Zij zat nu alleen in den trein. Door middel van groote fooien
hadden zij 's nachts alleen gereisd en had niemand hen in hun coupé
gestoord. O, de melancholieke reis, de laatste stille reis van het
einde. Zij hadden niet gesproken, maar dicht bij elkaâr, hand in hand
gezeten, de oogen ver voor zich uit, als starende naar het naderende
scheidingspunt. De droeve gedachte aan die scheiding verliet hen
niet, ijlde meê met den ratelenden trein. Soms dacht zij aan een
spoorwegongeluk, en dat het haar welkom zoû zijn, om samen met hem te
sterven. Maar onverbiddelijk waren de lichten van Genua opgeglimd. Toen
had de trein stilgestaan. En hij had zijn armen opengebreid en zij
hadden elkaâr gekust, voor het laatst. Aan zijn borst, had zij in hem
zijn smart gevoeld. Toen had hij haar losgelaten en was weg geijld,
zonder om te zien. Zij zag hem nog na, maar hij had niet omgezien en
zij zag hem verdwijnen in den met lichtjes doorglansden morgenmist,
die waasde in het station. Zij had hem zien verdwijnen tusschen andere
menschen, zien oplossen in het mistwaas. Toen was haar stille wanhoop
van levensgelatenheid zoo groot geworden, dat zij zelfs niet had kunnen
weenen. Haar hoofd viel slap, hare armen vielen slap. Als een inert
ding liet zij den trein haar in zijn razende rateling verder voeren.
Een witte morgenschemering was links over de blankende zee opgerezen
en het beginnende daglicht blauwde het water, de horizon teekende
zich. Uren spoorde zij nog door, onbewegelijk, uitkijkende naar de
zee en zij voelde zich bijna smarteloos van levensgelatenheid en
onverantwoordelijkheid. Zij liet nu met zich doen, als het leven
wilde, als haar man wilde, als de trein wilde. Als in een moeden droom
dacht zij aan de geleidelijkheid van alles, en al het onbewuste in
zichzelven, aan den eersten opstand tegen haar mans overheersching, aan
de illuzie van hare onafhankelijkheid, den hoogmoed van hare fierheid,
en al het geluk der zachte extaze, al de blijdschap om de bereikte
harmonie.... Nu was het gedaan; nu was alle eigen wil ijdel. De trein
voerde haar daar waar Rudolf haar riep, en het leven was om haar heen
geweest, nauwlijks ruw, maar met een zachten dwang van spokende handen,
die duwden en leidden en wezen....
En zij dacht niet meer na. De moede droom wolkte op in den blauwer
wordenden dag en zij voelde, dat zij Nice naderde. Zij kwam terug tot
een kleine werkelijkheid. Zij voelde, dat zij er wat verreisd uitzag
en onbewust voelende, dat het beter was als Rudolf haar niet voor het
eerst zoo onbehagelijk terug zag, opende zij langzaam haar taschje,
waschte zich met een zakdoek met Eau de Cologne, kamde heur haar op,
poeierde zich, borstelde zich af en deed een doorzichtige witte voile
voor, nam een paar nieuwe handschoenen. Aan een station kocht zij
een paar gele rozen en stak ze in haar ceintuur. Zij deed dat alles
onbewust, zonder er bij te denken, voelende, dat het goed was, dat het
verstandig was, als zij zoo deed, als Rudolf haar zoo terug zag, met
dat waas van mooie vrouw. Zij voelde, dat zij voortaan vooral mooi
moest zijn, en dat verder er niets meer op aan kwam. En toen de trein
het station binnendreunde, toen zij Nice herkende, was zij gelaten,
omdat zij niet meer streed, maar zich overgaf aan al de sterkere
machten. Het portier werd opengerukt, en op het, op dat uur, niet volle
station zag zij hem dadelijk: groot, forsch, gemakkelijk, met zijn
steenroode mooie mangezicht, in zijn licht zomerpak, stroohoed, gele
schoenen. Hij maakte een indruk van gezonde stevigheid en vooral van
breedschouderde mannelijkheid en niettegenstaande die breedheid toch
geheel en al "heer", zeer verzorgd zonder een zweem van fatterigheid,
en de ironie van zijn snorlach en de vaste blik van zijn mooie, vrouwen
zoekende, grauwe oogen gaven hem iets machtigs en zekers van te kunnen
doen wat hij wilde, van te kunnen overheerschen, als het hem goed
dacht. Een ironische trots op zijn mooie kracht, met een tint van
minachting tegen de anderen, die niet zoo mooi krachtig waren, zoo gezond
animaal en toch aristocratisch, en vooral een spottend neêrbuigend
sarcasme tegen àlle vrouwen, omdat hij de vrouwen kende en wist wat ze
eigenlijk telden--dit drukten zijn blik uit, zijn houding, zijn gebaar.
Zij kende hem zoo. Het had haar vroeger dikwijls in opstand gebracht,
maar zij gevoelde zich nu gelaten, en ook een beetje bang.
Hij was haar genaderd, hij hielp haar uitstijgen. Zij zag, dat hij
boos was, dat hij van plan was haar ruw te ontvangen; toen, dat zijn
snorlach opkrulde, als spotte hij, dat hij de sterkste was.... Zij
zeide echter niets, nam gelaten zijn hand en steeg uit. Hij bracht haar
buiten en in het rijtuig wachtte zij even op den koffer. Zijn blik
monsterde haar. Zij droeg een ouden blauw laken rok en een blauw laken
manteltje, maar zij zag er, niettegenstaande die oude kleêren en die
moede gelatenheid, uit als een elegante, mooie vrouw.
--Ik zie met pleizier, dat je het eindelijk raadzaam vondt aan mijn
verlangen gevolg te geven, zeide hij eindelijk.
--Ik dacht, dat het het beste was, zeide zij zacht.
Haar toon trof hem, en aandachtig, van terzijde, nam hij haar op.
Hij begreep haar niet, maar hij was tevreden, dat zij gekomen was.
Zij was nu moê van de emotie en den trein, maar hij vond, dat zij er
allerliefst uitzag, al was zij niet zoo schitterend als toen op het
bal van Mrs. Uxeley, toen hij voor het eerst zijn gescheiden vrouw had
gesproken.
--Ben je moê? vroeg hij.
--Ik ben een paar dagen wat koortsig geweest, en ik heb van nacht
natuurlijk niet geslapen, zeide zij, zich als verontschuldigend.
De koffer was opgeladen en zij reden weg, naar het Hôtel Continental.
In het rijtuig spraken zij niet meer. Zwijgend ook gingen zij het hôtel
binnen, in den lift en hij bracht haar naar zijn kamer. Het was een
gewone hôtelkamer, maar zij vond het vreemd op tafel zijn borstels te
zien liggen, aan de haken zijn jassen en broeken te zien hangen, dingen
met een lijn en een plooi, die zij van vroeger kende, en waarmeê zij
als familiaar was. Zij herkende, in een hoek, zijn koffer.
Hij opende de vensters wijd. Zij was gaan zitten op een stoel, in een
houding, als wachtte zij af. Zij voelde een lichte flauwte en sloot de
oogen, verblind door den stroom van zonnelicht.
--Je hebt zeker honger, zeide hij. Wat wil ik voor je bestellen?
--Ik wil wel thee en brood en boter. Men bracht haar koffer binnen en
hij bestelde haar ontbijt.
--Doe je hoed af, zeide hij.
Zij stond op. Zij trok haar manteltje uit. Haar katoenen blouse was
verkreukt en zij vond dit onaangenaam. Zij trok voor den spiegel de pin
uit haar hoed en natuurlijk weg kamde zij zich wat op met zijn kam, die
zij op tafel zag liggen. En zij plooide aan den zijden strik, die haar
linnen boordje omgaf. Hij had een cigaar opgestoken en rookte, staande,
rustig. Een kellner bracht het ontbijt. Zwijgend at zij wat en dronk
een kop thee.
--Heb jij al ontbeten? vroeg zij.
--Ja.
Zij zwegen weêr en zij at.
--En zullen we nu eens spreken? vroeg hij, staande, rookende.
--Goed....
--Ik wil niet spreken over je vlucht, zeide hij. Ik was van plan je
eerst je huid vol te schelden, want het was een verdómd idiote streek
van je....
Zij zeide niets. Zij zag alleen naar hem op en in hare mooie oogen was
een nieuwe uitdrukking: die van eene zachte gelatenheid. Hij zweeg
weêr, en hield zich klaarblijkelijk in en zocht naar zijn woorden.
--Zooals ik zeg, ik wil daar niet meer over spreken. Je hebt een
oogenblik niet geweten wat je deedt, en je was ontoerekenbaar. Maar
nu moet dat uit zijn, want ik wil dat zoo. Natuurlijk: ik weet, dat
ik volgens de wet niet het minste recht op je heb. Maar dat hebben we
al besproken, en dat heb ik je al geschreven. En je bent mijn vrouw
geweest, en nu ik je terug zie, voel ik heel duidelijk, dat ik je,
trots alles, als mijn vrouw beschouw, en dat je mijn vrouw bent. En die
indruk moet jij behouden hebben van ons terugzien, hier, in Nice.
--Ja, zeide zij kalm.
--Geef je dat toe?
--Ja, herhaalde zij.
--Dan is het goed. Dat is het eenige, wat ik van je hebben wil.
Laten wij dus voortaan niet meer denken aan wat geweest is, aan oude
onaangenaamheden, aan onze scheiding, en aan wat jij daarna gedaan
hebt. Dat alles zullen we voortaan niëeren. Ik beschouw je als mijn
vrouw en je zult mijn vrouw weêr zijn. Volgens de wet kunnen wij niet
hertrouwen. Maar dat doet er niet toe. Onze wettige scheiding beschouw
ik als een tusschenformaliteit en zullen wij zooveel mogelijk te niet
doen. Krijgen wij kinderen, dan zullen we ze wettigen. Ik zal over dat
alles een advocaat raadplegen, en ik zal voor alles--finantieel ook--
mijn maatregelen nemen. Zoo zal onze scheiding niets zijn dan een
formaliteit, voor ons van geen kracht en voor de wereld en de wet van
zoo min mogelijk kracht, als maar mogelijk zal zijn. En dan ga ik uit
den dienst. Ik zoû toch geen lust hebben er altijd in te blijven, en ik
kan er dus wel wat vroeger uitgaan, dan ik eerst dacht. Want in Holland
wonen, zal je niet prettig vinden en lokt mij ook niet toe.
--Neen ... murmelde zij.
--Waar zoû je willen wonen?
--Ik weet het niet....
--In Italië?
--Neen ... vroeg zij smeekend.
--Hier blijven?
--Liever niet ... den eersten tijd.
--Ik dacht aan Parijs. Zoû je in Parijs willen wonen?
--Goed....
--Dat is dan goed. Wij zullen dus zoo gauw mogelijk naar Parijs gaan,
en dan een appartement zoeken, en ons installeeren. Wij hebben nu gauw
voorjaar en dan is het een goed begin in Parijs.
--Goed....
Hij wierp zich in een fauteuil, en de stoel kraakte.
--Zeg, wat denk je nu wel, in je eigen?
--Hoe meen je?
--Ik woû weten, wat je van je man dacht. Of je hem erg belachelijk vond?
--Neen....
--Kom eens hier, op mijn knie.
Zij stond op en naderde hem. Zij deed als hij wenschte, zette zich op
zijn knie en hij trok haar naar zich toe. Hij legde op haar hoofd zijn
hand: dat gebaar, waaronder zij niet meer kon denken. Zij sloot de
oogen en legde haar hoofd tegen hem aan en het leunde tegen zijn wang.
--Heelemaal ben je me toch niet vergeten?
Zij knikte van neen.
--We hadden maar nooit moeten scheiden, wel?
Zij knikte weêr van neen....
--Maar we waren toen driftig, allebei. Je moet voortaan maar niet meer
driftig zijn. Dan ben je kwaadaardig en leelijk. Zooals je nu bent, ben
je veel liever en mooier.
Zij glimlachte flauwtjes.
--Ik ben blij je terug te hebben, fluisterde hij, in een langen zoen op
haar mond.
Zij sloot de oogen onder zijn zoen, terwijl zijn snor kroesde tegen
haar vel, en zijn mond hare lippen drukten.
--Ben je nog moê? vroeg hij. Wil je wat rusten?
--Ja, zeide zij. Ik wil mij wel wat uitkleeden.
--Je moet maar wat naar bed gaan, zeide hij. O ja, en dan woû ik je
zeggen, je vriendin, de prinses, komt van avond hier.
--Is Urania niet boos....
--Neen ik heb haar alles verteld, en zij is van alles op de hoogte.
Zij vond het prettig, dat Urania niet boos was, dat zij nog een
vriendin had.
--En ook Mrs. Uxeley heb ik nog gezien.
--Zij is wèl boos op mij, niet waar?
Hij lachte.
--Dat oude wijf! Neen, boos niet. Ze heeft het land, dat ze nu niemand
heeft. Ze was erg op je gesteld. Ze houdt van mooie menschen om zich
heen, vertelde ze me. Ze kan een leelijke gezelschapsjuf, zonder chic,
niet uitstaan. Kom, kleed je nu maar uit, en ga wat liggen. Dan laat ik
je alleen en ga ergens beneden zitten.
Zij waren opgestaan. Zijn oogen, goud, schitterden haar tegen, met zijn
ironischen snorlach. En woest pakte hij haar in zijn armen.
--Corrie, zeide hij heesch. Ik vind het heerlijk je terug te hebben.
Ben je van mij, zeg, ben je van mij?
Hij drukte haar tot stikkens toe tegen zich vast, zijn beide armen
zwaar om haar heen.
--Zeg, ben je van mij?
--Ja....
--Wat zei je vroeger tegen me, als je verliefd op me was?
Zij aarzelde.
--Wat zei je? drong hij, haar vaster klemmend en, met haar handen tegen
zijn schouders afdrukkende, poogde zij te ademen.
--Mijn Rud ... murmelde zij. Mijn mooie, heerlijke Rud...!
Werktuigelijk omhelsde zij in haar arm nu zijn hoofd. Hij liet haar als
met een krachtsinspanning los.
--Kleed je uit, zeide hij. En probeer wat te slapen. Dan kom ik later
terug.
Hij ging, zij kleedde zich uit en zij borstelde heur haren met zijn
borstel, zij waschte zich en druppelde in de kom het toiletwater, dat
hij gebruikte. Zij liet de meubelgordijnen dichtvallen, waarachter de
middagzon glansde en een wijnroode schemering donsde door de kamer. En
zij kroop in het groote bed en wachtte hem af, sidderend. Er was geen
gedachte in haar. Er was in haar geen smart en geen herinnering. Er was
alleen in haar éen afwachting van de geleidelijkheid van het leven. Zij
voelde zich niets dan bruid, maar geen bruid van onwetendheid, en diep
in haar bloed en merg, voelde zij zich de vrouw, bloed en merg, van
hem, dien zij wachtte. Vóór zich, half droomend, zag zij figuurtjes van
kinderen.... Want als zij zijn vrouw zoû zijn in waarheid en echtheid,
wilde zij niet alleen wezen zijn minnares, maar ook de vrouw, die hem
zijn kinderen gaf.... Zij wist het, hij, trots zijn ruwheid, hield van
het zachte van kinderen, en zij zoû naar ze verlangen in haar tweede
huwelijksleven, als een lieve troost voor de dagen, dat zij niet mooi
meer zoû zijn, en niet jong meer.... Voor zich, half droomend, zag zij
figuurtjes van kinderen.... En zij wachtte hem af, ze luisterde naar
zijn pas, zij verlangde, dat hij komen zoû, haar vleesch trilde hem
tegemoet. En toen hij binnenkwam en haar naderde, sloten haar armen
zich om hem heen met een gebaar van diep in zich bewuste zekerheid en
wist zij, twijfelloos, aan zijn borst, in zijn armen, de wetenschap
zijner manmachtige overheersching, terwijl voor haar oogen in een
duizeling en weemoed van zwart de droom van haar leven--Rome Duco, het
atelier--verzonk....
* * * * *