezige overblijfselen van

lang en korthoornige rassen. Hierdoor is het langhoornige slag in

Egypte langzamerhand verdwenen, of liever in een korthoornig slag

veranderd. Dat de groote Bultige Runderen van Sennaar, of liever

hunne door kruising met andere rassen ontstane nakomelingen in

Egypte en Beneden-Nubië, ontaard zijn tot de schrale, hoogpootige,

bijna Antilope-achtige Runderen zonder vetbult, die thans in deze

streken voorkomen, mag grootendeels toegeschreven worden aan den

invloed van het klimaat, van veranderde levensomstandigheden en van

de slechte behandeling, die het Rundvee, zoowel van den Egyptischen,

als van den Nubischen boer ondervindt."

Uit het bovenstaande blijkt, dat in Oud-Egypte reeds in overouden

tijd verscheidene Rundvee-rassen bestonden, en dat eenige daarvan

volkomen verdwenen zijn, of althans zich zoodanig gewijzigd hebben,

dat men ze niet meer herkennen kan, terwijl van andere daarentegen

alle hoofdeigenschappen onveranderd zijn gebleven.

De hierboven genoemde _Sanga_ of _Sanka_ (_Bos africanus_) mag wel

als het schoonste van alle rassen van Bultige Runderen beschouwd

worden; hij is groot, slank, maar toch krachtig gebouwd, hoogpootig

en tamelijk langstaartig; de vetbult tusschen de schouderbladen is

goed ontwikkeld; de zeer forsche hoornen verschillen aanmerkelijk

van die der Europeesche rassen; zij zijn n.l. ruim 1 M. lang en aan

den wortel tamelijk dicht bijeengeplaatst, aanvankelijk zijwaarts,

daarna buitenwaarts, vervolgens regelrecht naar boven, het laatste

derde gedeelte echter naar binnen, de spits eindelijk weer naar buiten

gericht. Het haarkleed is sluik, fijn en grootendeels kastanjebruin

van kleur. Er bestaan van dezen diervorm verscheidene rassen, die

over geheel Middel-Afrika verbreid zijn; ook in het geheele zuiden

van dit werelddeel treft men deze (of zeer na verwante) rassen aan.

Volgens de berichten van vele reizigers is het Bultige Rund, de Zeboe,

in Afrika zoo algemeen verbreid, dat in dit werelddeel waarschijnlijk

slechts weinige rassen van Runderen zonder bult aangetroffen worden,

die geen Zeboe-bloed bevatten. Het gemis van den vetbult op den

rug, is trouwens volstrekt geen bewijs voor de afwezigheid van

Zeboe-bloed, zooals blijkt uit de overeenkomst tusschen de schedels

van de Sennaarsche Bultige Runderen met die van de _Apis_-stieren,

welke, (zooals reeds gezegd werd) uit het oud-Egyptische langhoornige

ras, dat de vetbult mist, gekozen werden; bovendien blijkt dit uit

het verbasteren van de Bultige Rundvee-rassen, die uit zuidelijker

landen naar Egypte gevoerd werden, tot vormen, die geen bult bezitten

(zie boven).

Op het Afrikaansche Bultige Rund laten wij den _Indischen Zeboe_

(_Bos indicus_) volgen, hoewel deze er in sommige opzichten

van verschilt. Hij is ongeveer even groot, in den regel echter

forscher ontwikkeld en lager op de pooten dan de Sanga; het oor is

lang en hangend, de hoornen zijn opmerkelijk kort; de kleur biedt

meer verscheidenheid aan, daar het gewoonlijk voorkomende rood- of

geelbruin, dikwijls plaats maakt voor vaalgeel of wit, terwijl ook

gevlekte Zeboes niet zeldzaam zijn. Van dezen vorm worden trouwens

talrijke onder-rassen en slagen onderscheiden; sommige daarvan worden

niet grooter dan een kleine Ezel; zulke dwergachtige Runderen zijn

in Indië volstrekt niet zeldzaam.

De Zeboe-rassen kunnen gemakkelijk gekruist worden met de overige

rassen van Tamme Runderen. De op deze wijze ontstaande bastaarden zijn

onbeperkt vruchtbaar, zoowel bij paring onderling als bij kruising

met een hunner stamvormen.

Uit de onderzoekingen van Gurlt is gebleken, dat de vetbult ontstaan

is door een eigenaardige vervorming van een rugspier, waarin zich

veel bindweefsel en vet ontwikkelde.

De oudste beschaafde volken, o.a. de Indiërs, hadden geen andere

Tamme Runderen dan de Zeboe, of bovendien nog een ras, dat er

betrekkelijk weinig van verschilt, zooals het langhoornige ras der

oude Egyptenaars. Daar het Zeboe-rund nergens meer in het wild

voorkomt, en daar er ook geen beenderen van dit dier in de oude

aardlagen gevonden zijn, ligt het voor de hand aan te nemen, dat de

Zeboe zich uit andere vormen van Runderen ontwikkeld heeft. Dat hij,

wat schedelvorm en andere eigenaardigheden van het skelet betreft,

nader verwant is aan den Banteng, dan aan de Europeesche Runderen,

werd door Rütimeijer aangetoond. Vermoedelijk heeft dus het temmen

van een of meer Indische Wilde Runderen (Banteng, Gaur, Gayal) tot

het ontstaan van den Zeboe aanleiding gegeven. Daar in Afrika geen

Wilde Runderen voorkomen, vermoedt men, dat de Zeboe uit Azië naar

Afrika is overgebracht.

Als algemeene stamvorm van de Wisent-Runderen beschouwt Rütimeijer

het Etrurische Rund (_Bos etruscus_), welks schedel voor 't eerst

gevonden werd in de jongste tertiaire (pliocaene) lagen van Toscane,

later ook in Auvergne en in Spanje.

De mogelijkheid bestaat, dat Afrikaansche Runderen naar Europa

overgebracht zijn en de stamouders zijn geweest van sommige

Europeesche Rundvee-rassen. Hiervoor pleit de overeenkomst van de

Zeboe-rassen met het kleine Turf-rund, waarvan bij de Europeesche

paalwoningen overblijfselen zijn gevonden. Dat al onze Rundvee-rassen

aan Afrikaansche Runderen hun ontstaan zouden danken, zooals Frantzius

meent, is volgens Wilckens, niet waarschijnlijk. Wel zou, volgens dezen

onderzoeker de hypothese overweging verdienen, dat het Europeesche

Tamme Rund zich op soortgelijke wijze uit _Bos etruscus_ ontwikkeld

heeft als de Zeboe uit de Indische Biboviden. Voor de "kortkoppige"

Europeesche Rundvee-rassen komt deze onderstelling hem aannemelijker

voor, dan die, waardoor de Oeros als hun stamvader wordt aangewezen,

vooral omdat de bedoelde rassen, juist die Middel- en Zuid-Europeesche

gewesten bewonen, welke aan Etrurië en Ligurië (waar de overblijfselen

van _Bos etruscus_ gevonden zijn) hun Rundvee ontleenden. De stamouders

van de "langkoppige" Europeesche Runderen zouden dan uit Afrika

ingevoerd kunnen zijn, hetgeen, volgens Wilckens, waarschijnlijker

is dan hun afstamming van den Oeros, die in Noord-Europa inheemsch was.

Uit de bovenstaande beschouwingen blijkt ontegenzeggelijk alleen dit:

dat wij over de afstamming van het Tamme Rund nog evenmin zekerheid

hebben verkregen, als over de afstamming van de meeste overige

huisdieren.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 10 / 28 段