Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
ELFDE ORDE.
DE EVENVINGERIGEN (Artiodactyla).
In de orde van de _Evenvingerigen_ vereenigt men alle Hoefdieren,
bij welke aan iederen voet slechts 2 teenen tot ontwikkeling zijn
gekomen, of althans de drie overige aanmerkelijk overtreffen. De
derde en vierde teen, dus die, welke bij den mensch middelvinger en
ringvinger heeten, zijn bij de Evenvingerigen buitengewoon krachtig
ontwikkeld; de eene even sterk als de andere, terwijl de beide
andere meer of minder in ontwikkeling achtergebleven zijn. De eerste
teen (de duim van den mensch) is bij alle Evenvingerigen volkomen
verdwenen. Het geraamte onderscheidt zich bovendien door de groote
standvastigheid van het getal rug- en lendewervels, dat altijd,
behalve bij eenige rassen van huisdieren, 19 bedraagt, en door het
ontbreken van de sleutelbeenderen. Als wij hier nog bijvoegen, dat er
zelden email-lagen in de maaltanden doordringen, hebben wij, behalve
de overeenstemmende eigenaardigheden van den ontwikkelingsgang,
alle gemeenschappelijke verschijnselen in den lichaamsbouw van de
Evenvingerigen op den voorgrond gesteld. In levenswijze gelijken de
Evenvingerigen in zooverre op elkander, dat de meeste uitsluitend,
de overige althans hoofdzakelijk planteneters zijn. In alle andere
opzichten biedt deze orde, die zulk een groot aantal vormen omvat,
een groote verscheidenheid van verschijnselen aan.
De Evenvingerigen ontbreken op Nieuw-Zeeland en op het vasteland van
Australië, maar komen overigens in alle door land-Zoogdieren bewoonde
gedeelten van de wereld voor. Voorwereldlijke Evenvingeren bestaan
sedert het tertiaire tijdvak.
Het groot aantal soorten van Evenvingerigen en het verschil dat
zij vertoonen, maakt het gewenscht, de orde in de eerste plaats in
onderorden te verdeelen. Men onderscheidt er twee: de _Veelhoevigen_
(_Multungulata_), bij welke, behalve de beide voornaamste teenen,
ook nog de tweede en de vijfde teen goed ontwikkeld zijn, en de
_Tweehoevigen_ of Herkauwers (_Bidactyla_, _Ruminantia_), waarbij de
tweede en de vijfde teen geheel of grootendeels ontbreken. Bovendien
zijn de middelhands- (middelvoets-) beenderen bij gene van elkander
gescheiden, bij deze onderling vergroeid.
De leden van de onderorde der _Herkauwers_ of _Tweehoevigen_ zijn,
ondanks haar grooten vormenrijkdom, innig aan elkander verwant: zij
zijn gehoornd of ongehoornd, fraai gevormd of plomp gebouwd, bevallig
of leelijk; hun grootte wisselt af binnen zeer wijde grenzen. De
volgende kenmerken hebben zij onderling gemeen: de hals is lang en zeer
lenig, de kop aan het voorhoofd zeer verbreed en dikwijls met hoornen
of geweien, met groote, levendige, niet zelden buitengewoon schoone
oogen en met goed gevormde, overeindstaande ooren versierd; de lippen
zijn beweeglijk, dikwijls onbehaard en bijna altijd zonder snorren of
borstels; de staart bereikt slechts zelden het hielgewricht, maar is
bij de meeste soorten kort. Het lichaam is bedekt met een kort, dicht,
nauw aanliggend en zacht haarkleed, dat zich aan den hals, de kin en
op den rug soms tot manen, en aan de spits van den staart soms tot een
kwast verlengt. Nooit is het borstelig, dikwijls echter buitengewoon
fijn, wollig en gekroesd. De kleur is zeer verschillend. Zeer
veel overeenstemming bestaat er in het maaksel van de tanden,
de samenstelling van het gebit en den bouw van het geraamte. 6
snijtanden in de onderkaak, geen (slechts zelden 2) snijtanden in
de bovenkaak, 2 hoektanden in de onderkaak, geen hoektanden in de
bovenkaak (bij sommige echter 1 hoektand in elke kaakhelft), 3 à 7
maaltanden in de bovenkaak, 4 à 6 maaltanden in de onderkaak vormen
het gebit. De snijtanden zijn meestal schopvormig en met een scherpe
snede voorzien; die van de bovenkaak (voor zoover aanwezig) hebben
altijd den vorm van hoektanden; de hoektanden van de onderkaak zijn in
den regel snijtandvormig en niet door een tusschenruimte van de echte
snijtanden gescheiden, die van de bovenkaak (voor zoover aanwezig)
zijn kegelvormig en steken slechts bij enkele soorten buiten den bek
uit; de maaltanden bestaan uit één of twee zuilen, welker kauwvlakte
door halvemaanvormige emailplooien gevormd wordt. De schedel is
langwerpig en naar de spits van den snuit versmald; de oogholten zijn
van de slaapgroeven gescheiden door een beenig schot, dat door het
voorhoofdsbeen en het jukbeen gevormd wordt; de schedelholte is van
geringen omvang. Van de wervelkolom trekken de buitengewoon lange,
smalle beweeglijke halswervels de aandacht. Bij alle Herkauwers zijn
slechts twee teenen, de derde en vierde, volkomen ontwikkeld.--De mond
onderscheidt zich door sterke lipspieren en van binnen door talrijke
wratten; de speekselkieren zijn zeer groot. De maag bestaat meestal uit
vier (minstens en bij uitzondering drie) verschillende afdeelingen;
de _pens_, de _netmaag_ of _muts_, de _boekmaag_ en de _lebmaag_. De
eerste staat met het spijskanaal, de laatste met den dunnen darm in
gemeenschap. De pens ontvangt het grof gekauwde voedsel en stuwt het
bij kleine hoeveelheden te gelijk in de netmaag, welker (op de mazen
van een net gelijkende) plooien het een verandering doen ondergaan
en er balletjes van vormen, die vervolgens door den slokdarm naar
de mondholte terugkeeren. Hier wordt het voedsel met de maaltanden
fijn gemaakt, terdege met speeksel vermengd en vervolgens op nieuw
doorgeslikt. Het gaat nu echter de pens en de muts voorbij, daar deze
afdeelingen alleen dan met den slokdarm in gemeenschap komen, wanneer
twee plooien van het spijskanaal, die zich van den maagmond tot aan
den ingang van de boekmaag uitstrekken, door de drukking van den prop
weinig of niet gekauwd voedsel van elkander verwijderd worden. Het goed
gekauwde, brijachtige voedsel komt dus onmiddellijk uit den slokdarm
in de boekmaag en gaat van hier na eenigen tijd in de lebmaag over.
Niet onbelangrijk voor de rangschikking en de onderscheiding
der soorten zijn de hoornen en geweien, die bij vele Herkauwers
voorkomen. Hieraan zijn de namen van de twee grootste groepen dezer
orde--de _Holhoornigen_ en de _Geweidragers_--ontleend. De hoornen
van de Holhoornigen, die ook wel meer bepaaldelijk "hoornen" heeten,
bestaan uit een scheede van hoorn, die een pit, gevormd door een
beenig uitgroeisel van het voorhoofdsbeen omgeven. Deze worden in
normalen toestand nooit afgeworpen. Hunne beide hoofdbestanddeelen--de
hoornscheede en de beenpit--groeien aan door de werking van een
tusschenbeide gelegen, weeke laag (een voortzetting van de opperhuid
en van de lederhuid), die naar buiten steeds nieuw hoornweefsel aan
de hoornscheede, naar binnen steeds nieuw beenweefsel aan de beenpit
toevoegt. De "geweien" daarentegen bestaan in volkomen ontwikkelden
toestand uit niets anders dan harde beenmassa's, die op betrekkelijk
korte verhevenheden van het voorhoofdsbeen rusten en bij oudere dieren
sterker vertakt zijn dan bij jongere. Ieder jaar worden de geweien
afgeworpen en na verloop van weinige maanden door nieuwe, aanvankelijk
door de gewone huid bedekte geweien vervangen. Zoolang deze huid met
bloed wordt voorzien, groeien de geweien; hun groei houdt op en de
bedoelde huid valt af, zoodra de bloedtoevoer door vernauwing van
de bloedvaten aan het onderste deel van het gewei gestaakt wordt;
geruimen tijd daarna, hoewel nog in den loop van hetzelfde jaar,
valt ook het gewei zelf af, zooals reeds werd opgemerkt. In den regel
zijn alleen de mannelijke dieren in het bezit van geweien, terwijl de
eigenlijke hoornen meestal zoowel bij de mannetjes als bij de wijfjes
voorkomen.--De vorm en de grootte der hoeven is bij de verschillende
groepen zeer ongelijk.
De Herkauwers bewonen alle werelddeelen met uitzondering van
Australië. Een bepaalde verbreiding van de hoofdgroepen is
duidelijk merkbaar. Het verst verbreid zijn de Runderen en Herten,
tot den engsten kring beperkt de Giraffes en de Muscusdieren;
de Herten ontbreken in het Ethiopische, zijn daarentegen de eenige
vertegenwoordigers van de orde der Herkauwers in het Zuid-Amerikaansche
rijk; de Muscusdieren zijn alleen in Centraal-Azië, de Giraffes alleen
in Ethiopië inheemsch; de Dwerg-muscusdieren ontbreken in Amerika.
Bijna alle Herkauwers zijn schuwe, vlugge, vreedzame dieren, die
lichamelijk zeer goed uitgerust zijn, maar bekrompen geestvermogens
hebben. Vele leven in kudden, alle tot gezelschappen vereenigd. Sommige
bewonen de gebergten, andere de vlakten; geen enkele is een echte
waterbewoner, hoewel eenige aan de moerassige laaglanden de voorkeur
geven boven de droge vlakten. Hun voedsel bestaat uitsluitend uit
planten. Zij houden van gras, kruiden, bladen, jonge spruiten en
wortels, enkele ook van zaden, andere van korstmossen. Het wijfje
werpt gewoonlijk slechts één jong, zelden twee, terwijl één worp van
drie jongen een uitzondering is. De meeste Herkauwers brengen zoowel
in wilden als in getemden toestand meer nut dan schade, hoewel enkele
soorten daar, waar de bodemkultuur een zekere hoogte bereikt heeft,
niet meer geduld kunnen worden. Van de in 't wild levende zoowel als
van de tamme worden vleesch en vel, hoornen en haar voor de meest
verschillende doeleinden gebruikt; de Herkauwers leveren, zooals
iedereen weet, het grootste deel van onze kleeding. Als huisdieren
onderscheiden zij zich wel is waar niet door schranderheid, maar
door gehoorzaamheid, geduld en tevredenheid; hierdoor zijn zij den
mensch geheel onmisbaar geworden. Slechts van vier familiën die
weinige soorten omvatten--de Dwerg-muscusdieren, de Muscusdieren,
de Gaffelbokken en de Giraffes--werd tot dusver nog geen soort als
huisdier gebruikt; van ieder der overige hebben de menschen het eene
of andere lid tot hun dienaar en slaaf gemaakt. De meeste in vrijheid
levende Herkauwers worden hoog geschat als voor de jacht geschikt wild.
Overblijfselen van Herkauwers zijn tot dusver in geen andere lagen
gevonden dan in die van het tertiaire tijdvak; voor een groot deel zijn
de vormen van dien tijd nauw verwant aan die, welke thans nog leven.
De Herkauwers verdeelen wij in zeven familiën--_Giraffes_,
_Kameelachtigen_, _Holhoornigen_, _Gaffelbokken_, _Geweidragers_,
_Muscusdieren_ en _Dwerg-muscusdieren_--, welker eigenaardigheden
wij bij ieder dezer afdeelingen zullen opnoemen.
Ook onder de Herkauwers komen wezens voor, die bij de thans
levende vormen, om zoo te zeggen, niet meer passen, daar zij ons
herinneren aan de gestalten uit lang vervlogen perioden van de
ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, die ons nu zoo vreemdsoortig
voorkomen; de meest opmerkelijke van deze is de _Giraffe_. Varro noemt
dit zonderlinge wezen niet geheel ten onrechte "een samenvoeging van
een Panter en een Kameel." Ook is het zeer verklaarbaar, dat reizigers
uit veel lateren tijd de afbeeldingen van een destijds weder geheel
uit het oog verloren dier, die zij op Egyptische gedenkteekenen
vonden, als droombeelden van een overmoedige kunstenaarsphantasie
beschouwden. Evenals de Romeinen zich verwonderden over de Giraffes,
die hun bij de kampspelen van Julius Caesar (46 v. C.) en ook later
nog eenige malen voorgesteld werden, zoo verbazen wij, beschaafde
Europeanen, ons thans nog, wanneer wij dit wezen voor de eerste
maal levend aanschouwen; want ook op hen, die het door afbeeldingen
voldoende kennen, maakt het den indruk van uit den sprookjestijd te
zijn overgekomen.
De _Giraffe_ is de eenige, hedendaagsche vertegenwoordiger van
een afzonderlijke familie (_Camelopardalidae_); bij haar is de
verandering in den bouw van den voet, waardoor de Herkauwers zich
van hunne vijfteenige voorouders uit vroegere geologische tijdperken
onderscheiden, verder voortgeschreden dan bij verreweg de meeste leden
dezer orde. De twee "rudimentaire" teenen (_bijteenen_) aan de voor-
en achterpoten, die bij de meeste Herkauwers voorkomen, ontbreken hier
geheel; ook van de _griffelbeenderen_ is geen spoor meer voorhanden,
zoodat de middelvoet hier alleen bestaat uit het bij alle Herkauwers
aanwezige _kanonbeen_, een been, dat door vergroeiing van de twee
middelvoets-beenderen der beide "ware" teenen ontstaan is.
De _Giraffe_, de _Zoraféh_ of _Serâfe_ der Arabieren (_Camelopardalis
Girafa_) is gekenmerkt door den bovenmatig langen hals, de hooge
pooten, den dikken romp met den naar achteren afhellenden rug, den
sierlijk gebouwden, kleinen kop met groote, fraaie, heldere oogen en
door twee vreemdsoortige, met een behaarde huid bekleede, op hoornen
gelijkende beenknobbels op het voorhoofdsbeen. De lange pooten en
de lange hals maken, dat de Giraffe in verhouding tot haar hoogte
onder alle Zoogdieren de geringste lengte heeft. Haar romp is slechts
2.25 M. lang, de schouderhoogte daarentegen bedraagt 3 M. en de kop
verheft zich 5 tot 6 M. boven den bodem. Met den haarkwast waarin hij
eindigt, is de staart 1.1 M., zonder dezen slechts 80 cM. lang. De
afstand van de spits van den snuit tot aan den wortel van den staart
bedraagt 4 M., het gewicht 500 K.G. Reeds uit deze afmetingen blijkt,
dat de gestalte van de Giraffe van die der overige Zoogdieren sterk
afwijkt; de bouw van haar lichaam is echter zóó merkwaardig, dat
er een uitvoerige beschrijving van gegeven moet worden. De Giraffe
werd, gelijk reeds gezegd is, vroeger aangeduid als een zonderlinge
vereeniging van de eigenschappen van den Panter met die van den
Kameel; werkelijk maakt zij den indruk van uit de lichaamsdeelen van
verschillende dieren samengesteld te zijn. 't Is, alsof zij den kop
en den romp aan het Paard, den hals en de schouders aan het Kameel, de
ooren aan het Rund, de staart aan den Ezel, de pooten aan de Antilope
heeft ontleend, terwijl de kleur en de teekening van het gladde vel
aan een Panter doet denken. Zulk een samenvoeging moet aanleiding
geven tot een wanstaltig geheel, en werkelijk zal niemand de Giraffe
schoon kunnen vinden. De korte romp staat in geen verhouding tot de
hooge pooten en den langen hals; de buitengewoon sterk afhellende
rug moet volgens de gewone begrippen over schoonheid leelijk worden
genoemd en de kolossale hoogte van het dier draagt volstrekt niet bij
tot verbetering van dezen indruk. Fraai is de kop, schoon het oog,
aangenaam de teekening, al het overige is opmerkelijk en vreemdsoortig.
De langwerpige kop van de Giraffe schijnt, wegens zijn tamelijk
dunnen snuit, nog langer dan hij werkelijk is; hij draagt zeer
groote, levendig schitterende en toch buitengewoon zachtaardige
oogen, groote, sierljjk gebouwde, uiterst beweeglijke ooren van
ongeveer 15 cM. lengte en twee uitwassen op het voorhoofd, die in
de verte aan horens herinneren en iets korter zijn dan de ooren;
zij zijn te beschouwen als de voetstukken van een onontwikkeld
gebleven gewei. Tusschen deze beide begint een verder naar voren
gerichte opzwelling van het voorhoofdsbeen, als het ware een derde
hoorn. De hals is even lang als de voorpooten, dun, zijdelings
samengedrukt en van achteren met een fraaien haarkam (met manen)
versierd. De romp is breed van borst, in de schouders veel hooger
dan in 't kruis en langs de middenlijn een weinig ingedeukt; aan
de voorzijde vallen de bijna rechthoekig uitstekende schouderbladen
sterk in 't oog; van achteren is de romp zeer sterk versmald, zoodat
men van het achterlijf in 't geheel niets bespeurt, wanneer men het
dier recht van voren beschouwt. De pooten zijn betrekkelijk fijn,
de voorpooten bijna even lang als de achterpooten; hunne hoeven zijn
sierlijk gebouwd. Aan het polsgewricht komt een naakte eeltplek voor,
zooals bij den Kameel. De huid is zeer dik en, met uitzondering van den
genoemden voorhoofdsknobbel, van den halskam, en van den staartkwast,
overal gelijkmatig lang behaard; De grondkleur is vaal zandkleurig
geel; op den rug wordt zij iets donkerder, aan de onderzijde neemt
zij een witachtige tint aan; de tamelijk groote vlekken hebben
een onregelmatigen vorm en een meer of minder donkere, roestbruine
kleur; zij staan zoo dicht bijeen, dat de lichtere grondkleur op
een netvormige teekening gelijkt. Aan den hals en op de pooten zijn
deze vlekken kleiner dan op de overige lichaamsdeelen. De buik en de
binnenzijde van de pooten zijn ongevlekt. De manen zijn vaal en bruin
gestreept. De ooren zijn van voren aan den oorsprong wit, van achteren
bruinachtig; de staartkwast is donkerzwart. Een verscheidenheid met
zwarte vlekken werd door Stanley in Centraal-Afrika gevonden.
Het tegenwoordige verbreidingsgebied van de Giraffe strekt zich in
een wijde boog over de oostelijke helft van Afrika uit, ongeveer 16°
N.B. tot 23° Z.B.; alleen in de Kalihari reikt het misschien een weinig
verder zuidwaarts, in geen geval echter tot aan de Oranje-rivier. Naar
het schijnt ontbreekt de Giraffe in het geheele Congo-gebied; ook in
Opper- en Neder-Guinea en in de Achterlanden van deze kuststrooken
is zij onbekend. In Zuidwest-Afrika waar men haar vroeger vond,
is zij sedert meer dan een menschenleeftijd uitgeroeid.
In de wouden van haar vaderland maakt de Giraffe een anderen indruk
dan in de nauw begrensde ruimte van een dierentuin. De merkwaardige
overeenstemming van de gestalte en van het algemeen voorkomen van
een dier met de plaats, waar het leeft, blijkt ook hier. "Ieder
die eenig gevoel voor natuurschoon heeft," zegt Gordon Cumming,
"zal moeten erkennen, dat een kudde Giraffes, verspreid tusschen
de schilderachtige, zonneschermvormige mimosa's, die de vlakten van
haar vaderland versieren, aan welker hoogste takken zij wegens hun
kolossale hoogte knabbelen kunnen, een buitengewoon schilderachtig
schouwspel oplevert." Men ontmoet ze veelvuldig daar, waar oude,
verweerde boomstammen voorkomen, die wegens de korstmossen, waarmede
zij bedekt zijn, niet zelden een in 't oogloopende overeenkomst
vertoonen met den langen hals van een Giraffe. "Dikwijls", zegt de
genoemde jager verder, "heb ik in twijfel verkeerd over de aanwezigheid
van een geheele bende van Giraffes, totdat ik van mijn verrekijker
gebruik maakte. Zelfs mijne half-wilde begeleiders moesten erkennen,
dat hunne scherpzinnige, geoefende oogen nu en dan misleid werden:
soms zagen zij verweerde boomstammen voor Giraffes aan, soms hielden
zij omgekeerd Giraffes voor de bedoelde, overoude boomen."
Gewoonlijk treft men de Giraffes aan in gezelschappen van 6 à 8 stuks;
zij vereenigen zich evenwel dikwijls tot grootere troepen in streken
waar zij niet gestoord worden. Cumming spreekt van kudden, die uit
30 à 40 stuks bestaan, meent echter, dat het gemiddelde aantal leden
van een gezelschap omstreeks 16 zal zijn.
Alle bewegingen van de Giraffe zijn vreemdsoortig. Op haar gunstigst
doet zij zich voor, als zij rustig gaat; zij heeft dan een waardig
en bevallig voorkomen. Haar gang is een langzamen, afgemeten telgang;
de beide pooten van een zijde worden te gelijker tijd verplaatst. Als
zij zich sneller wil bewegen, vervalt zij wegens de in 't oog loopende
wanverhouding tusschen de schouderhoogte en de hoogte in 't kruis
(en tusschen de hoogte en de lengte van den romp) in een merkwaardig
stijven, zwakken en plompen galop, die echter, wegens de groote wijdte
van elken sprong afzonderlijk beschouwd, het dier in korten tijd een
grooten weg doet afleggen. Het groote gewicht maakt het opheffen van
het voorste deel van 't lichaam moeielijk; dit noodzaakt het dier den
langen hals naar achteren te buigen, om aan zijn zwaartepunt een meer
achterwaartschen stand te verschaffen; hierdoor eerst wordt het in
staat gesteld om zich door een sprong boven den grond te verheffen. De
Giraffe springt zonder de voorpooten te buigen; zij drukt ze met een
gelijktijdige, voorwaartsche beweging van den hals stijf tegen den
grond; na een nieuwe beweging van den hals worden de achterpooten
bijgetrokken. De hals van een springende Giraffe "slingert dus", naar
Lichtenstein zegt, "voortdurend heen en weer, als de mast van een op
de hooge golven dansend schip." Men heeft een zeer goed Paard noodig,
om een snel loopende Giraffe na te jagen; buitengewoon moeielijk is
het, haar geruimen tijd achtereen te vervolgen, daar in den regel
bijna alle overige dieren eerder vermoeid worden dan zij.
Hoogst eigenaardig is de houding, die het dier aanneemt, als het iets
van den bodem opzoeken of als het drinken wil. In oude beschrijvingen
wordt beweerd, dat de Giraffe met dit doel neerknielt. Misschien doet
zij dit bij uitzondering. In den regel echter laat zij het voorste
deel van haar romp zakken, door de beide voorpooten zoo wijd uiteen
te plaatsen, dat zij gemakkelijk met den langen hals den bodem kan
bereiken. Wie dit niet zelf gezien heeft, zou het onmogelijk kunnen
achten. Gedurende haar slaap ligt zij gedeeltelijk op zijde, en vouwt
daarbij een van hare voorpooten of beide op. Zij slaapt zeer onvast,
en slechts gedurende korten tijd.
Het spreekt van zelf, dat er verband bestaat tusschen het voedsel
van de Giraffe, haar lichaamsbouw en haar aard. Zij is niet zeer
geschikt om gras van den bodem op te nemen; des te beter kan zij
bladen van de boomen afplukken. Hierbij heeft zij veel dienst van
haar buitengewoon beweeglijke, 20 cM. lange, violette tong. Iedereen
weet, dat de meeste Herkauwers, bij het afplukken van het voedsel,
de tong gebruiken; bij geen hunner is dit orgaan voor de bedoelde
verrichting zoo volstrekt noodig als bij de Giraffe. Wat de slurf
is voor den Olifant is de tong voor haar. Zij kan er de kleinste
voorwerpen mede opnemen, het fijnste blad afplukken en in den mond
brengen. "In onzen dierentuin," zegt Owen, "is meer dan een dame,
die naar de Giraffe keek, door deze beroofd van de kunstbloemen,
die haar hoed versierden. Naar het schijnt, laat de Giraffe zich bij
de keuze van haar voedsel minder door den reuk, dan door het gezicht
leiden, en zoo komt het dikwijls voor, dat het dier zich vergist,
zooals in de vermelde gevallen, waarin het met haar behendige tong de
kunstbloemen greep en van den hoed afrukte." In vrijen toestand voedt
de Giraffe zich hoofdzakelijk met de twijgen, knoppen en bladen van
de mimosaceeën; zij ontbladert echter ook gaarne de slingerplanten,
die in zoo grooten overvloed de boomen van de Afrikaansche wouden
omstrengelen. Daar deze boomen niet veel hooger worden dan zij zelf,
verkrijgt zij haar voedsel zonder moeite. In het droge jaargetijde,
als de boomen grootendeels van hun bladertooi beroofd zijn en de hooge,
verdorde grassen haar een karig voedsel verschaffen, begeeft zij zich,
om te drinken, dikwijls mijlen ver naar modderige waterplassen, of
naar de kolken, die overgebleven zijn van de stroomen, die gedurende
den regentijd vloeiden.
De zinnen van de Giraffe, vooral het gezicht en het gehoor, zijn
uitmuntend ontwikkeld, de geestvermogens evenzeer. Zij is een schrander
en verstandig, buitengewoon lieftallig, en, haar grootte in aanmerking
genomen, ook een zeer goedaardig, vreedzaam en zachtmoedig dier, dat
niet alleen met hare soortgenooten in goede verstandhouding leeft,
maar ook met andere dieren, zoolang deze haar geen overlast aandoen
of in gevaar brengen. In geval van nood weet zij zich recht goed te
verdedigen door krachtige slagen met hare lange, gespierde pooten,
niet met hare hoornen, die alleen tot sieraad schijnen te dienen.
Eerst in den laatsten tijd is de voortplanting van de Giraffe ons
bekend geworden. Uit de ervaringen, die tot dusver in verschillende
dierentuinen verkregen zijn, blijkt, dat de paring plaats vindt in
Maart of in het begin van April; de jongen worden geboren in Mei of
Juni van het volgende jaar; de draagtijd duurt dus 431 à 444 dagen,
of 14 1/2 à 15 maanden.
De inboorlingen van Afrika, zoowel als de Europeanen, zijn
hartstochtelijke liefhebbers van de Giraffejacht. De eerstgenoemden
maken bij deze jacht gebruik van Kameelen of Paarden; zij hakken
het door de vervolging vermoeide dier de Archillespees door. Zij
slachten de Giraffe om haar vleesch, dat overal zeer geschat wordt. De
Europeanen bedienen zich bij de jacht van het geweer, maar kunnen zelfs
met dit ver dragend wapen het voorzichtige dier eerst na een langdurige
vervolging bemachtigen. Volgens de mededeelingen van Selous kan men
de vluchtende Giraffe, omdat zij slechts in den hoogsten nood haar
grootste snelheid ontwikkelt, met een niet al te slecht Paard wel tot
op zulk een afstand naderen, dat men, snel uit den zadel springend,
haar met een goed gemikten kogel kan treffen.
Van de gedoode Giraffe wordt op velerlei wijzen partij getrokken. De
huid wordt voor allerlei lederwerk gebruikt, de staartkwast voor
vliegenklap, de hoeven voor 't maken van verschillende hoornen
voorwerpen; het vleesch smaakt uitmuntend. Nog liever vangt men de
Giraffe echter levend. Overal is men het in 't oog vallende dier
genegen; overal wil men het graag in zijn nabijheid hebben. In de
steden van Centraal-Afrika ziet men dikwijls een paar Giraffe-koppen
boven de hooge afsluitingsmuren van een tuin uitsteken, en niet zelden
ontmoet men in de nabijheid van dorpen getemde dieren, die naar vrije
verkiezing rondloopen. Bij onze aankomst in Karkodj, een plaats aan
de Blauwe Rivier, was het eerste bezoek, dat wij in onze boot kregen,
dat van een Giraffe; deze deed, alsof zij kwam met de bedoeling om ons
te begroeten. Zij ging vol vertrouwen op ons af, kwam dicht bij onze
boot, at brood en doerra-graan uit onze hand en behandelde ons zoo
vriendelijk, alsof wij hare oude bekenden waren. Bijzonder spoedig
scheen zij te bemerken, hoeveel schik wij in haar hadden; want zij
kwam zoolang wij ons in de nabijheid ophielden, iederen dag meermalen
bij ons, om zich te laten liefkoozen. De Arabische naam "Serâfe", de
"liefelijke", dat door ons woord Giraffe verminkt wordt weergegeven,
werd mij duidelijk.
Ongelukkig verdragen de naar Europa gebrachte Giraffes de gevangenschap
slechts bij uitmuntende verzorging gedurende langen tijd. De meeste
bezwijken aan een eigenaardige ziekte van het beenderenstelsel, die men
"Giraffeziekte" heeft genoemd. Waarschijnlijk zijn gebrek aan beweging
en een ondoeltreffende voeding oorzaken van deze kwaal. Ten gevolge van
de Mahdistische beroeringen in Soedan is de uitvoer van levende Giraffe
naar Europa geheel opgehouden, terwijl intusschen de in Europeesche
dierentuinen voorkomende exemplaren nagenoeg uitgestorven zijn. Te
verwachten is het echter, dat de firma C. Reiche in Alfeld, die met
C. Hagenbeck te Hamburg de eerste groote bezendingen Giraffes in Europa
bracht (sedert 1844), deze weldra weder uit Zuid-Afrika zal invoeren.
De _Kameelachtigen_ (_Camelidae_) onderscheiden zich van alle
overige Herkauwers, doordat zij de beide teenen over hun geheele
lengte op den grond laten rusten en niet slechts den nagel van het
eindlid. Een breede eeltzool wordt door de beide teenen gevormd, en
alleen van voren door de zeer kleine hoeven beschut. De bijteenen en
de hierbij behoorende griffelbeenderen, die bij de meeste Herkauwers
aanwezig zijn, ontbreken hier geheel, evenals bij de Giraffes. Het
kanonbeen behoudt echter voortdurend twee mergkanalen; de spleet,
die de beide gewrichtsvlakten van het kanonbeen vaneenscheidt,
welke voor de aanhechting der "ware" teenen bestemd zijn, zet zich
bij de Kameelachtigen verder bovenwaarts voort dan bij de overige
Herkauwers en is van onderen wijder. De bovenlip is gespleten
en verder dan de neusgaten naar voren verlengd. Het gebit van de
Kameelachtigen verschilt van dat der overige Herkauwers door het
bezit van snijtanden in de bovenkaak. In het melkgebit zijn er 3
in elke kaakhelft; bij de tandwisseling gaan de twee voorste geheel
verloren, terwijl de derde hoektandvormig wordt. Bovendien bevat elke
bovenkaakshelft nog twee hoektandvormige tanden, waarvan de voorste
als hoektand, de achterste als kies wordt beschouwd. De drie tanden
zijn van elkander en van de van de vijf volgende, aaneensluitende,
groote kiezen door wijde tusschenruimten gescheiden. De onderkaak
bevat behalve een aaneengesloten reeks van 5 kiezen, aan weerszijden
4 voortanden, waarvan 3 als snijtanden en de vierde, die er door
een kleine tusschenruimte van gescheiden is, als hoektand wordt
beschouwd.--De maag bestaat uit slechts drie afdeelingen, omdat de
boekmaag wegens zijn geringe grootte bij de lebmaag gerekend kan
worden.--De hoornen ontbreken.
De Kameelachtigen zijn zeer groote Herkauwers met langen hals,
langwerpigen kop, een in de flanken ingetrokken romp en een ruige,
bijna wollige beharing.
Het vaderland van deze dieren is Noord-Afrika, Centraal-Azië en
Zuidwest-Amerika. De weinig talrijke soorten der Oude Wereld zijn
bijna geheel, die der Nieuwe gedeeltelijk tot huisdieren geworden. Hier
bewonen zij de hooge gebergten tot 4000 M. boven den zeespiegel, daar
zijn zij thuis in de heete, droge vlakten. Grassen en andere kruiden,
boombladen, twijgen, distels en doornen strekken hun tot voedsel. Zij
zijn met bijzonder weinig tevreden en kunnen lang honger en dorst
verdragen. Hun gang is een telgang, hun wijze van loopen, hoewel
uitmuntend geschikt voor een snelle verplaatsing, is waggelend en
schijnbaar in de hoogste mate onbeholpen. De wilde soorten leven in
kudden; alle houden van gezelligheid. Hunne geestvermogens staan op
een tamelijk lagen trap. Men kan ze geen zachtmoedige, goedaardige,
schrandere en geduldige dieren noemen, hoewel zij zich met een
zekere zelfverloochening onder het juk van den mensch krommen en zijn
heerschappij erkennen. Het wijfje werpt slechts één jong en verzorgt
dit met veel liefde.
De _Kameelen_ (_Camelus_) onderscheiden zich door hun aanzienlijke
grootte en door één of twee vetbulten op den rug; bovendien hebben
zij in elke helft van elke kaak één kies meer dan de Lamas. Hun
gestalte is niet fraai en vooral de kop in 't oog loopend leelijk;
het haarkleed zeer ongelijk, op sommige plaatsen uit lange haren
samengesteld, over 't geheel genomen echter wollig; aan de borst,
aan den elleboog, aan de knieën, aan het polsgewricht en aan het
spronggewricht komen eeltplekken voor. Men kent twee soorten van dit
geslacht: de eene, de _Dromedaris_, bewoont hoofdzakelijk Afrika,
de andere, de _Bactrische Kameel_, wordt alleen in Azië gevonden.
De _Dromedaris_ is ongetwijfeld het nuttigste van alle Afrikaansche
huisdieren; het is echter, althans in de gewesten waar ik het leerde
kennen, het onbeminnelijkste, domste, koppigste en onpleizierigste
schepsel, dat men zich voorstellen kan. Zijn roem dankt het aan zijne
lichamelijke begaafdheden; zijne geestesgaven zijn nog nooit door
een Arabier geroemd, hoewel een groot deel van dit volk zonder dit
dier niet zou kunnen leven.
De _Dromedaris_ of _Eénbultige Kameel_, de _Djemmel_ der Arabieren
(_Camelus Dromedarius_), een kolossale Herkauwer, bereikt gemiddeld
een hoogte van 2 à 2.3 M., van de spits van den snuit tot aan het
puntje van den staart een lengte van 3 à 3.3 M. Hoewel deze soort
niet zoo rijk is aan rassen als het Paard, komen ook van de Kameel
zeer uiteenloopende verscheidenheden voor. Over het algemeen kan
men zeggen, dat de Kameelen van de woestijnen en steppen slanke, hoog
opgegroeide, langpootige dieren zijn, die van de vruchtbare landstreken
daarentegen, vooral die, welke in Noord-Afrika thuis behooren,
zijn plomp en log. Tusschen een "Bischarin", een ras dat door de
Bischarin-Nomaden gefokt wordt, en de Egyptische Vrachtkameel bestaat
een even groot verschil als b.v. tusschen een Arabisch Paard en een
Sleepersknol. De eerstgenoemde Kameel is het voortreffelijkste rijdier,
de laatstgenoemde het krachtigste lastdier van alle verscheidenheden
dezer soort.
De Arabier onderscheidt meer dan 20 verschillende rassen van "schepen
der woestijn"; er bestaat dus even goed een wetenschap van de Kameelen,
als een wetenschap van de Paarden: ook bij de Dromedarissen spreekt men
van edele en onedele dieren. De kop is tamelijk kort, de snuit echter
in de lengte gerekt en gezwollen; de oogen zijn groot en hebben een
onnoozele uitdrukking, de ooren zijn zeer klein, maar beweeglijk. De
hals is lang, zijdelings samengedrukt, in het midden het dikst; de
romp dikbuikig en eigenlijk in alle richtingen afgerond. De vetbult
staat overeind: zijn grootte wisselt echter aanmerkelijk af in den
loop van het jaar. Hoe overvloediger het voedsel van den Kameel is,
des te hooger wordt zijn bult; hoe kariger hem het voedsel wordt
toegemeten, des te meer zakt dit uitwas ineen. Bij gezonde, goed
gevoede dieren heeft het den vorm van een piramide, en neemt minstens
het vierde gedeelte van den rug in; bij zeer magere verdwijnt het
bijna geheel. In den regentijd, die sappig voedsel brengt, groeit de
bult, die gedurende de dorre hongermaanden nauwelijks zichtbaar is,
verbazend snel aan; zijn gewicht kan dan stijgen tot 15 KG., terwijl
het integendeel ook tot 2 of 3 KG. verminderen kan. De pooten zijn
slecht aangezet, vooral de dijen komen bijna geheel uit den romp te
voorschijn; voor een groot deel wordt hierdoor het woeste uiterlijk
van het dier veroorzaakt. De staart is met een dunnen kwast voorzien
en hangt tot op het hielgewricht naar beneden. Het haar is zacht
en wollig, op de kruin, in den nek, onder de keel, aan de schouders
en op de bult aanmerkelijk langer dan op de overige lichaamsdeelen;
aan de spits van den staart is het dikker. Eigenaardig zijn voorts
de eeltplekken, die zich op de borst, den elleboog, het handgewricht,
de knieën en de hielgewrichten bevinden; zij nemen, naarmate het dier
ouder wordt, in grootte en hardheid toe. De eeltplek aan de borst
verheft zich als een eigenaardige bult ver boven de omringende huid,
en vormt een soort van kussen, waarop het lichaam rust, als het dier
liggen gaat.
De kleur van de Dromedarissen is zeer verschillend. Het meest ontmoet
men lichtzandkleurige, er zijn echter ook grijze, bruine en geheel
zwarte exemplaren; ook hebben zij wel eens lichter gekleurde pooten;
nooit echter zijn zij gevlekt of bont.
Tegenwoordig kent men den Dromedaris alleen als huisdier, en wel in
alle landen van Afrika, van de Middellandsche Zee tot op ongeveer 12°
N.B., in Somali-land tot op 5° N.B., alsmede in Zuidwest-Azië. Te
beginnen in Boekhara en Toerkmenië, waar het verbreidingsgebied van
den Tweebultigen Kameel een aanvang neemt, is de Dromedaris door
Perzië, Klein-Azië, Syrië, Arabië, en het noorden van Afrika tot
aan den Atlantischen oceaan verbreid. Hij komt echter ook voor op
de Kanarische eilanden, en is in Australië, Noord-Amerika, Italië en
Zuid-Spanje ingevoerd. In de droge landstreken van Noord-Indië gedijt
hij zeer goed. Op het eiland Zanzibar zijn, volgens Hans Meijer,
Dromedarissen werkzaam in de oliemolens van den Sultan; zij lijden
echter zeer onder het klimaat. Het oorspronkelijk vaderland van dit
dier schijnt Arabië te zijn; in Noord-Afrika werd het waarschijnlijk
eerst tamelijk laat ingevoerd. Op de oud-Egyptische gedenkteekenen
komt geen afbeelding van dit in 't oog loopend dier voor; ook door de
Romeinsche en Grieksche schrijvers, die in Oud-Egypte reizen deden,
wordt de Kameel niet onder de inheemsche dieren vermeld. In den
Bijbel wordt dit dier onder den naam "Gamal" zeer dikwijls genoemd:
Job bezat 3000, later 6000 Kameelen; de Midianieten en Amalekieten
hadden Kameelkudden, zoo talrijk als "het zand aan de oevers van
de zee." Deze dieren werden destijds op dezelfde wijze gebruikt als
thans. Over Noord-Afrika hebben zij zich waarschijnlijk eerst met de
Arabieren verbreid. Getemd werden zij reeds in het vóór-historische
tijdvak; ook weet men niet, vanwaar zij eigenlijk afkomstig zijn. Wilde
of verwilderde Kameelen van deze soort komen nergens meer voor.
De Kameel is een echt woestijndier; alleen in de droogste en
heetste gewesten verkrijgt hij zijn volle kracht; in bebouwde en
vochtige landstreken verliest hij zijn waren aard. In Egypte heeft
men, waarschijnlijk ten gevolge van het overvloedigere voedsel,
langzamerhand zeer groote en zware Kameelen verkregen; deze hebben
echter verscheidene van hunne belangrijkste eigenschappen, lichtheid
van beweging, volharding en soberheid, verloren en worden daarom door
de Arabieren van de woestijn niet hoog geschat. In de keerkringslanden
van Afrika echter, waar de plantenwereld rijker wordt, gedijt de Kameel
niet meer. Herhaaldelijk, maar tevergeefs heeft men beproefd hem naar
Centraal-Afrika over te brengen. Binnen zijn verbreidingsgebied gevoelt
dit dier zich thuis en gedijt uitmuntend; wanneer het verder zuidwaarts
gebracht wordt, verliest het zijn kracht en bezwijkt eindelijk bij
het overvloedigste voedsel, zonder dat men recht weet waarom.
Tot dusver heeft men nog geen ernstige pogingen aangewend, om het
nuttige dier ook ten noorden van den grooten woestijngordel te
acclimatiseeren; er is echter geen reden om te betwijfelen, dat het
ook zal gedijen in landen, die niet te veel verschillen van zijn
vaderland. In het jaar 1622 liet Ferdinand II van Medicis in Toscane
Dromedarissen invoeren, en tot in den tegenwoordigen tijd heeft
het fokken van deze dieren daar voortgeduurd. In het gebied van San
Rossore bij Pisa gedijen de Kameelen zeer goed; zij leven er op een
zandvlakte geheel als in hun vaderland. In het jaar 1810 waren er
170 stuks en in 1840 171. Deze stoeterij heeft vele dierentuinen en
manegeriën met Dromedarissen voorzien. In Sicilië, waar zij eveneens
ingevoerd werden met het doel om ze in de zwavelmijnen als lastdieren
te gebruiken, stierven zij uit. In het zuiden van Spanje heeft men er
ook aan gedacht Kameelen te fokken, en gunstige uitkomsten verkregen.
In het geheele noorden en oosten van Afrika worden de Dromedarissen
in grooten getale gefokt. Een verbazend groote menigte van deze
dieren bewegen zich op de groote wegen door de woestijn tusschen de
Nigerlanden en het noorden van Afrika. Het aantal Kameelen, die ieder
jaar bij de reizen door de woestijn om het leven komen is moeilijk
te schatten; dat het zeer groot is, kan ieder, die een reis door de
woestijn maakt, best opmerken. In de Nubische woestijn, zoowel als
in de Bajoeda, vond ik aan den in- en uitgang van de genoemde wegen
over een afstand van vele mijlen geraamten van Kameelen zoo dicht
bij elkander, dat de weg door de wit gebleekte beenderen gemakkelijk
te onderscheiden was. De woestijn is niet alleen het vaderland en
het geboorteoord van den Kameel, maar ook de plaats, waar hij den
laatsten adem uitblaast en een graf vindt; de weinige exemplaren,
die geslacht worden, staan in geen verhouding tot die, welke gedurende
den arbeid bezwijken.
De Kameel ontleent zijn voedsel uitsluitend aan het plantenrijk
en is hierbij volstrekt niet kieskeurig. Men kan gerust zeggen,
dat juist de soberheid van dit dier zijn grootste deugd is: met het
slechtste voedsel is het tevreden. Het kan weken lang teren op de
dorste en droogste planten van de woestijn. In sommige gevallen acht
het een oude mand of een mat, die van de in lange strooken gescheurde
bladeren van den dadelpalm gevlochten is, een smakelijk gerecht. In
Oost-Soedan moet men de hutten der inboorlingen, die uit een geraamte
van zwakke stangen bestaan, dat met steppengras bekleed is, door
een dichte omheining van doornen tegen de Kameelen beschutten;
deze dieren zouden anders het geheele huis tot aan de grondvesten
opvreten. Het is werkelijk een wonder, dat zelfs de ergste doornen en
stekels den harden muil van den Kameel niet wonden. Wanneer hij een
enkele keer sappig voedsel kan krijgen, vindt hij dit zeer aangenaam;
op de akkers gaat hij soms op afschuwelijke wijze te keer en richt
er groote verwoestingen aan; hij eet graag boontjes, erwten, wikken;
alle soorten van graan beschouwt hij als een lekkernij. Bij het reizen
door de woestijn neemt iedere Arabier, om de last zooveel mogelijk te
verminderen, eenvoudig een weinig doera of gerst voor zijn Kameel mede;
hij geeft hem hiervan iederen avond een paar handen vol, gewoonlijk
zoo maar uit zijn omslagdoek, met andere woorden uit zijn schoot.
Als de Dromedaris saprijke planten tot voedsel krijgt, kan hij het
weken lang zonder water uithouden, indien hij niet beladen is, zich
niet bijzonder sterk behoeft in te spannen en de planten, die hij
eten wil, vrijelijk kan uitkiezen. Anders is het gesteld in tijden
van droogte. Men heeft beweerd, dat de Kameelen ook dan nog 14 à
20 dagen lang zonder water kunnen blijven; maar dit is een fabel,
waarmede ieder, die door eigen ervaring de woestijnreizen kent, den
spot drijft. Gedurende de verzengende hitte van den drogen tijd in
Afrika moet de Kameel onderweg niet alleen een behoorlijke hoeveelheid
voedsel hebben, maar ook genoeg water krijgen en bovendien alle 4 dagen
minstens 30 of 40 uur achtereen rusten, om niet te bezwijken. Maar
slechts ingeval van nood laten de Arabieren hun vee lang dorst lijden,
gewoonlijk alleen dan, wanneer een van de bronnen aan den weg, op
welks water gerekend werd, uitgedroogd blijkt te zijn.
Eertijds meende men de soberheid van den Kameel wat het drinken
aanbelangt, te moeten toeschrijven aan de eigenaardige inrichting
van zijn maag. De netvormige plooien van het slijmvlies, dat de
muts inwendig bekleedt--en waaraan deze afdeeling van de maag den
naam van "netmaag" te danken heeft--, zijn nl. zoo sterk verheven,
dat zij hokjes begrenzen, die naar men dacht, bestemd zijn om als
bergplaats voor water te dienen; deze maagafdeeling werd daarom ook
wel "waterzak" genoemd. In sommige oude reisbeschrijvingen leest men,
dat de reizigers in de woestijn in den uitersten nood in den waterzak
hunner Kameelen nog een zekeren voorraad water kunnen vinden. Ik heb,
ofschoon ik reeds vóór dien tijd aan de geloofwaardigheid van deze
verhalen twijfelende, opzettelijk oude, in de woestijn vergrijsde
kameeldrijvers hierover ondervraagd: geen hunner wist iets van dit
redmiddel af, geen enkele had ooit te voren zulk een kolossale leugen
hooren vertellen. Later heb ik mij bij het slachten van Kameelen,
die nog den vorigen dag gedronken hadden, zelf overtuigd, dat het
volkomen onmogelijk is, water te drinken, dat uren of dagen lang
vermengd is geweest met het maagsap en het in de maag opgehoopte
voedsel. De geheele Kameel heeft een onaangenamen reuk; de brijachtige
inhoud van zijn maag moet zelfs aan iemand, die van dorst versmacht,
een onoverwinnelijken afkeer inboezemen. Zonder overdrijving kan men
den stank van een versch geopende Kameel-maag onuitstaanbaar noemen.
Het is waarlijk een grappig schouwspel, hongerige en vermoeide Kameelen
in de nabijheid van een bron of een rivier te zien komen. Zij steken
den kop omhoog, snuffelen met half dichtgeknepen oogen in de lucht,
leggen de ooren in den nek en beginnen nu plotseling zoo hard
te loopen, dat men zich stevig in den zadel moet houden, om niet
afgeworpen te worden. Zoodra zij bij de bron komen, verdringen zij
zich om het water en trachten onder een afschuwelijk gebrul ieder
een plaats te krijgen, waar zij naar hartelust kunnen drinken.
Als men een rustig stil staanden Dromedaris beschouwt, kan men zich
moeielijk voorstellen, dat dit dier wat snelheid betreft, bijna met
een Paard wedijveren kan. En toch is dit het geval. De Kameelen, die in
de woestijn of in de steppe het eerste levenslicht aanschouwden, zijn
dikwijls voortreffelijke loopers en in staat om zonder te rusten, een
veel langeren weg af te leggen dan eenig ander huisdier. Schijnbaar is
de gang van alle Kameelen zeer onbeholpen, zoowel bij langzame als bij
snelle verplaatsing der pooten; toch vindt men den telgang van de voor
't rijden afgerichte dieren bij nadere kennismaking werkelijk licht
en bevallig. De gewone gang is een vreemdsoortige, aan steltloopen
herinnerende beweging; bovendien buigt het dier bij iederen stap den
kop op een zoo in 't oog loopende wijze naar voren en naar achteren,
dat men zich moeilijk een leelijker schouwspel kan voorstellen dan de
langzame gang van dit wangedrocht. Wanneer men echter een rijkameel
goed laat draven, maakt het logge beest den indruk van licht en schoon
te zijn, indien het tot een edel ras behoort en zonder onderbreking
de eens begonnen wijze van gaan behoudt. Aanvankelijk overtreft de
snelheid van het dravende Paard die van den dravenden Kameel; weldra
echter zal het Paard ver achterblijven, omdat het veel spoediger
dan de Kameel genoodzaakt is zijn vaart te verminderen. Als men een
Kameel gedurende de middaguren laat rusten, maar hem overigens van
den vroegen morgen tot laat in den nacht berijdt, kan men hem 16 uren
lang in den draf laten loopen en in dezen tijd zonder bezwaar een weg
van 140 KM. laten afleggen. Een goede Kameel, die behoorlijk gevoederd
en gedrenkt wordt, kan zulk een inspanning, zonder tusschenliggenden
rustdag, 3 en zelfs 4 dagen lang verduren en zal dus in dezen tijd
een reis van meer dan 500 KM. kunnen doen.
Anders is het echter gesteld met de middelmatige Kameelen en met die,
welke lasten dragen. De eerstbedoelde doorloopen in 't gunstigste
geval zonder rust een afstand half zoo groot als die, welke voor den
renkameel werd aangegeven, in den regel echter niet meer dan 50 KM. in
één dag; de laatstgenoemde leggen met een last van 150 KG. gewicht
gemiddeld 4 KM. per uur af; zij kunnen echter 12 uur achtereen,
bij uitzondering nog wel langer, marcheeren.
Drie eischen stelt de Arabier aan een goeden Dromedaris: hij moet
een zachten rug hebben, den zweep niet behoeven en bij het opstaan en
neerknielen niet schreeuwen. Alleen hij, die veel met Kameelen omgegaan
heeft, weet wat dit zeggen wil. Een gewone voor 't dragen van lasten
bestemde Kameel is het afschuwelijkste van alle rijdieren. Als het
dier stapt, wordt de ruiter volgens een vreemdsoortige booglijn min
of meer op de wijze van een beweeglijk Chineesch pagodebeeldje, op en
neer, heen en weer geschommeld. Zoodra de Kameel gaat draven, wordt
het anders. Daar de pooten in dit geval overkruis verplaatst worden,
valt de zijwaartsche schommeling weg; als de ruiter op een behoorlijke
wijze in den zadel achterover leunt, bespeurt hij van de altijd nog
hevige schokken niet meer dan wanneer hij te paard zit. Bij zeer sterke
aansporing gaat de Kameel geregeld aan 't galoppeeren. Lang kan hij
deze bewegingswijze niet volhouden; maar dit is ook niet noodig, want
gewoonlijk ligt de ruiter, die niet bijzonder vast in den zadel zit,
reeds in de eerste minuten op den grond; de Kameel draaft vroolijk
verder en vervalt hierna spoedig weder tot zijn gewonen pas. Om deze
reden heeft de Arabier zijn rijkameel er aan gewend om uitsluitend
te draven.
In bergstreken kan de in 't vlakke land opgegroeide Dromedaris
slechts in beperkte mate gebruikt worden, omdat het klimmen voor
hem zeer lastig is. Nog minder is dit dier op zijn gemak in het
water. Wanneer het er in gedreven wordt om te drinken, gaat het op
onzinnige wijze te keer. Nog veel erger stelt het zich aan, wanneer
het een grooten stroom moet overtrekken; het kan n.l. niet zwemmen
en moet toch zwemmend van den eenen oever naar den anderen gebracht
worden, omdat de veerschuiten meestal te klein zijn om het logge
dier op te nemen. Daarom dwingt men het in 't water te gaan, houdt
het aan de zijde van het vaartuig bij den kop en den staart boven
water en sleept het op deze wijze mede naar de landingsplaats.
De stem van den Dromedaris is onmogelijk te beschrijven. Gorgelen
en steunen, knorren, brommen en brullen wisselen op de zonderlingste
wijze met elkander af.