blijkt het echter bij nadere beschouwing, dat zij vlug genoemd
mogen worden. Zijn gewone gang is een snelle draf; bij het vluchten
vervalt hij in een loggen galop, waardoor hij schielijk vooruitkomt;
de kop is daarbij naar den grond gebogen, de staart opgeheven en
uitgestrekt. Door moerassen en plassen waden zij met gemak. Onder
hunne zintuigen neemt dat van den reuk een eerste plaats in; het
gezicht en het gehoor zijn minder, de smaak en het gevoel middelmatig
ontwikkeld. Hun aard verandert, naarmate zij ouder worden. De jonge
dieren zijn vlug, levendig en speelsch; ook zijn zij betrekkelijk
goedaardig: niet zachtmoedig en vreedzaam, maar ook niet boosaardig;
de oudere daarentegen, vooral de oude stieren, zijn ernstig, bijna
knorrig van aard; zij worden gemakkelijk tot toorn geprikkeld, zijn
zeer oploopend en afkeerig van alle beuzelingen. Wel is waar laten
ook zij over 't algemeen de menschen, die hen niet hinderen willen,
rustig voorbijgaan; de geringste oorzaak kan echter hun toorn gaande
maken, en dan zijn zij wel geschikt om vrees in te boezemen. In den
zomer ontwijken zij den mensch bijna altijd; in den winter gaan zij
gewoonlijk voor niemand uit den weg; het is meermalen voorgekomen,
dat boeren lang wachten moesten, voordat het een Wisent voegde, het
door hem afgesloten voetpad te verlaten, waarop het niet mogelijk was
uit te wijken. Woestheid, halsstarrigheid en oploopendheid zijn ook
bij deze Wilde Runderen kenmerkende eigenschappen. De jonge dieren
zijn altijd schuwer en vreesachtiger dan de oude stieren; vooral
die, welke een kluizenaarsleven leiden, kunnen een ware plaag voor
de omgeving worden. Naar het schijnt, scheppen zij er vermaak in,
met den mensch twist te zoeken.
De bronsttijd, die gewoonlijk in Augustus, dikwijls ook eerst
in September valt, duurt 2 à 3 weken. Dan vechten de stieren met
elkander, aanvankelijk misschien alleen spelenderwijs, later echter
is de strijd ernstig gemeend, ten slotte vliegen zij als razenden op
elkander af; de ontmoeting gaat gepaard met een zoo hevigen schok,
dat men zou kunnen verwachten, beide dieren te zien neerstorten. Negen
maanden na de paring kalft de koe, gewoonlijk in Mei of in het begin
van Juni. Vooraf heeft zij zich van de kudde afgescheiden en in het
dichtst van het woud in een eenzame, vredige omgeving een geschikte
plaats opgezocht. Hier verbergt zij zich en haar kalf gedurende de
eerste dagen; zoodra echter het jong gevaar loopt, springt zij met
buitengewonen moed voor zijn veiligheid in de bres. In zijn eerste
jeugd gaat het kalf ingeval van nood plat op den grond liggen,
zet de ooren op en wendt ze om, opent de neusgaten en de oogen
en kijkt angstig naar den vijand, terwijl zijn moeder zich gereed
maakt om dezen te gemoet te gaan. In deze omstandigheden is het voor
menschen en dieren gevaarlijk een Wisent-koe te naderen: zonder zich
te bedenken valt zij haar tegenpartij aan. De kalveren zijn aardige
bevallige dieren, hoewel zij in hun jeugd reeds laten zien, wat zij
op lateren leeftijd zullen worden. Zij groeien zeer langzaam en hebben
waarschijnlijk eerst in hun achtste of negende jaar hun volle grootte
bereikt. De ouderdom, dien de Wisents hoogstens bereiken kunnen, wordt
op 30 à 50 jaren geschat. De koeien sterven gewoonlijk 10 jaren vroeger
dan de stieren; maar ook deze worden op hoogen leeftijd in den regel
blind of verliezen hunne tanden en zijn dan niet meer in staat om zich
behoorlijk te voeden; o.a. kunnen zij dan de jonge twijgen niet meer
afbijten; zij verliezen spoedig hunne krachten en bezwijken eindelijk.
Tegen hunne vijanden weten deze kolossale dieren zich uitmuntend te
verdedigen. Beren en Wolven kunnen voor de kalveren gevaarlijk worden;
dit zal echter alleen dan het geval zijn, als de moeder door het eene
of andere toeval om 't leven gekomen en haar jong dus onbeschermd
achtergebleven is. In den tijd van het vroegere Hongaarsche koningschap
nam de Wisent-jacht onder de toenmaals gebruikelijke jachtbedrijven
de meest bevoorrechte plaats in; zij werd daarom aan den koning,
aan het hoofd van de regeering, overgelaten.
In het woud van Bialowitsch verschenen de heerschers uit vroegere
eeuwen met een talrijke schare van volgelingen, namen alle beambten van
het woud in beslag, dwongen de boeren uit den omtrek om als drijvers
dienst te doen en brachten op deze wijze een uit 2000 of 3000 menschen
bestaand jachtgezelschap in beweging, die de Wisents drijven moesten
naar de plaatsen, waar de jagers op veilige verhevenheden post gevat
hadden. Op een der schitterendste jachtpartijen, die _Koning_ August
III in het jaar 1752 gaf, werden 42 Wisents, 13 Elanden en 2 Reeën
gedood. Alleen door de koningin werden 20 Wisents neergeschoten,
zonder dat zij een enkele maal miste. Op 18 en 19 October 1860
ging de _Keizer van Rusland_ daar ter jacht. De Keizer zelf schoot 6
Wisent-stieren en één kalf, 2 Elanden, 6 Damherten, 3 Reeën, 4 Wolven,
1 Das, 1 Vos en 1 Haas. De _Groothertog_ van _Weimar_ en de _Prinsen_
Karel en Albrecht _van Pruisen_ doodden bij deze gelegenheid 8 Wisents.
Over de vangst van deze dieren geeft Dimitri Dolmatoff, opzichter van
de keizerlijke wouden in de provincie Grodno, de volgende berichten. De
_Keizer van Rusland_ had aan _Koningin_ Victoria twee levende Wisents
voor den Londenschen dierentuin beloofd, en daarom bevel gegeven eenige
exemplaren te vangen. Met het aanbreken van den dag kwamen 300 drijvers
en 80 jagers bijeen, en omsingelden een vooraf opgespoorde kudde; de
geweren waren alleen met kruit geladen. De kalveren sprongen wakker
rond, waarbij zij het zand met hunne stevige pooten hoog opwierpen,
keerden nu en dan naar hunne moeders terug, schuurden zich tegen haar
aan, likten haar, en huppelden daarna even vroolijk weer heen. Door
een hoornsignaal kwam er plotseling een einde aan dit stilleven. Vol
schrik sprong de kudde op, en scheen door het gehoor en het gezicht
den vijand te willen verkennen. Vreesachtig vleiden de kalveren
zich tegen hunne moeders aan. Toen het geblaf der Honden weerklonk,
rangschikte de kudde zich zoo schielijk mogelijk op de gewone wijze. De
kalveren werden vooraan geplaatst; alle oudere dieren vormden de
achterhoede, en beschermden op deze wijze de jongen voor den aanval der
Honden. Woedend braken de oude Wisents door de linie van de drijvers
heen, en holden voort, zonder zich veel te bekommeren om de menschen,
om hun geschreeuw en hunne schoten. Toch had men het geluk reeds nu
twee jongen te vangen. Vier andere kalveren, een mannetje en drie
wijfjes, werden later buitgemaakt. Alle, met uitzondering van één,
dat wat ouder was, slurpten eerst de melk uit de hand van een man,
en dronken haar vervolgens gretig uit een emmer. Na verloop van
korten tijd werden hunne aanvankelijk woeste blikken zachter; zij
legden hun schuwheid af, en toonden zich opgeruimd en speelsch. De
jonge Wisent-stier, die 15 maanden oud was, behield langen tijd zijn
woesten, dreigenden blik, werd toornig, zoodra iemand hem naderde,
schudde met den kop, likte met de tong en toonde zijne hoorns; na
verloop van 2 maanden was ook dit dier tamelijk tam; het openbaarde
zelfs eenige gehechtheid aan den man, die het tot dusver gevoederd had.
Ik heb verscheidene Wisents in verschillende diergaarden nagegaan en
berichten over hen ingewonnen. In aard komen zij alle overeen. Hoe
minzaam zij ook zijn gedurende hun jeugd, naarmate zij ouder worden,
openbaart zich hun razende wildheid hoe langer hoe meer; niet eens de
oppassers kunnen hen dan vertrouwen. Koppig en ongehoorzaam blijven zij
altijd, hoewel zij langzamerhand tot op zekere hoogte vriendelijk met
hunne bekenden leeren omgaan. Door iedere verandering in hun omgeving
en hunne gewoonten maakt hun aangename stemming onmiddellijk plaats
voor den tegenovergestelden gemoedstoestand. Zeker is het althans,
dat de Wisents in een afgesloten ruimte, ook wanneer zij dagelijks met
menschen in aanraking komen, in den regel niet tammer worden dan in de
vrije natuur. De Wisents, die men tusschen Laplaken en Leuküschken in
Pruisen verzorgde en voederde, wel verre van ooit een mensch aan te
vallen, werden ten slotte zoo driest, dat zij de menschen naliepen
en bij hen om voedsel bedelden; zij waren er aan gewoon geraakt,
van de voorbijgangers bijna altijd iets te krijgen. Naar men zegt,
worden ook zij door de roode kleur tot toorn geprikkeld: een persoon,
wiens kleeding schelle kleuren vertoont, loopt dus gevaar door hen
lastig gevallen te worden.
Verscheidene natuuronderzoekers hebben de stelling verdedigd, dat de
Wisent eenig aandeel heeft gehad in het ontstaan van enkele rassen
van ons Rund; uit latere ervaringen schijnt echter het tegendeel te
blijken. De Wisent en het Tamme Rund hebben een grooten afkeer van
elkander; zelfs wanneer men, zooals in het woud van Bialowitsch
geschied is, jong opgevangen Wisent-kalveren altijd met Tamme
Runderen laat verkeeren, komt er in deze verhouding in den regel
geen verandering.
Van de schadelijkheid of van het nut van den Wisent kan in den
tegenwoordigen tijd ter nauwernood sprake zijn. In het woud van
Bialowitsch komen de vernielingen, die dit dier bij 't zoeken van
voedsel of uit overmoed aanricht, niet in aanmerking; zijn nut is
echter evenmin van beteekenis. Naar men zegt, houdt de smaak van 't
vleesch ongeveer het midden tusschen dat van het Rund en dat van het
Hert; vooral het vleesch van de wijfjes en jongen wordt geroemd. De
Polen beschouwden eertijds het gezouten Wisent-vleesch als een
lekkernij en zonden het als geschenk aan vorstelijke hoven. Van
het vel wordt sterk en duurzaam, maar los en sponsachtig leder
bereid; men gebruikt het tegenwoordig hoogstens om er riemen of
strengen van te snijden. Van de hoornen en hoeven worden allerlei
voorwerpen vervaardigd, waaraan een zekere beveiligende kracht wordt
toegeschreven. Van de fraaie, stevige hoornen maakten onze voorvaders
hoofdzakelijk drinkbekers; de bewoners van den Kaukasus gebruiken
ze thans nog in plaats van drinkglazen. Bij een gastmaal dat een
Kaukasisch vorst ter eere van Generaal Rozen gaf, werden 50 à 70 met
zilver gemonteerde Wisent-hoornen als drinkbekers gebruikt.
Het lot, dat den Wisent in den loop der eeuwen ten deel gevallen is,
heeft zijn eenigen verwant den _Bison_, in ongeloofelijk korten tijd,
men zou zelfs kunnen zeggen in een tijdsverloop van een tiental jaren,
getroffen. Vóór nog geen menschenleeftijd doorkruisten millioenen
van deze kolossale dieren verbazend uitgestrekte landstreken van
Noord-Amerika;--tegenwoordig zwerven daar nog slechts honderden Bisons
rond. In de geschiedenis komt geen tweede voorbeeld voor en zal er ook
geen meer voorkomen van een verdelgingsoorlog zooals die, welke tegen
deze onschadelijke en zelfs nuttige dieren is gevoerd. Zonder eenige,
zelfs niet de geringste, wettelijke bescherming te ontvangen, werden
zij ter wille van een gering voordeel op groote schaal neergeschoten,
meedoogenloos bij massas verdelgd. Van het bestaan der eertijds
tallooze kudden van Noord-Amerikaansche "Buffels" leggen thans nog de
gebleekte beenderen, die over uitgestrekte woestenijen verstrooid
liggen, getuigenis af. Het aantal der overgeblevene bedroeg,
volgens de nauwkeurige onderzoekingen van William T. Hornaday,
den 1en Januari 1889 in 't geheel nog slechts 835 stuks, waaronder
begrepen zijn de 200 exemplaren, die in het Yellowstone-Park, onder de
bescherming van de regeering leven. En deze uitroeiing van de Bisons
is een voldongen feit geworden sinds een vijfentwintigtal jaren,
terwijl de spoorwegen die het "verre westen" doorsnijden, voltooid
werden. Meer dan vijftigduizend Indianen, die, evenals hunne veel
talrijkere voorouders, geheel of grootendeels van de "Buffeljacht"
leefden, zijn nu aan ontberingen en hongersnood blootgesteld,
wanneer de regeering der Vereenigde Staten hen niet te rechter tijd
met levensmiddelen voorziet.
Toen de eerste Europeanen zich in Noord-Amerika vestigden, begon
het verbreidingsgebied van den Bison bijna aan de kust van den
Atlantischen Oceaan en strekte zich westwaarts tot aan de grenzen van
Nevada en Oregon, zuidwaarts tot aan den 25en en naar het noordwesten
ongeveer tot aan den 65en graad N.B. uit; het omvatte zoowel wouden
als prairiën.
Indien de jacht op een eenigszins verstandige wijze was beoefend en
te rechter tijd door goede wettelijke bepalingen beperkt was geworden
zou men van het ontzaglijk aantal Bisons jaarlijks zonder bezwaar een
half millioen jonge stieren hebben kunnen schieten, die ongeveer 6
millioen gulden opgebracht zouden hebben, indien men van deze dieren
behoorlijk partij had kunnen trekken. Hierdoor zou de talrijkheid der
kudden niet merkbaar verminderd zijn;--thans kost het veel moeite om
de weinige honderden, die aan de groote slachting tot dusver ontsnapt
zijn, te behouden.
De nu volgende beschrijvingen hebben derhalve betrekking op de
levenswijze van dieren, die nog voor een kwart eeuw in groote kudden
de wildernissen van Noord-Amerika verlevendigden, maar sedert dien
tijd zoo goed als verdwenen zijn.
De _Bison_, de _Buffalo_ der Amerikanen (_Bos americanus_),
is onder de Noord-Amerikaansche dieren hetzelfde, wat de Wisent
in Europa is: het reusachtigste van alle daar inheemsche, op het
land levende Zoogdieren. De stier is 2.7 à 3 M. lang, buiten den
staart, die zonder de haren 50, met deze 65 cM. lang is; de hoogte
van de schoft bedraagt 1.7 à 1.9, die van 't kruis 1.4 à 1.6 M.;
het gewicht wisselt van 600 tot 1000 KG. af. De koeien zijn altijd
aanmerkelijk lichter dan de stieren. Het verschil tusschen den Wisent
en den Bison is grooter dan dat, hetwelk tusschen andere, even na
verwante Runderen bestaat. De kop van den Bison is zeer groot, naar
verhouding veel grooter, plomper en zwaarder dan die van den Wisent;
ook is het voorhoofd veel breeder, de rug van den neus meer gewelfd,
het oor langer. Het oog is tamelijk groot en flauw van uitdrukking;
het heeft een zeer donker, bruin regenboogvlies; het wit van het
oog is dof en glansloos. De korte, hooge en smalle hals rijst, te
beginnen bij den kop, steil omhoog tot aan de wanstaltig uitpuilende
schouderstreek; van hier tot den wortel van den korten, dikken staart,
helt de ruglijn sterk af, terwijl tevens de van voren zeer breede romp,
naar achteren veel smaller wordt. De pooten zijn betrekkelijk kort en
zeer slank, de hoeven en de bijhoeven klein en rond. De grootte van
den kop, de buitengewoon sterke ontwikkeling van de borst, die wegens
de geringe breedte van het achterste gedeelte van den romp sterk in
het oog loopt, de kortheid van den dikken staart en de slankheid van
de pooten, moeten derhalve als kenmerkende eigenaardigheden van deze
diersoort beschouwd worden. De hoornen, die aanmerkelijk forscher,
aan den wortel dikker, aan de spits stomper en op een eenvoudiger wijze
gebogen zijn, dan die van den Wisent, krommen zich naar achteren, naar
buiten en naar boven, zonder dat de spitsen merkbaar nader bij elkander
komen. Het haarkleed gelijkt op dat van den Wisent. De kop, de hals,
de schouders en de staartspits, benevens het voorste deel van den romp,
van den bovenarm en van het bovenbeen zijn lang behaard; de haren van
de schouders vormen manen, die van de kin en van de onderzijde van den
hals een baard; aan het voorhoofd en den achterkop is de vacht kroes,
op vilt gelijkend; alle overige lichaamsdeelen zijn met een kort en
dicht haarkleed bedekt. In den winter verlengt het haar zich sterk;
in het begin van de lente valt het winterhaar bij groote vlokken
uit. Met dit verschijnsel gaat een verandering van de kleur van het
haarkleed gepaard. Eigenlijk is het zeer gelijkmatig grijsbruin,
het donkerst, n.l. zwartbruin, zijn de manen, dus het voorste
deel van den kop, het voorhoofd, de hals en de kossem. Het haar,
dat uitvallen zal, is verbleekt en heeft een grijsachtig geelbruine
kleur aangenomen. De hoornen en de hoeven en ook de onbehaarde punt
van den neus (de neusspiegel) zijn glanzig zwart. Soms komen grijze,
witte en wit gevlekte exemplaren voor.
In tegenstelling met den Wisent, die een echte woudbewoner is,
moet de Bison--althans na de beperking, die zijn verbreidingsgebied
ondergaan heeft--beschouwd worden als een karakteristieke bewoner van
de verbazend uitgestrekte steppen, die door de Amerikanen "prairiën"
worden genoemd. Hier leefde hij gezellig, maar toch steeds in een
tamelijk los verband met zijn soortgenooten. Elke kudde Buffels
splitst zich in een groot aantal kleinere troepen. Hoewel een vlakte,
waar malsch gras groeit, van verre gezien, letterlijk met Buffels
bedekt schijnt, bemerkt men, naderbij gekomen, toch spoedig, dat deze
menigte uit afzonderlijke kudden van verschillenden omvang bestaat;
iedere kudde, hoewel zij slechts weinige honderden schreden van de
naastbijzijnde verwijderd is, heeft een afzonderlijken aanvoerder en
beweegt zich onafhankelijk van de overige.
Ieder jaar trokken de Bisons op meer of minder geregelde tijden naar
andere gewesten, van Canada naar de kustlanden van den Mexicaanschen
zeeboezem en van den Missouri naar het Rotsgebergte. In Juli begonnen
zij een reis naar 't Zuiden, in 't begin van de lente keerden zij naar
't noorden terug, steeds in kleine troepen of kudden verdeeld. De
voorttrekkende kudden waren ook dan nog kenbaar, als men de Buffels
zelf niet kon waarnemen; daar zij in de lucht steeds gevolgd werden
door Gieren, Arenden en Raven, evenals op den bodem door bende magere
Wolven; de viervoetige zoowel als de gevleugelde roovers konden stellig
op buit rekenen. In gewesten, die door de Buffels als woonplaats
waren gekozen, trokken zij met groote regelmatigheid heen en weer,
namelijk van de goede weidegronden naar de rivieren; deze bezochten
zij om te drinken of om zich door een bad te verfrisschen; door hunne
reizen ontstonden de wegen, die onder den naam van "buffelpaden"
bekend zijn bij allen, die in de prairiën reisden. De buffelpaden zijn
meestal lijnrecht, bij honderden naast elkander gelegen; zij kruisen
de waterstroomen daar, waar de oevers een gemakkelijke gelegenheid
aanbieden om in en uit het water te komen. Zij gelijken volkomen op de
paden, die door onze Tamme Runderen uitgeloopen en regelmatig begaan
worden, overal waar zij in grooten getale en naar vrije verkiezing
in wouden en op weiden grazen.
Möllhausen zag in het jaar 1851 op de prairiën ten westen van den
Missouri honderdduizenden Bisons; Fröbel trok in het jaar 1858 met
een wagenkaravaan van Missouri naar Mexico en reisde 8 dagen lang
onophoudelijk tusschen kudden Buffels. "Bij benden, bij troepen,
bij massas, bij legers," schrijft Hepworth Dixon, "galoppeeren de
zwarte, ruige dieren met donderend geraas voor ons uit, nu eens van
't noorden naar 't zuiden, dan weer van 't zuiden naar 't noorden;
gedurende 40 opeenvolgende uren hebben wij ze voortdurend in zicht
gehad, duizenden bij duizenden, tienduizenden bij tienduizenden,
een ontelbare massa ongetemde dieren, welker vleesch, naar men zou
kunnen meenen, voldoende is om de wigwams van de Indianen tot in alle
eeuwigheid met voedsel te voorzien."
Baron Max von Thielmann, die in 1875 zijne jachttochten in het
verre westen ondernam, geeft reeds geheel andere berichten. "Tot de
uitroeiing van de Bisons," zegt hij, "hebben de drie spoorwegen, die
de prairie tusschen de Missouri en het Rotsgebergte doorsnijden,
het meest bijgedragen. Hoewel nog omstreeks 1870 tusschen de
Union-Pacific- en de Kansas-Pacific-spoorweg met een zeker uitzicht
op een goeden buit jachttochten ondernomen konden worden,--hoewel de
Athison-Topeka-Santa-Fè-spoorweg in de eerste jaren van zijn bestaan
omstreeks 200.000 huiden naar het oosten verzond, is thans reeds in
het door deze drie spoorlijnen begrensde gebied en in een landstreek
van verscheidene dagmarschen breedte ten noorden en ten zuiden van de
beide uiterste dezer wegen de Buffel geen standvastige bewoner meer
van het land. Waarschijnlijk zullen slechts enkele kudden op haar
reis naar 't noorden in de lente en naar 't zuiden in den herfst ook
thans nog de spoorlijnen kruisen."
In de maanden Augustus en September valt de paartijd in; de kudden
geraken dan in hevige beweging, trekken in een bepaalde ruimte samen en
vormen een door elkander wemelende massa. De stieren drijven de koeien
bijeen, ontmoeten en bevechten elkander, totdat zij door andere dieren
weggedrongen worden. De koe werpt meestal tusschen Maart en Juli, maar
dikwijls eerst in Augustus, in den regel één jong; tweelingen zijn
echter niet zeldzaam. Daar waar zulks mogelijk is, begeven de koeien
zich vooraf naar een veilige plaats; hier blijven zij met hunne jongen,
totdat deze sterk genoeg zijn om zich bij de kudde te voegen. Zoodra
dit geschied is, treden de stieren als beschermers van de kalveren op,
hoewel deze gewoon zijn voortdurend hun moeder te volgen, totdat zij
door nieuwe nakomelingen uit haar gunst verdrongen worden.
Hoewel de Bison er plomp uitziet, beweegt hij zich toch tamelijk
gemakkelijk; zijne korte pooten verhinderen hem niet, om snel groote
afstanden te doorloopen. Zijne bewegingen zijn op een eigenaardige
wijze kort afgebroken; als hij zijn gang versnelt, beschrijft hij
zonderlinge golflijnen, ontstaande, doordat hij afwisselend het voorste
en het achterste deel van den romp omhoogwerpt. Bij het zwemmen toont
hij dezelfde kracht en volharding als bij zijne overige bewegingen;
zonder eenige aarzeling begeeft hij zich te water, en zwemt breede
stroomen over. Zijn stem is een dof gebrom, veeleer een diep uit de
borst komend geknor dan een gebrul. Als duizenden tegelijk zich laten
hooren, vereenigen hunne stemmen zich tot een gedreun, dat met het
rollen van den donder vergeleken wordt.
De reuk en het gehoor zijn de volkomenste van zijne zinnen. Ten aanzien
van zijne geestvermogens verschilt hij niet van zijne verwanten. Hij
is weinig begaafd, goedaardig en vreesachtig, onvatbaar voor snelle
aandoeningen. Niet zelden echter zal hij, getergd zijnde, alle
voorzorgsmaatregelen, die hij anders gewoon is te nemen, verzuimen,
en moedig op zijn vijand los gaan. Gemakkelijker dan aan de in 't
wild levende, merkt men aan gevangen Bisons op, dat hun geest voor
ontwikkeling vatbaar is. Ook de wilde individuën laten blijken, dat
zij nuttige en schadelijke werkingen kunnen onderscheiden. Zij zijn
volstrekt niet ongeschikt om getemd te worden maar komen integendeel
met den mensch, die er slag van heeft met hen om te gaan, in een bijna
vriendschappelijke verhouding; zij leeren althans hun oppasser kennen,
en tot op zekere hoogte liefhebben; het duurt echter lang, voordat
zij hun aangeboren schuwheid verliezen en hun vroegere gedragslijn
veranderen.
Gedurende den zomer biedt het onooglijke, maar saprijke gras der
prairiën aan de grazende Bisons een geschikt voedsel; in den winter
moeten zij minder goeden kost voor lief nemen, en zich tevreden
stellen met spitsen van twijgen en verdorde bladen, met droog gras,
korstmossen en mossen.
Vele en ernstige gevaren bedreigen het leven van den Bison. De winter,
die op de prairie meestal streng is, vernietigt honderden dieren van
zijn soort, na hen eerst afgemat en krachteloos te hebben gemaakt. Nog
plotselinger wordt in den winter aan 't leven van tal van Bisons een
einde gemaakt, als zij een ijslaag over de rivieren meer vertrouwen,
dan zij hadden moeten doen. De gewoonte om in reeksen achter en naast
elkander te loopen, strekt hun dan dikwijls ten verderve; onder
de ontzaglijke zwaarte van eene kudde Bisons breekt de ijskorst:
de dieren storten in 't water, doen te vergeefs moeite om er uit te
komen, worden in hunne pogingen om zich te redden gehinderd door de
honderden, die hen volgen, en komen op ellendige wijze om 't leven. Op
soortgelijke wijze komen vele Bisons om, als zij in den zomer een
rivier overtrekken en op een plaats landen willen, waar drijfzand of
taai slijk hun het beklimmen van den oever moeielijk maakt.