LIII.

Er is niets geen reden om bang te zijn, Cornélie, sprak hij

overtuigend. Die man heeft geen macht over je, als je niet wilt, met

een sterke wil niet wilt. Ik zoû niet weten tot wat hij in staat zoû

kunnen zijn. Je bent geheel vrij, geheel los van hem. Dat je zoo

overhaast bent weggegaan, is zeker niet verstandig, het zal hem een

vlucht toeschijnen. Waarom heb je hem niet rustig verklaard, dat hij

geen rechten op je kan doen gelden? Waarom heb je hem niet gezegd, dat

je van mij hieldt? Had desnoods gezegd, dat wij waren verloofd. Hoe heb

je zoo zwak kunnen zijn, en zoo bang. Ik herken je niet meer. Maar nu

ben je hier, nu is het, goed. Nu zijn wij samen. Willen wij morgen naar

Rome teruggaan, of willen wij eerst nog hier blijven? Ik heb altijd

verlangd je Florence te laten zien. Kijk, daar voor ons vloeit de

Arno, daar is de Ponte-Vecchio, daar zijn de Uffizie. Je bent hier al

geweest, maar toen kende je Italië nog niet. Nu zal je meer genieten.

O, het is hier zoo mooi. We zullen hier eerst een paar weken blijven.

Ik heb een beetje geld, je hoeft niet bang te zijn. En het is hier

goedkooper dan in Rome. Hier op deze kamer verteeren wij bijna niets.

Bij dit raam heb ik licht genoeg om nu en dan wat te schetsen. Of ik ga

werken in San Lorenzo of San Marco, of boven, bij San Miniato. Het is

heerlijk kalm in de kloosters, nu en dan passeeren een paar toeristen,

maar dat hindert me niet. En jij gaat met me meê, met een boek, een

boek over Florence: ik zal je zeggen, wat je lezen moet. Je moet

Donatello leeren kennen, Brunelleschi, Ghiberti, maar vooral Donatello.

Wij zullen hem zien in het Bargello. En de Annonciatie van Lippo Memmi,

de gouden Annonciatie! Je zal zien hoe onze engel er op lijkt, onze

mooie geluksengel, dien jij mij gegeven hebt! Het is hier rijk; we

zullen niet voelen, dat we arm zijn. We hebben zoo weinig noodig. Of

ben je verwend door je luxe in Nice? Maar ik ken je, je vergeet dat

dadelijk weêr, en met elkaâr strijden wij het alles door. En later

gaan wij naar Rome terug. Maar dan ... getrouwd, mijn lieveling, en

heelemaal jij van mij, ook volgens de wet. Het moet nu, je mag nu niet

langer weigeren. Wij zullen morgen naar den consul gaan en vragen

welke papieren wij noodig hebben uit Holland, en hoe wij het gauwst

kunnen trouwen. En in dien tusschentijd beschouw je je als mijn vrouw.

Totnogtoe zijn wij wel heel gelukkig geweest,... maar je was niet mijn

vrouw. En _voel_ je je mijn vrouw--ook al wachten we nog een paar

weken op die papieren om onze handteekening te kunnen zetten,--dan zal

je je veilig voelen en rustig. Er is niemand en niets, dat macht over

je hebben zal. Je moet ziek zijn om zoo te denken. En dan wed ik, dat

als we getrouwd zijn, mama zich met ons verzoenen zal. Het zal alles

goed worden, mijn lieveling, mijn engel.... Maar je mag niet weigeren,

wij _moeten_ zoo gauw mogelijk trouwen.

Zij zat naast hem op een divan en zag starend naar buiten, waar, in

de vierkante lijst van het hooge raam, de slanke campanile als een

marmeren lelie oprees tusschen de koepelende harmonieën, van Dom en

Battisterio, terwijl terzijde het Palazzo Vecchio, een kanteelvesting,

massaal lag tusschen de warreling van straten en daken, en opstak

zijn van boven plotseling breed uitgebouwde torentin,--de heuvelen met

Fiesole er wazende achter-af in avondviolet. De edele stad van gratie

bronsde dofgoud op in een allerlaatsten zonneweêrschijn.

--Wij _moeten_ zoo gauw mogelijk trouwen? herhaalde zij met een

weifelende vraag.

--Ja, zoo gauw mogelijk, mijn lieveling....

--Maar Duco, mijn beste Duco, het kan nu minder dan ooit. Zie je niet,

dat het niet kan? Het is onmogelijk, onmogelijk.... Het had nog gekund,

vroeger, maanden geleden, een jaar geleden.... Misschien ... misschien

ook toen niet. Misschien toch had het nooit gekund. Het is zoo moeilijk

dit te zeggen. Maar nu kan het heusch niet....

--Hoû je niet genoeg van mij....

--Hoe kan je dat vragen.... Hoe kan je dat vragen, mijn lieveling. Maar

dat is het niet.... Het is.... Het is ... het kan niet, omdat ik niet

vrij ben....

--Niet vrij....

--Ik bèn niet vrij.... Misschien voel ik me later vrij.... Misschien

ook niet, misschien nooit.... Mijn beste Duco, het kan niet. Ik heb je

immers geschreven, die eerste ontmoeting op het bal.... Het was zoo

vreemd.... Ik voelde toch, dat....

--Dat wat....

Zij nam zijn hand, en streelde die, hare oogen vaag, hare woorden vaag.

--Zie je ... hij is toch mijn man geweest.

--Maar je bent van hem gescheiden, geheel, gedivorceerd!

--Gedivorceerd, ja. Maar dat is het niet....

--Maar wat dan, mijn kind....

Zij schudde het hoofd en verborg het gelaat tegen hem aan.

--Ik kan het niet zeggen, Duco....

--Waarom niet.

--Ik schaam mij....

--Zeg me, hoû je nog altijd van hem?

--Neen, het is niet hoûen. Ik hoû van jou.

--Maar wat dan, mijn kind Waarom schaam je je?

Zij begon tegen hem aan te weenen.

--Ik voel....

--Wat....

--Dat ik niet vrij ben, al ben ... al ben ik gescheiden. Ik voel ...

mij toch zijn vrouw.

Zij fluisterde het bijna onhoorbaar.

--Maar dan hoû je van hem, en meer dan van mij.

--Neen, neen, ik zweer je van niet!

--Maar hoe kan dat dan, mijn kind!

--Ja, dat kan.

--Neen, dat kan niet! Dat is onmogelijk!

--Dat kan. Dat is zoo. En hij zei het mij ... en ik voelde het.

--Maar hij hypnotizeert je!

--Neen, het is geen hypnoze. Het is geen bedwelming ... het is een

werkelijkheid, diep in me, diep in me. Zie je ... je kent me: je weet

hoe ik ben. Ik hoû alleen van jou. Dat alleen is liefde. Ik heb nooit

iemand anders liefgehad. Ik ben geen vrouw, die gevoelig is voor ...

die hysterisch is. Maar met hem.... Geen enkele man, niemand, dien

ik ooit ontmoet heb ... wekt dat gevoel in me op, dat gevoel, dat ik

mezelve niet ben. Dat ik hem toebehoor. Dat ik zijn eigendom ben, zijn

ding.

Zij sloeg om hem heen haar armen, zij school weg als een kind aan zijn

borst.

--Het is zoo vreemd.... Je kent me, niet waar.... Ik kan toch wel flink

zijn, en ik ben onafhankelijk, en ik weet mijn antwoord altijd te

vinden. Met hem weet ik niets meer, ben ik niets meer. En ik doe wat

hij zegt....

--Dat is hypnoze: daar kan je je, als je ernstig wilt, aan onttrekken.

Ik zal je helpen....

--Het is geen hypnoze. Het is een waarheid, diep in me. Het leeft diep

in me. Ik weet, dat het zoo is, dat het niet anders kan.... Duco, het

kan niet zijn. Ik kan je vrouw niet worden. Ik _mag_ je vrouw niet

worden. Nu minder dan ooit. Misschien....

--Misschien?

--... heb ik het altijd zoo gevoeld, onbewust in mij. Dat ik niet

mocht. Zoowel voor jou ... als voor mij ... als voor hem.... Misschien

was het dat, wat ik onbewust voelde, terwijl ik mijn frazes zei: mijn

antipathie tegen het huwelijk.

--Maar die antipathie sproot toch voort uit je huwelijk ... met hem!

--Ja. Dat is het vreemde. Hij is mij niet sympathiek ... en toch....

--Toch ben je verliefd op hem!!

--Toch behoor ik hem toe....

--En je zegt, dat je mij liefhebt!!

Zij vatte zijn hoofd tusschen haar handen.

--Probeer het te begrijpen. Ik word zoo moê als je het niet begrijpt.

Ik heb jou lief.... Maar ik ben zijn vrouw....

--Vergeet je, wat je, in Rome, voor mij geweest bent...!

--Je alles, liefde, geluk, innig geluk.... Een harmonie, zoo innig: ik

zal het nooit vergeten.... Maar ik was niet je vrouw.

--Niet mijn vrouw!!

--Ik was je maîtresse.... Ik was hem ontrouw.... Stoot mij niet af! Heb

medelij!

Hij had, zonder te weten, een gebaar gehad, dat haar verschrikte.

--Laat mij nog blijven, zoo tegen je aan ... Mag ik...? Ik ben zoo moê,

en ik voel me kalm, zoo tegen je aan, mijn lieveling. Mijn lieveling,

mijn lieveling ... het zal nooit meer zoo worden, als het was. Wat

moeten wij doen?!

--Ik weet het niet, sprak hij wanhopig. Ik woû je trouwen, zoo gauw

mogelijk. Je wilt niet.

--Ik kan niet. Ik mag niet.

--Dan weet ik het niet.

--Wees niet boos. Laat mij niet alleen! Help mij, wil je? Ik heb je

lief, ik hoû van je, ik hoû van je!

Zij omhelsde hem eensklaps geheel in haar armen, als in radeloosheid en

wanhoop. Hij zoende haar woest terug....

--O God, zeg mij, wat ik doèn moet!! bad zij radeloos in zijne

omhelzing.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 64 / 67 题