de Geiten; wat de gemoedsaard betreft, gelijken alleen de in 't wild
levende soorten van beide groepen op elkander. De Schapen onderscheiden
zich van de Geiten, doordat gene in den regel in 't bezit zijn van
traangroeven en klauwklieren, die bij deze meestal ontbreken. De
traangroeven, (die op de in dit werk voorkomende afbeeldingen van
Schapen en Herten duidelijk zichtbaar zijn) gaan van den binnenhoek
van 't oog uit, kunnen soms een aanzienlijke lengte bereiken en
bevatten in den regel een smerige stof, het afscheidingsproduct van
de talrijke, hier uitmondende huidsmeerklieren. De klauwklieren zijn
behaarde instulpingen van de huid tusschen de bovenste leden van
de beide teenen. Een ander punt van verschil tusschen de Schapen en
Geiten is de bij gene vlakke, bij deze gewelfde ruimte tusschen de
oogen. Voorts hebben de Schapen kantige, op de dwarse doorsnede min of
meer driezijdige, dwars gerimpelde, slakkehuisvormig gedraaide hoornen,
ook ontbreekt bij hen de baard. Over 't algemeen zijn de Schapen slank
gebouwde dieren met een schralen romp, dunne hooge pooten en korten
staart; hun kop is van voren sterk versmald; de oogen en ooren zijn
matig groot: het haarkleed is ruig en wollig en bestaat uit tweeërlei
soort van haren.
Alle in 't wild levende Schapen bewonen de gebergten van 't noordelijk
halfrond. Hun verbreidingsgebied reikt van Azië tot Zuid-Europa,
Afrika en het noordelijk deel van Amerika. Iedere groep van gebergten
in Azië bezit één of meer haar kenmerkende soorten. Europa, Afrika
en Amerika daarentegen zijn zeer arm aan Schapensoorten en hebben er,
voor zoover men weet, ieder slechts één. Vele soorten zijn zeer nauw
aan elkander verwant. Zij worden hoofdzakelijk onderscheiden op grond
van eigenaardigheden der horens, welker vorm, grootte en kromming als
soortverschillen worden aangemerkt. Bij sommige is de _rechter_ hoorn
van den wortel tot aan de spits links en de _linker_ hoorn _rechts_
gewonden; vervolgens wijken de hoornspitsen in buitenwaartsche richting
uiteen. Bij andere is de _rechter_ hoorn _rechts_, de _linker_ hoorn
_links_ gewonden; de hoornspitsen zijn dan naar achteren gericht;
deze hoornen herinneren dus aan die der Geiten.
Alle Wilde Schapen zijn echte kinderen van het gebergte, die, naar het
schijnt, alleen op aanzienlijke hoogten zich wel bevinden: de meeste
stijgen tot boven de sneeuwgrens; enkele tot op hoogten van 6000 à
7000 M., waar, behalve zij, geen andere dieren dan Geiten, een Rund,
het Muscusdier en eenige Vogels kunnen leven. In vlakke streken treft
men geen andere dan tamme Schapen aan; het is aan de exemplaren,
die in bergstreken gefokt worden, duidelijk te zien, hoe goed het
wonen in een voor hen passende omgeving hun bekomt. Grasrijke dreven
en ijle bosschen, steile rotsen en woeste hellingen, tusschen welker
steenklompen slechts hier en daar een groen sprietje te voorschijn
komt, zijn de verblijfplaatsen van de Wilde Schapen. Al naar het
jaargetijde trekken zij van de hoogte naar de laagte, of omgekeerd:
de zomer lokt hen naar boven; de ijzige winter drijft hen naar beter
bewoonbare oorden, omdat hij den voorraad voedsel in hoogere gewesten
met een sneeuw- en ijskleed bedekt. In den zomer bestaat hun voedsel
uit frissche en saprijke Alpenkruiden, in den winter uit mossen,
korstmossen en dorre grassen. De Schapen zijn kieschkeurig, wanneer
hun een rijke keuze van voederplanten geboden wordt, in hooge mate
sober, wanneer er niet veel voor hen te bikken valt: dorre grassen,
uitspruitsels, boomschors en dergelijke stoffen zijn in den winter
dikwijls de eenige gerechten op hun spijskaart, zonder dat men daarom
van hen zeggen kan, dat zij gebrek lijden.
Meer dan bij andere huisdieren, de Rendieren misschien alleen
uitgezonderd, ziet men aan de Schapen, hoezeer de slavernij ontaarding
na zich sleept. Het tamme Schaap is slechts een schaduw van het
wilde. De Geit behoudt tot op zekere hoogte ook nog in de gevangenschap
haar zelfstandigheid; het Schaap wordt in de dienst van den mensch een
volkomen afhankelijk wezen. Geen dier kan gemakkelijker onder toezicht
gehouden, gemakkelijker geregeerd worden dan het tamme Schaap; men
zou kunnen meenen, dat het zich er over verheugt, als een ander wezen
hem van de zorg voor zijn eigen welzijn ontheft. Dat zulke schepsels
goedaardig, zachtmoedig, vredelievend en onschadelijk zijn, is niet
te verwonderen: domheid is de grondslag van hun gemoedstoestand;
daarom is het lam geen bijzonder gunstig gekozen zinnebeeld voor
deugdzaamheid. In het zuiden van Europa, waar de Schapen meer aan zich
zelf overgelaten worden dan bij ons, ontwikkelen hunne geestvermogens
zich op een andere wijze, zoodat zij zelfstandiger, vermeteler en
moediger zijn dan hier te lande.
De Schapen vermenigvuldigen zich tamelijk sterk. Het wijfje brengt
na een draagtijd van 20 à 25 weken 1 of 2, zeldzamer 3 of 4 jongen
ter wereld, die kort na hun geboorte in staat zijn hun moeder te
volgen. De wijfjes van de wilde Schapen verdedigen hare jongen op
gevaar van haar eigen leven en betoonen hun zeer veel liefde.
Bijna alle wilde soorten kunnen zonder groote moeite getemd worden en
planten zich geregeld in de gevangenschap voort; hare nakomelingen
behouden althans gedurende eenige geslachten haar opgewektheid. Zij
hechten zich sterk aan lieden, die zich veel met haar bemoeien,
luisteren naar hun stem en laten zich gaarne door hen liefkoozen;
zij kunnen zoo tam worden, dat men ze met ander vee naar de weide
kan zenden, en niet behoeft te vreezen, dat zij van een gunstige
gelegenheid, om de vrijheid te herkrijgen, gebruik zullen maken. De
Tamme Schapen, die door den mensch reeds sedert duizenden van jaren
als huisdieren zijn gehouden, werden door hem, wegens het groote nut
dat zij opleveren, over de geheele wereld verbreid en met goed gevolg
ook in die landen ingevoerd, waar zij vroeger niet thuis behoorden.
Wij beginnen de beschrijving van de Wilde Schapen met die van
het _Manenschaap_ (_Ovis tragelaphus_), welk dier door zijne lang
afhangende manen een zeer eigenaardigen indruk maakt. De vacht bestaat
uit lange, ruige borstelharen en fijne, gekroesde wolharen, die den
geheelen romp bekleeden. De eerstgenoemde verlengen zich aan den
bovenhals, in den nek en aan de schouders tot een rechtopstaanden,
korten, aan manen herinnerenden kam en ontwikkelen zich aan de
voor- en onderzijde van den romp tot dichte, bijna tot op den grond
afhangende manen, die aan de keel beginnen en zich langs den hals en
de voorpooten uitstrekken.
Reeds in het jaar 1561 beschreef Cajus Britannicus het Manenschaap naar
aanleiding van een vel, dat hij uit Mauritanië had ontvangen. Daarna
kreeg men gedurende geruimen tijd geen nieuwe berichten over dit
dier, waarvan voor 't eerst weer door Pennant en later door Geoffroy
melding werd gemaakt. De laatstgenoemde ontmoette het in de nabijheid
van Kaïro in het gebergte; andere onderzoekers hebben het aan den
Boven-Nijl en in Abessinië gevonden. Het veelvuldigst komt het in
den Atlas voor. R. Jannasch zag het in 't zuiden van Marokko.
"Het Manenschaap wordt," naar Buvri bericht, "in het zuiden van Algerië
door de inboorlingen in den regel Aroeï genoemd. Zonder twijfel zal het
in de hoogste gedeelten van het gebergte, in den Marokkaanschen Atlas,
nog veelvuldiger zijn dan in Algerië, daar deze gewesten weinig door
den mensch bezocht worden, hetgeen voor het gedijen van een Herkauwer
niet anders dan bevorderlijk kan zijn.
"De Aroeï houdt gaarne verblijf op de hoogste rotskammen van het
gebergte, die men alleen door een doolhof van gespleten steenklompen
en van rolsteenen kan bereiken; de jacht op dit dier is daarom zeer
bezwaarlijk en dikwijls zelfs met gevaar verbonden. Daarbij komt nog,
dat er niet veel voordeel door te behalen is, want het Manenschaap
leeft eenzaam. Alleen in den paartijd, die in November valt, vormen
zich gezelschappen, die uit wijfjes bestaan, waarbij zich weldra ook de
rammen voegen; het mannetje en het wijfje leven eenigen tijd samen en
gaan vervolgens weer ieder afzonderlijk hun weg. De Arabieren houden
veel van het vleesch van dit Wilde Schaap; het gelijkt veel op dat
van een Hert. Van de vellen maken zij voetkleeden; de huid wordt op
sommige plaatsen gelooid en tot marokijn verwerkt.
"Hoewel de Aroeï niet zeer algemeen voorkomt, wordt hij menigmaal
door de bewoners van het gebergte in strikken gevangen en dan
gewoonlijk voor een geringen prijs verkocht aan den bevelhebber van
de naastbijgelegen militaire post. In den tuin van de sociëteit te
Biskra bevond zich een jonge Aroeï, die bij den 5 M. hoogen muur,
welke het terrein omgaf, met weinige, bijna loodrechte sprongen opklom,
alsof hij over den vlakken grond liep; daarna stond hij zoo rustig
op de kruin van den muur, die ternauwernood een hand breed was, dat
hieruit voldoende bleek, hoezeer hij zich daar op zijn gemak bevond."
In den laatsten tijd is het Manenschaap in onze dierentuinen geen
zeldzaamheid meer.
Slechts twee breedtegraden verder noordwaarts ligt het vaderland
van den _Moefflon_ (_Ovis musimon_), het eenige Wilde Schaap, dat
Europa--de gebergten van Sardinië en Corsika--bewoont. Vrij algemeen
is men van oordeel, dat de Moefflon in vroegere tijden ook in andere
deelen van Europa voorkwam, en o. a. ook op de Balearische eilanden
en in Griekenland gevonden werd; voor deze meening zijn echter geen
stellige bewijzen bij te brengen. Nog altijd treft men tegenwoordig
den Moefflon in troepen aan, die, naar men zegt, dikwijls uit een
50-tal exemplaren bestaan, maar gewoonlijk veel minder leden tellen.
Uit oude berichten blijkt, dat deze Wilde Schapen eertijds buitengewoon
veelvuldig waren. Vroeger werden er op een enkele groote jacht soms
400 à 500 stuks van gedood; tegenwoordig mag men tevreden zijn,
als men er enkele exemplaren van overmeestert; bij jachtpartijen,
die op onbekrompen wijze uitgerust zijn, gebeurt het zeer zelden,
dat men 30 à 40 van deze dieren buit maakt.
De Moefflon behoort tot de kleinste Wilde Schapen hoewel zijn lengte,
met inbegrip van den (hoogstens 10 cM. langen) staart, niet minder
dan 1.25 M., zijn schouderhoogte 70 cM. en zijn gewicht 40 à 50
KG. bedraagt. De hoornen bereiken, langs de kromming gemeten,
een lengte van ongeveer 65 cM. en een gewicht van 4 à 6 KG. Zijn
lichaamsbouw is meer gedrongen dan die van eenig ander Wild Schaap. De
ruglijn is donkerbruin, overigens is de kleur vosrood; aan den kop
heeft zij een aschgrauwe tint; aan den snuit, het kruis, de randen van
den staart, de onderste gedeelten der pooten en de buikzijde gaat zij
in wit over. De hoornen van den ram zijn sterk en lang, aan den wortel
zeer dik en op de doorsnede driehoekig. Het aanmerkelijk kleinere
wijfje verschilt van den ram door de meer naar vaal zweemende kleur
en ook door het ontbreken of zeldzaam aanwezig zijn van de hoornen.
In tegenstelling tot het Manenschaap, leeft de Moefflon in troepen,
die onder de leiding van een ouden en sterken ram staan. Deze troepen
kiezen de hoogste bergtoppen tot verblijfplaats en houden zich hier
bij steile, min of meer ontoegankelijke rotswanden op. Evenals dit
bij andere, gezellig levende Herkauwers geschiedt, houden eenige
individuën steeds zorgvuldig de wacht; zij laten bij het waarnemen
van een verdacht verschijnsel een angstkreet hooren en waarschuwen op
deze wijze hunne metgezellen, die daarna, evenals de schildwachten,
onmiddellijk de vlucht nemen. In den paartijd verdeelt het gezelschap
zich in kleine, uit één ram en verscheidene schapen bestaande troepjes;
de als gids dienende ram heeft zijn gezag door dapperheid in den strijd
met zijne mededingers verworven. In de maanden December en Januari
hoort men het kletteren van de tegen elkander botsende hoornen in
't gebergte weerklinken; als men voorzichtig op het geluid afgaat,
ziet men de sterke rammen van den troep met omlaag gehouden kop
tegenover elkander staan; met zooveel geweld rennen de strijders
elkander tegemoet, dat het onverklaarbaar is, hoe zij zich in het
strijdperk staande kunnen houden.
In April of Mei brengt de ooi 1 of 2 jongen ter wereld, die haar
reeds na weinige dagen op de halsbrekenste paden met de grootst
mogelijke zekerheid van beweging volgen en haar spoedig in al hare
vaardigheden evenaren.
De bewegingen van den Moefflon zijn vlug, behendig snel en
doeltreffend, maar worden niet bijzonder lang volgehouden, het minst
nog op den vlakken bodem. In het klimmen toont hij zich meesterlijk
bekwaam. Volgens Cetti is hij zeer vreesachtig; bij het geringste
gedruisch siddert hij van angst en schrik over het geheele lichaam
en vlucht zoo schielijk mogelijk.
De mensch maakt van elk beschikbaar middel gebruik om dit hooggeschatte
wild meester te worden. Men verhaalt, dat de rammen in den paartijd
door de in 't struikgewas verborgen jagers, die het blaten der
ooien nabootsen, gelokt kunnen worden; de gewone wijze van jagen
is echter het "bekruipen," ofschoon zij slechts zelden een goede
uitkomst oplevert.
Oude, volwassen Moefflons worden waarschijnlijk nooit levend gevangen,
de jongen alleen, nadat men hun moeder gedood heeft. Zij geraken
spoedig aan hun verzorger gewend; hoewel zij zeer tam worden, behouden
zij steeds de opgewektheid en den vluggen aard, waardoor zij zich in
den wilden staat zoozeer onderscheiden. Op Sardinië en Corsika ziet
men in de dorpen dikwijls getemde Moefflons; sommige zijn zoozeer
aan den mensch gehecht, dat zij hem, als een Hond, overal volgen,
naar zijn stem luisteren, enz. Lastig zijn zij alleen door hun
moedwilligheid. Zij doorsnuffelen alle hoeken van het huis, werpen
daarbij allerlei voorwerpen om, breken potten en pannen en halen
allerlei streken uit. Uit alles wat ik bij gevangen Moefflons heb
opgemerkt, blijkt, dat zij zwak van geestvermogens zijn, ongeschikt
om te oordeelen en zeer vergeetachtig. In de vallen, die ik plaatste,
lokte ik hen door hun voedsel voor te houden. Onnadenkend kwamen zij
telkens weer in de strikken en netten, ofschoon zij het blijkbaar
zeer onaangenaam vonden,
dat zij zich hadden laten vangen. De bewijzen van geesteswerkzaamheid,
die ik bij hen opmerkte, zijn: een zekere mate van plaatszin,
een flauwe herinnering aan ontvangen weldaden, gehechtheid aan het
gezelschap, waaraan zij gewoon zijn geraakt, en liefde voor de jongen.
In Centraal-Azië en Noord-Amerika treft men de grootste Wilde Schapen
aan; deze onderscheiden zich door het bezit van kolossale hoorns en
lange pooten.
De _Argali_ van de Mongolen (_Ovis argali_) is zoo groot als een kalf
van 9 maanden. De forsche, driezijdige, breede hoornen staan aan den
wortel dicht bij elkander, krommen zich eerst naar achteren en naar
buiten, vervolgens naar onderen en zijwaarts, met de spits echter
weder naar achteren en naar boven; van onderen tot boven zijn zij
bedekt met opzwellingen, die ringvormig den geheelen hoorn omgeven
en een golfsgewijs beloop hebben, of als 't ware dooreengevlochten
zijn. Het overal zeer gelijkmatige haarkleed bestaat uit dicht
bijeengeplaatste, golvende bovenharen en fijn, kort wolhaar. De
heerschende kleur is mat vaalgrijs; zij gaat in het aangezicht, aan
de beide bovenste afdeelingen der pooten, aan de bovenste helft van
den voet, aan de randen van het achterkwartier en aan het achterste
deel van den buik over in een merkbaar donkerder, bruinachtig grijs,
aan het voorste deel van den snuit, op het breede achterste, aan de
onderste helft van de voeten in grijsachtig wit.
Het verbreidingsgebied van den Argali reikt van de bergen van het
district Akmolinsk tot den zuid-oostrand van de Mongoolsche hoogvlakte
en van den Altaï tot aan den Alatau; misschien strekt het zich nog
verder zuidwaarts uit.
De Argali houdt niet van vochtige, met bosschen bedekte gebergten en
ook niet van groote hoogten. Bergruggen, die zich 600 à 1000 M. boven
den zeespiegel verheffen, rijk aan kale rotsen, met hellingen, waarop
weinig boomen groeien en dalen met breed grondvlak worden bij voorkeur
door hem als woonplaats gekozen. Hij bewoont 's zomers en 's winters
nagenoeg hetzelfde gebied; hoogstens begeeft hij zich van den eenen
bergrug naar den anderen. Tot aan den paartijd blijven de mannetjes
van de wijfjes gescheiden; gene vormen troepjes van 3 à 5 stuks,
deze leven meestal afzonderlijk; kort vóór den paartijd vereenigen
zij zich tot kleine kudden van gemiddeld 10 en hoogstens 15 individuën.
Gedurende den zomer voedt de Argali zich met alle planten, die het
Tamme Schaap bij voorkeur gebruikt; gedurende den winter behelpt hij
zich met mossen; korstmossen en verdroogde grassen. Hij beklimt dan de
toppen en kammen van de rotsen, vanwaar de wind de sneeuw heeft doen
verstuiven, zoodat de korstmossen blootliggen. Hij is kieschkeuriger
bij het drinken dan bij het grazen, daar hij zich altijd naar bepaalde
bronnen begeeft en aan deze klaarblijkelijk de voorkeur geeft boven
andere. Zouthoudende gronden worden ter wille van de door alle
Herkauwers zeer gewenschte lekkernij dikwijls bezocht. Zoolang de
sneeuwlaag niet al te dik geworden is, hindert de winter hem weinig,
daar de dichte vacht hem tegen de guurheid van het klimaat beschut.
Naar het schijnt, zijn de zintuigen van den Argali uitmuntend en
gelijkmatig ontwikkeld. Zij zien, hooren en speuren buitengewoon
goed, houden van lekkernijen, wanneer zij ze krijgen kunnen,
en zullen vermoedelijk ook wat het gevoel betreft, niet misdeeld
zijn. Hun uitzicht teekent bedachtzaamheid en bewustzijn van kracht;
ook merkt men bij hen het vermogen om te oordeelen en te onderscheiden
op. In landstreken, waar hun verstand gescherpt wordt door aanhoudende
vervolgingen, toonen zij zich steeds voorzichtig, hoewel niet bepaald
schuw; in 't tegenovergestelde geval geven zij verrassende bewijzen
van argeloosheid. Opmerkelijk is hun dwaze nieuwsgierigheid, die hen
in sommige gevallen aan groote gevaren blootstelt. Reeds de oude
Steller verhaalt, dat de jagers van Kamtschatka de Wilde Schapen,
die in hunne gebergten leven (het Dikhoornschaap en zijne verwanten),
bezighouden met een pop, die van hunne kleederen vervaardigd is,
en intusschen langs omwegen nader sluipen, totdat zij het wild
binnen schot hebben. Prshewalski vernam van den Argali hetzelfde, en
onderzocht de waarheid van het verhaal der Mongolen, door zijn hemd
op een laadstok te hangen; de aandacht van een vluchtende kudde Wilde
Schapen werd hierdoor gedurende een kwartier uurs geboeid. Zelfs met
zulke listen is voor de jacht op den Argali een geoefend jager, die
bovendien een uitmuntend schutter moet zijn, noodig. Het vleesch van
dit dier wordt door de Kirgiezen zeer geschat, en is ook inderdaad
voortreffelijk, ondanks zijn sterken wildsmaak.
Behalve door den mensch, wordt de volwassen Argali vervolgd door den
Tijger, den Wolf en den Alpenwolf, ofschoon deze Roofdieren slechts
zelden hun doel bereiken. Eerder gelukt het hun een Argali-lam
buit te maken, hoewel dit nog meer reden heeft om den Steenarend te
vreezen. Indien het gelukt den Argali te temmen, zal men hierdoor
een huisdier verkrijgen, dat van groot belang zou kunnen worden. Daar
het zoowel den strengen winter als den gloeienden zomer van de steppe
trotseert, zou het waarschijnlijk beter dan eenig ander dier geschikt
zijn, om in andere gewesten ingevoerd te worden.
Het _Dikhoornschaap_ (_Ovis montana_) bewoont het Rotsgebergte en
de verder westwaarts gelegen landstreken van 68° tot ongeveer 40°
N.B.; het wordt echter uitsluitend in de wildste en ontoegankelijkste
bergstreken aangetroffen. Tot dezelfde soort wordt een in Kamtschatka
levend Wild Schaap gerekend, hoewel het zich van zijn Amerikaanschen
verwant door minder sterk ontwikkelde hoornen onderscheidt.
Onze bekendheid met het Dikhoornschaap is tamelijk onvolledig, vooral
wat betreft de levenswijze. Volwassen rammen hebben een lengte van
1.9 M., met inbegrip van den slechts 12 cM. langen staart en een
schouderhoogte van 1.05 M.; het wijfje is 1.4 à 1.5 M. lang en 90 à
95 cM. hoog. Gene bereiken een gewicht van 175 KG. (alleen de hoornen
wegen soms 25 KG.); de ooi wordt 130 à 140 KG. zwaar. De gestalte is
gedrongen en gespierd; de kop gelijkt op dien van den Steenbok. De
lengte van de kolossale hoornen, langs de kromming gemeten, bedraagt
soms 70 cM. Het haar gelijkt niet op wol, maar is hard, hoewel zacht op
het gevoel, zwak golvend en hoogstens 5 cM. lang; een vuil grijsbruine
kleur, die langs den rug donkerder wordt, heeft de overhand.
De levenswijze van de Dikhoornschapen verschilt, naar men meent, niet
van die hunner verwanten, en onderscheidt zich niet eens belangrijk
van die der Steenbokken. Evenals deze, zijn zij onovertroffen
meesters in de kunst van 't bergen beklimmen. Zoodra zij iets vreemds
opmerken, vluchten zij naar steile hoogten, en posteeren zich hier op
vooruitspringende rotsen om hun gebied te overzien. Waar zij den mensch
hebben leeren kennen, vreezen zij hem niet minder dan hun anderen,
iets minder gevaarlijken vijand, den Wolf. Het vleesch van dit dier
wordt door de blanken zoowel als door de Indianen gegeten, maar heeft
een schaapachtigen reuk, die vooral bij dat van de mannetjes duidelijk
merkbaar is. De duurzame en sterke, maar toch zachte en buigzame
huid wordt door de Indianen voor het vervaardigen van hunne fraaie,
lederen hemden zeer gezocht.
Het vangen van jonge Dikhoornschapen werd altijd als een zeer
moeielijke zaak beschouwd, daar deze dieren met hunne moeders in den
regel naar de minst toegankelijke plaatsen vluchten. In den laatsten
tijd is men er evenwel in geslaagd; in het verre westen heeft men
niet alleen jonge rammen zoo ver getemd, dat men ze vrij bij de tamme
kudden kan laten loopen, maar bovendien goede uitkomsten verkregen
van de kruising dezer dieren met Huisschapen. Het vleesch van de
hierdoor ontstaande bastaarden wordt zeer geroemd.
Evenmin als van de oorsprong van andere Herkauwers, die door den
mensch onderworpen en volslagen huisdieren geworden zijn, kan men
iets bepaalds zeggen van de afstamming van ons _Huisschaap_. De
meeningen van de natuuronderzoekers over dit vraagpunt loopen
zeer ver uiteen. Eenige meenen, dat alle rassen van Schapen van
één enkelen wilden vorm afstammen, die vermoedelijk reeds sinds
onheugelijke tijden volkomen uitgestorven, of geheel in den tammen
staat overgegaan en dus nergens meer te vinden is. Anderen daarentegen
beweren, dat men in geen geval aan een enkele stamsoort moet denken,
maar dat verscheidene soorten van Wilde Schapen getemd werden en
door herhaalde kruising de talrijke, thans bestaande Schapenrassen
opgeleverd hebben. Sommigen zien in den Moefflon, anderen in den
Argali, enkelen ook in den Aroeï, verscheidene in den _Scha_ (_Ovis
vignei_) van Klein-Tibet den bedoelden stamvorm; anderen, waarbij ook
ik mij voeg, erkennen openhartig hun onwetendheid en laten terecht
uitkomen dat onderstellingen, die niet op goede gronden berusten, de
oplossing van het vraagstuk geen stap verder kunnen brengen. De punten
van verschil tusschen de rassen hebben hoofdzakelijk betrekking op de
wijze van kromming van de hoornen op de lengte en andere eigenschappen
van den staart en op de beharing.
Volgens de laatste onderzoekingen bestaan er goede gronden voor de
meening, dat ook de zoo talrijke Schapenrassen niets anders zijn dan
kunstproducten, ontstaan onder den invloed, dien de mensch geoefend
heeft op de kruising der afstammelingen van Wilde Schapen; het is
gebleken, dat zij veranderlijk zijn, wat gestalte en grootte, vorm
van de hoornen en samenstelling van de vacht, levenswijze, gewoonten
en allerlei andere eigenschappen betreft.