Een thans nog veelvuldig verbreide meening, waarvan de onjuistheid

echter reeds lang geleden aangetoond werd, is oorzaak, dat deze wakkere

bergbewoners in vele landen van Azië door den mensch fel vervolgd

worden. In de pens van vele Herkauwers vindt men namelijk rondachtige

lichamen, ziekelijke verhardingen, die men tot op zekere hoogte zou

kunnen vergelijken met de bekende galsteenen en blaassteenen. Zij

hebben al naar de diersoort, waarbij zij aangetroffen worden,

een verschillende samenstelling. Soms, zooals bij ons vee, bestaan

zij grootendeels uit plantvezels en haren, die bij wijze van vilt

met elkander vereenigd zijn; deze worden gewoonlijk "gemsballen"

(_Bezoar germanicus_) genoemd. In andere gevallen, b.v. bij de

Lamas en Vicuñas, is het hoofdbestanddeel dezer concrementen een

niet brandbare en niet smeltbare stof, n.l. phosphorzure kalk

(_Bezoar occidentalis_). De zoogenaamde "Oostersche Bezoar" echter

bestaat geheel uit een organische stof; soms uit een eigenaardig

vetzuur, soms uit een op galnotenzuur gelijkende verbinding. Aan

deze voorwerpen worden belangrijke geneeskrachtige eigenschappen

toegeschreven. Terecht werd dit reeds door Bontius ontkend. In vele

landen o. a. in Indië en Perzië, wordt dit kwakzalversmiddel ook thans

nog hooggeschat en duur betaald; hierdoor worden ondernemende jagers

aangelokt om een waren verdelgingsoorlog te voeren tegen de dieren,

welke dit kostbare product leveren. De Bezoar-geit ontleent haar naam

aan de zeer verbreide meening, dat bij haar de "Bezoar" veelvuldiger

voorkomt dan bij andere Herkauwers.

De bewoners van de Grieksche eilanden, van den Kaukasus en van den

Cilicischen Taurus hechten, naar het schijnt aan de Bezoar-ballen

geen waarde; de wilde Geiten worden in deze deelen van haar

verbreidingsgebied alleen ter wille van haar vleesch, haar huid en

haar hoornen gejaagd. Het voordeel, dat deze jacht oplevert, is niet

onbelangrijk. Het zeer smakelijke vleesch van de Bezoar-geit herinnert

aan dat van onze Ree en is even zacht en malsch als dit; het wordt

in verschen toestand gebruikt, of in lange smalle strooken gesneden

en aan de lucht gedroogd om het voor later te bewaren. De langharige

huid van het in den winter gedoode dier doet bij de Muzelmannen dienst

als bidtapijt en wordt door hen hooggeschat, omdat zij de daaraan

hechtende, sterke lucht aangenaam vinden. Het kortharige vel, dat

des zomers buitgemaakt wordt, levert de grondstof voor de lederen

zakken, die in het Oosten tot berging van vloeistoffen dienen; van

de hoornen vervaardigt men sabelgevesten, kruithorens enz.; van den

dooden Bezoar-bok wordt dus zeer goed partij getrokken.

De geschiedenis en de overlevering werpen in 't geheel geen licht

op het vraagstuk van de _afstamming van de Huisgeit_ en van hare

buitengewoon talrijke rassen. Wij zijn niet in staat om te bepalen,

wanneer de eene of de andere wilde soort huisdier is geworden, òf

er kruisingen hebben plaats gehad, en zoo ja, in welken tijd dit

voor 't eerst geschiedde; evenmin is het bekend, hoe de kenmerkende

eigenschappen van de rassen--die, naar duidelijk gebleken is, sedert

duizenden van jaren onveranderd overerfden--zich ontwikkeld hebben.

Als het edelste van alle rassen mogen wij wel de _Angora-geit_

(_Capra hircus angorensis_) aanmerken. Zij is een fraai, groot dier van

ineengedrongen lichaamsbouw, met stevige pooten, korten hals en kop,

zeer eigenaardig gekromde horens en een vreemdsoortig haarkleed. De

dieren van beiderlei geslacht zijn met hoornen gewapend. Die van

den bok zijn nagenoeg lintvormig samengedrukt, scherpkantig en van

achteren stomp toegespitst; gewoonlijk gaan zij in horizontale richting

van den kop uit, vormen een lange dubbele schroefwinding en zijn met

de spits naar boven gericht; zij hebben dus een drievoudige kromming

ondergaan. De geit heeft kleinere, zwakkere, ronde enkelvoudig gebogen

hoornen. Korte, glad aanliggende haren komen niet anders voor dan

op het aangezicht, de ooren en de onderste gedeelten van de pooten;

de overige lichaamsdeelen zijn bedekt met een zeer dikke vacht,

welke uit dichte en lange, fijne, zachte, glanzige, zijdeachtige en

tot lokken vereenigde, gekroesde haren bestaat. Een tamelijk lange,

uit stijve of harde haren samengestelde baard versiert de onderkaak

zoowel bij het mannetje als bij het wijfje. Verreweg de meeste leden

van dit geitenras zijn eenkleurig en wel schitterend wit; die, welke

op lichten grond donkere vlekken vertoonen, zijn zeldzamer. In den

zomer valt de vacht bij zeer groote vlokken uit, maar groeit zeer

snel weer aan. Fransche fokkers hebben bevonden, dat één zoo'n vacht

1.25 à 2.5 KG. weegt.

Naar het schijnt, hebben de ouden de Angora-geit in 't geheel niet

gekend. Belon was de eerste, die melding maakte van een "wolgeit",

waarvan de vacht zoo fijn is als zijde en zoo wit als sneeuw,

en tot het vervaardigen van kamelot dient. De naam van dit dier

is ontleend aan de kleine stad Angora, in het Turksche pasjalik

Anadoli in Klein-Azië, die reeds bij de ouden onder den naam Ankyra

als handelsstad zeer beroemd was. Bijna iedere bewoner van deze

plaats houdt zich met den wolhandel bezig. Het vaderland van de

Angora-geit is droog en heet in den zomer, maar zeer koud in den

winter, die echter slechts 3 of 4 maanden duurt. Eerst wanneer

de bergen geen voedsel meer opleveren, worden de Geiten in slecht

ingerichte stallen gehuisvest; gedurende het overige deel van 't

jaar moeten zij op de weide blijven. Zij zijn zeer gevoelig voor

temperatuurswisselingen, hoewel de slechte behandeling er niet toe

bijdraagt om ze te verweekelijken. Zuivere, droge lucht is volstrekt

noodig voor hun welstand. Gedurende het warme jaargetijde wordt de

vacht verscheidene malen (éénmaal per maand) gewasschen en gekamd,

om haar fraai te doen blijven.

Het geheele aantal Geiten in Anadoli wordt op een half millioen

geschat. Deze worden in April geschoren. Op één bok komen in den regel

honderd of meer geiten. Angora alleen levert bijna 1 millioen KG. wol,

ter waarde van 2.16 millioen gulden. Een deel van de wol wordt in

het land zelf gebruikt tot het vervaardigen van sterke stoffen voor

de mannen en van fijnere voor de vrouwen; ook worden er kousen en

handschoenen van gemaakt; al het overige gaat naar Engeland. Deze

vezelstof heet angora-wol, kemelshaar of mohair; de hiervan geweven

stoffen noemt men mohair, lustre enz. Men heeft opgemerkt, dat de

fijnheid van deze wol afneemt, naarmate de Geiten ouder worden.

Kort nadat de Angora-geit in Europa bekend werd, is men begonnen

pogingen te doen, om haar in ons werelddeel te acclimatiseeren. Tot

dusver heeft men geen reden tot klagen gehad over den uitslag van

deze proefnemingen, die aanleiding hebben gegeven tot het fokken van

dit ras in Spanje, Italië, Frankrijk en Zweden; zelfs wordt beweerd,

dat de wol van de in Frankrijk geboren dieren fijner is, dan die van

hunne stamouders.

Ook in Kaapland werd dit ras met uitnemend gevolg gefokt. De vraag

naar fokdieren is daar zoozeer toegenomen, dat in het jaar 1880

de beste, pas ingevoerde bokken met 1200 à 4800 gulden per stuk

betaald werden. Het fokken slaagde naar wensch: de jongen groeiden

voorspoedig op. De uitvoer van mohair nam buitengewoon snel toe: in

het jaar 1862 bedroeg zij nog geen 500 KG.; in het jaar 1885 echter

reeds 2.4 millioen KG., voor een aangegeven waarde van 1.44 millioen

gulden. Het is dus niet te verwonderen, dat de Kapenaars de hoop

voeden, de Aziaten, zoowel wat de hoeveelheid als wat de kwaliteit

van hun mohair betreft, weldra te zullen overvleugelen.

Weinig minder geschat dan het zooeven beschreven ras, is de

_Kasjmir-geit_ (_Capra hircus laniger_), een tamelijk klein,

maar bevallig gebouwd dier, van bijna 1.5 M. totale lengte, en 60

cM. schouderhoogte. De korte, buitengewoon fijne, weinig gekroesde,

zachte, donsachtige wol wordt bedekt door lange, stijve, fijne

en sluike bovenharen; alleen het aangezicht en de ooren zijn kort

behaard. De kleur is verschillend. Gewoonlijk zijn de zijden van den

kop, de staart en de overige deelen van den romp zilverwit of licht

geelachtig. Het verbreidingsgebied van deze fraaie Geit reikt van

Tibet over Boekhara tot in het land der Kirgiezen. Zij werd in Bengalen

ingevoerd; in de gebergten van Tibet, waar zij zelfs bij de strengste

koude in de open lucht vertoeft, is het aantal dezer dieren zeer groot.

Gedurende langen tijd was men in het onzekere over het dier, welks

haar voor het vervaardigen van het "kasjmier", de fijnste van alle

wollen stoffen, dient. Door Bernier, een Fransch geneesheer, die in

het jaar 1664 in het gevolg van den Groot-Mogol Tibet bezocht, vernam

men, dat twee Geiten, waarvan de eene in 't wild leeft, en de andere

als huisdier wordt gehouden, deze wol leveren. Het meest gezocht

is het zuiver witte wolhaar, dat geheel de glans en de fraaiheid

van zijde heeft. Ieder dier levert O.3 à 0.4 KG. van deze op dons

gelijkende wol. Voor het weven van één sjaal heeft men de wol van 10

à 20 geiten noodig.

Naar men zegt, bestonden er in Kasjmir gedurende de heerschappij van

den Groot-Mogol 40.000 sjaal-weverijen; langzamerhand echter is deze

tak van nijverheid zoozeer achteruitgegaan, dat van de 60.000 menschen,

die door het sjaal-weven hun kost verdienden, duizenden door gebrek

aan werk genoodzaakt werden, het land te verlaten. Thans heeft de

sjaal-weverij haar oude vlucht nog niet herkregen.

Het is licht te begrijpen, dat men reeds voor vele jaren op het

denkbeeld is gekomen, de zooveel winst afwerpende Kasjmir-geit

in Europa te acclimatiseeren. Ternaux, die de sjaal-weverijen in

Frankrijk invoerde, kwam op het denkbeeld zich dieren van dit ras te

verschaffen; de beroemde Jaubert hielp hem dit doel te bereiken. In het

jaar 1818 scheepte deze reiziger zich naar Odessa in, en vernam hier,

dat de nomadische stammen in de steppen tusschen Astrakan en Orenburg

Kasjmirgeiten hielden; hij bezocht deze menschen, overtuigde zich

door nauwkeurig onderzoek van het wolhaar, van de echtheid van het ras

hunner Geiten en kocht er 13000 stuks van. Deze kudde bracht hij naar

Kaffa in de Krim, scheepte zich hier met hen in en landde in April 1819

te Marseille. Slechts 400 stuks hadden de lange, moeielijke reis kunnen

doorstaan, en deze hadden zoo sterk geleden, dat men zeer betwijfelde,

of zij voor de fokkerij zouden kunnen dienen. Vooral de bokken waren

zeer verzwakt. Gelukkig werd bijna te gelijker tijd een flinke bok

van dit ras, dien de Fransche natuuronderzoekers Diard en Duvaucel

in Indië ten geschenke hadden gekregen, door hen aan den Parijschen

dierentuin gezonden. Hij werd de stamvader van alle Kasjmir-geiten,

die thans in Frankrijk voorkomen, en welke aan dit land 7.2 à 9.6

millioen gulden opleveren. Uit Frankrijk werd de Kasjmirgeit ook naar

Oostenrijk en Wurtemberg overgebracht; hier echter leverde het fokken

van dit ras ongunstige uitkomsten op.

De _Mamber-geit_ (_Capra hircus mambrica_) gelijkt door hare lange

haren eenigszins op de Kasjmir-geit, maar verschilt van deze door de

buitengewoon lange, slap afhangende ooren, die bij geen andere Geit zoo

groot zijn en zulk een vorm hebben. In grooten getale vindt men haar

tegenwoordig in de nabijheid van Aleppo en Damascus. In verscheidene

landen van Azië komt zij voor; de Kirgiezische Tartaren o.a. hebben

groote kudden van deze dieren.

Verder verdient, mijns inziens, vermelding de _Nijl-geit_ of

_Egyptische geit_ (_Capra hircus aegyptiaca),_ welker afbeeldingen

zoo veelvuldig aangetroffen worden op oude gedenkteekenen. Zij is

aanmerkelijk kleiner dan onze Huisgeit, maar staat hooger op de pooten

en heeft korter hoornen. Vooral onderscheidt zij zich door haar kleinen

kop en zeer grooten ramsneus. De mannetjes zoowel als de wijfjes van

dit ras zijn dikwijls ongehoornd; hoogstens komen bij deze dieren

kleine, dunne, onbeduidende hoorntjes voor; die, welke ik gezien heb,

misten bovendien den baard. Meestal zijn zij levendig roodbruin van

kleur. In het Beneden-Nijldal worden deze dieren algemeen gefokt;

tot in Middel-Nubië treft men ze aan; hooger op worden zij door een

ander ras vervangen.

Het zooeven bedoelde ras is de _Dwerg-geit_ (_Capra hircus reversa_),

een dier van hoogstens 70 cM. lengte, 50 cM. schouderhoogte en niet

meer dan 25 KG. gewicht, een der bevalligste leden van de geheele

groep. Haar op korte en stevige pooten rustende romp is ineengedrongen;

de betrekkelijk breede kop draagt bij beide geslachten korte hoornen,

die ternauwernood zoo lang zijn als een vinger. De tamelijk korte,

maar dichte beharing is gewoonlijk donker van kleur: meestal ten

deele zwart, ten deele roodachtig vaal. Misschien mag men alle

landen tusschen de Witte Rivier en den Niger als het vaderland van

dit ras beschouwen.

De _Huisgeit_ is tegenwoordig bijna over de geheele aarde

verbreid. Daar het nut van dit dier algemeen erkend wordt, treft men

het aan bij alle volken die een eenigszins geregeld leven leiden. De

betrekking, waarin het tot den mensch staat, is zeer ongelijk: de

meeste Huisgeiten grazen over dag nagenoeg volgens eigen verkiezing

en worden alleen 's nachts onder het toezicht van den mensch

gehouden. Verwilderde Geiten ontmoet men waarschijnlijk alleen hier

en daar in de gebergten van Zuid-Azië en op eenige eilanden van de

Middellandsche Zee.

De veel besproken Geiten van het Eiland _Robinson_ in den Stillen

Oceaan (waar vijf-of zesmaal Robinsonaden voorgevallen zijn, van welke

de meest bekende door De Foe tot een roman werd verwerkt) stammen

af van eenige individuën, die door den ontdekker van dit eiland,

Juan Fernandez, in het jaar 1563 achtergelaten werden. Deze Geiten

vermenigvuldigden zich buitengewoon sterk in haar nieuw vaderland,

dat bergachtig en voor haar gedijen uitnemend geschikt is. (Dit eiland

is sinds kort door een vulcanische uitbarsting geheel verwoest.)

De Geit is voor het gebergte geschapen; hoe woester tafereelen

het aanbiedt, hoe rijker het is aan steilten en afgronden, des te

beter gevoelt zij zich er thuis. In het zuiden van Europa en in de

gematigde gewesten van de andere werelddeelen zal men waarschijnlijk

in ieder gebergte kudden grazende Geiten ontmoeten. Zij zijn in staat

om de eenzaamste rotsen te verlevendigen en aan de treurigste oorden

bekoorlijkheid te verschaffen.

Door allerlei karaktertrekken verschilt de Geit van het Schaap, dat

in lichamelijk opzicht zooveel op haar gelijkt. Zij is een vroolijk,

wispelturig, nieuwsgierig, plaagziek, tot grappenmaken geneigd

dier, waarin ieder onbevooroordeelde behagen moet scheppen. Lenz

heeft haar op de volgende, uitmuntende wijze beschreven: "Reeds

als het sikje een paar weken oud is," zegt hij, "heeft het grooten

lust om zijne merkwaardige sprongen af te wisselen met halsbrekende

ondernemingen. Altijd wil het hooger op. Te klauteren op hoopen hout of

steen, op muren of rotsen, de trappen op te gaan, is voor een Geit een

groot vermaak. Dikwijls is zij na het bereiken van haar doel nauwelijks

of in 't geheel niet in staat weder naar beneden te komen. Zij weet

niet, wat het is duizelig te zijn: rustig gaat of ligt zij aan den rand

van den vreeselijksten afgrond.--Verschrikkelijk zijn de gevechten, die

de gehoornde bokken, ja zelfs de geiten, elkander leveren, wanneer zij

elkander voor de eerste maal ontmoeten. De schok van de tegen elkander

stootende hoornen is op een afstand hoorbaar. Zonder medelijden stooten

zij elkander tegen de oogen, den bek, den buik, alnaar het uitkomt en

schijnen intusschen volkomen gevoelloos te zijn; toch laat zulk een

strijd, die dikwijls een kwartier duurt, ternauwernood andere sporen

na, dan misschien een rood oog. Ongehoornde Geiten vechten zoowel

onderling als met gehoornde soortgenooten; zij geven er niet om, of

het bloed hun over den kop en het voorhoofd vloeit. De ongehoornde

dieren trachten ook wel te bijten; maar kunnen op deze wijze geen

kwaad doen. Geen van hen verweert zich met de pooten. Als men een

Geit, die aan het gezelschap van hare soortgenooten gewoon is, alleen

opsluit, blaat zij op een erbarmelijke wijze; dikwijls weigert zij

het eten en drinken gedurende langen tijd. Evenals de mensch heeft

ook de Geit allerlei nukken: de moedigste wordt soms door onbeduidende

dingen zoozeer verschrikt, dat zij hals over kop wegloopt en niet te

houden is."

De bok heeft iets ernstigs en waardigs in zijn geheele houding en

onderscheidt zich ook door grootere vermetelheid en uitgelatenheid

van de geit. "Als er gesnoept, gespeeld of gevochten zal worden,"

zegt Tschudi, "toont hij duidelijk zijn lichtzinnigen aard. Het

Schaap heeft slechts gedurende zijn jeugd een opgewekt humeur,

zoo ook de Steenbok; de Geit behoudt haar vroolijkheid langer dan

zijne beide verwanten. Zonder eigenlijk in ernst twistziek te zijn,

daagt zij gaarne iemand tot een tweegevecht uit." Ik denk nog steeds

met genoegen terug aan een zeer forschen geitebok, die rustig lag

te herkauwen in het dorp, waar ik als jongen woonde. Het was in den

vroolijken schooljongenstijd, en wij, baldadige knapen, konden het niet

van ons verkrijgen, het op zijn gemak uitgestrekte dier ongestoord

te laten. Eén van ons daagde door een stoot met de vlakke hand den

Bok tot een tweegevecht uit. Deze stond langzaam op, rekte zich uit,

bedacht zich eerst geruimen tijd, ging vervolgens vóór zijn uitdager

staan en vatte de zaak veel ernstiger op, dan deze gewenscht had. Hij

vervolgde ons door het geheele dorp, bepaald ontevreden, dat wij

hem den rug toekeerden; want, zoodra een van ons zich omdraaide om

naar hem te kijken, ging hij oogenblikkelijk in vechtpostuur staan

en knikte op een veelbeteekenende wijze met den kop. Eerst nadat hij

ons ongeveer 10 minuten ver begeleid had, en tot zijn groote spijt

bemerkte, dat met zulke lafaards geen twist eerlijk uitgevochten kon

worden, verliet hij ons en draafde, mokkend over het voorbijgaan van

de gelegenheid om zijn moed te toonen, naar het dorp terug.

De Geit is den mensch van nature genegen; zij is eergierig en in hooge

mate belust op liefkoozingen. In de hooge bergstreken begeleidt zij

den wandelaar, smeekend en zich tegen hem aan vleiend, dikwijls meer

dan een half uur. Wie haar, al is het ook maar éénmaal, iets gegeven

heeft, wordt niet door haar vergeten, en vol vreugde begroet hij een

nieuwe ontmoeting. Als een Geit weet, dat haar meester haar genegen

is, toont zij zich ijverzuchtig als een verwende Hond en valt iedere

andere Geit, zoodra deze door haar gebieder wordt voorgetrokken, met de

hoorns aan. Zij is schrander en verstandig, en bemerkt het wel, wanneer

de mensch haar onrecht heeft gedaan, of haar onrechtmatig bestraft

heeft. Goed gedresseerde bokken trekken den bokkenwagen bereidwillig

en met genoegen; zij weigeren echter uitdrukkelijk dezen arbeid te

verrichten, zoodra zij gekweld of noodeloos geplaagd worden. Er zijn

echter nog duidelijker bewijzen te vinden voor het goed ontwikkelde

verstand van deze dieren. Het is bekend, dat Geiten afgericht kunnen

worden om op het bevel van hun meester zeer verschillende werkzaamheden

te verrichten. Dat zij echter, zonder hiertoe afgericht te zijn,

duidelijk antwoord kunnen geven op vragen, die men haar doet, kan ik op

grond van persoonlijke ervaring verzekeren. Mijn moeder houdt Geiten

en stelt er veel prijs op; zij is er daarom bijzonder op gesteld,

dat deze dieren goed verzorgd worden. Dadelijk kan zij gewaar worden,

of hare beschermelingen tevreden zijn, of niet. Het is voldoende,

dat zij zich naar 't venster begeeft en het vraagt. Zoodra de Geiten

de stem van haar gebiedster hooren, beginnen zij luid te schreeuwen,

ingeval zij de een of andere reden van klagen meenen te hebben, zoo

niet, dan zwijgen zij stil. Wanneer deze dieren in den tuin komen en

met een paar zweepslagen van de bloembedden of vruchtboomen verdreven

worden, hoort men geen kik van hen; als echter de dienstmeid hen in

den stal een slag geeft, schreeuwen zij erbarmelijk.

In het hoogland van Spanje gebruikt men de Geiten wegens haar groote

schranderheid als aanvoerders en gidsen van de schapenkudden. De

edelste rassen van Schapen grazen daar gedurende den geheelen zomer

in het hooge gebergte, in het zuiden dikwijls op hoogten van 2000

of 3000 M. boven den zeespiegel. Hier zouden de herders zich zonder

Geiten in 't geheel niet kunnen redden. Deze zoo nuttige dieren worden

evenwel als een noodzakelijk kwaad beschouwd; omdat zij de Schapen

tot gevaarlijke klimpartijen verleiden.

In Griekenland ziet men bijna geen ander vee dan Geiten; zij bewonen

alle bergen en zijn voor den wandelaar reeds op een afstand merkbaar

door den zeer duidelijken bokkenstank, dien zij verbreiden.--In vele

gewesten worden de Geiten aan zichzelf overgelaten; dit geschiedt ook

dikwijls in de Alpen. Zij worden in een bepaald, zeer afgelegen gebied

gedreven om hier te grazen, en in den herfst weer bijeen gezocht;

niet zelden ontbreekt dan de eene of andere op het appèl. Om dit

verlies zoo gering mogelijk te maken, brengt een knecht dagelijks,

dikwijls trouwens slechts éénmaal per week, zout naar de weideplaats

van de Geiten, die op de hiervoor bestemde, haar welbekende steenklomp,

ter bepaalder tijd met groot verlangen naar dit geschenk uitzien.

In het binnenland van Afrika grazen de Geiten eveneens naar eigen

goedvinden, maar worden 's avonds opgesloten in een zoogenaamde

"seriba" of omheining van doornen, waar zij tegen de Roofdieren

beveiligd zijn. Ook in West-Afrika loopen zij naar vrije verkiezing

rond, beklimmen lage boomen met scheef geplaatste stammen, en klauteren

zelfs bij afschuttingen met dwarsgerichte balken omhoog. Daar, waar

Luipaarden, haar ergste vijanden, voorkomen, worden zij des nachts

goed opgeborgen. Zij zijn den menschen, ook den Europeanen, genegen;

de reiziger, die Geiten medeneemt, heeft zich hoogstens in den eersten

tijd om haar te bekommeren, want meestal hebben zij zich reeds na

verloop van eenige dagen geheel aan het reizen met de karavaan gewend.

Amerika heeft hare Geiten van de Europeanen gekregen. Zij zijn thans

van het zuiden tot het noorden over dit werelddeel verbreid. Aan het

fokken van dit vee wordt echter niet overal de noodige zorg besteed;

in vele gewesten wordt het zelfs zeer verwaarloosd, zoo b.v. in Peru

en Paraguay, in Brazilië en Suriname; in Chili wordt er beter voor

gezorgd. In Australië werd dit nuttige huisdier eveneens ingevoerd;

het heeft hier een groote verbreiding gekregen.

Naar beweerd wordt, heeft het onderzoek geleerd, dat onze Geit van

576 inheemsche soorten van planten er 449 eet. Hare veranderlijkheid

en wispelturigheid komen bij 't zoeken van voedsel het duidelijkst

aan 't licht. Zij streeft onophoudelijk naar nieuwe genietingen,

plukt op iedere plaats slechts weinig, proeft en snoept nu eens van

de eene, dan weer van een andere plant, en bepaalt zich niet eens

tot het beste voedsel. Bijzonder gesteld is zij op boombladen; zij

richt daarom in boomaanplantingen groote schade aan. Opmerkelijk is

het, dat zij enkele planten, die voor andere dieren zeer schadelijk

zijn, zonder nadeel eet: o. a. wolfsmelk, schelkruid, peperboompje en

driedistel, zoo ook muurpeper, hoefblad, melisse, salie, scheerling,

hondspeterselie en dergelijke kruiden, met smaak eet zij ook rooktabak,

stukjes van sigaren, enz. Het liefst eet zij jonge bladen en bloemen

van peulgewassen, bladen van allerlei soorten van rapen en kool en van

de meeste boomen; het best bekomen haar alle planten, die op droge,

zonnige, vruchtbare, hooge gronden groeien. Geiten, die in 't vrije

veld grazen, krijgen niet anders dan water te drinken; in den stal

geeft men haar een lauwwarm mengsel van roggezemels met een weinig

zout en water.

Het wijfje van de Geit werpt 21 of 22 weken na de paring 1 of 2,

zeldzamer 3 en slechts bij uitzondering 4 of 5 jongen. Weinige minuten

na de geboorte gaan de sikjes staan en zoeken de uier van de moeder;

den volgenden dag reeds loopen zij rond en na 4 of 5 dagen volgen

zij hun moeder overal heen. Zij groeien snel; in de tweede maand

komen de hoorntjes te voorschijn en na verloop van een jaar hebben

zij nagenoeg hun volle grootte bereikt.

De Geit is een zeer nuttig huisdier; in vele gewesten kan men haar

als den besten vriend van de armen beschouwen. Haar onderhoud kost

weinig, in den zomer om zoo te zeggen niets: daarentegen voorziet zij

het gezin met melk en levert aan de onbemiddelden ook nog mest voor

den akker. Lenz heeft zorgvuldig boekgehouden van de melkopbrengst

van een Geit, die goed gevoederd werd; hij vond, dat zij in 1 jaar

885 liter melk kan leveren.

Behalve door haar melk, waar kaas van bereid wordt, die in Griekenland

een groote rol speelt bij de voeding van het volk, en ook boter,

is de geit nuttig door haar vleesch, haar vel en hare hoornen. Het

vleesch van jonge geitjes is zeer smakelijk, hoewel het bijna te

malsch is; dat van oudere dieren is niet slecht. Het vel wordt tot

marokijn en corduaan, zeldzamer tot perkament verwerkt; het Oosten

brengt nog altijd het grootste deel van de eerstgenoemde ledersoorten

aan de markt. Van bokkenleder worden pantalons en sterke handschoenen

gemaakt, in Griekenland wijnzakken en in Afrika waterzakken. Voor de

lederbereiding wordt aan het vel van de Gewone Geiten van het Kaapland

de voorkeur gegeven. Het grove haar wordt in sommige landen voor het

vervaardigen van penseelen gebruikt of tot touw ineengedraaid. De

hoornen worden door de kunstdraaiers verwerkt; in het oosten en bij

vele zoogenaamde wilde volken komen zij ook in de geneeskunde te pas,

daar zij als "koppen" dienst doen. Dit uitmuntende dier is dus zoowel

gedurende zijn leven als na zijn dood zeer nuttig.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 5 / 28 段