LII.

Zij zat nu alleen in den trein. Door middel van groote fooien

hadden zij 's nachts alleen gereisd en had niemand hen in hun coupé

gestoord. O, de melancholieke reis, de laatste stille reis van het

einde. Zij hadden niet gesproken, maar dicht bij elkaâr, hand in hand

gezeten, de oogen ver voor zich uit, als starende naar het naderende

scheidingspunt. De droeve gedachte aan die scheiding verliet hen

niet, ijlde meê met den ratelenden trein. Soms dacht zij aan een

spoorwegongeluk, en dat het haar welkom zoû zijn, om samen met hem te

sterven. Maar onverbiddelijk waren de lichten van Genua opgeglimd. Toen

had de trein stilgestaan. En hij had zijn armen opengebreid en zij

hadden elkaâr gekust, voor het laatst. Aan zijn borst, had zij in hem

zijn smart gevoeld. Toen had hij haar losgelaten en was weg geijld,

zonder om te zien. Zij zag hem nog na, maar hij had niet omgezien en

zij zag hem verdwijnen in den met lichtjes doorglansden morgenmist,

die waasde in het station. Zij had hem zien verdwijnen tusschen andere

menschen, zien oplossen in het mistwaas. Toen was haar stille wanhoop

van levensgelatenheid zoo groot geworden, dat zij zelfs niet had kunnen

weenen. Haar hoofd viel slap, hare armen vielen slap. Als een inert

ding liet zij den trein haar in zijn razende rateling verder voeren.

Een witte morgenschemering was links over de blankende zee opgerezen

en het beginnende daglicht blauwde het water, de horizon teekende

zich. Uren spoorde zij nog door, onbewegelijk, uitkijkende naar de

zee en zij voelde zich bijna smarteloos van levensgelatenheid en

onverantwoordelijkheid. Zij liet nu met zich doen, als het leven

wilde, als haar man wilde, als de trein wilde. Als in een moeden droom

dacht zij aan de geleidelijkheid van alles, en al het onbewuste in

zichzelven, aan den eersten opstand tegen haar mans overheersching, aan

de illuzie van hare onafhankelijkheid, den hoogmoed van hare fierheid,

en al het geluk der zachte extaze, al de blijdschap om de bereikte

harmonie.... Nu was het gedaan; nu was alle eigen wil ijdel. De trein

voerde haar daar waar Rudolf haar riep, en het leven was om haar heen

geweest, nauwlijks ruw, maar met een zachten dwang van spokende handen,

die duwden en leidden en wezen....

En zij dacht niet meer na. De moede droom wolkte op in den blauwer

wordenden dag en zij voelde, dat zij Nice naderde. Zij kwam terug tot

een kleine werkelijkheid. Zij voelde, dat zij er wat verreisd uitzag

en onbewust voelende, dat het beter was als Rudolf haar niet voor het

eerst zoo onbehagelijk terug zag, opende zij langzaam haar taschje,

waschte zich met een zakdoek met Eau de Cologne, kamde heur haar op,

poeierde zich, borstelde zich af en deed een doorzichtige witte voile

voor, nam een paar nieuwe handschoenen. Aan een station kocht zij

een paar gele rozen en stak ze in haar ceintuur. Zij deed dat alles

onbewust, zonder er bij te denken, voelende, dat het goed was, dat het

verstandig was, als zij zoo deed, als Rudolf haar zoo terug zag, met

dat waas van mooie vrouw. Zij voelde, dat zij voortaan vooral mooi

moest zijn, en dat verder er niets meer op aan kwam. En toen de trein

het station binnendreunde, toen zij Nice herkende, was zij gelaten,

omdat zij niet meer streed, maar zich overgaf aan al de sterkere

machten. Het portier werd opengerukt, en op het, op dat uur, niet volle

station zag zij hem dadelijk: groot, forsch, gemakkelijk, met zijn

steenroode mooie mangezicht, in zijn licht zomerpak, stroohoed, gele

schoenen. Hij maakte een indruk van gezonde stevigheid en vooral van

breedschouderde mannelijkheid en niettegenstaande die breedheid toch

geheel en al "heer", zeer verzorgd zonder een zweem van fatterigheid,

en de ironie van zijn snorlach en de vaste blik van zijn mooie, vrouwen

zoekende, grauwe oogen gaven hem iets machtigs en zekers van te kunnen

doen wat hij wilde, van te kunnen overheerschen, als het hem goed

dacht. Een ironische trots op zijn mooie kracht, met een tint van

minachting tegen de anderen, die niet zoo mooi krachtig waren, zoo gezond

animaal en toch aristocratisch, en vooral een spottend neêrbuigend

sarcasme tegen àlle vrouwen, omdat hij de vrouwen kende en wist wat ze

eigenlijk telden--dit drukten zijn blik uit, zijn houding, zijn gebaar.

Zij kende hem zoo. Het had haar vroeger dikwijls in opstand gebracht,

maar zij gevoelde zich nu gelaten, en ook een beetje bang.

Hij was haar genaderd, hij hielp haar uitstijgen. Zij zag, dat hij

boos was, dat hij van plan was haar ruw te ontvangen; toen, dat zijn

snorlach opkrulde, als spotte hij, dat hij de sterkste was.... Zij

zeide echter niets, nam gelaten zijn hand en steeg uit. Hij bracht haar

buiten en in het rijtuig wachtte zij even op den koffer. Zijn blik

monsterde haar. Zij droeg een ouden blauw laken rok en een blauw laken

manteltje, maar zij zag er, niettegenstaande die oude kleêren en die

moede gelatenheid, uit als een elegante, mooie vrouw.

--Ik zie met pleizier, dat je het eindelijk raadzaam vondt aan mijn

verlangen gevolg te geven, zeide hij eindelijk.

--Ik dacht, dat het het beste was, zeide zij zacht.

Haar toon trof hem, en aandachtig, van terzijde, nam hij haar op.

Hij begreep haar niet, maar hij was tevreden, dat zij gekomen was.

Zij was nu moê van de emotie en den trein, maar hij vond, dat zij er

allerliefst uitzag, al was zij niet zoo schitterend als toen op het

bal van Mrs. Uxeley, toen hij voor het eerst zijn gescheiden vrouw had

gesproken.

--Ben je moê? vroeg hij.

--Ik ben een paar dagen wat koortsig geweest, en ik heb van nacht

natuurlijk niet geslapen, zeide zij, zich als verontschuldigend.

De koffer was opgeladen en zij reden weg, naar het Hôtel Continental.

In het rijtuig spraken zij niet meer. Zwijgend ook gingen zij het hôtel

binnen, in den lift en hij bracht haar naar zijn kamer. Het was een

gewone hôtelkamer, maar zij vond het vreemd op tafel zijn borstels te

zien liggen, aan de haken zijn jassen en broeken te zien hangen, dingen

met een lijn en een plooi, die zij van vroeger kende, en waarmeê zij

als familiaar was. Zij herkende, in een hoek, zijn koffer.

Hij opende de vensters wijd. Zij was gaan zitten op een stoel, in een

houding, als wachtte zij af. Zij voelde een lichte flauwte en sloot de

oogen, verblind door den stroom van zonnelicht.

--Je hebt zeker honger, zeide hij. Wat wil ik voor je bestellen?

--Ik wil wel thee en brood en boter. Men bracht haar koffer binnen en

hij bestelde haar ontbijt.

--Doe je hoed af, zeide hij.

Zij stond op. Zij trok haar manteltje uit. Haar katoenen blouse was

verkreukt en zij vond dit onaangenaam. Zij trok voor den spiegel de pin

uit haar hoed en natuurlijk weg kamde zij zich wat op met zijn kam, die

zij op tafel zag liggen. En zij plooide aan den zijden strik, die haar

linnen boordje omgaf. Hij had een cigaar opgestoken en rookte, staande,

rustig. Een kellner bracht het ontbijt. Zwijgend at zij wat en dronk

een kop thee.

--Heb jij al ontbeten? vroeg zij.

--Ja.

Zij zwegen weêr en zij at.

--En zullen we nu eens spreken? vroeg hij, staande, rookende.

--Goed....

--Ik wil niet spreken over je vlucht, zeide hij. Ik was van plan je

eerst je huid vol te schelden, want het was een verdómd idiote streek

van je....

Zij zeide niets. Zij zag alleen naar hem op en in hare mooie oogen was

een nieuwe uitdrukking: die van eene zachte gelatenheid. Hij zweeg

weêr, en hield zich klaarblijkelijk in en zocht naar zijn woorden.

--Zooals ik zeg, ik wil daar niet meer over spreken. Je hebt een

oogenblik niet geweten wat je deedt, en je was ontoerekenbaar. Maar

nu moet dat uit zijn, want ik wil dat zoo. Natuurlijk: ik weet, dat

ik volgens de wet niet het minste recht op je heb. Maar dat hebben we

al besproken, en dat heb ik je al geschreven. En je bent mijn vrouw

geweest, en nu ik je terug zie, voel ik heel duidelijk, dat ik je,

trots alles, als mijn vrouw beschouw, en dat je mijn vrouw bent. En die

indruk moet jij behouden hebben van ons terugzien, hier, in Nice.

--Ja, zeide zij kalm.

--Geef je dat toe?

--Ja, herhaalde zij.

--Dan is het goed. Dat is het eenige, wat ik van je hebben wil.

Laten wij dus voortaan niet meer denken aan wat geweest is, aan oude

onaangenaamheden, aan onze scheiding, en aan wat jij daarna gedaan

hebt. Dat alles zullen we voortaan niëeren. Ik beschouw je als mijn

vrouw en je zult mijn vrouw weêr zijn. Volgens de wet kunnen wij niet

hertrouwen. Maar dat doet er niet toe. Onze wettige scheiding beschouw

ik als een tusschenformaliteit en zullen wij zooveel mogelijk te niet

doen. Krijgen wij kinderen, dan zullen we ze wettigen. Ik zal over dat

alles een advocaat raadplegen, en ik zal voor alles--finantieel ook--

mijn maatregelen nemen. Zoo zal onze scheiding niets zijn dan een

formaliteit, voor ons van geen kracht en voor de wereld en de wet van

zoo min mogelijk kracht, als maar mogelijk zal zijn. En dan ga ik uit

den dienst. Ik zoû toch geen lust hebben er altijd in te blijven, en ik

kan er dus wel wat vroeger uitgaan, dan ik eerst dacht. Want in Holland

wonen, zal je niet prettig vinden en lokt mij ook niet toe.

--Neen ... murmelde zij.

--Waar zoû je willen wonen?

--Ik weet het niet....

--In Italië?

--Neen ... vroeg zij smeekend.

--Hier blijven?

--Liever niet ... den eersten tijd.

--Ik dacht aan Parijs. Zoû je in Parijs willen wonen?

--Goed....

--Dat is dan goed. Wij zullen dus zoo gauw mogelijk naar Parijs gaan,

en dan een appartement zoeken, en ons installeeren. Wij hebben nu gauw

voorjaar en dan is het een goed begin in Parijs.

--Goed....

Hij wierp zich in een fauteuil, en de stoel kraakte.

--Zeg, wat denk je nu wel, in je eigen?

--Hoe meen je?

--Ik woû weten, wat je van je man dacht. Of je hem erg belachelijk vond?

--Neen....

--Kom eens hier, op mijn knie.

Zij stond op en naderde hem. Zij deed als hij wenschte, zette zich op

zijn knie en hij trok haar naar zich toe. Hij legde op haar hoofd zijn

hand: dat gebaar, waaronder zij niet meer kon denken. Zij sloot de

oogen en legde haar hoofd tegen hem aan en het leunde tegen zijn wang.

--Heelemaal ben je me toch niet vergeten?

Zij knikte van neen.

--We hadden maar nooit moeten scheiden, wel?

Zij knikte weêr van neen....

--Maar we waren toen driftig, allebei. Je moet voortaan maar niet meer

driftig zijn. Dan ben je kwaadaardig en leelijk. Zooals je nu bent, ben

je veel liever en mooier.

Zij glimlachte flauwtjes.

--Ik ben blij je terug te hebben, fluisterde hij, in een langen zoen op

haar mond.

Zij sloot de oogen onder zijn zoen, terwijl zijn snor kroesde tegen

haar vel, en zijn mond hare lippen drukten.

--Ben je nog moê? vroeg hij. Wil je wat rusten?

--Ja, zeide zij. Ik wil mij wel wat uitkleeden.

--Je moet maar wat naar bed gaan, zeide hij. O ja, en dan woû ik je

zeggen, je vriendin, de prinses, komt van avond hier.

--Is Urania niet boos....

--Neen ik heb haar alles verteld, en zij is van alles op de hoogte.

Zij vond het prettig, dat Urania niet boos was, dat zij nog een

vriendin had.

--En ook Mrs. Uxeley heb ik nog gezien.

--Zij is wèl boos op mij, niet waar?

Hij lachte.

--Dat oude wijf! Neen, boos niet. Ze heeft het land, dat ze nu niemand

heeft. Ze was erg op je gesteld. Ze houdt van mooie menschen om zich

heen, vertelde ze me. Ze kan een leelijke gezelschapsjuf, zonder chic,

niet uitstaan. Kom, kleed je nu maar uit, en ga wat liggen. Dan laat ik

je alleen en ga ergens beneden zitten.

Zij waren opgestaan. Zijn oogen, goud, schitterden haar tegen, met zijn

ironischen snorlach. En woest pakte hij haar in zijn armen.

--Corrie, zeide hij heesch. Ik vind het heerlijk je terug te hebben.

Ben je van mij, zeg, ben je van mij?

Hij drukte haar tot stikkens toe tegen zich vast, zijn beide armen

zwaar om haar heen.

--Zeg, ben je van mij?

--Ja....

--Wat zei je vroeger tegen me, als je verliefd op me was?

Zij aarzelde.

--Wat zei je? drong hij, haar vaster klemmend en, met haar handen tegen

zijn schouders afdrukkende, poogde zij te ademen.

--Mijn Rud ... murmelde zij. Mijn mooie, heerlijke Rud...!

Werktuigelijk omhelsde zij in haar arm nu zijn hoofd. Hij liet haar als

met een krachtsinspanning los.

--Kleed je uit, zeide hij. En probeer wat te slapen. Dan kom ik later

terug.

Hij ging, zij kleedde zich uit en zij borstelde heur haren met zijn

borstel, zij waschte zich en druppelde in de kom het toiletwater, dat

hij gebruikte. Zij liet de meubelgordijnen dichtvallen, waarachter de

middagzon glansde en een wijnroode schemering donsde door de kamer. En

zij kroop in het groote bed en wachtte hem af, sidderend. Er was geen

gedachte in haar. Er was in haar geen smart en geen herinnering. Er was

alleen in haar éen afwachting van de geleidelijkheid van het leven. Zij

voelde zich niets dan bruid, maar geen bruid van onwetendheid, en diep

in haar bloed en merg, voelde zij zich de vrouw, bloed en merg, van

hem, dien zij wachtte. Vóór zich, half droomend, zag zij figuurtjes van

kinderen.... Want als zij zijn vrouw zoû zijn in waarheid en echtheid,

wilde zij niet alleen wezen zijn minnares, maar ook de vrouw, die hem

zijn kinderen gaf.... Zij wist het, hij, trots zijn ruwheid, hield van

het zachte van kinderen, en zij zoû naar ze verlangen in haar tweede

huwelijksleven, als een lieve troost voor de dagen, dat zij niet mooi

meer zoû zijn, en niet jong meer.... Voor zich, half droomend, zag zij

figuurtjes van kinderen.... En zij wachtte hem af, ze luisterde naar

zijn pas, zij verlangde, dat hij komen zoû, haar vleesch trilde hem

tegemoet. En toen hij binnenkwam en haar naderde, sloten haar armen

zich om hem heen met een gebaar van diep in zich bewuste zekerheid en

wist zij, twijfelloos, aan zijn borst, in zijn armen, de wetenschap

zijner manmachtige overheersching, terwijl voor haar oogen in een

duizeling en weemoed van zwart de droom van haar leven--Rome Duco, het

atelier--verzonk....

* * * * *

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 66 / 67 题