Toen Cornélie den volgenden dag met Duco door Florence ging en zij den
cour van het Palazzo Vecchio binnenliepen, de Loggia dei Lanzi zagen
en even in de Uffizie de Annonciatie van Memmi gingen zien, voelde
zij aan zijn zijde als de gewaarwordingen van vroeger onweêrstaanbaar
opbloeien. Het was of zij hun uit elkaâr gesprongen lijnen met
menschelijk geweld weêr samen hadden gebogen tot éen weg, en langs dien
weg de witte madelieven, de witte leliën opschoten met een teederheid
van zacht mystisch herkennen, dat bijna was als een droom. En toch was
het iets anders dan vroeger. Een druk als van een grauwe wolk hing
tusschen haar en de diepblauwe lucht, die als repen van ether, banen
van optrillende hoogte van lucht spande boven de nauwe straten, boven
de koepels en torens en tinnen. Zij voelde niet meer de bezorgdheid
van vroeger; een nagedachtenis was in haar, een zware peinzing op hare
hersenen, en een benauwdheid voor wat gebeuren zoû. Zij had als een
onweêrzwoel voorgevoel, en toen zij na hunne wandeling wat gegeten
hadden en naar huis gingen, sleepte zij zich zoo moê, als zij zich in
Rome nooit had gevoeld, de trappen op, naar Duco's kamer. En zij zag
aanstonds een brief liggen op tafel, een brief aan haar adres. Maar
welk adres! Zij schrikte ervan zoo hevig, dat zij begon te trillen over
hare leden, den brief, nog voor Duco achter haar was binnengetreden,
gestopt had in haar zak.... Zij zette haar hoed af, en zeide Duco, dat
zij even iets uit haar koffer moest hebben, die stond op de gang. Hij
vroeg of hij haar helpen zoû. Maar zij weigerde en ging uit de kamer,
op den nauwen corridor. Bij het kleine raam, dat zag op de Arno, haalde
zij den brief te voorschijn.... Het was daar de eenige plaats, waar zij
even, ongestoord, kon lezen. En zij las weêr dat adres, geschreven met
zijn hand, die zij kende, de groote dikke zware letter.... De naam,
dien zij droeg in het buitenland was haar jonge meisjes-naam, en zij
noemde zich: Madame De Retz van Loo. Maar op dit adres las zij kort:
Baronne Brox, 37 Lung'Arno Torrignani, Florence. Een hevige kleur sloeg
op naar haar gezicht. Een jaar had zij dien naam gedragen.... Maar nu:
waarom noemde hij haar zoo? Waar was de logica van dien titel, dien
zij volgens de wet toch niet meer droeg? Wat meende hij, wat wilde
hij...? En bij het kleine raam, las zij zijn korten maar gebiedenden
brief. Hij schreef haar, dat hij haar vlucht ten hoogste kwalijk nam,
vooral na hun laatste onderhoud. Hij schreef haar, dat zij, in dat
laatste onderhoud, hem alle recht op haar had gegeven, dat zij hem niet
tegengesproken had en dat zij, met haar zoen, en met haar omhelzing,
getoond had zich als zijn vrouw te beschouwen, zooals hij haar als zijn
vrouw beschouwde. Hij schreef, dat hij haar niet kwalijk zoû nemen
haar onafhankelijk leven, een jaar lang in Rome, omdat zij toen nog
vrij was geweest. Maar dat hij beleedigd was, dat zij zich nu nog vrij
beschouwde, en dat hij die beleediging van haar vlucht niet aannam. Dat
hij haar sommeerde terug te keeren. Dat hij geen recht had volgens de
wet dit te doen, maar dat hij het deed, omdat hij toch een recht had,
een recht, dat zij niet kon weêrspreken, dat zij ook niet weêrsproken
had, dat zij integendeel door haar zoen had erkend. Haar adres had hij
te weten gekomen van den portier van de Villa Uxeley, aan wien zij het
achtergelaten had. En hij eindigde, met haar nogmaals te zeggen, dat
zij terug te keeren had in Nice, bij hem, in het Hôtel Continental. Dat
zoo zij het niet deed, hij te Florence kwam en zij verantwoordelijk was
voor de gevolgen van haar weigering.
Hare knieën knikten: zij dreigde in-een te vallen. Zoû zij den
brief aan Duco toonen, of zoû zij hem verzwijgen...? Maar zij moest
beslissen. Hij riep haar uit de kamer toe, wat zij zoo lang deed, op de
gang. En zij trad binnen en was te zwak zich niet te storten aan zijn
borst. Zij toonde hem den brief. Leunende tegen hem aan, snikkende,
voelde zij hem woedend, razend worden, zag zij zwellen aan zijn slapen
de aderen, zijn vuisten zich ballen, tot hij den brief in een prop
op den grond smeet. Hij zeide haar niet bang te zijn; hij zei, dat
hij haar beschermen zoû. Hij ook, hij beschouwde haar als zijn vrouw.
Alles kwam er maar op aan, hoe zij zichzelve voortaan beschouwde. Zij
sprak niet, zij snikte maar, gebroken van vermoeienis, van schrik,
van hoofdpijn. Zij kleedde zich uit, zij legde zich te bed: zij
klappertandde van koorts. Hij duisterde de kamer wat, met de gordijnen
dicht te plooien en zei haar te gaan slapen. Zijn stem was boos en zij
dacht, dat hij boos was om hare weifelmoedigheid. Zij snikte zich in
slaap. Maar in haar slaap voelde zij in zich den schrik en voelde zij
weêr den onafwendbaren dwang. Slapende droomde zij wat zij zoû kunnen
antwoorden, schreef zij Brox, maar het was haar niet duidelijk wat;
het bleef de vaagheid eener machtelooze smeeking om genade. Toen zij
wakker werd, zag zij Duco bij haar bed. Zij vatte zijn hand, er was
een kalmte in haar. Maar zij had geen hoop. Zij had geen vertrouwen op
de dagen, die komen zouden.... Zij zag hem aan, en zij zag hem somber,
streng geserreerd in zichzelven, zooals zij hem nooit gezien had....
O, hun geluk was voorbij! Dien noodlottigen dag, toen hij haar in Rome
naar den trein had gebracht, hadden ze afscheid genomen van hun geluk.
Voorbij, voorbij! Voorbij de lieve wandelingen door ruïnes en muzea, de
tochten naar Frascati, Napels, Amalfi! Voorbij het lieve innige leven
van armoede in het groote atelier, tusschen de flonkerkleuren der oude
brokaten en kazuifels, der oude zilveren en bronzen! Voorbij het samen
turen op de aquarel der Banieren, zij met haar hoofd op zijn schouder,
in zijn arm, levende met hem samen zijn kunst, genietende met hem
samen zijn werken! Voorbij de extaze van den nacht in de pergola, in
den met starren bepoeierden nacht, het heilige meer aan hunne voeten!
Men herhaalde het leven niet meer! Zij herhaalden het hier tevergeefs,
in deze kamer, in Florence, in het Palazzo Vecchio, tevergeefs zelfs
voor den heiligen engel van Memmi, schietend zijn gouden straal! Zij
herhaalden hun leven tevergeefs, hun geluk, hun liefde; tervergeefs
hadden zij samen gedwongen de uit elkaâr gesprongene lijnen! Nog even
cirkelden ze om elkaâr, met eén wanhopige arabesk.... Het was voorbij,
het was voorbij...! Somber en streng zat hij naast haar bed, en zij
wist het, hij voelde zich machteloos, omdat zij zich niet voelde zijn
vrouw. Zijn maîtresse...! O, ze had dien onwillekeurigen afstoot gevoeld,
toen zij dat woord had uitgesproken. Had hij haar niet altijd willen
trouwen? Maar onbewust had zij het steeds gevoeld, dat het niet kon,
en dat het niet mocht. Onder het uitgewoeker van hare scherpe frazes
van feminisme, was dat de onbewuste waarheid geweest. Zij, vloekend
tegen het huwelijk, had zich, diep in, altijd gehuwd gevoeld. Niet
volgens de wet en een handteekening, maar volgens een al-oude wet,
een oer-oud recht van man op vrouw, wet en recht van bloed en vleesch
en allerinnigste merg! O, boven die onverwrikbare fyzieke waarheid
had haar ziel heur bloei gebloeid van witte madelieven en leliën, en
ook die bloei was de innige waarheid, de hooge waarheid van geluk en
van liefde. Maar de madelieven en leliën bloeiden uit: de ziel bloeit
maar een enkelen zomer. De ziel bloeit geen leven lang. Zij bloeit
misschien vóór het leven, zij bloeit er misschien nà, maar _in_ het
leven zelve bloeit de ziel maar één enkelen zomer! Zij had gebloeid,
het was voorbij! En in haar lijf, dat leefde, in haar lichaam, dat
overleefde, voelde zij de waarheid tot in het merg! Hij zat naast haar
bed, maar hij had geen recht, nu de leliën waren gebloeid.... Zij brak
van medelijden voor hem.... Zij nam zijn hand en kuste die innig en
snikte er over heen. Hij zeide niets. Hij wist niets te zeggen. Het zoû
hem alles eenvoudig geweest zijn, als zij zijn vrouw had willen worden.
Nu kon hij haar niet helpen. Nu zag hij zijn geluk verongelukken, en
hij zag toe: er was niets aan te doen. Als een ruïne, die brokkelde,
stortte het langzaam in elkaâr.... Het was voorbij! Het was voorbij!
Zij bleef in bed, deze dagen, zij sliep, zij droomde, zij ontwaakte
weêr, en de afwachting was niet van haar af. Nu en dan had zij een
lichte koorts en het was beter in bed te blijven. Meestal bleef hij
bij haar. Maar eens toen Duco weg was om in de apotheek iets te gaan
halen, klopte men aan de deur. Zij sprong op in bed, bang, bang hèm
te zien, aan wien zij altijd dacht.... Half flauw van schrik, opende
zij op een kier de deur. Maar het was de brievenbesteller met een
aangeteekenden brief. Van hèm! Nog korter dan den vorigen, schreef
hij, dat zij aanstonds bij ontvangst van zijn brief, telegrafeeren
moest, den dag, dat zij kwam. En dat, zoo hij dien en dien dag--hij zoû
uitrekenen welken,--haar telegram niet ontving, hij 's nachts vertrok
naar Florence, en hij haar amant dood zoû schieten, als een hond, voor
haar voeten. Dat hij zich geen ogenblik bedenken zoû. Het kon hem niet
schelen wat er dan gebeurde. Uit dien korten brief woedde zijn drift,
zijn razernij, als een roode storm haar met zijn slag in het gezicht.
Zij kende hem, en zij wist, dat hij het doen zoû. Zij zag, als in een
flits, het ontzettend tooneel en Duco vermoord neêrstorten, badende
in zijn bloed. En zij was zich niet meer meester. Zij was, van verre,
door de roode woede van dien brief, geheel zijn object, zijn ding.
Zij had den brief haastig opengescheurd, nog voor zij het boek van
den besteller had afgeteekend. De man wachtte op de gang. Het ging
duizelsnel door haar heen, het draaide door haar als een kolk. Als zij
een oogenblik nog bedacht, zoû het te laat zijn, te laat voor Duco....
En zij vroeg aan den besteller, zenuwachtig:
--Kan je oogenblikkelijk een telegram voor mij bezorgen?
Neen, hij kon niet: het was niet zijn weg uit.
Maar zij smeekte het hem te doen. Zij zeide, dat zij ziek was, dat zij
oogenblikkelijk moest telegrafeeren. En zij vond in haar beursje een
goudstukje van tien francs en zij gaf hem dat als fooi. Zij gaf hem
daarenboven het geld voor het telegram. En de man beloofde. En zij
schreef het telegram: Ik vertrek morgen, sneltrein.
Het was een vaag telegram. Zij wist niet met welken sneltrein; zij
had niets na kunnen zien. Zoû het 's avonds zijn of 's morgens, heel
vroeg? Zij wist van niets. Hoe zoû zij weg kunnen gaan? Zij wist van
niets. Maar zij meende, dat het telegram hem kalmeeren zoû. En zij zoû
gaan. Er was niets aan te doen. Nu zij wanhopig gevlucht was, zag zij
het in: als hij haar terug wilde hebben, terug als zijn vrouw, moest
zij gaan. Had hij niet gewild, zij had kunnen blijven, waar ook, trots
haar gevoel, dat zij hem toebehoorde. Maar nu hij wilde, moest zij
terug. Maar hoe, hoe het aan Duco te zeggen! Zij dacht niet aan zich,
zij dacht aan Duco. Zij zag hem voor zich liggen in bloed. Zij dacht
er niet aan, dat zij geen geld meer had. Moest zij het hem vragen? O
God, wat moest zij doen? Zij kon niet morgen gaan, trots haar telegram!
Zij kon Duco niet zeggen, dat zij ging.... Zij had willen gaan, als
hij uit was, stilletjes naar het station.... Of zoû zij het hem liever
zeggen.... Wat zoû het minst smartelijke zijn? Of ... of zoû zij alles
zeggen aan Duco en ... met hem ... samen ... vluchten, vluchten ergens
heen, en niemand zeggen, waarheen.... Maar als hij hen uitvond! En hij
zoû hen vinden! En Duco dan ... zoû ... hij vermoorden!!
Zij ijlde bijna van angst, van koorts, van niet te weten wat te doen,
hoe en wat.... Daar hoorde zij op de trap Duco's tred.... Hij kwam
binnen, hij bracht haar de pillen.... En als altijd, zeide zij hem
alles, te zwak, te moê, zich te verbergen, en toonde zij hem den
brief.... Hij brieschte op, woedend, van haat, maar zij viel voor hem
neêr en vatte zijn handen. Zij zei, dat zij al geantwoord had.... Hij
werd eensklaps koel, als vol van onvermijdelijkheid. Hij zeide, dat
hij geen geld had haar de reis te laten doen. Toen, nog eens, nam
hij haar in de armen, kuste haar, smeekte haar zijn vrouw te worden,
zei, dat hij haar man zoû dooden, zooals deze dreigde hem te dooden.
Maar zij snikte maar en weigerde, hoewel zij krampachtig tegen hem
aan bleef liggen. Toen gaf hij zich over aan de noodlottige almacht
van den stillen dwang van het leven. Hij voelde zich sterven in zijn
ziel. Maar hij wilde kalm blijven om haar. Hij zeide, dat hij haar
vergaf. Hij hield baar, snikkend, in zijn armen, omdat die aanvoeling
haar kalmeerde. En hij zeide, dat zoo zij terug wilde--zij knikte
moedeloos van ja,--het beter was nog eens aan Brox te telegrafeeren,
reisgeld te vragen en duidelijk dag en uur op te geven. Hij zoû dit
voor haar doen. Zij zag hem door haar tranen verwonderd aan. Hij maakte
zelf het telegram op en ging. Mijn lieveling, mijn lieveling, dacht
ze, terwijl hij ging, terwijl zij voelde de smart in zijn verscheurde
ziel. Zij wierp zich op bed. Hij vond haar in een zenuwtoeval, toen hij
terugkwam. Toen hij haar verzorgd had, en haar in bed had toegedekt,
zette hij zich naast haar. En hij zei met een doode stem:
--Mijn kind, wees nu kalm. Overmorgen breng ik je tot Genua. Dan zullen
wij afscheid van elkaâr nemen, en afscheid voor altijd. Als het niet
anders kan, dan zal het zoo zijn. Als je voelt, dat het zoo moet, dan
moet het zoo gebeuren. Wees nu kalm, wees nu kalm. Als je zoó voelt,
dat je terug moet naar je man, zal je misschien bij hem niet ongelukkig
zijn. Wees kalm, wees kalm, mijn kind.
--Breng je me?
--Ik breng je tot Genua. Ik heb bij een vriend daarvoor geld kunnen
leenen. Maar probeer vooral kalm te zijn. Je man wil je terug hebben;
hij zal je niet alleen terug willen hebben om je te slaan. Hij zal
iets voor je voelen, als hij dat zoo wil. En als het zoo moet ... dan
zal het misschien goed zijn ... voor jou. Hoewel ik het zoo niet kan
inzien...!
Hij bedekte het gezicht in de handen, en zich niet meer meester, snikte
hij op. Zij trok hem op haar borst. Zij was nu kalmer dan hij. Terwijl
hij snikte met zijn hoofd op haar bonzend hart, streelde zij hem rustig
het voorhoofd, de oogen ver, ziende de wanden der kamer door....