tegenwoordig het _Merino-schaap_ (_Ovis aries hispanica_), dat
in Spanje zijne kenmerkende eigenaardigheden verkregen heeft en
achtereenvolgens tot veredeling van bijna alle Europeesche rassen
gebruikt werd. Middelmatig groot en vol gebouwd, onderscheidt het zich
door zijn grooten kop, die aan het voorhoofd plat, langs den rug van
den neus gewelfd, aan den snuit afgestompt is; het heeft kleine oogen,
groote traangroeven en middelmatig lange, toegespitste ooren. De
horens, die in den regel alleen bij den ram voorkomen, zijn forsch,
bij den wortel reeds zij- en rugwaarts gekromd, vervolgens naar boven
gedraaid; zij vormen zoo een uit twee schroefwindingen bestaande
spiraal. De hals is kort en dik, sterk geplooid, van onderen met een
"kossem" voorzien, aan de keel kropvormig gezwollen. De betrekkelijk
korte, maar stevigen en gespierde pooten hebben stomp toegespitste
hoeven. De vacht bestaat uit korte, zachte en fijne, bijzonder
regelmatig gekroesde wol.
"In Spanje" bericht mij Martinez, secretaris van de Vereeniging
van schapenfokkers in Spanje, "onderscheidt men drie hoofdrassen
van Schapen: de _Entrefina_ of middelmatig fijne, die het talrijkst
zijn, de minder talrijke _Choerra_ en de _Merino_, de edelste van
alle, welker aantal echter tegenwoordig op betreurenswaardige wijze
vermindert. Vele buitenlanders hebben gemeend, dat er in Spanje geen
ander ras van Schapen bestond en nog bestaat, dan het Merino-ras, dat
dan ook ongetwijfeld gedurende eeuwen aan onze Schapen hun goeden naam
heeft verschaft; verschillende oorzaken hebben echter samengewerkt
om in Spanje de voorliefde voor dit ras te doen verminderen en het
door de beide andere bovengenoemde rassen te vervangen."
Een uitmuntenden invloed heeft het Merino-schaap op de ontwikkeling
der schapenfokkerij in Kaapland gehad. In 1812 werden tot veredeling
van de Kaapsche Schapen door Reitz en M. van Breda exemplaren van het
Saksische Electoraal-ras ingevoerd: afstammelingen van de Merino's,
die de keurvorst (elector) Friedrich August in 1765 en 1771 uit
Spanje ten geschenke ontving. In 1820 werd dit streven nagevolgd door
andere kolonisten, die direct uit Spanje Merino-schapen invoerden. De
nakomelingen en de kruisingsproducten van deze dieren werden wederom
gekruist met andere Schapen van edel ras, die uit Pommeren, Hannover
en Australië afkomstig waren; op deze wijze zijn verscheidene, voor
de verschillende gewesten uitmuntend geschikte slagen ontstaan.
De Schapenrassen worden verdeeld in twee groepen naar de lengte van den
staart, die bij de _kortstaartige_ 13 of minder, bij de _langstaartige_
14 à 22 wervels bevat. De onderverdeeling van deze groepen berust op
het bezit of gemis van hoornen, op eigenaardigheden van de hoornen,
den staart, de pooten, enz., maar vooral op de samenstelling van de
vacht; deze heeft den belangrijksten invloed op het voordeel, dat de
schapenteelt afwerpt. Dit hangt af van het drieërlei gebruik, dat
van het Schaap gemaakt wordt; de voortbrenging van vleesch en vet,
van melk en van wol. Bij sommige rassen staat het eene product op
den voorgrond, bij andere moeten vooral de overige producten voor de
moeiten van de schapenteelt vergoeding verschaffen.
Van de uitheemsche, gehoornde, kortstaartige rassen is
o. a. merkwaardig het _Vetstuitschaap_ (_Ovis aries steatopyga_),
welks vertegenwoordigers de steppen bewonen, die aan de zuidoostelijke
grens van Europa, beginnen en zich door Midden-Azië tot in China
uitstrekken. Het is het Schaap van de Tartaren, Kirgiezen, Kalmukken
en Bureten. Zijn naam dankt het aan de groote ophooping van vet aan
weerszijden van den staartwortel. De zeer korte staart, die soms
niet meer dan 3 of 4 wervels bevat, ligt verborgen tusschen de twee
bedoelde vetklompen, die zich aan de achtervlakte van den romp over
de bovenste gedeelten van de achterbouten uitbreiden en door een
onbehaarde huid bedekt zijn. Bij een Schaap van 100 KG. levert het
uitsmelten van dezen "vetstuit" soms meer dan 20 KG. vet op. De vacht
is grof; de harige wol wordt voor de bereiding van vilt gebruikt.
Een soortgelijke ophooping van vet komt voor bij het eveneens
kortstaartige _Stompstaartschaap_ (_Ovis aries pachycerca_), dat in
Arabië, Perzië en Opper-Egypte thuis behoort. De dieren van dit ras
zijn tamelijk groot, ongehoornd of met kleine hoornen voorzien. De
vacht gelijkt, evenals bij het vorige ras, meer op die der Wilde
Schapen, dan op die van onze Huisschapen, daar het bovenhaar (hier
glanzig en eenigszins kroes) verreweg de overhand heeft over het
fijnere en kroezere wolhaar. Bij de lammeren is het haarkleed echter
buitengewoon fijn en wollig. De kop en het bovenste gedeelte van den
hals zijn gewoonlijk zwart, de overige lichaamsdeelen wit van kleur
(Zwartkop-schaap). De behaarde, middelmatige lange staart bevat 13
wervels; buiten de vetmassa, die zich rondom de bovenste staarthelft
afgezet heeft, steekt de niet verdikte staartspits uit.
Bij een groep van langstaartige rassen, bij het _Vetstaartschaap_
(_Ovies aries platyura_), is de geheele staart door buitengewone
vetophooping zeer sterk verbreed en verdikt. Het meest loopt dit
verschijnsel in 't oog bij een in Syrië levend slag, waar de zeer
lange, breede en met een wollige vacht bekleede staart een omhoog
gekromde spits heeft en een gewicht van 15 KG. kan bereiken. Naar men
zegt, wordt onder dit zware aanhangsel soms een plankje gebonden, dat
ook wel op wieltjes rust, om de moeite verbonden aan het medesleepen
van den staart te verminderen en beschadiging er van te voorkomen. De
romp is bij dit ras met een vuil witte wol bedekt; de met korte en
stijve haren begroeide kop, de ooren en de pooten zijn lichtbruin
van kleur.--Vetstaartschapen met een middelmatig langen staart
worden ook nog wel in sommige landen van Europa (Macedonië, Zuid- en
Midden-Italië en de zuidelijke departementen van Frankrijk) gefokt,
voorts in Azië (Anatolië, Tartarije, Perzië en Arabië), het meest
echter in Afrika (de landen langs de noordkust, Egypte, Abessinië,
Centraal Afrika); alle nomaden van deze gewesten houden Schapen van
dit ras. De Hottentotten hadden ze, toen de Hollanders zich aan de
Kaap de Goede Hoop vestigden. Ook bij deze dieren kan de staart een
aanzienlijk gewicht verkrijgen: bij een in Perzië gefokt Schaap van
dit ras was hij 5 KG. zwaar.
Een ander langstaartig ras, het _Manendragend Huisschaap_ (_Ovis
aries afrikana_), herinnert aan het in 't wild levende Manenschaap
door de afhangende, lange, zwarte haren, waarmede de schouders,
de borst en de hals begroeid zijn, terwijl de beharing der overige
lichaamsdeelen kort is. Het is een huisdier van den Schilloek-stam,
die aan den linkeroever van den Witten Nijl woont.
Eveneens langstaartig zijn: het _Langpootige Schaap_ (_Ovis aries
longipennis_), dat in West-Afrika (Fezzan, Senegambië, Opper-
en Neder-Guinea) voorkomt en, evenals het vorige, geen andere dan
borstelharen heeft, en het _Spiraalhoornschaap_ (_Ovis aries
strepsiceros_), dat in 't zuid-oosten van Europa (Candia, Macedonië,
Walachije, Moldavië, Hongarije) aangetroffen wordt, en zich, behalve
door zijne op kurketrekkers gelijkende, lange, boven- en zijwaarts
gerichte hoornen, ook door zijn grove, meestal blauwachtig grijze
vacht onderscheidt, welker bovenharen in één jaar een lengte van
24 cM. bereiken, terwijl de wolharen in dien tijd 12 cM. worden. Ook
het _Hangoorschaap_ (_Ovis aries catotis_), waartoe de groote,
hoogpootige, ongehoornde Lombardische Schapen behooren, heeft een
uit bovenhaar en wolhaar bestaande vacht.
Niet anders dan borstelige bovenharen vindt men daarentegen bij het
_Langstaartschaap_ (_Ovis aries dolychura_), dat een langen over den
grond sleepende, niet met vet begroeiden staart heeft, en waartoe,
behalve het Arabisch-Syrische Bedoeïnen-schaap en Tscherkessen-schaap,
ook het Engelsche Leicester-schaap behoort; bij het laatstgenoemde
slag is het haar wit, glanzig, fijn en zwak golvend.
Tot de langstaartige rassen behoort ook nog het _Bergschaap_, welks
slagen in de vele bergstreken van Europa (Zevenburgen, Sardinië,
Zwitserland, Frankrijk, Engeland, Ierland) veelvuldig gefokt
worden. Zij zijn over 't algemeen klein, maar sterk gebouwd; zoowel
de rammen als de ooien zijn ongehoornd; zij hebben meer wolhaar dan
de Spiraal-hoornschapen.
Belangrijker dan de tot dusver genoemde, uitheemsche vormen, zijn
voor ons de inheemsche. Deze behooren gedeeltelijk tot de groep van
langstaartige rassen, die onder den naam _Landschaap_ (_Ovis aries
aries_) samengevat worden. Van de drie inheemsche slagen, die men
er rekent, is één, het Drentsche, gekenmerkt door lange, zware, 2 of
3 spiraalwindingen vormende hoorns bij de rammen, en korte, rechte,
achterwaarts gerichte hoorns bij de ooien; bij de beide andere, het
Veluwsche en Kempensche slag, blijft de hoornvorming achterwege,
of komt alleen bij de ram in geringe mate voor. De Landschapen
bewonen vlakke en droge gronden, en stellen minder hooge eischen
wat het voedsel betreft, dan de Laaglandschapen, die tot de groep
_Kortstaartschaap_ (_Ovis aries brachyura_) behooren, en o. a. de lage,
vochtige kuststreken van ons land bewonen, waar men ze in Groningsche,
Friesche, Texelsche, Zeeuwsche en Vlaamsche Schapen onderscheidt. De
hoornvorming is hier zelfs bij de rammen van weinig beteekenis. Het
Texelsche ras levert de beste wol; het wordt in verschillende gedeelten
van Holland gefokt.
Het _Huisschaap_ is bedaard, geduldig, zachtmoedig, onnoozel,
slaafsch, willoos, vreesachtig, lafhartig, in een woord saai. Het is
nagenoeg onmogelijk positieve eigenschappen te noemen, welke bij dit
dier bepaald op den voorgrond treden; het heeft geen karakter. Het
begrijpt en leert niets, kan zich daarom ook niet alleen redden. Als
de egoïstische mensch het niet onthief van alle zorgen, zou het in
zeer korten tijd ophouden te bestaan. Het is belachelijk vreesachtig
en erbarmelijk lafhartig. Ieder onbekend gedruisch maakt de geheele
kudde beangst; bliksem en donder en storm, ruw weder in 't algemeen,
brengen het geheel buiten zich zelf, en verijdelen niet zelden de
met groote moeite genomen voorzorgen van den mensch.
In de steppen van Rusland en Azië hebben de herders dikwijls veel te
lijden. Bij sneeuwjacht en storm geraken de kudden verstrooid, hollen
als zinneloos de steppe in, storten zich in 't water en zelfs in zee,
blijven stompzinnig op dezelfde plaats staan, laten zich door de
sneeuw bedekken of verkleumen, zonder eenige pogingen aan te wenden,
om zich op een of andere wijze te beschutten of naar voedsel om te
zien. Soms bezwijken duizenden op één dag. Ook in Rusland gebruiken de
schaapherders Geiten, om hun vee tot gids te dienen, maar ook deze zijn
niet altijd in staat, om de domme dieren naar behooren te leiden. Bij
onweder vereenigen zij zich tot een dichten hoop, en zijn niet van
de plaats af te brengen. "Als de bliksem in deze hoop slaat," zegt
Lenz "worden er velen te gelijk gedood; als de stal in brand vliegt,
loopen de Schapen niet naar buiten, soms storten zij zich zelfs in
't vuur. Ik heb eens een groote, afgebrande stal vol van gebraden
Schapen gezien; men had ondanks alle moeite slechts weinige met geweld
kunnen redden." Het beste middel, om Schapen uit hun brandende stal
te redden, is hen door de Herdershonden er uit laten jagen.
Doch ook het schaap geeft, tot op zekere hoogte, bewijzen van
geesteswerkzaamheid. Het leert zijn verzorger kennen, geeft gehoor
aan zijn roepstem, en betoont hem ook eenige gehoorzaamheid; het
schept, naar het schijnt, behagen in muziek, het luistert althans
aandachtig naar het spel van den herder; ook heeft het een voorgevoel
van weersveranderingen.
Het Schaap houdt meer van droge, hoog gelegen gronden, dan van lage
en vochtige. Volgens de berekening van _Linnaeus_, eet het van de
veelvuldige voorkomende Europeesche planten 327 soorten, terwijl het er
141 versmaadt. Boterbloemen, Wolfsmelk, Tijdeloozen, Paardenstaarten,
Vetblad en Biezen zijn voor dit dier vergif. Het best vaart het bij
het gebruik van velerlei gedroogde planten; door voedering met graan
wordt het te vet, en vermindert de wol. Op zout is het zeer gesteld;
het kan niet buiten versch drinkwater.
De oude Romeinen lieten hunne Schapen tusschen Mei en Juni paren; de
veefokkers in koudere landen geven voor dit doel de voorkeur aan den
herfst, bij ons aan de laatste helft van October of de eerste helft van
November. Daar de draagtijd van het Schaap 144 à 150 dagen bedraagt,
worden de lammeren in 't laatstgenoemd geval geboren in Maart of April
en krijgen dus spoedig jong en malsch groen voer. Gewoonlijk brengt
het wijfje (de ooi) slechts één enkel lam ter wereld; tweelingen
zijn tamelijk zeldzaam, drielingen zeer schaars. Men moet hierbij
niet uit het oog verliezen, dat de vruchtbaarheid der verschillende
rassen en slagen zeer uiteenloopt; bij sommige onzer slagen komen
tweelingen vrij veelvuldig voor. In de eerste levensmaand komen
de 20 melktanden voor den dag; na de zesde maand vertoont zich de
eerste ware kies; in het tweede levensjaar vallen de beide middelste
melksnijtanden uit, en worden door blijvende snijtanden vervangen:
eerst in het vijfde levensjaar worden de beide laatste melksnijtanden
(eigenlijk hoektanden), gewisseld, en komen de achterste ware kiezen
voor den dag, waarmede de tandwisseling is afgeloopen. Alle rassen
zijn onderling vruchtbaar, en laten zich zonder moeite kruisen;
het Schaap kan derhalve gemakkelijk veredeld worden.
Hier te lande heeft dit zoo gewaardeerde huisdier weinige vijanden;
in het midden en zuiden van Europa echter sluipt de Wolf vaak achter
de kudden aan; in Azië, Afrika en Amerika worden deze weerlooze dieren
vervolgd door groote Katten en de grootste Honden, in Australië door
den Dingo en den Buidelwolf. Ook Bruin, de Beer, haalt hier en daar
een stuk van dit vee weg. Arenden en Gierarenden rooven lammeren.
De veelvuldigste van alle ziekten, waaraan de Schapen onderhevig
zijn, is de draaiziekte, die zich hoofdzakelijk bij jonge Schapen
openbaart; zij wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van Blaaswormen,
een ontwikkelingstoestand van een Lintworm (_Taenia coenurus_)
in de hersenen. Andere Ingewandswormen, de zoogenaamde Leverbot
(_Distoma hepaticum_) veroorzaken het ongans, eenige draadwormen
de longziekte. Bovendien worden de Schapen gekweld door eenige
uitwendige parasieten, zooals de tot de Luisvliegen behoorende
zoogenaamde schapenteek (_Melophagus ovinus_) en de Schurftmijt
(_Dermatocoptes communis_). Daarbij komen nog bloedloop, klauwzeer,
hersenontsteking, sidderziekte, pokken, trommelzucht en andere dikwijls
doodelijke kwalen.
Het Schaap kan 14 jaar oud worden; reeds in 't 9e of 10e levensjaar
echter verliest het de meeste tanden. Daardoor wordt het onbruikbaar;
het moet dan zoo schielijk mogelijk gemest en geslacht worden.
Onder de landen, waar de schapenteelt een belangrijk deel van de
inkomsten der bewoners oplevert, staat Australië, dat in 1895 124
millioen Schapen bezat, bovenaan; Azië heeft er 90, Argentinië 82,
Rusland 50, Afrika 45, de Vereenigde Staten van Amerika 45, Groot
Britannië 29, Frankrijk 24, Spanje 20, Oostenrijk-Hongarije 20,
Uruguay 15, het Duitsche rijk bijna 11, Italië 9, Rumenië 5, Canada
3 millioen. In Nederland is het aantal Schapen 900.000.
In het hooge noorden, in de onherbergzame gewesten, waar de
bodem in den zomer slechts aan de oppervlakte ontdooit, waar
dwergachtige houtige planten een armoedig leven leiden, waar mos-
en korstmostoendras een groot deel van den bodem uitmaken, zwerft,
behalve het Rendier, nog een andere Herkauwer over de woeste vlakten,
n.l. de Schaap-os of Muscus-os. Vroeger leefden beide dieren in veel
verder zuidwaarts gelegen landen; vooral de Muscus-os heeft een harden
strijd om het bestaan moeten voeren, zooals blijkt uit de beenderen
door hem achtergelaten in verscheidene voormalige rivierbeddingen van
Europa en Azië. Meer dan 15 breedtegraden lager bevond zich eertijds
de zuidelijke grens van zijn verbreidingsgebied, dat thans in Amerika,
het eenige nog door hem bewoonde werelddeel, eerst aan gene zijde
van den 60en graad N.B. aanvangt.
De _Schaap-os_ of _Muscus-os_, de _Oemingarok_ der Eskimos (_Ovibos
moschatus_), vereenigt op een wonderlijke wijze de kenmerken van
de Runderen en van de Schapen in zich; het komt ons daarom noodig
voor hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijke onderfamilie
te beschouwen. Door het gemis van een "kossem" (of halskwabbe, een
huidplooi aan het achterste gedeelte van den onderhals en aan de
voorborst) en door het onbehaard zijn van de spits van den snoet,
door de kortheid van het staartstompje, door den bouw der hoeven en
door het bezit van slechts twee tepels verschilt dit tweeslachtig
wezen even duidelijk van de echte Runderen als het tot de Schapen
nadert. Zijn totale lengte bedraagt, met inbegrip van den slechts 7
cM. langen staart, 2.44 M., de schouderhoogte 1.1 M. De zwaar gebouwde
romp rust op korte en krachtige pooten en loopt uit in een in de vacht
verborgen staartstompje; de hals is kort en dik, de kop zeer plomp,
betrekkelijk smal en hoog, het voorhoofd grootendeels door de hoornen
bedekt; de oogen zijn klein, de muil is groot en plomp en door dikke
lippen begrensd. De hoornen zijn tot dicht bij het midden hunner
lengte gezwollen: dicht tegen den kop aanliggend, zijn zij eerst
een weinig naar achteren, daarna regelrecht naar onderen gebogen,
vervolgens naar voren en naar buiten gekeerd, waarna de scherpe
spitsen zich weer naar boven richten.
Een buitengewoon dichte vacht bekleedt den romp; de beharing is ook
opmerkelijk dicht op het aangezicht en de pooten. De betrekkelijk dikke
bovenharen nemen bij de kin te beginnen naar onderen in lengte toe en
vormen op de borst manen, die bijna den grond raken; aan beide zijden
hangen zij tot op de hoeven naar beneden. Ook bedekken zij in grooten
overvloed de schoft, waardoor een kussenvormig zadel ontstaat, dat
achter de hoornen begint, den hals aan weerszijden bedekt en zelfs de
ooren omhult. De algemeene kleur is donker omber-bruin; zij gaat op
't aangezicht en de manen in donkerbruin over en neemt op het zadel
een lichtere tint aan.
De Schaap-ossen bewonen binnen het genoemde, uitgestrekte gebied alle
oorden, die hun, zij het dan ook tijdelijk, woonplaats en voedsel
kunnen verschaffen. Tot kudden van verschillenden omvang vereenigd,
vestigen zij zich vooral in dalen en laagvlakten; in sommige
gewesten neemt hun aantal toe, naarmate men verder noordwaarts
komt: voor Oost-Groenland althans meenen de leden van de tweede
Duitsche Noordpoolexpeditie dit op grond van hunne ervaringen te
mogen aannemen. Zij ontmoetten hier aanvankelijk kudden van 20 à 30
exemplaren. Op de verstafgelegen eilanden van het noordwesten echter
zag Mecham gedurende een kleine dagmarsch 150 en op een andere plaats
binnen den gezichtskring 70 grazende Schaap-ossen. Gedurende den
zomer houden deze kudden zich in het noordelijk deel van het vasteland
van Amerika bij voorkeur in de nabijheid van de rivieren op; zoodra
de herfst invalt, trekken zij echter verder zuidwaarts; terzelfder
tijd vereenigen zij zich tot groote scharen, terwijl zij vroeger meer
afzonderlijk graasden. Als een samenhangende ijslaag hun hiertoe de
gelegenheid biedt, ziet men ze in langen optocht van het eene eiland
naar het andere loopen, om oorden te bereiken, die hun tijdelijk
meer voedsel verschaffen. Alleen door hun buitengewone soberheid
zijn zij in staat den vreeselijken winter door te komen. Langzaam
en bedachtzaam doorkruisen zij de eindelooze sneeuwwoestijn om er
leeftocht te vinden. Zoodra de dooi invalt, breekt voor hen een
tijdperk aan, waarin zij het minst gekweld worden door zorg voor 't
voedsel, maar dat daarentegen rijk is aan bezwaren van anderen aard. De
winter bood hun, diep onder de sneeuw verborgen, een armoedigen kost,
thans kunnen zij zonder eenige moeite zich verzadigen aan de kruiden,
die gedurende korten tijd, althans op sommige plaatsen, weelderig
groeien. Daarentegen hebben zij nu veel te lijden van de Muggen,
die hen dikwijls in werkelijk ontzettend groote zwermen overvallen,
terwijl zij tevens van haar verwisselen. Naar het schijnt, heeft de
verharing wegens hun dikke wollige vacht niet gemakkelijk plaats;
zij wentelen zich, misschien ook met het doel om hun huid te bedekken
met een korst, die hen tegen hunne pijnigers beveiligt, in poelen en
moerassen, en blijven, naar men vermoedt, gedurende dezen tijd in
een beperkt gebied; eerst nadat de haarwisseling geheel afgeloopen
is, hervatten zij geduldig en onverpoosd hunne zwerftochten door de
uitgestrekte vlakten van hun naargeestig vaderland.
Tegen het einde van Augustus paren deze dieren; omstreeks het einde
van Mei, dus na een draagtijd van 9 maanden, brengt het wijfje
één jong ter wereld: een klein, bijzonder lief beestje, dat door de
ouders liefderijk verzorgd en in geval van nood met zeer grooten moed
verdedigd wordt.
In weerwil van hun plompe gestalte bewegen de Schaap-ossen zich met
bewonderenswaardige gemakkelijkheid; zij zijn zoo vlug en behendig als
Antilopen. Gelijk Geiten klimmen zij op de rotsen rond, zonder eenige
inspanning beklimmen zij steile wanden en vrij van duizeling kijken zij
van de hoogte af omlaag. In tegenwoordigheid van den mensch gedragen de
Schaap-ossen, althans die, welke vóór dien tijd bijna of in 't geheel
niet met den aartsvijand van de dieren in aanraking zijn gekomen, zich
dikwijls onhandig en handelen zonder overleg. Het blijkt, echter, dat
zij in korten tijd een juist begrip verkrijgen van de vreeselijkheid
van den tegenstander, die plotseling in hunne tot dusver alleen door
IJsberen en Wolven bezochte velden verscheen; in het volle besef van
het hen dreigende gevaar vluchten zij te rechter tijd.
Wanneer verscheidene jagers gelijktijdig van verschillende zijden een
rustig grazende kudde van Schaap-ossen besluipen, dringen deze soms
nader bijeen, in plaats van te vluchten en zich te verspreiden;
hierdoor zijn de jagers in de gelegenheid verscheidene malen
achtereen te schieten. Dan beantwoordt de jacht werkelijk aan de
voorstelling, die Payer en Copeland er van geven; zij noemen haar
volkomen ongevaarlijk en zeggen, dat zij niet meer bezwaar oplevert
dan het schieten, op een kudde Geiten of Runderen, die gelegerd zijn
rondom een Alpenhut, waarbinnen de jager zich bevindt. Volgens mijn
meening is het echter verkeerd aan dergelijke ervaringen een algemeene
beteekenis toe te kennen, te meer omdat de ondervinding van alle
vroegere onderzoekers beslist hiermede in strijd is. Gewonde dieren
worden woedend en rennen, dorstend naar wraak, op den jager los, die
van geluk mag spreken, als hij niet omvergeloopen en met de puntige
hoornen doorboord wordt.
Het vleesch van dit dier heeft een duidelijke muscuslucht; deze is
evenwel bij de wijfjes niet zoo sterk, dat het vleesch er onbruikbaar
door wordt, zooals, naar men zegt, het geval is bij de mannetjes die
gedurende den paartijd gedood worden. De wol en het haar worden door
de Indianen en de Eskimo's hoog geschat. Het eerstgenoemd product
is zoo fijn, dat men daarvan ongetwijfeld uitmuntende weefsels zou
kunnen maken, als men er genoeg van kon krijgen. Van de staarten
maken de Eskimos vliegenverdrijvers en van de huid een goed schoeisel.