ontwikkeld; de gezichtszin staat, naar 't schijnt, in vele opzichten
lager en het reukvermogen is blijkbaar slecht. Daarentegen kan men
vele feiten noemen, die op fijnheid van het gevoel wijzen, terwijl
andere ons de zekerheid verschaffen, dat het smaakvermogen niet
ontbreekt. Over 't geheel genomen moet men den Kameel als een zeer
stompzinnig dier beschouwen.--Het oordeel over zijn geestvermogens
kan niet veel gunstiger luiden. Het valt niet te loochenen, dat de
Dromedaris een werkelijk verrassende geschiktheid bezit, om een mensch
onophoudelijk op ongeloofelijke wijze ergernis te geven. Domheid en
boosaardigheid gaan gewoonlijk gepaard; wanneer zich daarbij echter
nog lafhartigheid, halsstarrigheid, ontevredenheid, tegenzin in
elken verstandigen maatregel, haatdragendheid of onverschilligheid
tegenover den verzorger en weldoener en nog honderd andere ondeugden
voegen,--wanneer een schepsel al deze eigenschappen in hooge mate
bezit en uitnemend slag er van heeft om ze te laten blijken, kan het
niet uitblijven, dat een mensch, die met zulk een beest te maken heeft,
ten slotte razend wordt. Dit zal het best begrepen worden door iemand,
die door een Kameel werd afgeworpen, getrapt, gebeten, in de steppe
achtergelaten en voor den gek gehouden, nadat het dier hem dagen
en weken achtereen ieder uur met bewonderenswaardige volharding
en standvastigheid geërgerd heeft, en nadat de ruiter alle tucht-
en verbeteringsmiddelen in praktijk heeft gebracht. Dat de Kameel
een uitwaseming heeft, bij welke vergeleken de stank van een Bok een
aangename geur mag heeten, dat hij door zijn gebrul ons gehoororgaan
niet minder pijnigt, dan hij onzen neus martelt met zijn stank, of
ons oog door het onvermijdelijk gezicht op de onbeschrijfelijk domme
uitdrukking van zijn op een langen struisvogel hals rustende kop,
behoeft hier niet in aanmerking te komen; maar, dat hij met volle
bewustzijn te allen tijde juist het tegengestelde doet van hetgeen
zijn meester verlangt, is mijns inziens een voldoende reden om hem zeer
laag ontwikkeld te achten. Ik heb in Afrika bij de duizende Kameelen,
die ik kon nagaan, er maar één enkele gezien, die eenige gehechtheid
aan zijn meester toonde.
Mijn ervaring bepaalt zich echter tot de Dromedarissen van een
betrekkelijk klein gebied. Vele reizigers hebben minder onaangename
ervaringen van dit dier opgedaan; over de Dromedarissen van andere
veel grootere gewesten wordt een gunstiger oordeel geveld. Hieruit
valt af te leiden, dat deze dieren in het Zuidwesten van Azië, in
Somali-land en in de Sahara een geheel anderen aard hebben.
Na 11 à 13 maanden draagtijd werpt de wijfjes-kameel één enkel
jong. Hoewel dit reeds bij de geboorte een klein wangedrocht is, maakt
het toch, evenals alle jonge dieren, een grappigen en potsierlijken
indruk. Het heeft reeds bij de geboorte de oogen open en is met
tamelijk lang, zacht en wollig haar, dicht bekleed. De bult is
zeer klein en de eeltplekken zijn ternauwernood zichtbaar. Het is
aanmerkelijk grooter dan een pasgeboren veulen, ongeveer 1 M. hoog, na
verloop van één week echter reeds aanmerkelijk grooter. Bij het verder
groeien wordt de wollige vacht veel dichter en langer; de jonge Kameel
vertoont dan werkelijk een merkwaardige overeenkomst met den Paco,
zijn Amerikaanschen stamgenoot. Zoodra het jong droog geworden is,
volgt het zijn moeder, die het liefderijk verzorgt. Als twee wijfjes
met hare jongen bijeenkomen, spelen de kinderen op lieftallige wijze
met elkander en geven de moeders door gebaren haar goedkeuring te
kennen. Meer dan een jaar lang zoogt de Kameel haar jong en toont
gedurende dezen tijd een meer dan gewonen moed, daar zij haar spruit
soms krachtdadig verdedigt. De moeder bekommert zich alleen om haar
eigen kind, nooit echter om een vreemd veulen.
De prijs van een goeden Kameel is in verschillende gewesten zeer
ongelijk. Een uitmuntende Bischarin kost, wanneer men hem uit de
eerste hand neemt, 120 à 180 gulden, een gewone Vrachtkameel kost
zelden meer dan 54 gulden. Volgens onze begrippen is deze prijs zeer
gering; in Soedan noemt men dit een groote som.
De Kameel is onderhevig aan vele ziekten, maar deze verkrijgen alleen
op lagere breedtegraden het karakter van epizoötiën. Veel meer Kameelen
dan door ziekten om 't leven komen, bezwijken gedurende het uitoefenen
van hun beroep; slechts weinige worden geslacht. De dood van dit dier
heeft altijd iets treffends, 't zij dat het vale zand van de woestijn,
òf de slachtbank zijn laatste rustplaats is. Het vleesch van jonge
Kameelen wordt door J. Williams zeer geprezen. Van de huiden maakt
men tentbekleedingen en allerlei andere artikelen, hoewel het hiervan
bereide leder niet bijzonder sterk is; van het haar worden duurzame
weefsels vervaardigd.
De Kameelmelk is zoo dik en zoo rijk aan vet, dat het gebruik er van
tegenstaat; zij wordt daarom weinig gebruikt.
Gedurende de reizen door de woestijn, waar aan brandstof groot gebrek
is, verzamelt men 's morgens op de plaats, waar de Kameelen den
nacht hebben doorgebracht, den drek van deze dieren, die uit kleine,
rondachtige, droge, harde stukken ter grootte van walnoten bestaat,
om hem des avonds als brandstof te gebruiken. Ook in Egypte, waar
weinig hout gevonden wordt, zoekt men den drek van Kameelen, Runderen,
Paarden en Ezels zorgvuldig bijeen, kneedt er een deeg van, waarvan
ronde schijven worden gevormd, die, na in de zon gedroogd te zijn,
als brandstof dienen.
Bijna dezelfde rol, als de Dromedaris in de hierbovengenoemde landen
speelt, vervult de _Tweebultige Kameel_ (_Camelus bactrianus_) in Oost-
en Middel-Azië. Hij onderscheidt zich van den Dromedaris, doordat hij
op den rug twee bulten heeft: de eene boven de schouders, de andere
vóór het kruis. Zijn gestalte is log en plomp, de lichaamsmassa
grooter, de beharing veel overvloediger dan bij den Dromedaris,
zijn kleur is in den regel donkerder, gewoonlijk donkerbruin, in den
zomer roodachtig.
Ik betwijfel, of men den Tweebultigen Kameel als een afzonderlijke
soort mag beschouwen; er zijn redenen om hem met den Dromedaris te
vereenigen. De kruising van deze beide vormen levert geen bezwaren op;
de op deze wijze ontstaande bastaarden zijn bij paring onderling of
met een der beide stamvormen eveneens vruchtbaar. Wanneer men ze beide
als tot één soort behoorend beschouwt, moet men den Tweebultigen Kameel
als den oorspronkelijken vorm, den Dromedaris als een hiervan afgeleid
ras aanmerken, want de Kirgiezen en Mongolen zeggen van den wilden
Kameel, dat hij tweebultig is. Prshewalski heeft voor een twintigtal
jaren aangetoond, dat in Centraal-Azië werkelijk wilde, niet slechts
verwilderde Tweebultige Kameelen in grooten getale voorkomen. Zij
hebben kleinere bulten dan de Kameelen, die door den mensch gefokt
worden, en eeltplekken aan de "voorknieën"; ook door den bouw van hun
schedel verschillen zij eenigszins van de tamme vormen. Voor zoover
men weet, zijn zij over het zuiden van Dsoengarije, Oost-Toerkestan
en Tibet verbreid.
De Tweebultige Kameel wordt in alle steppenlanden van Centraal-Azië
gefokt, en wordt vooral gebruikt voor het vervoer van goederen
tusschen China en het zuiden van Siberië of Toerkestan. In Boekhara
en en Toerkmenië wordt hij allengs vervangen door den Dromedaris, die
geheel zijn plaats inneemt daar, waar de steppe de eigenaardigheden van
een woestijn aanneemt. De Kirgiezen stellen hoogen prijs op dit dier,
besteden echter minder moeite aan het fokken van deze soort van vee dan
aan de teelt van alle overige huisdieren van de steppe en gebruiken het
veel minder dan het Paard; voor de Mongolen van Oost-Azië daarentegen
is het even belangrijk als de Dromedaris voor de Arabieren. Men kent er
niet vele rassen van, maar deze verschillen aanmerkelijk van elkander
en hunne eigenaardigheden erven standvastig over.
Hoewel men zeggen mag, dat de Tweebultige Kameel in aard en
eigenschappen met den Dromedaris overeenstemt, valt het spoedig in
't oog, dat hij goedaardiger is dan deze. Gemakkelijk laat hij zich
opvangen, gewillig gehoorzaamt hij aan 't bevel van zijn meester. Toch
is hij een echte Kameel in de meest uitgebreide beteekenis van het
woord. Zijne geestvermogens staan op even lagen trap als die van den
Dromedaris; hij is even dom, onverschillig en lafhartig als deze. Een
voor zijne voeten opspringende Haas, jaagt hem soms een doodelijken
schrik op het lijf. Geheel ontsteld springt hij opzij, en rent als
zinneloos weg; al zijne soortgenooten volgen hem, zonder te weten
waarom. Een groote, zwarte steen op den weg, een hoop beenderen,
een afgevallen zadel, maken hem zoo verschrikt, dat hij geheel buiten
zinnen geraakt, en een geheele karavaan in verwarring brengt.
Op een vette weide gedijt de Tweebultige Kameel niet; om krachtig te
worden en te blijven moet hij steppenplanten hebben, die ter nauwernood
voldoende zouden zijn voor de voeding van andere dieren, b.v. alsem,
look, spruiten van allerlei heesters enz.; vooral echter heeft hij
behoefte aan zouthoudende planten.
De paartijd valt in de maanden Februari tot April; 13 maanden later
brengt het wijfje één jong ter wereld. Dit is zoo hulpbehoevend, dat
het gedurende zijne eerste levensdagen zorgvuldig gesteund, en aan de
uiers van zijn moeder gelegd moet worden; weldra echter volgt het deze
op al hare wegen, en wordt door haar zeer liefderijk behandeld. Eenige
weken na zijn geboorte begint het te eten, en wordt nu van tijd tot
tijd van de moeder gescheiden, omdat deze even goed gemolken wordt als
het overige vee van de steppe. In het tweede levensjaar boort men het
dier een gat door den neus; in deze opening wordt de toomplug gestoken,
want nu begint de africhting. In het derde jaar wordt het voor korte
ritten, in het vierde voor het dragen van lichte lasten gebruikt;
in het vijfde jaar beschouwt men het als volwassen, en voor het
verrichten van allen arbeid geschikt. Als het goed behandeld wordt,
kan het tot op 25-jarigen leeftijd dienst doen.
Een krachtige Tweebultige Kameel legt met een last van 220 KG. gewicht,
een zeer sterk exemplaar met nog 50 KG. meer, iederen dag 30 à 40
KM. af; met de helft van dezen last kan hij dravend ongeveer den
dubbelen weg doorloopen; in den zomer kan hij 2 of 3, in den winter 5
à 8 dagen lang dorst lijden; half zoo lang kan hij zonder bezwaar het
voedsel ontberen; bij langdurige reizen heeft hij slechts om de 6 à 8
dagen een rusttijd van 24 uren noodig. In de Kirgiezen-steppe wordt hij
trouwens niet uitsluitend als lastdier, maar eenspans of tweespans ook
wel als trekdier gebruikt; in landstreken, waar de bodem uit stuifzand
bestaat, neemt hij zelfs de dienst van de postpaarden over. H. Moser,
klaagt zeer over de langzaamheid van zulk een postrit en schrijft: "De
Tweebultige Kameel gaat slechts in den pas; hij schreeuwt erbarmelijk
gedurende het gaan; hoe zenuwachtig men hierdoor na verloop van eenigen
tijd wordt, kunnen alleen zij weten, wien het zeldzame geluk ten deel
is gevallen, van door deze dieren gereden te zijn."
In weerwil van al zijne gebreken, moet men toch den Tweebultigen
Kameel beschouwen als een van de nuttigste dieren, die de mensch
tot dienstbaarheid heeft gebracht. Op allerlei wijzen is hij zeer
nuttig; in de door hem bewoonde gewesten, kan hij door geen enkel
ander huisdier vervangen worden. Men trekt partij van zijn haar en
zijn melk, van zijn vel en zijn vleesch; men spant hem voor den wagen
en gebruikt hem als lastdier. Met hem trekt men door de waterlooze,
woestijnachtige steppen, waar Paarden geen dienst zouden kunnen doen;
met hem beklimt men bergen, die meer dan 4000 M. hoog zijn, en waar
alleen nog de Yak het kan uithouden. Het Paard is de metgezel, de
Tweebultige Kameel de dienaar van den bewoner der steppe.
Van de Kameelen der Nieuwe Wereld kan men, evenals van een groot aantal
andere Amerikaansche dieren zeggen, dat zij in vergelijking met hunne
verwanten in de Oude Wereld dwergen zijn. _De Lamas_ (_Auchenia_)
zijn Kameelen, maar zij staan in grootte verre ten achter bij hunne
zooeven beschreven familiegenooten. Men moet hierbij echter in 't oog
houden, dat de Amerikaansche Kameelen bewoners van bergstreken zijn
en reeds hierom niet dezelfde grootte kunnen bereiken, als hunne
verwanten in de Oude Wereld, die in de vlakte thuis behooren. De
Lamas onderscheiden zich van de eigenlijke Kameelen echter niet alleen
door hun geringere grootte, maar ook door den betrekkelijk grooten,
achterwaarts sterk teruggedrukten kop met spitsen snuit, groote ooren
en oogen, dunnen, schralen hals, hooge en slanke pooten, welker teenen
verder vaneengescheiden en slechts met onbeduidende eeltzolen voorzien
zijn, voorts door het lange, wollige haarkleed. Geen bult of bulten
op den rug; de flanken zijn nog meer ingesnoerd dan bij echte Kameelen.
De Lamas worden onderscheiden in vier verschillende vormen, die reeds
sedert oude tijden de namen _Huanaco_ of _Guanaco, Lama, Paco_ of
_Alpaca_ en _Vicuña_ dragen. Nog zijn de natuuronderzoekers het er
niet over eens, of zij alle vier dieren als oorspronkelijke soorten
moeten beschouwen, of niet. Sommige zien in den Guanaco de stamsoort
van de Lamas en de Pacos en meenen vooral steun te vinden voor hun
stelling in het feit, dat de Lama en de Guanaco zich vruchtbaar met
elkander vermengen en dat hunne bastaarden eveneens vruchtbaar zijn;
de anderen achten de geringe verschillen van gestalte belangrijk
genoeg, om de vier Lamas als afzonderlijke soorten te beschouwen,
gelijk de inboorlingen altijd gedaan hebben. Tschudi, die alle Lamas
in hun vaderland heeft kunnen nagaan, is van dezelfde meening als
de inboorlingen, en zijn beslissing heeft een tijdlang voor afdoende
gegolden. Wanneer men echter bedenkt, hoe groot de veranderingen zijn,
die door de temming in de diervormen kunnen worden teweeggebracht,
zal men ook aan de tegenovergestelde meening recht van bestaan moeten
toekennen en is het niet wel mogelijk in den Lama en den Paco iets
anders te zien, dan getemde afstammelingen van den Guanaco.
De Guanaco en de Vicuña leven ook thans nog in 't wild; de Lama en de
Paco zijn reeds sinds onheugelijke tijden huisdieren geworden. Reeds
de eerste ontdekkers van Amerika vonden beide dieren getemd; de
overlevering van de Peruanen plaatst de temming dezer dieren in het
vroegste tijdperk van 's menschen bestaan en brengt haar in verband met
het verschijnen hunner half-goden op de aarde. De eerste Spanjaarden,
die in Peru landden, vonden overal aanzienlijke Lama-kudden in het
bezit van de bewoners der bergstreken; de beschrijving, die zij van
de dieren gaven, was wel in sommige opzichten onduidelijk, maar toch
zoo uitvoerig, dat men zelfs de verschillende vormen zonder moeite er
in herkennen kan. Perdo de Cieza onderscheidt de vier soorten reeds
in 1541 zeer nauwkeurig. "Er is geen land in de wereld," zegt hij,
"waar men zulke vreemdsoortige Schapen vindt als in Peru, Chili en
eenige provinciën van La Plata. Zij behooren tot de voortreffelijkste
en nuttigste dieren, die God geschapen heeft, blijkbaar uit bijzondere
zorg voor de daar wonende lieden, die zonder dit vee niet in staat
zouden zijn, om op die plaatsen te leven. In de dalen van de vlakte
zaaien de inboorlingen katoen en maken hiervan hunne kleederen;
in het hooge gebergte en in vele andere gewesten groeit zoomin een
boom als katoen, zoodat de inboorlingen niets zouden hebben om zich
te kleeden. Daarom gaf God hun zulk een menigte van dit vee; de hevige
oorlogen met de Spanjaarden hebben het echter reeds zeer verminderd. De
inboorlingen noemen de ooien _Lamas_, de rammen _Oercos_. In grootte
komen zij met een kleinen Ezel overeen; zij hebben breede heupen en een
dikken buik; door den hals en de gestalte gelijken zij op den Kameel,
door het uitzicht op de Schapen. Deze dieren leven van de kruiden des
velds. Zij zijn zeer tam en in het geheel niet weerspannig; alleen als
zij pijn hebben, gaan zij liggen en schreeuwen als de Kameelen. De
rammen nemen gemakkelijk 2 à 3 arrobas op den rug, en hun vleesch,
dat zeer goed is, verliest niets van zijne goede eigenschappen door het
lastdragen. Er is een andere, aan deze dieren verwante vorm, dien zij
_Guanaco_ noemen. Hij heeft dezelfde gestalte, maar is grooter. Van
deze loopen talrijke kudden in de velden rond en springen zoo vlug,
dat de Hond ze bijna niet inhalen kan. Bovendien vindt men nog een
andere soort van deze Schapen, die men _Vicuñas_ noemt. Zij zijn
nog vlugger dan de Guanacos en loopen in de woestijnen rond om de
kruiden te eten, die God hier voor hen heeft laten groeien. Hun
wol is uitmuntend en even goed, ja zelfs nog fijner dan die van de
Merino-schapen. Ik weet niet, of men er laken van zou kunnen weven;
maar de stof, die voor de voornamen van dit land geweven wordt, is
bewonderenswaardig fraai. Het vleesch van de Vicuñas en Guanacos is
zeer goed; het komt in smaak overeen met schapevleesch. Eindelijk is er
nog een andere soort van tam vee, dat _Paco_ heet, maar zeer leelijk is
en lange wol heeft; het heeft ook de gestalte van de Lamas of Schapen,
maar is kleiner. De lammeren gelijken veel op de Spaansche. Zonder deze
Rammen en Schapen zou men niet in staat zijn, de vele waren van Potosi,
dat een der grootste handelsplaatsen is, heen en weer te voeren".
Uit deze opgaven blijkt duidelijk, dat in een tijdsverloop van drie
eeuwen de vier verschillende vormen van Lamas zich niet gewijzigd
hebben.
Alle Lamas zijn bewoners van de hoogvlakten van het kolossale gebergte
der Cordilleras. Zij gedijen alleen in de koude gewesten goed, en
dalen daarom alleen in het uiterste zuiden, in Patagonië, tot in de
Pampas of groote vlakten af. In de nabijheid van den Evenaar ligt
hun gewone verblijfplaats op een hoogte van 4000 à 5000 M. boven
den zeespiegel; lager dan 2000 M. gedijen zij hier niet, terwijl
daarentegen het koude Patagonië hun ook op geringere hoogte boven de
zee geschikte woonplaatsen aanbiedt. De in 't wild levende soorten
trekken zich gedurende het natte jaargetijde op de hoogste kammen en
ruggen van de gebergten terug en dalen gedurende het droge seizoen
in de vruchtbare dalen af. Zij leven tot gezelschappen vereenigd,
niet zelden in troepen van verscheidene honderden exemplaren; er
wordt ijverig jacht op dit wild gemaakt.
De _Guanaco_ of _Huanaco_ (_Auchenia huanaco_) is met de Lama het
grootste van alle Zuid-Amerikaansche land-Zoogdieren en ook een van
de belangrijkste, hoewel hij alleen in vrijen toestand voorkomt. Wat
de grootte betreft, gelijkt hij ongeveer op ons Edelhert; door
zijn gestalte is hij een zonderlinge middelvorm tusschen Kameel en
Schaap. Bij volkomen volwassene dieren bedraagt de totale lengte van
den romp 2.25 M., de lengte van den staart 24 cM., de hoogte in de
schouders 1.15 M., de hoogte van de kruin boven den grond 1.6 M. Het
wijfje is kleiner dan het mannetje, maar volkomen gelijk van gestalte
en van kleur. Een tamelijk lange, overvloedige, maar losse vacht
bedekt het lichaam. De beharing bestaat uit kort, fijn wolhaar met
dunner en langer bovenhaar. De algemeene kleur is vuil roodbruin; het
midden van de borst, het onderlijf en de aars, alsmede de binnenzijde
van de ledematen zijn witachtig.
De Guanaco is verbreid over de Cordilleras, van de boschrijke eilanden
van Vuurland tot aan het noorden van Peru. Vooral in het zuidelijk
gedeelte van het gebergte is hij veelvuldig.
Deze dieren leven gezellig in troepen. Meijen zag er van 7 tot 100
stuks aan beken grazen. De kudde bestaat gewoonlijk uit vele wijfjes
en slechts één volwassen mannetje.
Alle bewegingen van den Guanaco zijn snel en vlug, hoewel niet zoo
snel, als men zou vermoeden. In de vlakte haalt een goed Paard den
vluchtenden troep weldra in; aan gewone Honden kost het echter moeite,
hem te volgen. Hun loopen bestaat uit een korten, sleependen pasgang;
de lange hals wordt bij versnelde vlucht uitgestrekt. De Guanaco kan
uitmuntend klimmen; hij loopt als een Gems langs de steilste hellingen
en afgronden, zelfs daar waar de meest geoefende bergbestijger
geen vasten voet kan krijgen, en kijkt met onverschilligheid in de
diepte. In den toestand van rust ligt het dier evenals de Kameel
op de borst en de pooten; evenals deze gaat het liggen en staat het
op. Terwijl het rust, herkauwt het op een droomerige wijze.
Gewoonlijk zijn de Guanacos wild en zeer schuw. Het mannetje, dat als
hoofd van de kudde optreedt, staat bijna altijd eenige schreden van
den troep verwijderd en houdt met groote voorzichtigheid de wacht,
terwijl de overige dieren onbekommerd grazen. Bij het geringste gevaar
laat hij een luid hinnekend geblaat hooren; alle leden van de kudde
heffen oogenblikkelijk de koppen op, kijken scherp in alle richtingen
en gaan daarna schielijk op de vlucht.
De paartijd valt in de maanden Augustus en September. Veelvuldige
gevechten tusschen de mannetjes, die om de heerschappij strijden,
gaan er aan vooraf. Na 10 à 11 maanden draagtijd werpt het wijfje een
volkomen ontwikkeld, behaard jong, dat de oogen open heeft; zij zoogt
het 4 maanden lang, bewaakt het zorgvuldig, behandelt het met groote
teederheid en houdt het bij zich, totdat het geheel volwassen is.
De Guanaco verdedigt zich tegen zijne soortgenooten door te slaan
en te bijten; alle niet al te onbeduidende vijanden ontvlucht hij
daarentegen vol vrees, zonder aan tegenweer te denken. Als hij
gewend geraakt is aan menschen en huisdieren, wordt hij driester,
valt soms stoutmoedig een tegenstander aan en tracht hem te bijten
of te slaan. Dikwijls maakt hij gebruik van een eigenaardige wijze
van verdediging, die bij alle Lamas waargenomen wordt: hij laat zijn
tegenpartij dicht bij zich komen, legt de ooren in den nek, trekt
een zeer boos gezicht en spuwt den vijand nu plotseling met geweld
zijn speeksel en de kruiden, die hij toevallig in den mond heeft,
of opzettelijk voor dit doel uit de pens naar boven perst in 't gelaat.
Van alle vijanden dezer dieren is de mensch het meest te vreezen;
tegen den aanval van andere zijn zij door hun snelheid gevrijwaard. Of
de Condor hen werkelijk zooveel schade doet, als gezegd wordt, laten
wij in 't midden blijven. De Zuid-Amerikanen zijn hartstochtelijke
liefhebbers van de Guanaco-jacht, daar deze wegens het smakelijke
vleesch en goed bruikbare vel een aardige verdienste oplevert.
In het gebergte zoowel als in de vlakte vangt men niet zelden
Guanacos om ze te temmen. Zoolang zij jong zijn, gedragen zij
zich allerliefst. Zij zijn dan gezellig en aanhankelijk, volgen hun
meester als een Hond, en laten zich als lammeren behandelen. Hoe ouder
zij echter worden, des te geringer worden hunne genegenheid voor en
gehechtheid aan den mensch. De gevangen dieren kunnen gemakkelijk met
hooi, gras, brood en graan in 't leven gehouden worden, ook in Europa,
waar zij zich zelf voortplanten, wanneer men ze goed verzorgt.
De _Lama_, eigenlijk _Llama_ (_Auchenia lama_), wordt hoofdzakelijk
in Peru gevonden en gedijt daar het best op de hoogvlakten. Hij wordt
een weinig grooter dan de Guanaco en is gekenmerkt door de eeltplekken
aan de borst en aan de voorzijde van het polsgewricht. De kop is smal
en kort, de lippen zijn behaard, de ooren kort, de zolen groot. De
kleur biedt groote verschillen aan: er zijn witte, zwarte, bonte,
roodbruin en witgevlekte, donkerbruine, okerkleurige, vuurroode en
andere. Het volwassen dier bereikt een hoogte van 2.6 à 2.8 M., van de
zool tot de kruin gemeten; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 1.2 M.