Reeds voor honderden van jaren was het aantal Steenbokken zeer

gering. Indien er in de vorige eeuw geen bijzondere maatregelen

waren genomen om ze te behouden, zou er misschien geen meer van over

zijn. Volgens oude berichten bewoonden zij in vroegere tijden alle

hooge Alpen van Zwitserland; in het voorhistorische tijdvak hielden

zij zich, naar het schijnt, ook nog in de Voor-Alpen op. Gedurende

de heerschappij der Romeinen moeten zij veelvuldig geweest zijn, daar

aan de kampspelen te Rome niet zelden 100 of 200 levende Steenbokken

deelnamen. Reeds in de 15e eeuw waren deze dieren in Zwitserland

zeldzaam.

In Salzburg en Tirol werden de Steenbokken waarschijnlijk eerst

omstreeks het midden van de 16e eeuw ingevoerd. Zij konden er slechts

gedurende korten tijd blijven bestaan. Wilddieven van de gevaarlijkste

soort vervolgden hen met zulk een ijver, dat de eigenaar van de jacht

in het door hen bewoonde gebied zich in het jaar 1561 met een verzoek

om bescherming tot zijn vorst, den aartsbisschop van Salzburg richtte,

die eindelijk in 1584 het jachtrecht overnam. Hij en zijne opvolgers

wendden verschillende middelen aan, om de uitroeiing van de edele

dieren te verhoeden. Zij namen een viermaal zoo groot aantal jagers

in dienst en stelden opzichters over het wild aan, die kleine hutten

op de hooge Alpen bewoonden. Zij lieten jonge Steenbokken opvangen,

die in diergaarden grootgebracht werden, daar de aartsbisschoppen

Steenbokken aan buitenlandsche hoven ten geschenke zonden. In het

jaar 1694 was de wildstand toegenomen tot 72 bokken, 83 geiten en 24

jongen. De wilddieven begonnen nu echter op nieuw groote schade aan

te richten; daarom liet men de dieren opvangen, om ze naar een andere

plaats over te brengen of ze weg te geven. In het jaar 1706 werden 5

Bokken en 7 Geiten gevangen; na dien tijd zag men er geen enkele meer.

Evenals in de reeds genoemde deelen der Alpen namen de Steenbokken

ook in de zuidelijke takken van dit gebergte zoo schielijk in

aantal af, dat Zummstein reeds in het jaar 1821 bij de regeering

van Piëmont ten sterkste aandrong op maatregelen tot bescherming

van deze wildsoort. Hij wist te bewerken, dat er een streng verbod

werd uitgevaardigd tegen het jagen van dit edele wild. Aan deze

verbodsbepaling is het te danken, dat de Steenbok hier nog niet geheel

uitgestorven is, maar, zij het dan ook op een zeer beperkt gebied,

nog steeds is blijven bestaan.

De Steenbokken vormen benden, die uit een zeer verschillend aantal

exemplaren kunnen bestaan; de oude bokken maken er alleen gedurende

den paartijd deel van uit, maar leiden gedurende de overige maanden

van 't jaar een kluizenaarsleven. De wijfjes en de jongen houden zich

gedurende alle jaargetijden in lagere gedeelten van het gebergte op dan

de bokken, die zulk een voorliefde voor hooggelegen plaatsen hebben,

dat alleen gebrek aan voedsel en zeer strenge koude hen kunnen dwingen

om zich naar een lagen hoogtegordel te begeven. Volgens Berthoud

van Berghem, wiens mededelingen ook thans nog vertrouwen verdienen,

nemen alle bokken die ouder zijn dan 6 jaar, de hoogste plaatsen

van het gebergte in; zij zonderen zich hoe langer hoe meer af en

worden ten slotte zoo ongevoelig voor de strengste koude, dat zij

dikwijls op volkomen vrije toppen, den kop gericht naar de streek,

vanwaar de storm komt, als standbeelden blijven staan, waarbij niet

zelden de toppen hunner ooren bevriezen. Evenals de Gemzen, grazen ook

de Steenbokken des nachts in de hoogste wouden, in den zomer echter

nooit verder dan een kwartier uur gaans beneden den top van een vrije

hoogte. Met zonsopgang beginnen zij grazend omhoog te klauteren; ten

slotte gaan zij liggen op de warmste en hoogste, naar het oosten of

zuiden gekeerde plekken; des namiddags begeven zij zich weder grazend

naar beneden, om zoo mogelijk in de bosschen den nacht door te brengen.

Waarschijnlijk is geen enkele Herkauwer zoo uitmuntend geschikt om de

steilste gebergten te bestijgen, als de wilde Geiten in 't algemeen en

de Steenbok in 't bijzonder. Iedere beweging van dit dier geschiedt

snel, krachtig en toch zonder merkbare inspanning. De Steenbok loopt

snel en onvermoeid en klimt met bewonderenswaardige gemakkelijkheid;

hij beweegt zich vlug en met een werkelijk onverklaarbare vastheid

van voet langs rotswanden, waar alleen hij steun kan vinden. Een

oneffenheid van den wand, die het menschelijk oog zelfs van

dichtbij ternauwernood opmerkt, is voor hem een veilig steunpunt;

een rotsspleet, een kleine opening enz. vormen voor hem de treden van

een begaanbare trap. Hij zet zijn hoeven zoo stevig en vast neder,

dat hij zich op het kleinste plekje kan staande houden.

Schinz merkte op, dat de dieren zonder te missen neerkwamen op de

plaats, die het doel was van hun sprong. Een zeer jonge Steenbok te

Bern sprong zonder aanloop een grooten man boven op het hoofd en hield

zich hier staande op zijne vier hoeven. Een andere zag men met alle

vier pooten op den top van een paal, een derde op den scherpen kant van

een deur staan en bij een loodrechten muur opklimmen, zonder gebruik

te maken van andere steunpunten dan de vooruitspringende gedeelten

der metselsteenen, die door het afvallen van den mortel zichtbaar

waren. In drie sprongen was hij boven op een muur. Hij plaatste zich

vlak tegenover het doelwit, dat hij bereiken wilde, mat den afstand

met de oogen, doorliep daarna met kleine passen een gelijke ruimte,

kwam herhaaldelijk op dezelfde plaats terug, wiegelde zich op zijne

pooten, alsof hij hun veerkracht wilde beproeven, zette af en was in

drie sprongen boven. Bij 't springen schijnt het, dat zij de rotsen

of den muur nagenoeg niet aanraken; hun lichaam beweegt zich als een

teruggekaatste, veerkrachtige bal. In hooge mate bewonderenswaardig

is ook de niet falende gewisheid van den sprong bij 't overschrijden

van rotskloven en afgronden. Als 't ware spelend, wippen zij van den

eenen klip op den anderen; zonder eenige aarzeling springen zij van

een aanzienlijke hoogte naar beneden in de diepte.

De stem van den Steenbok gelijkt op het fluiten van de Gems,

maar is meer gerekt. Onder de zinnen neemt het gezicht een

eerste plaats in. Het oog van den Steenbok is veel scherper,

zijn speurvermogen daarentegen veel geringer dan dat van de Gems;

ook het gehoor is voortreffelijk. Niet onwaarschijnlijk is het,

dat zijne geestvermogens op één hoogte staan met die van de Geiten

in 't algemeen. De Steenbok geeft bewijzen van schranderheid door

de keuze van zijne verblijfplaatsen en "wissels", door berekenende

voorzichtigheid in het behendig ontwijken van gevaren en doordat hij

zonder moeite zich schikt in veranderde omstandigheden.

In stille dalen van de hooge bergstreken zoekt de Steenbok zijn

voedsel in de voor- en namiddaguren; in oorden, waar hij vreest

gestoord te zullen worden, doet hij dit alleen gedurende de morgen-

en avondschemering, misschien ook des nachts. Lekkere bergkruiden,

grassen, boomknoppen, bladen, en takknoppen, vooral venkel- en

alsemsoorten, thijm, knoppen en takken van dwergwilgen, berken,

alpenrozen, brem en des winters bovendien ook dorre grassen en

korstmossen vormen zijn voedsel. Hij houdt zeer veel van zout.

De paring heeft in Januari plaats. De sterke, met kolossale hoornen

gewapende bokken bestrijden in dien tijd met moed en volharding hunne

mededingers. De geit werpt meestal in het einde van Juni of in het

begin van Juli 1 of 2 jongen, die in grootte ongeveer overeenstemmen

met een pas geboren Huisgeit. Reeds weinige uren na de geboorte

toont het jong, dat het bijna even stoutmoedig de bergen beklimt

als zijn moeder. Deze houdt veel van haar kind, likt het schoon,

bestuurt zijne schreden, begroet het met vriendschappelijk geblaat,

roept het bij zich, houdt zich, zoolang zij zoogt, met haar lieveling

in de holen van de rotsen verborgen. Zij verlaat haar kroost nooit,

behalve in gevallen, waarin de mensch haar al te gevaarlijk schijnt

en zij haar eigen leven moet redden, omdat haar dood ook die van

haar kind ten gevolge zou hebben. Bij dreigend gevaar loopt zij

langs duizelingwekkende hellingen en zoekt in woeste bergkloven

een toevlucht. Het jong echter houdt zich nu als een Muis zoo stil

en verbergt zich uiterst behendig achter steenen en in rotsholen,

beweegt zich niet, maar kijkt, luistert en speurt zorgvuldig in

alle richtingen. Zijn grijze haarkleur gelijkt zoozeer op de kleur

van rotsen en steenen, dat zelfs het scherpzinnigste valkenoog niet

in staat is het te zien, het van de rots te onderscheiden, die dus

tijdelijk de taak van de afwezige moeder op zich neemt.

Verscheidene oorzaken brengen te weeg, dat de Steenbokken zich slechts

langzaam vermenigvuldigen, zelfs daar, waar zij met zorg behandeld

worden. Behalve van den mensch hebben zij slechts weinig te lijden van

vijanden, die voor hen gevaarlijk kunnen worden. Groote Roofvogels,

n.l. de Steenarend en misschien ook de Lammergier, staan het jonge dier

naar 't leven, maar behalen, dank zij de waakzaamheid van de moeder,

slechts bij uitzondering den begeerden buit. Oudere Steenbokken loopen

misschien nu en dan gevaar van de roofzucht van Lossen, Wolven en

Beren. Verderfelijker dan alle genoemde oorzaken bijeengenomen is de

onherbergzaamheid van de verblijfplaats van dit dier gedurende den

winter en de lente. Naar Wilczeck in Val Savaranche vernam, verliezen

betrekkelijk vele Steenbokken ieder jaar hun leven door lawinen; vooral

krachtige mannetjes vinden op deze wijze den dood, waarschijnlijk,

omdat deze zich minder gemakkelijk door het gevaar laten afschrikken,

dan hunne jongere en meer vreesachtige soortgenooten. De ergste

vijand ook van den Steenbok is en blijft echter de mensch, vooral de

wildstrooper. Waarschijnlijk is er geen onderneming zoo bezwaarlijk en

gevaarvol als de Steenbokkenjacht, zooals hij deze uitoefent. Al wat

van de gevaren van de Gemzenjacht gezegd kan worden, geldt ook--en

in nog hoogere mate, naar Schinz duidelijk doet uitkomen--van

de Steenbokkenjacht. Wegens de zeldzaamheid van dit wild moet de

jager zich er op voorbereiden, dat hij 8 à 14 dagen, ver van alle

menschelijke woningen, dus meestal in de open lucht, in het hooge

bergland zal doorbrengen. Hij moet vorst en sneeuw, honger en dorst,

nevel en storm verdragen, in den ijskouden wind dikwijls verscheidene

opeenvolgende nachten op harde rotsen zonder eenige beschutting rusten

en zeer dikwijls, nadat zijn moed vele malen op de proef gesteld is,

zonder wild naar huis terugkeeren. In het gunstigste geval moet hij

met den moeilijk verworven buit alle bezochte wegen vermijden, om

niet met de jachtopzieners in aanraking te komen; hij moet vrij van

duizeling de vreeselijkste paden kunnen bewandelen en in het dragen

van zware lasten geoefend zijn, zal hij er in slagen, het loon van

zijne moeite thuis te brengen. Maar al te vaak komt het voor, dat hij

in plaats van wild, nood en ellende in zijn armoedige hut brengt,

om er niet eens van te spreken, dat hij iederen dag gevaar loopt,

door een val of misstap naar beneden te storten of, door den kogel

van een jachtopzichter getroffen, in den afgrond verpletterd te worden.

Jong gevangen Steenbokken gedijen in den regel goed, wanneer men hun

een Geit als min geeft; zij worden ook spoedig tam, maar verliezen deze

eigenschap weer, naarmate zij ouder worden. Zij zijn even nieuwsgierig,

plaagzuchtig en uitgelaten als jonge geitjes en aanvankelijk zoo

speelsch en grappig, dat het een lust is naar hen te kijken. Aan het

voedsel der gevangenschap geraken zij reeds na weinige dagen gewoon,

aan hun verzorger na geruimen tijd; zij onderscheiden dezen zeer goed

van andere menschen en geven blijdschap te kennen, als zij hem na

lange afwezigheid wederzien. Op liefkoozingen zijn zij zeer gesteld;

zij dulden echter niets, wat hun niet aanstaat en zijn weldra ook

brutaal genoeg, om in een dergelijk geval weerstand te bieden aan hun

oppasser, waarbij zij een uitdagende houding aannemen en den kop met

de korte hoornen op een zeer komische wijze bewegen. Zij houden zich

zoo stil als lammetjes, wanneer men hen tusschen de hoornen krauwt;

maar beantwoorden deze liefkoozing niet zelden moedwillig met als

een grap bedoelden, maar toch duidelijk merkbare stoot. Hoe ouder

zij worden, des te meer zelfvertrouwen en overmoed toonen zij.

Dat er aan het fokken van bastaarden van Steenbokken en Huisgeiten

bezwaren verbonden zijn, blijkt o.a. uit de proefnemingen, die

in de jaren 1820 à 1830 in Bern genomen werden. Hier had men aan

de Steenbokken en hunne bastaarden een deel van de stadswallen als

weideplaats aangewezen, waar zij voldoende voedsel vonden en zich op

de gewenschte wijze vermenigvuldigden. Evenals de Steenbokken zelf

vergaten ook hunne nakomelingen weldra de hun bewezen weldaden en

toonden ten slotte jegens de menschen zoomin liefde als vrees. Een

bastaardbok vermaakte zich op de wallen met het uitdagen en bevechten

van de schildwachten en deed dit met een volharding, die hem weldra

zeer gehaat maakte. Eenmaal stoorde hij de waarnemingen van den

in zijn observatorium arbeidenden sterrekundige en scheurde hem de

roksmouw open. Later kreeg hij de liefhebberij van zich te bemoeien

met de wandelingen van de vreedzame burgers en joeg hij deze op

de vlucht. Eindelijk viel het hem in, op de daken te klauteren

en hier de leien of pannen stuk te maken. Er werd zooveel over de

handelingen van dit dier geklaagd, dat de edelachtbare autoriteiten

wel genoodzaakt waren maatregelen te nemen; de plaaglustige bok

werd plechtig uit de stad verbannen, en met zijne geiten naar een

berg bij Unterseen overgebracht. De geiten schikten zich goed in de

verandering van woonplaats; de bok echter vermeed de nabuurschap van

de gletschers en meende de voorkeur te moeten geven aan den bewoonden

gordel van het gebergte. Hij begon met de Alpenhutten te bezoeken,

en hier een innigere betrekking aan te knoopen met de Huisgeiten,

dan de veehoeders wenschten; ten slotte kwam hij hier zoo dikwijls

te gast, en gevoelde zich er zoo goed thuis, dat hij zich niet meer

liet wegjagen, en tegen iedereen een ruim gebruik maakte van zijne

hoornen. Deze geweldenarijen en uitspattingen maakten eindelijk het

verwijderen van het dier volstrekt noodig. Vier sterke mannen kregen

de opdracht het verder omhoog in het gebergte, tot op de hoogte van

het Saxetendal te brengen. Het woeste dier werd gebonden aan een

stevig touw; meer dan eens wierp het echter zijn geheele escorte op

den grond. Een forsche gemzenjager werd nu belast met het toezicht

over de voorgenomen steenbokkenfokkerij. Ook hij had hiermede echter

veel te stellen, want de bok scheen volstrekt geen denkbeeld te hebben

van onderworpenheid. Eens daagde hij zijn bewaker tot een tweegevecht

uit, een uitnoodiging, die de man goedschiks of kwaadschiks wel

aannemen moest, daar zij gedaan werd dicht bij den rand van een

afgrond. Een vol uur moest de jager met het dier worstelen, voordat

het hem gelukte de overhand te krijgen. De bok bepaalde zich echter

niet tot zulke ridderlijke oefeningen, maar deed ook op andere wijze

van zich spreken. Hij was en bleef de schrik der herders, die hij,

van de hoogten afdalend, in hunne hutten opzocht, letterlijk overviel

en mishandelde. Op nieuw werd door de bergbewoners over hem geklaagd;

een tweede verbanning van den bok was er het gevolg van. Men wees hem

den Grimselalp als woonplaats aan. Ook hier bleef hij aan zijne oude

liefhebberijen getrouw, aanvaardde den strijd met alle Honden, zelfs

met de grootste, en wierp ze, wanneer zij standhielden, met een forsche

beweging zijner hoornen, overmoedig over zijn kop heen. Uitdagend trad

hij de toeristen, die den berg beklommen, te gemoet, en veroorzaakte

schrik en ontzetting overal waar en telkens als hij zich vertoonde. De

overheid was ten slotte wel genoodzaakt tusschenbeide te komen;

het doodvonnis werd geveld, en de levensdraad van den naar vrijheid

dorstenden, merkwaardig sterken klant werd ontijdig afgesneden. Ook

zijne nakomelingen onderscheiden zich op lateren leeftijd door een

buitengewone wildheid. Zoolang zij nog jong waren, vermaakten zij de

herders door hunne uitgelaten sprongen en gebaren; toen zij evenwel

ouder en sterker werden, veroorzaakten zij zooveel last aan hunne

eigenaars, dat zij alle geslacht moesten worden. Zoo ging het met

de Berner steenbokkenfokkerij; het hiermede beoogde doel werd dus

niet bereikt.

De _Bergsteenbok_, de _Cabramontés_ der Spanjaarden, de

_Pyreneeënsteenbok_ der vroegere dierkundigen (_Capra pyrenaica_),

bereikt dezelfde grootte als de Alpen-steenbok, maar verschilt

aanmerkelijk van deze door den vorm en de ontwikkeling der hoornen. Die

van het mannetje staan aan den wortel zoo dicht bijeen, dat zij van

voren slechts een tusschenruimte van hoogstens 4, van achteren van

slechts 1 cM. overlaten; het onderste gedeelte rijst steil omhoog,

en is slechts weinig buitenwaarts gericht: voorbij het eerste derde

gedeelte van hun lengte wenden zij zich met een vrij sterke kromming

naar buiten; liervormig uiteenwijkend, keeren zij zich tevens naar

achteren en bereiken bij het begin van het laatste derde gedeelte

hun grootsten onderlingen afstand; de spitsen buigen zich weder

naar elkander toe en zijn ten slotte een weinig omhooggericht. Op

de dwarse doorsnede zijn zij over 't geheel genomen peervormig;

daar zij, scheef van voren gezien, een ronding vertoonen en aan de

tegenovergestelde zijde bijna scherpkantig samengedrukt zijn. De

jaarringen of groeiringen zijn als dwarse richels zichtbaar, maar

puilen veel minder uit dan bij den Alpen-steenbok. Deze hoornen

kunnen vermoedelijk wel 1 M. lang worden. Een hoorn van 79 cM. lengte,

had aan den wortel een omvang van 22 cM. en vertoonde 11 jaarringen.

Het verbreidingsgebied van den Berg-steenbok reikt van de kust van de

Golf van Biscaye tot aan de Middellandsche Zee en van de Pyreneeën

tot aan de Serrania de Ronda. Het veelvuldigst komt hij echter voor

in de Sierra de Gredos, een bergketen, die de scheiding vormt tusschen

het stroomgebied van den Doero en dat van den Taag.

De _Geiten_ (in de meest beperkte beteekenis van het woord) (_Hircus_)

zijn gemiddeld iets kleiner dan de Steenbokken; hare hoornen zijn

min of meer samengedrukt, bij het mannetje met twee scherpe kanten

en met dwarsrichels of rimpels voorzien, bij het wijfje geringd of

gerimpeld. Voor 't overige komen de Geiten in alle opzichten met de

Steenbokken overeen.

Evenals van de meeste andere huisdieren is ook van onze _Huisgeit_ de

afstamming onbekend. Van de in 't wild levende Geiten, die vooral in

Azië aangetroffen worden, is ons nog zoo weinig bekend, dat het zelfs

niet mogelijk is het aantal soorten bij benadering op te geven. Vele

dierkundigen meenen, dat de _Bezoar-geit_ meer dan eenige andere soort

aanspraak mag maken op de eer ons zulk een nuttig huisdier verschaft

te hebben. Werkelijk stemt dit dier in alle hoofdkenmerken met de Tamme

Geit overeen; alleen de richting en de kromming der hoornen verschilt.

De _Bezoar-geit_ (_Capra aegagrus_) is wel kleiner dan de Europeesche

Steenbok, maar toch aanmerkelijk grooter dan onze Huisgeit. De lengte

van den volwassen bok bedraagt ongeveer 1.5 M. de hoogte van de schoft

95 cM. en die van 't kruis 2 cM. meer. De zeer groote en forsche,

van weerszijden samengedrukte, van achteren en voren scherpkantige,

aan de buitenzijde echter afgeronde en gewelfde horens, welker lengte

reeds bij middelmatig groote dieren meer dan 40 cM., bij oude dikwijls

meer dan 80 cM. bedraagt, zijn van den wortel af sterk en gelijkmatig

gekromd. Zij vormen een achterwaarts gerichten, enkelvoudigen boog, die

bij oude mannetjes ongeveer een halven cirkel uitmaakt; aan den wortel

staan zij dicht bijeen, zijn vervolgens tot over het midden gestadig

naar onderen gebogen, richten echter hun spits weer sterk naar voren

en naar binnen; de middengedeelten zijn 30 à 40, de spitsen 18 à 25

cM. van elkander verwijderd. Tusschen de knoopen of dwarsrichels van

den hoorn, welker aantal bij oude dieren hoogstens 10 à 12 bedraagt,

komen talrijke, dwars gerichte rimpels voor. De vacht bestaat uit

tamelijk lange, stijve, glad tegen de huid aanliggende bovenharen,

die zich op de grens van kop en hals tot een baard verlengen, en uit

korte, middelmatig fijne wolharen. Zij is licht roodachtig grijs of

roestbruinachtig geel; aan de zijden van den hals en bij den buik

wordt de kleur lichter; de borst en de onderzijde van den hals zijn

donkerzwartbruin; de buik benevens de binnen- en de achterzijde

van de pooten zijn wit. Een scherp begrensde, donkerzwartbruine,

overlangsche streep loopt over het midden van den rug tot aan den

staart; deze heeft een effen zwarte kleur.

Het verbreidingsgebied van de Bezoar-geit omvat een uitgestrekte

landstreek van West- en Middel-Azië. Zij komt voor aan de zuidzijde

van den Kaukasus, in den Taurus en in de meeste overige gebergten van

Klein-Azië en Perzië tot ver in het zuiden, zelfs in Afghanistan en

Beloetsjitan; voorts wordt zij gevonden op verscheidene eilanden van

de Middellandsche en meer bepaaldelijk van de Grieksche Zee, misschien

ook op de hoogste gebergten van het Grieksche schiereiland. Het is

namelijk met nagenoeg volkomen zekerheid gebleken, dat zij het dier is,

dat Homerus bedoelde bij de beschrijving van het eiland der Cyclopen:

"Der Geiten oneindige schare een speelplaats,

Van 't wilde gedierte, dat nimmer de voet des menschen

verjaagde."

Door uiterlijk, aard en bewegingen herinnert de Bezoar-geit sterk aan

den Steenbok. Vlug en onbekommerd loopt zij langs moeielijke paden,

staat dikwijls uren lang op een vooruitstekende rotspunt en kijkt,

op duizelingwekkende hoogte onbeschut, in den ontzaglijken afgrond;

zij klimt voortreffelijk en doet met bewonderenswaardigen moed en

behendigheid gevaarlijke sprongen. Zij is buitengemeen schuw en weet

aan de meeste gevaren te ontkomen.

Gedurende den paartijd, die in November valt, leveren de Bokken

elkander langdurige en heete gevechten. In April of Mei brengen de

jonge één of twee, de oude geregeld twee jongen ter wereld, zelfs

drielingen komen niet bijzonder zeldzaam voor. De jongen volgen de

moeder onmiddellijk na de geboorte, en vergezellen haar reeds na den

tweeden levensdag op de moeielijkste paden; zij groeien snel en zijn

te allen tijde speelsch en tot grappen geneigd.

Levende Bezoar-geiten komen nog steeds zeer zelden in onze dierentuinen

voor, hoewel de verzending van dieren dezer soort weinig bezwaren

aanbiedt, indien zij sinds hun vroegste jeugd in gevangenschap

geleefd hebben.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 4 / 28 段