Er is niets geen reden om bang te zijn, Cornélie, sprak hij
overtuigend. Die man heeft geen macht over je, als je niet wilt, met
een sterke wil niet wilt. Ik zoû niet weten tot wat hij in staat zoû
kunnen zijn. Je bent geheel vrij, geheel los van hem. Dat je zoo
overhaast bent weggegaan, is zeker niet verstandig, het zal hem een
vlucht toeschijnen. Waarom heb je hem niet rustig verklaard, dat hij
geen rechten op je kan doen gelden? Waarom heb je hem niet gezegd, dat
je van mij hieldt? Had desnoods gezegd, dat wij waren verloofd. Hoe heb
je zoo zwak kunnen zijn, en zoo bang. Ik herken je niet meer. Maar nu
ben je hier, nu is het, goed. Nu zijn wij samen. Willen wij morgen naar
Rome teruggaan, of willen wij eerst nog hier blijven? Ik heb altijd
verlangd je Florence te laten zien. Kijk, daar voor ons vloeit de
Arno, daar is de Ponte-Vecchio, daar zijn de Uffizie. Je bent hier al
geweest, maar toen kende je Italië nog niet. Nu zal je meer genieten.
O, het is hier zoo mooi. We zullen hier eerst een paar weken blijven.
Ik heb een beetje geld, je hoeft niet bang te zijn. En het is hier
goedkooper dan in Rome. Hier op deze kamer verteeren wij bijna niets.
Bij dit raam heb ik licht genoeg om nu en dan wat te schetsen. Of ik ga
werken in San Lorenzo of San Marco, of boven, bij San Miniato. Het is
heerlijk kalm in de kloosters, nu en dan passeeren een paar toeristen,
maar dat hindert me niet. En jij gaat met me meê, met een boek, een
boek over Florence: ik zal je zeggen, wat je lezen moet. Je moet
Donatello leeren kennen, Brunelleschi, Ghiberti, maar vooral Donatello.
Wij zullen hem zien in het Bargello. En de Annonciatie van Lippo Memmi,
de gouden Annonciatie! Je zal zien hoe onze engel er op lijkt, onze
mooie geluksengel, dien jij mij gegeven hebt! Het is hier rijk; we
zullen niet voelen, dat we arm zijn. We hebben zoo weinig noodig. Of
ben je verwend door je luxe in Nice? Maar ik ken je, je vergeet dat
dadelijk weêr, en met elkaâr strijden wij het alles door. En later
gaan wij naar Rome terug. Maar dan ... getrouwd, mijn lieveling, en
heelemaal jij van mij, ook volgens de wet. Het moet nu, je mag nu niet
langer weigeren. Wij zullen morgen naar den consul gaan en vragen
welke papieren wij noodig hebben uit Holland, en hoe wij het gauwst
kunnen trouwen. En in dien tusschentijd beschouw je je als mijn vrouw.
Totnogtoe zijn wij wel heel gelukkig geweest,... maar je was niet mijn
vrouw. En _voel_ je je mijn vrouw--ook al wachten we nog een paar
weken op die papieren om onze handteekening te kunnen zetten,--dan zal
je je veilig voelen en rustig. Er is niemand en niets, dat macht over
je hebben zal. Je moet ziek zijn om zoo te denken. En dan wed ik, dat
als we getrouwd zijn, mama zich met ons verzoenen zal. Het zal alles
goed worden, mijn lieveling, mijn engel.... Maar je mag niet weigeren,
wij _moeten_ zoo gauw mogelijk trouwen.
Zij zat naast hem op een divan en zag starend naar buiten, waar, in
de vierkante lijst van het hooge raam, de slanke campanile als een
marmeren lelie oprees tusschen de koepelende harmonieën, van Dom en
Battisterio, terwijl terzijde het Palazzo Vecchio, een kanteelvesting,
massaal lag tusschen de warreling van straten en daken, en opstak
zijn van boven plotseling breed uitgebouwde torentin,--de heuvelen met
Fiesole er wazende achter-af in avondviolet. De edele stad van gratie
bronsde dofgoud op in een allerlaatsten zonneweêrschijn.
--Wij _moeten_ zoo gauw mogelijk trouwen? herhaalde zij met een
weifelende vraag.
--Ja, zoo gauw mogelijk, mijn lieveling....
--Maar Duco, mijn beste Duco, het kan nu minder dan ooit. Zie je niet,
dat het niet kan? Het is onmogelijk, onmogelijk.... Het had nog gekund,
vroeger, maanden geleden, een jaar geleden.... Misschien ... misschien
ook toen niet. Misschien toch had het nooit gekund. Het is zoo moeilijk
dit te zeggen. Maar nu kan het heusch niet....
--Hoû je niet genoeg van mij....
--Hoe kan je dat vragen.... Hoe kan je dat vragen, mijn lieveling. Maar
dat is het niet.... Het is.... Het is ... het kan niet, omdat ik niet
vrij ben....
--Niet vrij....
--Ik bèn niet vrij.... Misschien voel ik me later vrij.... Misschien
ook niet, misschien nooit.... Mijn beste Duco, het kan niet. Ik heb je
immers geschreven, die eerste ontmoeting op het bal.... Het was zoo
vreemd.... Ik voelde toch, dat....
--Dat wat....
Zij nam zijn hand, en streelde die, hare oogen vaag, hare woorden vaag.
--Zie je ... hij is toch mijn man geweest.
--Maar je bent van hem gescheiden, geheel, gedivorceerd!
--Gedivorceerd, ja. Maar dat is het niet....
--Maar wat dan, mijn kind....
Zij schudde het hoofd en verborg het gelaat tegen hem aan.
--Ik kan het niet zeggen, Duco....
--Waarom niet.
--Ik schaam mij....
--Zeg me, hoû je nog altijd van hem?
--Neen, het is niet hoûen. Ik hoû van jou.
--Maar wat dan, mijn kind Waarom schaam je je?
Zij begon tegen hem aan te weenen.
--Ik voel....
--Wat....
--Dat ik niet vrij ben, al ben ... al ben ik gescheiden. Ik voel ...
mij toch zijn vrouw.
Zij fluisterde het bijna onhoorbaar.
--Maar dan hoû je van hem, en meer dan van mij.
--Neen, neen, ik zweer je van niet!
--Maar hoe kan dat dan, mijn kind!
--Ja, dat kan.
--Neen, dat kan niet! Dat is onmogelijk!
--Dat kan. Dat is zoo. En hij zei het mij ... en ik voelde het.
--Maar hij hypnotizeert je!
--Neen, het is geen hypnoze. Het is geen bedwelming ... het is een
werkelijkheid, diep in me, diep in me. Zie je ... je kent me: je weet
hoe ik ben. Ik hoû alleen van jou. Dat alleen is liefde. Ik heb nooit
iemand anders liefgehad. Ik ben geen vrouw, die gevoelig is voor ...
die hysterisch is. Maar met hem.... Geen enkele man, niemand, dien
ik ooit ontmoet heb ... wekt dat gevoel in me op, dat gevoel, dat ik
mezelve niet ben. Dat ik hem toebehoor. Dat ik zijn eigendom ben, zijn
ding.
Zij sloeg om hem heen haar armen, zij school weg als een kind aan zijn
borst.
--Het is zoo vreemd.... Je kent me, niet waar.... Ik kan toch wel flink
zijn, en ik ben onafhankelijk, en ik weet mijn antwoord altijd te
vinden. Met hem weet ik niets meer, ben ik niets meer. En ik doe wat
hij zegt....
--Dat is hypnoze: daar kan je je, als je ernstig wilt, aan onttrekken.
Ik zal je helpen....
--Het is geen hypnoze. Het is een waarheid, diep in me. Het leeft diep
in me. Ik weet, dat het zoo is, dat het niet anders kan.... Duco, het
kan niet zijn. Ik kan je vrouw niet worden. Ik _mag_ je vrouw niet
worden. Nu minder dan ooit. Misschien....
--Misschien?
--... heb ik het altijd zoo gevoeld, onbewust in mij. Dat ik niet
mocht. Zoowel voor jou ... als voor mij ... als voor hem.... Misschien
was het dat, wat ik onbewust voelde, terwijl ik mijn frazes zei: mijn
antipathie tegen het huwelijk.
--Maar die antipathie sproot toch voort uit je huwelijk ... met hem!
--Ja. Dat is het vreemde. Hij is mij niet sympathiek ... en toch....
--Toch ben je verliefd op hem!!
--Toch behoor ik hem toe....
--En je zegt, dat je mij liefhebt!!
Zij vatte zijn hoofd tusschen haar handen.
--Probeer het te begrijpen. Ik word zoo moê als je het niet begrijpt.
Ik heb jou lief.... Maar ik ben zijn vrouw....
--Vergeet je, wat je, in Rome, voor mij geweest bent...!
--Je alles, liefde, geluk, innig geluk.... Een harmonie, zoo innig: ik
zal het nooit vergeten.... Maar ik was niet je vrouw.
--Niet mijn vrouw!!
--Ik was je maîtresse.... Ik was hem ontrouw.... Stoot mij niet af! Heb
medelij!
Hij had, zonder te weten, een gebaar gehad, dat haar verschrikte.
--Laat mij nog blijven, zoo tegen je aan ... Mag ik...? Ik ben zoo moê,
en ik voel me kalm, zoo tegen je aan, mijn lieveling. Mijn lieveling,
mijn lieveling ... het zal nooit meer zoo worden, als het was. Wat
moeten wij doen?!
--Ik weet het niet, sprak hij wanhopig. Ik woû je trouwen, zoo gauw
mogelijk. Je wilt niet.
--Ik kan niet. Ik mag niet.
--Dan weet ik het niet.
--Wees niet boos. Laat mij niet alleen! Help mij, wil je? Ik heb je
lief, ik hoû van je, ik hoû van je!
Zij omhelsde hem eensklaps geheel in haar armen, als in radeloosheid en
wanhoop. Hij zoende haar woest terug....
--O God, zeg mij, wat ik doèn moet!! bad zij radeloos in zijne
omhelzing.