gering. Indien er in de vorige eeuw geen bijzondere maatregelen
waren genomen om ze te behouden, zou er misschien geen meer van over
zijn. Volgens oude berichten bewoonden zij in vroegere tijden alle
hooge Alpen van Zwitserland; in het voorhistorische tijdvak hielden
zij zich, naar het schijnt, ook nog in de Voor-Alpen op. Gedurende
de heerschappij der Romeinen moeten zij veelvuldig geweest zijn, daar
aan de kampspelen te Rome niet zelden 100 of 200 levende Steenbokken
deelnamen. Reeds in de 15e eeuw waren deze dieren in Zwitserland
zeldzaam.
In Salzburg en Tirol werden de Steenbokken waarschijnlijk eerst
omstreeks het midden van de 16e eeuw ingevoerd. Zij konden er slechts
gedurende korten tijd blijven bestaan. Wilddieven van de gevaarlijkste
soort vervolgden hen met zulk een ijver, dat de eigenaar van de jacht
in het door hen bewoonde gebied zich in het jaar 1561 met een verzoek
om bescherming tot zijn vorst, den aartsbisschop van Salzburg richtte,
die eindelijk in 1584 het jachtrecht overnam. Hij en zijne opvolgers
wendden verschillende middelen aan, om de uitroeiing van de edele
dieren te verhoeden. Zij namen een viermaal zoo groot aantal jagers
in dienst en stelden opzichters over het wild aan, die kleine hutten
op de hooge Alpen bewoonden. Zij lieten jonge Steenbokken opvangen,
die in diergaarden grootgebracht werden, daar de aartsbisschoppen
Steenbokken aan buitenlandsche hoven ten geschenke zonden. In het
jaar 1694 was de wildstand toegenomen tot 72 bokken, 83 geiten en 24
jongen. De wilddieven begonnen nu echter op nieuw groote schade aan
te richten; daarom liet men de dieren opvangen, om ze naar een andere
plaats over te brengen of ze weg te geven. In het jaar 1706 werden 5
Bokken en 7 Geiten gevangen; na dien tijd zag men er geen enkele meer.
Evenals in de reeds genoemde deelen der Alpen namen de Steenbokken
ook in de zuidelijke takken van dit gebergte zoo schielijk in
aantal af, dat Zummstein reeds in het jaar 1821 bij de regeering
van Piëmont ten sterkste aandrong op maatregelen tot bescherming
van deze wildsoort. Hij wist te bewerken, dat er een streng verbod
werd uitgevaardigd tegen het jagen van dit edele wild. Aan deze
verbodsbepaling is het te danken, dat de Steenbok hier nog niet geheel
uitgestorven is, maar, zij het dan ook op een zeer beperkt gebied,
nog steeds is blijven bestaan.
De Steenbokken vormen benden, die uit een zeer verschillend aantal
exemplaren kunnen bestaan; de oude bokken maken er alleen gedurende
den paartijd deel van uit, maar leiden gedurende de overige maanden
van 't jaar een kluizenaarsleven. De wijfjes en de jongen houden zich
gedurende alle jaargetijden in lagere gedeelten van het gebergte op dan
de bokken, die zulk een voorliefde voor hooggelegen plaatsen hebben,
dat alleen gebrek aan voedsel en zeer strenge koude hen kunnen dwingen
om zich naar een lagen hoogtegordel te begeven. Volgens Berthoud
van Berghem, wiens mededelingen ook thans nog vertrouwen verdienen,
nemen alle bokken die ouder zijn dan 6 jaar, de hoogste plaatsen
van het gebergte in; zij zonderen zich hoe langer hoe meer af en
worden ten slotte zoo ongevoelig voor de strengste koude, dat zij
dikwijls op volkomen vrije toppen, den kop gericht naar de streek,
vanwaar de storm komt, als standbeelden blijven staan, waarbij niet
zelden de toppen hunner ooren bevriezen. Evenals de Gemzen, grazen ook
de Steenbokken des nachts in de hoogste wouden, in den zomer echter
nooit verder dan een kwartier uur gaans beneden den top van een vrije
hoogte. Met zonsopgang beginnen zij grazend omhoog te klauteren; ten
slotte gaan zij liggen op de warmste en hoogste, naar het oosten of
zuiden gekeerde plekken; des namiddags begeven zij zich weder grazend
naar beneden, om zoo mogelijk in de bosschen den nacht door te brengen.
Waarschijnlijk is geen enkele Herkauwer zoo uitmuntend geschikt om de
steilste gebergten te bestijgen, als de wilde Geiten in 't algemeen en
de Steenbok in 't bijzonder. Iedere beweging van dit dier geschiedt
snel, krachtig en toch zonder merkbare inspanning. De Steenbok loopt
snel en onvermoeid en klimt met bewonderenswaardige gemakkelijkheid;
hij beweegt zich vlug en met een werkelijk onverklaarbare vastheid
van voet langs rotswanden, waar alleen hij steun kan vinden. Een
oneffenheid van den wand, die het menschelijk oog zelfs van
dichtbij ternauwernood opmerkt, is voor hem een veilig steunpunt;
een rotsspleet, een kleine opening enz. vormen voor hem de treden van
een begaanbare trap. Hij zet zijn hoeven zoo stevig en vast neder,
dat hij zich op het kleinste plekje kan staande houden.
Schinz merkte op, dat de dieren zonder te missen neerkwamen op de
plaats, die het doel was van hun sprong. Een zeer jonge Steenbok te
Bern sprong zonder aanloop een grooten man boven op het hoofd en hield
zich hier staande op zijne vier hoeven. Een andere zag men met alle
vier pooten op den top van een paal, een derde op den scherpen kant van
een deur staan en bij een loodrechten muur opklimmen, zonder gebruik
te maken van andere steunpunten dan de vooruitspringende gedeelten
der metselsteenen, die door het afvallen van den mortel zichtbaar
waren. In drie sprongen was hij boven op een muur. Hij plaatste zich
vlak tegenover het doelwit, dat hij bereiken wilde, mat den afstand
met de oogen, doorliep daarna met kleine passen een gelijke ruimte,
kwam herhaaldelijk op dezelfde plaats terug, wiegelde zich op zijne
pooten, alsof hij hun veerkracht wilde beproeven, zette af en was in
drie sprongen boven. Bij 't springen schijnt het, dat zij de rotsen
of den muur nagenoeg niet aanraken; hun lichaam beweegt zich als een
teruggekaatste, veerkrachtige bal. In hooge mate bewonderenswaardig
is ook de niet falende gewisheid van den sprong bij 't overschrijden
van rotskloven en afgronden. Als 't ware spelend, wippen zij van den
eenen klip op den anderen; zonder eenige aarzeling springen zij van
een aanzienlijke hoogte naar beneden in de diepte.
De stem van den Steenbok gelijkt op het fluiten van de Gems,
maar is meer gerekt. Onder de zinnen neemt het gezicht een
eerste plaats in. Het oog van den Steenbok is veel scherper,
zijn speurvermogen daarentegen veel geringer dan dat van de Gems;
ook het gehoor is voortreffelijk. Niet onwaarschijnlijk is het,
dat zijne geestvermogens op één hoogte staan met die van de Geiten
in 't algemeen. De Steenbok geeft bewijzen van schranderheid door
de keuze van zijne verblijfplaatsen en "wissels", door berekenende
voorzichtigheid in het behendig ontwijken van gevaren en doordat hij
zonder moeite zich schikt in veranderde omstandigheden.
In stille dalen van de hooge bergstreken zoekt de Steenbok zijn
voedsel in de voor- en namiddaguren; in oorden, waar hij vreest
gestoord te zullen worden, doet hij dit alleen gedurende de morgen-
en avondschemering, misschien ook des nachts. Lekkere bergkruiden,
grassen, boomknoppen, bladen, en takknoppen, vooral venkel- en
alsemsoorten, thijm, knoppen en takken van dwergwilgen, berken,
alpenrozen, brem en des winters bovendien ook dorre grassen en
korstmossen vormen zijn voedsel. Hij houdt zeer veel van zout.
De paring heeft in Januari plaats. De sterke, met kolossale hoornen
gewapende bokken bestrijden in dien tijd met moed en volharding hunne
mededingers. De geit werpt meestal in het einde van Juni of in het
begin van Juli 1 of 2 jongen, die in grootte ongeveer overeenstemmen
met een pas geboren Huisgeit. Reeds weinige uren na de geboorte
toont het jong, dat het bijna even stoutmoedig de bergen beklimt
als zijn moeder. Deze houdt veel van haar kind, likt het schoon,
bestuurt zijne schreden, begroet het met vriendschappelijk geblaat,
roept het bij zich, houdt zich, zoolang zij zoogt, met haar lieveling
in de holen van de rotsen verborgen. Zij verlaat haar kroost nooit,
behalve in gevallen, waarin de mensch haar al te gevaarlijk schijnt
en zij haar eigen leven moet redden, omdat haar dood ook die van
haar kind ten gevolge zou hebben. Bij dreigend gevaar loopt zij
langs duizelingwekkende hellingen en zoekt in woeste bergkloven
een toevlucht. Het jong echter houdt zich nu als een Muis zoo stil
en verbergt zich uiterst behendig achter steenen en in rotsholen,
beweegt zich niet, maar kijkt, luistert en speurt zorgvuldig in
alle richtingen. Zijn grijze haarkleur gelijkt zoozeer op de kleur
van rotsen en steenen, dat zelfs het scherpzinnigste valkenoog niet
in staat is het te zien, het van de rots te onderscheiden, die dus
tijdelijk de taak van de afwezige moeder op zich neemt.
Verscheidene oorzaken brengen te weeg, dat de Steenbokken zich slechts
langzaam vermenigvuldigen, zelfs daar, waar zij met zorg behandeld
worden. Behalve van den mensch hebben zij slechts weinig te lijden van
vijanden, die voor hen gevaarlijk kunnen worden. Groote Roofvogels,
n.l. de Steenarend en misschien ook de Lammergier, staan het jonge dier
naar 't leven, maar behalen, dank zij de waakzaamheid van de moeder,
slechts bij uitzondering den begeerden buit. Oudere Steenbokken loopen
misschien nu en dan gevaar van de roofzucht van Lossen, Wolven en
Beren. Verderfelijker dan alle genoemde oorzaken bijeengenomen is de
onherbergzaamheid van de verblijfplaats van dit dier gedurende den
winter en de lente. Naar Wilczeck in Val Savaranche vernam, verliezen
betrekkelijk vele Steenbokken ieder jaar hun leven door lawinen; vooral
krachtige mannetjes vinden op deze wijze den dood, waarschijnlijk,
omdat deze zich minder gemakkelijk door het gevaar laten afschrikken,
dan hunne jongere en meer vreesachtige soortgenooten. De ergste
vijand ook van den Steenbok is en blijft echter de mensch, vooral de
wildstrooper. Waarschijnlijk is er geen onderneming zoo bezwaarlijk en
gevaarvol als de Steenbokkenjacht, zooals hij deze uitoefent. Al wat
van de gevaren van de Gemzenjacht gezegd kan worden, geldt ook--en
in nog hoogere mate, naar Schinz duidelijk doet uitkomen--van
de Steenbokkenjacht. Wegens de zeldzaamheid van dit wild moet de
jager zich er op voorbereiden, dat hij 8 à 14 dagen, ver van alle
menschelijke woningen, dus meestal in de open lucht, in het hooge
bergland zal doorbrengen. Hij moet vorst en sneeuw, honger en dorst,
nevel en storm verdragen, in den ijskouden wind dikwijls verscheidene
opeenvolgende nachten op harde rotsen zonder eenige beschutting rusten
en zeer dikwijls, nadat zijn moed vele malen op de proef gesteld is,
zonder wild naar huis terugkeeren. In het gunstigste geval moet hij
met den moeilijk verworven buit alle bezochte wegen vermijden, om
niet met de jachtopzieners in aanraking te komen; hij moet vrij van
duizeling de vreeselijkste paden kunnen bewandelen en in het dragen
van zware lasten geoefend zijn, zal hij er in slagen, het loon van
zijne moeite thuis te brengen. Maar al te vaak komt het voor, dat hij
in plaats van wild, nood en ellende in zijn armoedige hut brengt,
om er niet eens van te spreken, dat hij iederen dag gevaar loopt,
door een val of misstap naar beneden te storten of, door den kogel
van een jachtopzichter getroffen, in den afgrond verpletterd te worden.
Jong gevangen Steenbokken gedijen in den regel goed, wanneer men hun
een Geit als min geeft; zij worden ook spoedig tam, maar verliezen deze
eigenschap weer, naarmate zij ouder worden. Zij zijn even nieuwsgierig,
plaagzuchtig en uitgelaten als jonge geitjes en aanvankelijk zoo
speelsch en grappig, dat het een lust is naar hen te kijken. Aan het
voedsel der gevangenschap geraken zij reeds na weinige dagen gewoon,
aan hun verzorger na geruimen tijd; zij onderscheiden dezen zeer goed
van andere menschen en geven blijdschap te kennen, als zij hem na
lange afwezigheid wederzien. Op liefkoozingen zijn zij zeer gesteld;
zij dulden echter niets, wat hun niet aanstaat en zijn weldra ook
brutaal genoeg, om in een dergelijk geval weerstand te bieden aan hun
oppasser, waarbij zij een uitdagende houding aannemen en den kop met
de korte hoornen op een zeer komische wijze bewegen. Zij houden zich
zoo stil als lammetjes, wanneer men hen tusschen de hoornen krauwt;
maar beantwoorden deze liefkoozing niet zelden moedwillig met als
een grap bedoelden, maar toch duidelijk merkbare stoot. Hoe ouder
zij worden, des te meer zelfvertrouwen en overmoed toonen zij.
Dat er aan het fokken van bastaarden van Steenbokken en Huisgeiten
bezwaren verbonden zijn, blijkt o.a. uit de proefnemingen, die
in de jaren 1820 à 1830 in Bern genomen werden. Hier had men aan
de Steenbokken en hunne bastaarden een deel van de stadswallen als
weideplaats aangewezen, waar zij voldoende voedsel vonden en zich op
de gewenschte wijze vermenigvuldigden. Evenals de Steenbokken zelf
vergaten ook hunne nakomelingen weldra de hun bewezen weldaden en
toonden ten slotte jegens de menschen zoomin liefde als vrees. Een
bastaardbok vermaakte zich op de wallen met het uitdagen en bevechten
van de schildwachten en deed dit met een volharding, die hem weldra
zeer gehaat maakte. Eenmaal stoorde hij de waarnemingen van den
in zijn observatorium arbeidenden sterrekundige en scheurde hem de
roksmouw open. Later kreeg hij de liefhebberij van zich te bemoeien
met de wandelingen van de vreedzame burgers en joeg hij deze op
de vlucht. Eindelijk viel het hem in, op de daken te klauteren
en hier de leien of pannen stuk te maken. Er werd zooveel over de
handelingen van dit dier geklaagd, dat de edelachtbare autoriteiten
wel genoodzaakt waren maatregelen te nemen; de plaaglustige bok
werd plechtig uit de stad verbannen, en met zijne geiten naar een
berg bij Unterseen overgebracht. De geiten schikten zich goed in de
verandering van woonplaats; de bok echter vermeed de nabuurschap van
de gletschers en meende de voorkeur te moeten geven aan den bewoonden
gordel van het gebergte. Hij begon met de Alpenhutten te bezoeken,
en hier een innigere betrekking aan te knoopen met de Huisgeiten,
dan de veehoeders wenschten; ten slotte kwam hij hier zoo dikwijls
te gast, en gevoelde zich er zoo goed thuis, dat hij zich niet meer
liet wegjagen, en tegen iedereen een ruim gebruik maakte van zijne
hoornen. Deze geweldenarijen en uitspattingen maakten eindelijk het
verwijderen van het dier volstrekt noodig. Vier sterke mannen kregen
de opdracht het verder omhoog in het gebergte, tot op de hoogte van
het Saxetendal te brengen. Het woeste dier werd gebonden aan een
stevig touw; meer dan eens wierp het echter zijn geheele escorte op
den grond. Een forsche gemzenjager werd nu belast met het toezicht
over de voorgenomen steenbokkenfokkerij. Ook hij had hiermede echter
veel te stellen, want de bok scheen volstrekt geen denkbeeld te hebben
van onderworpenheid. Eens daagde hij zijn bewaker tot een tweegevecht
uit, een uitnoodiging, die de man goedschiks of kwaadschiks wel
aannemen moest, daar zij gedaan werd dicht bij den rand van een
afgrond. Een vol uur moest de jager met het dier worstelen, voordat
het hem gelukte de overhand te krijgen. De bok bepaalde zich echter
niet tot zulke ridderlijke oefeningen, maar deed ook op andere wijze
van zich spreken. Hij was en bleef de schrik der herders, die hij,
van de hoogten afdalend, in hunne hutten opzocht, letterlijk overviel
en mishandelde. Op nieuw werd door de bergbewoners over hem geklaagd;
een tweede verbanning van den bok was er het gevolg van. Men wees hem
den Grimselalp als woonplaats aan. Ook hier bleef hij aan zijne oude
liefhebberijen getrouw, aanvaardde den strijd met alle Honden, zelfs
met de grootste, en wierp ze, wanneer zij standhielden, met een forsche
beweging zijner hoornen, overmoedig over zijn kop heen. Uitdagend trad
hij de toeristen, die den berg beklommen, te gemoet, en veroorzaakte
schrik en ontzetting overal waar en telkens als hij zich vertoonde. De
overheid was ten slotte wel genoodzaakt tusschenbeide te komen;
het doodvonnis werd geveld, en de levensdraad van den naar vrijheid
dorstenden, merkwaardig sterken klant werd ontijdig afgesneden. Ook
zijne nakomelingen onderscheiden zich op lateren leeftijd door een
buitengewone wildheid. Zoolang zij nog jong waren, vermaakten zij de
herders door hunne uitgelaten sprongen en gebaren; toen zij evenwel
ouder en sterker werden, veroorzaakten zij zooveel last aan hunne
eigenaars, dat zij alle geslacht moesten worden. Zoo ging het met
de Berner steenbokkenfokkerij; het hiermede beoogde doel werd dus
niet bereikt.
De _Bergsteenbok_, de _Cabramontés_ der Spanjaarden, de
_Pyreneeënsteenbok_ der vroegere dierkundigen (_Capra pyrenaica_),
bereikt dezelfde grootte als de Alpen-steenbok, maar verschilt
aanmerkelijk van deze door den vorm en de ontwikkeling der hoornen. Die
van het mannetje staan aan den wortel zoo dicht bijeen, dat zij van
voren slechts een tusschenruimte van hoogstens 4, van achteren van
slechts 1 cM. overlaten; het onderste gedeelte rijst steil omhoog,
en is slechts weinig buitenwaarts gericht: voorbij het eerste derde
gedeelte van hun lengte wenden zij zich met een vrij sterke kromming
naar buiten; liervormig uiteenwijkend, keeren zij zich tevens naar
achteren en bereiken bij het begin van het laatste derde gedeelte
hun grootsten onderlingen afstand; de spitsen buigen zich weder
naar elkander toe en zijn ten slotte een weinig omhooggericht. Op
de dwarse doorsnede zijn zij over 't geheel genomen peervormig;
daar zij, scheef van voren gezien, een ronding vertoonen en aan de
tegenovergestelde zijde bijna scherpkantig samengedrukt zijn. De
jaarringen of groeiringen zijn als dwarse richels zichtbaar, maar
puilen veel minder uit dan bij den Alpen-steenbok. Deze hoornen
kunnen vermoedelijk wel 1 M. lang worden. Een hoorn van 79 cM. lengte,
had aan den wortel een omvang van 22 cM. en vertoonde 11 jaarringen.
Het verbreidingsgebied van den Berg-steenbok reikt van de kust van de
Golf van Biscaye tot aan de Middellandsche Zee en van de Pyreneeën
tot aan de Serrania de Ronda. Het veelvuldigst komt hij echter voor
in de Sierra de Gredos, een bergketen, die de scheiding vormt tusschen
het stroomgebied van den Doero en dat van den Taag.
De _Geiten_ (in de meest beperkte beteekenis van het woord) (_Hircus_)
zijn gemiddeld iets kleiner dan de Steenbokken; hare hoornen zijn
min of meer samengedrukt, bij het mannetje met twee scherpe kanten
en met dwarsrichels of rimpels voorzien, bij het wijfje geringd of
gerimpeld. Voor 't overige komen de Geiten in alle opzichten met de
Steenbokken overeen.
Evenals van de meeste andere huisdieren is ook van onze _Huisgeit_ de
afstamming onbekend. Van de in 't wild levende Geiten, die vooral in
Azië aangetroffen worden, is ons nog zoo weinig bekend, dat het zelfs
niet mogelijk is het aantal soorten bij benadering op te geven. Vele
dierkundigen meenen, dat de _Bezoar-geit_ meer dan eenige andere soort
aanspraak mag maken op de eer ons zulk een nuttig huisdier verschaft
te hebben. Werkelijk stemt dit dier in alle hoofdkenmerken met de Tamme
Geit overeen; alleen de richting en de kromming der hoornen verschilt.
De _Bezoar-geit_ (_Capra aegagrus_) is wel kleiner dan de Europeesche
Steenbok, maar toch aanmerkelijk grooter dan onze Huisgeit. De lengte
van den volwassen bok bedraagt ongeveer 1.5 M. de hoogte van de schoft
95 cM. en die van 't kruis 2 cM. meer. De zeer groote en forsche,
van weerszijden samengedrukte, van achteren en voren scherpkantige,
aan de buitenzijde echter afgeronde en gewelfde horens, welker lengte
reeds bij middelmatig groote dieren meer dan 40 cM., bij oude dikwijls
meer dan 80 cM. bedraagt, zijn van den wortel af sterk en gelijkmatig
gekromd. Zij vormen een achterwaarts gerichten, enkelvoudigen boog, die
bij oude mannetjes ongeveer een halven cirkel uitmaakt; aan den wortel
staan zij dicht bijeen, zijn vervolgens tot over het midden gestadig
naar onderen gebogen, richten echter hun spits weer sterk naar voren
en naar binnen; de middengedeelten zijn 30 à 40, de spitsen 18 à 25
cM. van elkander verwijderd. Tusschen de knoopen of dwarsrichels van
den hoorn, welker aantal bij oude dieren hoogstens 10 à 12 bedraagt,
komen talrijke, dwars gerichte rimpels voor. De vacht bestaat uit
tamelijk lange, stijve, glad tegen de huid aanliggende bovenharen,
die zich op de grens van kop en hals tot een baard verlengen, en uit
korte, middelmatig fijne wolharen. Zij is licht roodachtig grijs of
roestbruinachtig geel; aan de zijden van den hals en bij den buik
wordt de kleur lichter; de borst en de onderzijde van den hals zijn
donkerzwartbruin; de buik benevens de binnen- en de achterzijde
van de pooten zijn wit. Een scherp begrensde, donkerzwartbruine,
overlangsche streep loopt over het midden van den rug tot aan den
staart; deze heeft een effen zwarte kleur.
Het verbreidingsgebied van de Bezoar-geit omvat een uitgestrekte
landstreek van West- en Middel-Azië. Zij komt voor aan de zuidzijde
van den Kaukasus, in den Taurus en in de meeste overige gebergten van
Klein-Azië en Perzië tot ver in het zuiden, zelfs in Afghanistan en
Beloetsjitan; voorts wordt zij gevonden op verscheidene eilanden van
de Middellandsche en meer bepaaldelijk van de Grieksche Zee, misschien
ook op de hoogste gebergten van het Grieksche schiereiland. Het is
namelijk met nagenoeg volkomen zekerheid gebleken, dat zij het dier is,
dat Homerus bedoelde bij de beschrijving van het eiland der Cyclopen:
"Der Geiten oneindige schare een speelplaats,
Van 't wilde gedierte, dat nimmer de voet des menschen
verjaagde."
Door uiterlijk, aard en bewegingen herinnert de Bezoar-geit sterk aan
den Steenbok. Vlug en onbekommerd loopt zij langs moeielijke paden,
staat dikwijls uren lang op een vooruitstekende rotspunt en kijkt,
op duizelingwekkende hoogte onbeschut, in den ontzaglijken afgrond;
zij klimt voortreffelijk en doet met bewonderenswaardigen moed en
behendigheid gevaarlijke sprongen. Zij is buitengemeen schuw en weet
aan de meeste gevaren te ontkomen.
Gedurende den paartijd, die in November valt, leveren de Bokken
elkander langdurige en heete gevechten. In April of Mei brengen de
jonge één of twee, de oude geregeld twee jongen ter wereld, zelfs
drielingen komen niet bijzonder zeldzaam voor. De jongen volgen de
moeder onmiddellijk na de geboorte, en vergezellen haar reeds na den
tweeden levensdag op de moeielijkste paden; zij groeien snel en zijn
te allen tijde speelsch en tot grappen geneigd.
Levende Bezoar-geiten komen nog steeds zeer zelden in onze dierentuinen
voor, hoewel de verzending van dieren dezer soort weinig bezwaren
aanbiedt, indien zij sinds hun vroegste jeugd in gevangenschap
geleefd hebben.