Acosta verhaalt, dat de Indianen geheele kudden van "deze Schapen,"

als lastdieren bevracht, over het gebergte leiden, dikwijls troepen

van 300 à 500, ja soms van 1000 stuks. "Ik heb mij er dikwijls over

verwonderd," zegt hij verder, "dat ik deze kudden Schapen, die beladen

zijn met 2000 à 3000 zilveren baren, die meer dan 300.000 dukaten

waard zijn, zonder eenige ander geleide zag dan eenige Indianen, die

de Schapen drijven, beladen en ontladen, en bovendien hoogstens nog

eenige Spanjaarden. Zij slapen alle nachten te midden van de vlakte

en toch is er op dezen langen weg nog nooit iets verloren geraakt;

zoo groot is de veiligheid in Peru. Op rustplaatsen, waar bronnen en

weidegronden zijn, worden de dieren van hun last bevrijd; hier zetten

de geleiders tenten op, koken voedsel en gevoelen zich op hun gemak

ondanks den langen duur van de reis. Als deze slechts één dag duurt,

moet ieder Schaap 8 arrobas (92 KG.) dragen en er een weg van 8 à 10

leguas (29 à 36 KM.) mede afleggen; dit moeten echter alleen die Lamas

doen, welke aan de arme, door Peru zwervende soldaten toebehooren. Al

deze dieren houden van de koele lucht; zij houden zich goed in het

gebergte; in de vlakte sterven zij echter van de hitte. Soms zijn zij

geheel bedekt met rijp en ijs en blijven toch gezond. De kortharige

geven dikwijls aanleiding tot gelach. Soms blijven zij plotseling

onderweg stil staan, steken den hals omhoog, kijken de menschen zeer

opmerkzaam aan, en blijven langen tijd onbeweeglijk, zonder vrees

en ontevredenheid te toonen. Een anderen keer worden zij plotseling

schichtig, en rennen met hun last op de hoogste rotsen, zoodat men

ze naar beneden moet schieten, om de zilveren baren niet te verliezen."

Alleen de mannetjes worden voor het dragen van lasten gebruikt,

de wijfjes dienen uitsluitend als fokdieren. "Er is geen schooner

schouwspel," zegt Stevenson, "dan een stoet van deze dieren, die,

ieder met een vracht van ongeveer een centenaar op den rug, achter

elkander in de grootste orde voortloopen, aangevoerd door één hunner,

die met een smaakvol opgeschikten halsband, een klokje en een vaantje

op den kop versierd is. Zoo trekken zij langs de besneeuwde toppen

der Cordilleras, of langs de zijden van het gebergte, en volgen wegen,

die zelfs voor Paarden en Muildieren moeielijk begaanbaar zouden zijn;

toch zijn zij zoo gehoorzaam, dat hunne drijvers zoo min prikstokken

als zweepen noodig hebben, om ze te besturen en vooruit te doen

gaan. Rustig en zonder ophouden vervolgen zij hun weg, tot zij het

doel bereikt hebben."

Meijen acht de Lamas voor de Peruanen even belangrijk, als de

Rendieren voor de Laplanders. Op de hoogvlakten leven ontzaglijk groote

kudden van deze dieren. Alle Lama-soorten werpen slechts één jong,

dat ongeveer 4 maanden lang gezoogd wordt, bij de eigenlijke Lamas

gewoonlijk iets langer.

Dezelfde onderzoeker bericht, dat de beteekenis en ook de prijs van de

Lamas, sedert het in gebruik komen van de Eénhoevigen aanmerkelijk

afgenomen is, voorts, dat de Lamakudden soms ontzettend veel te

lijden hebben van ziekten, en hierdoor in verbazend grooten getale

worden weggemaaid.

Tegenwoordig ziet men den Lama in nagenoeg alle dierentuinen. Als

hij met andere dieren van zijn soort bijeengehouden wordt, schijnt

hij veel vriendelijker te zijn, dan wanneer hij alleen is, en zich

verveelt. Met zijne soortgenooten, en met dieren van verwante soorten,

leeft hij in zeer goede verstandhouding; vooral het mannetje en het

wijfje zijn innig aan elkander gehecht. Zij herkennen de personen,

die hen verzorgen, en behandelen deze tamelijk goed; tegenover

vreemde menschen gedragen zij zich evenwel als echte Kameelen,

d. w. z. voortdurend toonen zij een zeer slecht humeur en een

groote prikkelbaarheid. In de diergaarde te Berlijn was een Lama,

die bijzonder onaardig was; aan het hek, dat zijn perk omgaf, hing

een opschrift, inhoudende het verzoek om den Lama niet te plagen,

dat natuurlijk een geheel tegenovergestelde uitwerking had, en ieder

scheen aan te sporen om zich met dit dier meer dan met een ander te

bemoeien. Dit bracht teweeg, dat het voortdurend in een toestand van

opgewondenheid verkeerde. Zoodra iemand het hok naderde, was het uit

met de gemoedsrust van den Lama; hij hield dan op met herkauwen,

legde de ooren in den nek, keek den vreemdeling stijf aan, ging

plotseling regelrecht op hem af, en spuwde naar hem. Op soortgelijke

wijze gedroegen zich ook de overige Lamas, die ik zag, of zelf hield;

zonder overdrijving kan ik zeggen, dat ik er nooit één heb leeren

kennen, die zachtzinnig of goedaardig genoemd kon worden.

De derde vorm van deze groep, de _Paco_ of _Alpaca_ (_Auchenia pacos_),

is kleiner dan de Lama; hij gelijkt door zijn lichaamsbouw op een

Schaap, maar heeft een langeren hals en een sierlijker kop; zijn

vacht is zeer langharig en buitengewoon zacht; op sommige plaatsen,

b.v. aan de zijden van den romp, heeft het haar een lengte van 10 à

12 cM. De kleur is meestal geheel wit of effen zwart; er bestaan ook

bontgevlekte exemplaren.

De Pacos worden in groote kudden bijeengehouden, die het geheele jaar

door op de hoogvlakten grazen; alleen als zij geschoren zullen worden,

drijft men ze naar de hutten. Er bestaat misschien geen weerspanniger

dier dan dit. Als er een van de kudde wordt gescheiden, gaat het op den

grond liggen en is zoomin door zachtheid, als door slagen te bewegen

om weer op te staan. Het verduurt liever de hevigste kastijdingen en

zelfs den pijnlijksten dood, dan dat het gehoorzaamt. Om één van deze

dieren te vervoeren, is men genoodzaakt het te voegen bij een kudde

van Lamas en Schapen. De Indianen vervaardigen van de wol der Pacos

en Lamas sedert overoude tijden wollen dekens en mantels.

Herhaaldelijk heeft men getracht den Europeeschen veestapel met

Alpacas te verrijken; de uitslag heeft echter niet aan de verwachting

beantwoord; tot dusver zijn alle pogingen in deze richting jammerlijk

mislukt. Evenals in Europa schijnt het in Australië te zijn gegaan,

hoewel de proeven daar op grooter schaal genomen werden. De Alpacas

zijn tegen weer en wind bestand en tamelijk bescheiden in hunne

eischen. Behalve uitmuntende wol, waarvan de prijs reeds aan de

westkust van Amerika ongeveer 180 gulden per centenaar bedraagt,

leveren zij bijzonder smakelijk vleesch. Voor het dragen van lasten

worden zij niet gebruikt in hun vaderland, waar zij alleen om hun

vleesch en hun wol gefokt worden. Van de wol maken de Indianen op

zeer kunstige wijze tafelkleeden en andere nuttige zaken, die zich

bijzonder onderscheiden door duurzaamheid en fraaien glans. De Incas

of vroegere vorsten van Peru hadden knappe wevers in hun dienst;

de bekwaamste woonden aan het Titicaca-meer.

"Sierlijker dan de Lama," zegt Tschudi, "is de _Vicuña_ (_Auchenia

vicugna_). Door zijn grootte staat hij tusschen den Lama en den Paco

in; van beide verschilt hij echter door de veel kortere en gekroesde

wol, die door fijnheid uitmunt. De kruin, de bovenzijde van den

hals, de romp en de bovenste gedeelten van de ledematen hebben een

eigenaardige, roodachtig gele kleur (vicuña- of vigogne-kleur); de

benedenzijde van den hals en de binnenste oppervlakte van de ledematen

zijn okerkleurig; de 12 cM. lange borstharen en het onderlijf zijn wit.

"Gedurende het natte jaargetijde bewonen de Vicuñas de kammen der

Cordilleras, waar de plantengroei zeer schaars is. Omdat hunne hoeven

zacht en gevoelig zijn, blijven zij altijd op de weideplaatsen en

nemen, zelfs wanneer zij vervolgd worden, nooit de wijk naar de

steenachtige, naakte toppen en nog veel minder, gelijk onze Gemzen,

naar de gletschers en sneeuwvelden. In het heete jaargetijde begeven

zij zich omlaag naar de dalen. Het schijnt wel vreemd, dat deze

dieren in den winter de koude, in den zomer de warmere gewesten

opzoeken; deze handelwijze wordt echter verklaarbaar, wanneer men

weet, dat gedurende het droge jaargetijde de hoogere gedeelten van

de Cordilleras volkomen uitgedroogd zijn, en de toch al niet zeer

overvloedige plantengroei dan alleen in de dalen, waar bronnen en

moerassen voorkomen, een voldoend voedsel aan den Vicuña verschaft.

"In de maand Februari werpt ieder wijfje een jong, dat dadelijk na de

geboorte bewijzen geeft van flinke ontwikkeling en vlugheid. De jonge

mannelijke Vicuñas blijven bij hun moeder, totdat zij volwassen zijn;

dan komen echter alle wijfjes van de kudde bijeen om de mannetjes door

bijten en schoppen te verdrijven. Deze vormen dan afzonderlijke benden,

die zich met elkander vereenigen en zóó kunnen aangroeien tot troepen

van 20 à 30 stuks.

"Soms treft men ook alleen-levende Vicuñas aan, die men gemakkelijk

naderen, en als zij de vlucht nemen, na een korte galoppade inhalen

en met den lasso (of werpstrik) of met de bolas (of werpkogels) vangen

kan. De Indianen beweren, dat deze dieren zoo tam zijn, omdat zij last

hebben van Wormen. Van de volslagen juistheid van deze bewering hebben

wij ons persoonlijk overtuigd; bij het onderzoeken van de ingewanden

van een dergelijk dier vonden wij, dat de buikspeekselklier en de lever

letterlijk wemelden van Ingewandswormen. Met de Indianen zijn wij van

oordeel, dat deze ziekte toegeschreven moet worden aan de vochtige

weiden, die de Vicuñas bezoeken; want de ervaring heeft geleerd,

dat deze dieren bijna uitsluitend gedurende het natte jaargetijde

aan wormziekte lijden."

Jong gevangen Vicuñas kunnen gemakkelijk getemd worden en gedragen

zich zeer vriendschappelijk tegenover hun verzorger; zij zijn zeer

aan hem gehecht en loopen hem overal na; op lateren leeftijd echter

worden zij boosaardig, evenals hunne verwanten, en door het aanhoudend

spuwen onverdragelijk.

Reeds in Acosta's tijd schoren de Indianen de Vicuñas en maakten

van de wol kostbare dekens, die op witte zijden stoffen geleken en

zeer duurzaam waren, omdat zij niet geverfd behoefden te worden. De

van deze stoffen vervaardigde kleederen waren vooral gedurende het

warme weder zeer doelmatig. Nog tegenwoordig weeft men zeer fijne en

duurzame stoffen van deze wol en maakt er door vervilting zeer goede,

zachte hoeden van.

De derde familie van de Herkauwers wordt gevormd door de _Holhoornigen_

(_Bovidae_); zij kan zeer duidelijk van de overige familiën

onderscheiden worden, hoewel hare leden onderling nog zooveel verschil

aanbieden, dat men genoodzaakt is haar in vier onderfamiliën te

verdeelen. De Herten, welker overeenkomst met de Holhoornigen duidelijk

in 't oog loopt, zijn er echter gemakkelijk van te onderscheiden

door den vorm, de samenstelling en de ontwikkelingswijze der hoornen,

die bij deze doorgroeien, bij gene ieder jaar afgeworpen worden. De

beenwoekeringen aan het voorhoofd van de Holhoornigen loopen aan

den top spits toe en zijn door een hoornscheede blijvend omgeven;

de beenpit groeit van onderen voortdurend aan en verkrijgt een

grootere lengte; bovendien heeft het onderste en jongste gedeelte

de grootste dikte. Naarmate de beenpit groeit, vormt zich aan haar

oppervlakte voortdurend een nieuwe hoornmassa, die door de reeds

vroeger gevormde nauw omsloten blijft. De opperhuidsvormingen, die

de op het voorhoofdsbeen rustende beenpit bedekken, worden bij de

Holhoornigen echter niet zooals bij de Herten afgeworpen, daar de

kegelvormige gedaante van de aanrakingsoppervlakte van beenpit en

hoornscheede en de samenhang tusschen de oude en de nieuwe hoornlagen

het afvallen verhinderen. Andere kenmerken van deze familie zijn het

volslagen gemis van snij- en hoektanden in de bovenkaak; het voorste

gedeelte van de onderkaak bevat een aaneensluitende reeks van 8 tanden,

waarvan de 6 middelste als snijtanden worden beschouwd, terwijl de

beide buitenste, welk in vorm niet van de overige verschillen, als

hoektanden worden aangemerkt. Bovendien worden in elke helft van elke

kaak zes kiezen gevonden.

Behalve van het gebit en van de hoornen kan van de Holhoornigen niets

in 't algemeen gezegd worden. Hun lichaamsbouw is zeer verschillend;

tot deze familie behooren zoowel plompe en kolossale, als buitengewoon

lichte en sierlijke vormen. De vorm der hoornen en der hoeven, de

lengte van den staart, het haarkleed en de kleur wisselen af binnen

wijde grenzen.

Evenveel verscheidenheid als de gestalte biedt ook de levenswijze van

de Holhoornigen aan. Zij zijn bijna over de geheele aarde verbreid,

met uitzondering van Australië en Zuid-Amerika; door vele soorten

vertegenwoordigd, bewonen zij alle breedte- en hoogtegordels en

allerlei terreinen, de doodsche woestijn zoowel als de weelderig

groeiende tropische wouden, het moerassige laagland niet minder dan

de met gletschers bedekte gebergten. Verreweg de meeste soorten

leven gezellig; niet weinige vereenigen zich tot groote kudden;

eenige vormen, althans tijdelijk, scharen, die wat het aantal

individuën betreft, bij de Zoogdieren hoogstens overtroffen kunnen

worden door de vereenigingen van sommige soorten van Knaagdieren. In

overeenstemming met hun verschillende gestalte, is de beweging van

sommige plomp en onbeholpen, van andere hoogst behendig en vlug;

in verband met hunne verblijfplaatsen zwemmen sommigen zeer goed en

kunnen andere uitmuntend klimmen.

Voor den mensch hebben de Holhoornigen een veel hoogere en

belangrijkere beteekenis dan alle overige Herkauwers, met

uitzondering alleen van de Kameelen. Aan de Holhoornigen ontleende

hij zijne nuttigste huisdieren, die een groot deel van zijn voedsel

en grondstoffen voor zijne kleeding voortbrengen, en voor zijn

tegenwoordige wijze van leven onmisbaar geworden zijn. Ook de nog

ongetemde soorten van de familie zijn over 't geheel genomen eer

nuttig dan schadelijk; daar de inbreuk, die zij maken op hetgeen wij

ons eigendom noemen, ons niet zoo gevoelig treft, als het nadeel,

dat andere groote dieren veroorzaken; terwijl zij door hun vleesch,

dat bijna zonder uitzondering smakelijk is, door hun vel, hun haar,

hunne hoornen de schade, die zij aanrichten, min of meer--in sommige

gevallen zelfs ruimschoots--vergoeden.

De vier _onderfamiliën_, waarin wij de Holhoornigen verdeelen,

duiden wij aan door de namen _Bokken_, _Schaaprunderen_, _Runderen_

en _Antilopen_.

De beide geslachten van de onderfamilie der _Bokken_ (_Caprinae_)

n.l. de Bokken en de Schapen, zijn zoo nauw aan elkander verwant,

dat het nagenoeg onmogelijk schijnt, algemeen geldende kenmerken op

te geven, waardoor zij zich van elkander onderscheiden.

Alle hiertoe behoorende soorten zijn in vergelijking met de andere

Herkauwers slechts middelmatig groot; hun lichaamsbouw is krachtig,

ten deele zelfs plomp; zij hebben een korten hals en meestal ook

een ineengedrongen kop, korte, stevige pooten met betrekkelijk

stompe hoeven en een ronden of breeden, van onderen naakten staart;

hun ooren zijn kort of althans niet meer dan middelmatig lang, hunne

oogen tamelijk groot met een dwars geplaatste, langwerpig vierhoekige

pupil; de hoornen zijn min of meer samengedrukt en hoekig, achter-

en zijwaarts gericht, niet zelden schroefsgewijs gedraaid, zeldzamer

liervormig, dikwijls met dikke opzwellingen voorzien; zij komen

zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes voor; bij deze zijn zij

echter aanmerkelijk kleiner dan bij gene. Het dofgekleurde haarkleed

is zeer dicht en bestaat uit lang bovenhaar, waartusschen het zeer

overvloedige wolhaar groeit.

De Bokken zijn hoofdzakelijk over het noordelijke rijk van de Oude

Wereld verbreid; zij ontbreken geheel in drie faunistische rijken,

nl. in het Zuid-Amerikaansche, het Ethiopische en het Australische;

in ieder van de beide andere rijken, in het Oostersche en in het

Noord-Amerikaansche, wordt deze diergroep slechts door één soort

vertegenwoordigd.

De stevige en krachtige romp der _Geiten_ (_Capra_) die zeer zeker

de hoogste plaats in deze onderfamilie moeten innemen, rust op

gespierde, niet zeer hooge pooten; de hals is ineengedrongen,

de kop betrekkelijk kort en breed aan het voorhoofd; de staart,

die gewoonlijk omhooggericht gedragen wordt, is driehoekig en aan

de onderzijde onbehaard. De oogen zijn groot en levendig; de ooren

staan overeind; zijn smal toegespitst en zeer beweeglijk. De hoornen,

welker dwarse doorsnede, behoudens de afgeronde hoeken, den vorm

heeft van een vierhoek of van een gelijkbeenigen driehoek, en die

van voren met dwarsgerichte zwellingen (groeiringen) voorzien zijn,

vertoonen duidelijk afdeelingen, die de jaarlijksche vergrootingen

aanduiden; zij komen zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes

voor; zij zijn eenvoudig halvemaanvormig naar achteren gebogen, of

bovendien nog aan de spits liervormig buitenwaarts gekromd. Bij de

Bokken zijn zij steeds veel forscher dan bij de Geiten. Het haarkleed

is uit twee bestanddeelen samengesteld: de fijnere wol wordt door het

grovere bovenhaar bedekt. Bij verscheidene soorten ligt het bovenhaar

tamelijk dicht tegen het lichaam aan, bij andere verlengt het zich

op sommige plaatsen bij wijze van manen; bij de meeste ook aan de

kin tot een stijven baard. Altijd is de kleur van de vacht dof,

overeenkomend met die van den grond of van de rotsen, meestal bruin

of grijs. Een duidelijk merkbare eigenschap van deze dieren, en om

deze reden vermeldingswaardig, is voorts de doordringende reuk, dien

zij verbreiden en waarmede zij ons reukzintuig onaangenaam aandoen.

De in 't wild levende Geiten bewonen Middel- en Zuid-Azië, Europa

en Noord-Afrika; de getemde soorten zijn over de geheele wereld

verbreid. In den regel houden zij zich op in de bergstreken, vooral

in de hooge gebergten, waar zij eenzame, niet door menschen bewoonde

oorden opzoeken. De meeste soorten gaan tot boven de grens van de

eeuwigdurende sneeuw. Zonnige, droge, met gras begroeide plekjes,

ijle bosschen, zacht glooiende en steile berghellingen, alsmede

kale klippen en rotsen, die zich boven de eeuwigdurende sneeuw- en

ijsmassas verheffen, zijn hare standplaatsen. Alle soorten houden

van gezelligheid. Het zijn lenige vlugge, onrustige, schrandere

en speelsche dieren. Aanhoudend loopen en springen zij; alleen

gedurende het herkauwen blijven zij bedaard op een en dezelfde plaats

liggen. Alleen oude mannetjes leiden dikwijls een kluizenaarsleven;

de overige blijven steeds trouw vereenigd met andere dieren van hun

soort. Hoewel zij des nachts zoowel als des daags in beweging zijn,

geven zij toch de voorkeur aan den dag. Hunne eigenaardigheden

openbaren zij aanhoudend. Zij zijn buitengewoon behendig in 't

klimmen en springen en geven hierbij bewijzen van moed, overleg en

vastberadenheid, die werkelijk bewonderenswaardig zijn. Met vasten tred

overschrijden zij de gevaarlijkste plaatsen in het gebergte, worden

door geen duizeling bevangen bij 't staan op de smalste kammen, en

kijken onverschillig in de diepste afgronden; onbezorgd, ja zelfs met

verregaande vermetelheid wagen zij zich op bijna loodrecht af hellende

wanden, om er te grazen. Naar verhouding van hun grootte bezitten zij

een merkwaardig groote kracht en een verwonderlijke onvermoeidheid;

hierdoor zijn zij bijzonder geschikt om een arm gebied te bewonen,

waar ieder blaadje, ieder grassprietje met moeite en strijd veroverd

moet worden. Plaagziek en speelsch in hun onderling verkeer, zijn zij

voorzichtig en schuw tegenover andere wezens; zij vluchten gewoonlijk

bij het geringste geraas hoewel men niet met zekerheid kan zeggen,

dat het vrees is, die hen op de vlucht drijft, want in geval van nood

strijden zij moedig en dapper; zij toonen zelfs een zekere vechtlust,

die hun zeer goed staat.

Het voedsel van de Geiten bestaat uit saprijke bergplanten van

allerlei soort. Als echte lekkerbekken zoeken zij steeds de beste

hapjes uit. Water is voor haar een behoefte, daarom vermijden zij

gewesten, waar zoomin bronnen als beken voorkomen.

Het aantal jongen wisselt af van 1 tot 4; alle in 't wild levende

soorten werpen er slechts twee, de getemde slechts in zeer zeldzame

gevallen vier. De Geitjes komen goed ontwikkeld en met geopende oogen

ter wereld en zijn reeds na weinige minuten in staat om de ouden te

volgen. De in 't wild levende Geiten loopen op den eersten levensdag

even vermetel en veilig in het gebergte rond als hare ouders.

Men kan gerust zeggen, dat alle Geiten nuttige dieren zijn. De schade,

die zij aanrichten, komt slechts in weinige landen in aanmerking; haar

nut is daarentegen zeer groot, vooral daar, waar deze dieren den mensch

in staat stellen om nog eenig voordeel te trekken uit den schralen

plantengroei van gewesten, die anders niets zouden opleveren. De kale

bergen van het zuiden van ons werelddeel zijn letterlijk bedekt met

kudden Geiten, die ook nog kunnen grazen op hellingen, waar de voet

van den mensch geen betrouwbaar steunpunt zou vinden. Van de wilde

soorten kan men bijna alles gebruiken: vleesch en vel, hoorn en haar;

de tamme Geiten zijn niet slechts de liefste vrienden van den arme,

maar ook bijna de eenige melkvoortbrengers der zuidelijke landen.

Het is moeielijk de soorten van wilde Geiten van elkander te

onderscheiden, omdat zij onderling veel overeenkomst vertoonen; ook

zijn er vele bezwaren verbonden aan het nagaan van de levenswijze

dezer dieren. Deze soorten kunnen gegroepeerd worden in verscheidene

ondergeslachten, van welke wij er twee, n.l. de _Steenbokken_

en de _Geiten_ (in de meest beperkte beteekenis van het woord),

zullen beschrijven.

De _Steenbokken_ (_Ibex_) bewonen de gebergten, en vestigen zich

hier op hoogten, waar andere groote Zoogdieren niet zouden kunnen

leven. Slechts weinige Herkauwers volgen hen op de hoog gelegen

weiden, waar zij jaar in jaar uit grazen; hoogstens gedurende den

ijzigen winter dalen zij naar eenigszins lagere oorden af. Uit deze

levenswijze vloeit voort, dat elke soort van Steenbokken slechts een

zeer beperkt verbreidingsgebied heeft. Sommige natuuronderzoekers zijn

van meening, dat niet alleen de Europeesche leden van deze groep,

maar zelfs de Steenbokken in 't algemeen één enkele soort uitmaken;

wij willen voorloopig liever de verschillende vormen als soorten

beschouwen. Als wij dit doen, is het ondergeslacht der Steenbokken

tamelijk rijk aan soorten. Alleen in Europa zijn er drie: de eene

(_Capra ibex_) bewoont de Alpen, de tweede (_Capra pyrenaica_) de

Pyreneeën en andere Spaansche gebergten, de derde (_Capra caucasica_)

den Kaukasus. Bovendien komt een vierde Steenboksoort in Siberië, een

vijfde in Arabië, een zesde in Abessinië, een zevende, op den Himalaja

voor. Al deze dieren gelijken veel op elkander, wat gestalte en kleur

betreft, en verschillen onderling hoofdzakelijk door de hoornen en

den baard aan de kin. Overgangen van den eenen vorm tot den anderen

zijn echter nog niet waargenomen. Daarom moeten de genoemde vormen

voorloopig wel als verschillende soorten aangemerkt worden.

De _Alpensteenbok_ (_Capra ibex_) is een fier, indrukwekkend

en prachtig schepsel van 1.5 à 1.6 M. lichaamslengte, 80 à 85

cM. schouderhoogte en 75 à 100 KG. gewicht. Men kan het hem aanzien,

dat hij sterk en onvermoeid is. De romp is ineengedrongen, de hals

middelmatig lang, de kop betrekkelijk klein, maar aan het voorhoofd

sterk gewelfd; de pooten zijn krachtig en middelmatig hoog; de

hoornen, die bij beide seksen voorkomen, hebben bij oude bokken een

zeer aanmerkelijke grootte en dikte; zij krommen zich in één vlak

boogvormig of halvemaanswijs scheef naar achteren. Aan den wortel,

waar de hoornen het dikst zijn, staan zij zeer dicht bij elkander;

van hier te beginnen wijken zij hoe langer hoe verder uiteen,

terwijl zij tevens naar de spits toe allengs dunner worden. Hun

dwarse doorsnede is een langwerpige, aan de achterzijde slechts

weinig versmalde vierhoek, die smaller wordt, naarmate men de spits

nadert. De groeiringen zijn vooral aan de voorzijde in den vorm van

dikke, uitpuilende opzwellingen of knobbels zichtbaar, strekken zich

over de zijvlakken van den hoorn uit, maar verheffen zich hier minder

sterk dan aan de voorvlakte. Naar den wortel en naar de spits nemen zij

allengs in hoogte af; in het midden van den hoorn zijn zij het hoogst;

ook zijn zij hier het dichtst opeengedrongen. De hoornen kunnen een

lengte van 80 à 100 cM. en een gewicht van 10 à 15 KG. bereiken. De

hoornen van het wijfje gelijken meer op die van het wijfje van de

Huisgeit dan op die van den mannelijken Steenbok.

Het haarkleed is ruig en dicht, maar verschilt naar den tijd van

't jaar: in den winter is het haar langer, grover, meer gekroesd en

doffer, in den zomer korter, fijner en glanziger; gedurende het ruwe

seizoen is het gemengd met dicht wolhaar, hetwelk uitvalt, naarmate

de temperatuur toeneemt. Behalve aan het achterste deel van den hals

en in den nek, waar de haren tot manen aangroeien, verlengen zij zich

bij het volwassen mannetje ook aan den achterkop; eveneens geschiedt

dit aan de onderkaak; hier vormen zij echter hoogstens een kort sikje

van niet meer dan 5 cM. lengte, dat bij de jonge bokken en bij de

geiten geheel ontbreekt. De kleur is een weinig verschillend naar

leeftijd en jaargetijde. In den zomer heeft de roodachtig grijze,

in den winter de geelachtig grijze of vale kleur de overhand.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen · 第 3 / 28 段