(_Bovinae_): groote, sterke, logge Herkauwers, hoofdzakelijk gekenmerkt
door rondachtige, gladde hoornen, door een breeden snuit met onbehaarde
neuspunt (neusspiegel) en ver uiteengeplaatste neusgaten, door een
langen tot aan het hielgewricht reikenden, in een kwast eindigenden
staart en door het gemis van traangroeven en klauwklieren. De meeste
onderscheiden zich ook door een kossem aan den hals. Hun geraamte heeft
zeer plompe en krachtige beenderen. De hoornen zijn aan den wortel
breed en bedekken daarom bij sommige bijna het geheele voorhoofd,
wat bij verreweg de meeste niet het geval is; zij zijn glad en
rondachtig of hoogstens aan hun onderste gedeelte dwars geribd; zij
krommen zich naar buiten of naar binnen, naar achteren of naar voren,
naar boven of naar beneden, of hebben een liervormige gedaante. Het
haarkleed is gewoonlijk kort en glad aanliggend, maar kan ook op
sommige lichaamsdeelen bij wijze van manen verlengd zijn.
Geheel Europa en Afrika, Middel- en Zuid-Azië, en ook het noorden
van Amerika kan men als het vaderland van de Runderen aanmerken;
tegenwoordig zijn de soorten, die door den mensch dienstbaar gemaakt
werden, over alle deelen van den aardbol verbreid. De in 't wild
levende vormen bewonen zeer verschillende landstreken: sommige dichte
bosschen, andere open grasland, deze de vlakte, gene het gebergte, waar
zij zelfs nog op hoogten van 5500 à 6000 M. kunnen voorkomen. Slechts
weinigen hebben een vaste woonplaats, bijna alle leiden een zwervend
leven. Die, welke het gebergte bewonen, begeven zich in den winter
naar de dalen; zij die zich in het noorden ophouden, trekken naar
zuidelijker gewesten; andere verwisselen uit gebrek aan voedsel nu
en dan hunne gewone verblijfplaatsen met oorden, die rijker zijn aan
voedsel. Alle soorten zonder uitzondering leven gezellig en vormen
kudden, die door sterke en ervaringrijke dieren aangevoerd worden; bij
enkele soorten bestaan deze kudden soms uit duizenden individuën. Niet
zelden komt het voor, dat oude mannetjes het gezelschap van hunne
soortgenooten verlaten om een kluizenaarsleven te leiden.
Alle Runderen, hoe plomp en langzaam zij zich ook voordoen, zijn tot
snelle beweging in staat, en toonen veel meer bekwaamheden, dan men
van hen verwacht zou hebben. Hun gewone beweging is een langzame stap;
zij kunnen echter ook snel draven en nemen soms een zeer plompen galop
aan, die hen zeer snel verder brengt. De soorten, die het gebergte
bewonen, klimmen meesterlijk; alle zwemmen gemakkelijk en goed; enkele
trekken zonder schroom over de breedste stroomen. Hun spierkracht
is buitengewoon groot, hun volharding bewonderenswaardig. Onder
hunne zinnen neemt de reuk de eerste plaats in, ook het gehoor is
goed ontwikkeld, het gezicht is echter niet bijzonder scherp. De
geestvermogens zijn gering; de wilde vormen openbaren echter veel
meer verstand dan de tamme, die van de gaven van hun geest niet veel
gebruik behoeven te maken. Hun gemoedsaard is verschillend. Over 't
algemeen zachtaardig en argeloos tegenover wezens, die voor hen niet
gevaarlijk of lastig zijn, geven zij ook bewijzen van buitengewone
wildheid en vermetelheid en van een grooten moed; als zij getergd
worden, vallen zij met doodsverachting alle Roofdieren, zelfs de
sterkste aan; zij weten hunne wapens met zulk een behendigheid te
gebruiken, dat zij dikwijls de zege behalen. Jegens elkander zijn zij
over 't geheel genomen verdraagzaam, hoewel zij in bepaalde tijden,
en wel gedurende den paartijd, met een duidelijk zichtbaren lust
tot vechten bezield zijn. Hun stem is een gebrul, dat meer of minder
schel of dof klinkt, en soms ook wel op knorren en brommen gelijkt;
vooral in opgewonden toestand laten zij zich hooren.
Het voedsel van de Runderen bestaat uit zeer verschillende plantaardige
stoffen. Zij eten bladeren, malsche knoppen, spruiten en twijgen van
de meest verschillende boomen, grassen en andere kruiden, boomschors,
mossen en korstmossen, moeras- en waterplanten, zelfs scherpkantige
zeggen en rietachtige gewassen. In gevangenschap voeden zij zich met
alle mogelijke voortbrengselen uit het plantenrijk. Zout is voor alle
een lekkernij; water is hun een behoefte; verscheidene wentelen zich
vol behagen in slijkerige poelen, of gaan uren lang in rivieren of
vijvers liggen.
9 à 12 maanden na de paring werpt het wijfje één jong, zeer zelden
twee. Het kalf is reeds bij de geboorte zeer volkomen ontwikkeld en
na zeer korten tijd in staat om de moeder te volgen. Deze behandelt
het zeer liefderijk, zoogt en reinigt, likt en liefkoost het;
zij verdedigt het in tijd van gevaar met ware doodsverachting tegen
iederen aanval; later dragen bij vele soorten van Runderen de stieren
voor de bescherming van de jongen zorg.
Alle Rundersoorten kunnen getemd worden. Deze dieren onderwerpen
zich meer of minder gewillig aan den mensch, leeren hun verzorger
kennen en liefhebben, volgen zijn stem en gehoorzamen zelfs aan een
zwak kind. Toch toonen zij eigenlijk geen grootere gehechtheid aan
hun meester dan aan anderen, maar gedragen zich, wanneer zij eens
getemd zijn, even vriendelijk jegens alle menschen.
De jacht op wilde Runderen is niet vrij van gevaar, vooral een woedende
stier is een niet te verachten tegenstander. Juist hierom worden deze
dieren met een waren hartstocht gejaagd; bij vele volken beschouwt
men deze jacht als de roemrijkste van alle bezigheden.
"De Indiërs," zoo verhaalt ons reeds Aelianus, "bieden hun koning
tweeërlei Runderen aan: een van deze kan zeer snel loopen, de
andere is zeer wild. Hun kleur is zwart, de staart echter, die voor
het verdrijven van de Vliegen dient, heeft een schitterend witte
kleur. Het dier is zeer schuw en vlucht met groote snelheid; wanneer
het echter door de Honden achterhaald wordt, verweert het zich, nadat
het zijn staart in de struiken verborgen heeft; omdat het meent, dat
men het geen kwaad meer doen zal, als men zijn staart niet kan zien;
het weet namelijk zeer goed, dat men het wegens de schoonheid van den
staart vervolgt. Toch baat dit het dier niets. Men doodt het met een
vergiftigen pijl, snijdt het den staart af en neemt ook de huid mede;
het vleesch echter laat men liggen."
Het dier, waarop in dit bericht van Aelianus gedoeld wordt, is _Yak_
(_Bos grunniens_), die men ook wel _Knorbuffel_ noemt. Zijn romp is
krachtig gebouwd; de matig groote, zeer breede kop, neemt van het
lange en platte voorhoofd tot den knotsvormigen snuit gelijkmatig
in dikte en breedte af; de oogen zijn klein en hebben een onnoozele
uitdrukking; de ooren zijn klein en afgerond. De hoornen zijn achter
aan den kop aan weerszijden van de voorhoofdslijst gezeten, van boven
naar onderen samengedrukt, aan de voorzijde rond, aan de achterzijde
tot een kant versmald, eerst zijwaarts, naar achteren en naar buiten,
daarna weder naar voren en naar boven, en eindelijk met de spits naar
buiten en naar achteren gericht. De hals is kort en stijfnekkig; de
ruglijn, die eenige golvingen vertoont, daalt tot aan den staartwortel
langzaam af; de staart is lang en met een ruigen, tot op den bodem
reikenden kwast versierd. Het haarkleed bestaat over 't algemeen uit
fijne en lange haren, die dikwijls het geheele aangezicht bedekken,
zich aan de schouders en langs beide zijden verlengen tot steil naar
onderen hangende, op een gordijn gelijkende, zacht golvende manen. De
volwassen dieren hebben een fraaie donkerzwarte kleur, die op den
rug en aan de zijden een bruinachtige tint vertoont; de haren om den
bek zijn grijsachtig; langs den rug loopt een zilvergrijze streep. De
totale lengte van volwassen stieren bedraagt 4.25, de hoogte van den
bult tusschen de schouders 1.9 M.; de hoornen zijn 80 à 90 cM. lang
van volwassen koeien is de lengte maar weinig meer dan 2.8, de hoogte
1.6 M.
De hooglanden van Tibet en alle hiermede samenhangende hooge
bergketenen vormen het vaderland van den Yak; hij houdt verblijf
op hoogvlakten van 4000 à 6000 M. hoogte. De naakte bodem van de
onherbergzame velden der door hem bewoonde gewesten is slechts hier
en daar met een armoedig graskleed begroeid, dat door de woedende
stormen van den winter met sneeuw bedekt wordt. In zulke woestijnen
kan de Yak zijne behoeften bevredigen en beschutting vinden tegen
den mensch; de strijd om het bestaan is voor hem dus minder moeilijk,
dan men zou kunnen meenen.
Behalve wat zijn kracht betreft, staat de Yak bij de anderen dieren van
het hooge gebergte achter in begaafdheden. Wel is zijn geschiktheid
tot het bestijgen der bergen even groot als die der Wilde Schapen en
Steenbokken: hij klimt met dezelfde vastheid van gang als zij in de
hoogste en wildste rotspartijen, op kammen en steile hellingen; maar,
als hij op de effene vlakte loopt, kan ieder Paard hem inhalen. De
reuk heeft bij hem verreweg de overhand, vergeleken met de overige
zinnen. Dat zijn verstand op een lagen trap staat, blijkt reeds
uit zijn onevenredig kleine hersenen, nog duidelijker echter uit de
gebaren, die hij maakt, als hij in gevaar of nood verkeert. De meest
opmerkelijke eigenschap van den Yak is zijn traagheid. Des morgens
vroeg en des avonds gaat hij grazen; het overige deel van den dag
wijdt hij aan de rust, brengt hij liggend of staande door. Dan
verraadt alleen het herkauwen het leven van dit dier, want voor
't overige gelijkt het op een uit steen gehouwen beeld.
Negen maanden na de paring brengt de koe haar kalf ter wereld; zij
verzorgt het langer dan een jaar. Volgens de berichten der Mongolen
wordt zij slechts éénmaal in de twee jaren drachtig. Naar men zegt, is
de Yak op 6- à 8-jarigen leeftijd volwassen en sterft hij op 25-jarigen
leeftijd aan ouderdomsverzwakking, voor zoover zijn leven niet verkort
wordt door ziekte of door den kogel van een jager. Andere vijanden,
die zijn leven bedreigen, beklimmen zijne hooge verblijfplaatsen niet.
De jacht op den Yak is voor een moedigen en goed gewapenden schutter
even verleidelijk als gevaarvol. Zonder aarzeling, maar niet altijd,
valt het kolossale dier, voor zoover het niet door het eerste schot
doodelijk gewond werd, den jager aan; deze kan, al heeft hij moed,
bekwaamheid, tegenwoordigheid van geest en uitmuntende wapenen, er
nooit stellig op rekenen, dat hij den woedend op hem toerennenden,
overmachtigen tegenstander door een schot uit de verte zal vellen. De
kogel uit de beste buks brengt in den kop alleen dan de gewenschte
werking teweeg, als hij in loodrechte richting het kleine deel van
den schedel treft, dat de weinige omvangrijke hersenen bedekt; een
bladschot is alleen dan doodelijk, wanneer het hart er door doorboord
wordt. Om deze redenen vreezen de Mongolen den Yak als een monster
en gaan hem liefst uit den weg; als zij het besluit genomen hebben
hem te dooden, vuren zij nooit anders dan uit een veilige hinderlaag
en met hun achten of twaalven te gelijk op hem.
Het vleesch van den Yak wordt door Kinloch uitmuntend genoemd, hoewel
hij het steeds zeer mager heeft gevonden; de tong en de mergpijpen
noemt hij lekkernijen. Meer waarde dan aan het vleesch hecht men in
het armoedig vaderland van den Yak aan zijn drek; daar dit de eenige,
bruikbare brandstof is, die de kale hoogten van Tibet opleveren.
In alle landen, welker hooge gebergten den Yak een woonplaats
verschaffen, vindt men hem ook getemd als een nuttig en belangrijk
huisdier. De tamme Yak verschilt wat gestalte en haargroei betreft,
weinig van den wilden; maar hij heeft een andere kleur. Zuiver zwarte,
tamme Yaks zijn zeer zeldzaam; gewoonlijk komen zelfs bij die, welke
het meest op de wilde gelijken, witte plekken voor; bovendien vindt
men er bruine, roode en bonte onder. Verscheidene rassen heeft men,
misschien door kruising met andere soorten van Runderen, reeds
verkregen. Op verscheidene plaatsen zijn de tamme Yaks ook weder
verwilderd en hebben hun oorspronkelijke kleur herkregen. De tamme
dieren gedijen, evenals de wilde, alleen in de koude, hoog gelegen
bergstreken; bij hoogere temperatuur bezwijken zij; voor koude zijn
zij daarentegen onverschillig.
De Tibetanen gebruiken den Yak om lasten te dragen en als
rijdier. Jegens zijn bekenden gedraagt hij zich tamelijk
vriendschappelijk, laat zich aanraken, schoonmaken en met behulp
van een door zijn neus gestoken ring, waaraan een touw bevestigd is,
besturen. Jegens vreemdelingen is zijn gedrag in den regel anders;
hij toont onrust, buigt den kop naar den grond, en doet alsof hij
een tegenstander tot den strijd wil uitdagen. Steeds behoudt hij een
zekeren graad van wildheid.
De Yak draagt zonder bezwaar 100 à 150 KG. en doet dit op de
allerlastigste rotspaden en sneeuwvelden. Door dit dier is het mogelijk
lasten over zeer hooge bergpassen te vervoeren; want het behoudt ook
op deze groote hoogten, in weerwil van de sterke luchtverdunning,
waardoor andere dieren vermoeid en beangstigd worden, zijn gewonen,
vasten gang. Op een zeer sterk met rotsklompen bezaaid pad kan men
den Yak niet gebruiken, omdat hij door zijn last verhinderd wordt
over rotsen van eenige hoogte te springen.
Zoowel de melk als het vleesch van den tammen Yak zijn zeer goed. Van
de huid wordt door looien leer gemaakt, van de haren worden touwen
gedraaid. Het kostbaarste product van dit dier is de staart; deze wordt
(gewoonlijk onder den naam van "paardenstaart") van oudsher door de
Turken als standaard gebruikt; door het aantal dezer staarten wordt
de rang van den bevelhebber aangeduid.
De naar Europa overgebrachte Yaks hebben zich tot dusver beter
gehouden, dan verwacht werd. Hierin heeft men aanleiding gevonden
tot de hoop, dat dit fraaie Rund in Europa geacclimatiseerd zou
kunnen worden. Van dit nieuwe inheemsche huisdier verwachtte men
groote voordelen; daar men veronderstelt, dat de Yak uitmuntende wol,
smakelijk vleesch en uitstekende, vette melk zou leveren, een krachtig,
onvermoeid werkdier zou zijn en zich bovendien met goedkooper voedsel
dan andere Runderen zou behelpen. Werkelijk kan men in de hooglanden
van Tibet en Toerkestan op al de genoemde wijzen partij trekken van
den Knorbuffel; hier is hij dan ook een zeer belangrijk huisdier. In
onze hooge gebergten hebben wij hem echter niet noodig; daar deze
als weideplaatsen van Alpenrunderen en Berggeiten op een behoorlijke
wijze geëxploiteerd worden. Meer winst dan deze zou de Yak stellig
niet opleveren.
In West-Rusland, in het zuidelijke deel van het oude Lithauen, wordt
een zeer eigenaardig kleinood gevonden, n.l. het beroemde woud van
Bialowitsch, een echt noordsch oerwoud van 2000 KM.2 oppervlakte. Het
ligt afgezonderd als een eiland, omgeven door akkers en weiden, dorpen
en boomlooze heiden. Binnen in het woud komt slechts één dorp voor, dat
dezelfde naam draagt als het woud; hier wonen echter geen landbouwers,
maar alleen lieden, die zich met exploitatie van bosschen en met de
jacht bezig houden. Ongeveer vier vijfde deel van het woud bestaat uit
dennen, die over een groote uitgestrektheid de eenige boomsoort zijn,
op vochtige plaatsen echter afwisselen met sparren, eiken, linden,
haagbeuken, berken, elzen, populieren en wilgen. Dit woud wordt ook
thans nog bewoond door het grootste Zoogdier van het Europeesche
vasteland, de _Wisent_. Dit kolossale dier komt bovendien nog slechts
voor in eenige bosschen van den Kaukasus en in het bosch van Mezerzitz
in Silezië; overal elders is het uitgeroeid. Strenge wetten beschermen
het in het woud van Bialowitsch; indien de opeenvolgende eigenaars
van dit merkwaardig wildpark den Wisent niet onder hun bescherming
hadden genomen, zou hij thans hoogstens alleen nog in den Kaukasus
te vinden zijn.
In vroegere tijden was het hiermede trouwens geheel anders gesteld;
met zekerheid kan men aantoonen, dat de Wisent vroeger over geheel
Europa en een groot deel van Azië verbreid was. In den bloeitijd van
Griekenland kwam hij in het tegenwoordige Boelgarije veelvuldig voor;
in Middel-Europa werd hij destijds bijna overal gevonden. Aristoteles
noemt hem "Bonassus", en geeft van hem een duidelijke beschrijving;
Plinius vermeldt hem onder den naam "Bison"; oude geschriften maken
melding van dit dier, in de 6e en 7e eeuw; volgens het Nibelungen-lied
kwam het in Waasgau voor. Ten tijde van Karel _den Grooten_ trof men
het in den Hartz en in het land van de Saksers aan; volgens Ekkehard
werd dit wild bij St. Gallen gevonden. Omstreeks het jaar 1373 leefde
het in Pommeren, in de 15e eeuw in Pruisen, in de 16e in Lithauen, in
de 18e tusschen Tilsit en Labiau in Oost-Pruisen, waar het laatste dier
van deze soort eerst in het jaar 1755 door een wilddief gedood werd.
De koningen en de magnaten van het rijk van Polen en Lithauen,
gaven zich veel moeite voor het behoud van den Wisent. Hij werd in
bepaaldelijk voor hem bestemde kampen en parken gehouden, b.v. bij
Ostrolenka, bij Warschau, bij Zamosk enz. Slechts hoogst zelden ving
men eenige exemplaren, die gewoonlijk als geschenken voor vreemde
hoven werden gebruikt. Een besmettelijke ziekte vernietigde in het
begin van de 18e eeuw deze kudde grootendeels, en zoo verminderde
allengs het aantal Wisents, totdat eindelijk, zooals reeds gezegd
werd, een wilddief den laatsten het levenslicht uitblies. Stellig zou
hetzelfde lot beschoren zijn geweest aan de Wisents, die in het woud
van Bialowitsch leven, indien niet de koningen van Polen, en later
de keizers van Rusland, het zeldzame dier voor den tegenwoordigen
tijd behouden hadden.
Vóór ik tot de beschrijving van het lichaam, en van de levenswijze
van het bedoelde Wilde Rund overga, moet ik doen opmerken, dat ik met
den naam Wisent hetzelfde dier bedoel, dat veelvuldig ten onrechte
_Oer_ of _Oeros_ werd en wordt genoemd. Met den laatstgenoemden naam
duidden onze voorouders terecht een van den Wisents zeer verschillende,
sinds lang uitgestorven soort van Rund aan.
Als men de geschriften van de natuuronderzoekers van vroegere eeuwen
met opmerkzaamheid doorleest, komt men tot de overtuiging, dat
in Europa eertijds twee soorten van Wilde Runderen naast elkander
geleefd moeten hebben. Alle oude schrijvers onderscheiden ze als
afzonderlijke diervormen. De Oostenrijksche gezant aan 't Russische
hof, baron von Herbertstein, maakt in zijn (in 1556 uitgegeven) werk
over Rusland en Polen van deze beide Wilde Runderen melding, en voegt
aan een latere uitgave van zijn boek twee afbeeldingen toe, waarboven
tot verklaring de namen van de beide dieren staan. Boven de figuur,
die een op ons Huisrund gelijkend dier voorstelt, staan de woorden:
"Ik ben de _Urus_, dien de Polen _Thur_ noemen, de Duitschers _Auerox_
en zij, die mij niet kennen _Bison_." De tweede afbeelding, waarin men
duidelijk den Wisent herkent, heeft tot opschrift: "Ik ben den _Bison_,
die door de Polen _Subr_ wordt genoemd, door de Duitschers _Wysent_,
door de onkundigen _Oeros_."
Eerst in de 17e eeuw begonnen de meeste schrijvers te twijfelen;
sinds dien tijd is bij hen slechts van één Wild Rund sprake, dat zij
nu eens Wisent, dan weer Oeros noemen. De laatstgenoemde, de ware Oer,
was intusschen uitgestorven en de berichtgevers waren derhalve niet
meer in staat op grond van eigen aanschouwing te spreken. Later nam
de verwarring nog meer toe.--Volgens mijn oordeel zijn de gronden,
die men heeft aangevoerd tot bestrijding van de door oude schrijvers
verkondigde meening, dat Europa nog in den historischen tijd tot
woonplaats heeft gediend aan _twee_ soorten van Wilde Runderen, voor
't meerendeel zwak; wij hebben daarom het recht om de gegrondheid
van deze meening aan te nemen.
De _Wisents_ worden beschouwd als vertegenwoordigers van een
afzonderlijk onder geslacht(_Bonassus_) van de Runderen; zij zijn
gekenmerkt door de kleine, ronde, naar voren verschoven en bovenwaarts
gekromde hoornen, het zeer breede, gewelfde voorhoofd, de zachte
en lange beharing en het groot aantal ribben. De Wisent heeft 14,
de Amerikaansche Bison 15 paar ribben.
Hoewel men met zekerheid kan aantoonen, dat de _Wisent_ (_Bos bison,
Bonassus bison_) in groote is afgenomen, heeft hij ook nu nog kolossale
afmetingen. Een Wisent-stier, die in het jaar 1555 in Pruisen gedood
werd, was 7 voet hoog en 13 voet lang en had een gewicht van 19
centenaars en 3 pond. In den tegenwoordigen tijd bereikt zelfs
de grootste stier zelden een hoogte van 1.7, een lengte van 3.4
M. en een gewicht van 500 à 700 KG. De Wisent is een toonbeeld van
spierkracht en van forsche, lichamelijke ontwikkeling. Zijn kop is
middelmatig groot en welgevormd, het voorhoofd hoog en zeer breed,
het aangezicht van achteren naar voren gelijkmatig versmald, de
snuit plomp, het oor kort en afgerond, het oog eerder klein dan
groot, de hals zeer krachtig, kort en hoog, van onderen tot aan
de borst met een kossem voorzien, de romp die op krachtige pooten
rust, massief, van den nek tot het midden van den rug sterk naar
boven gekromd, de staart kort en dik. De ver zijwaarts geplaatste,
betrekkelijk sierlijke, ronde en spits toeloopende hoorns zijn eerst
naar buiten, vervolgens naar boven en tevens een weinig naar voren,
eindelijk naar binnen en naar achteren gebogen, zoodat de spitsen
bijna loodrecht boven de aanhechtingsplaatsen van de hoorns komen te
liggen. Een buitengewoon dichte en overvloedige, uit lange, meestal
kroeze borstelharen en viltachtige wolharen bestaande vacht bedekt
den romp, verlengt zich echter op den achterkop tot een breede kuif,
langs den rug tot een matig hoogen kam, aan de kin tot een staartvormig
naar beneden gerichten baard en aan de onderzijde van den hals tot
manen, die den geheelen kossem bedekken en breed neergolven. Een
meer of minder naar vaal zweemend lichtbruin is de algemeene kleur
van de vacht; deze gaat aan de zijden van den kop en aan den baard
in zwartbruin, op de onderste gedeelten der pooten in donkerbruin,
aan den staartkwast in zwart en op den haarbos, die over de kruin naar
beneden hangt, in licht vaalbruin over. De Wisent-koe is aanmerkelijk
kleiner en sierlijker gebouwd dan de stier; hare hoornen zijn zwakker,
hare manen veel minder ontwikkeld dan bij het mannetje; wat kleur
betreft komen beide echter overeen.
In den zomer en in den herfst leeft de Wisent op vochtige plaatsen van
het woud, gewoonlijk in de dichtbegroeide gedeelten verborgen; in den
winter geeft hij de voorkeur aan hooger gelegen, droogere oorden. Zeer
oude stieren leven eenzaam, jongere gedurende den zomer in troepen
van 15 à 20 stuks, gedurende den winter in kleine kudden van 30 à
50 stuks. Iedere kudde afzonderlijk heeft haar vaste standplaats en
keert altijd weder daarheen terug.
De Wisents zijn zoowel over dag als 's nachts in beweging; zij
grazen echter het liefst in de avond- en morgenuren, soms ook 's
nachts. Allerlei soorten van grassen, bladen, knoppen en boomschors
maken hun voedsel uit; zij schillen de boomen af, zoover zij reiken
kunnen, en trekken jonge, buigzame stammen naar beneden om de kroon
te bereiken, die zij dan meestal geheel vernielen. Naar het schijnt,
is de esch hun lievelingsboom en geven zij aan diens saprijke
schors de voorkeur boven iedere andere; naaldboomen daarentegen
laten zij onaangeroerd. In den winter leven zij bijna uitsluitend
van de schors, de twijgen en de knoppen der voor hen toegankelijke
breedgebladerde boomen, bovendien waarschijnlijk ook van korstmossen
en droge grassen. Het hooi, dat men op de weiden van het woud van
Bialowitsch inoogst, wordt voor hen op hoopen gebracht; van ander
hooi maken zij zich met geweld meester, nadat zij de omheiningen
omvergeworpen hebben. Versch water is voor hen een behoefte.