LII.

Zij had maar éene gedachte: te vluchten. Te vluchten, weg uit zijn

meesterschap, te vluchten uit de emanatie dier overheersching, die,

geheimzinnig, maar onomstootelijk, alles wat in haar wil, energie en

haarzelve was, wegwischte met zijn liefkoozing. Zij herinnerde zich

dat vroeger ook zoo gevoeld te hebben: opstand en drift, als hij

driftig en grof werd, maar eene annihilatie van zichzelve als hij haar

liefkoosde, een onmacht te denken, als hij zijn hand maar legde op haar

hoofd, eene wegflauwing in éen groot niets, als hij haar nam in zijn

arm en zoende. Zij had het gevoeld, van den eersten keer, dat zij hem

zag, dat hij voor haar stond en op haar neêrkeek met die lichte ironie

in den lach van zijn oogen en van zijn snor, alsof hij pleizier had

in hare weêrstreving--toen nog van flirt en aardigheid, weldra van

kribbigheid, later van drift en razernij--alsof hij pleizier had in

hare tevergeefsche vrouwepogingen om aan zijn heerschappij te ontkomen.

Hij had het dadelijk doorzien, dat hij deze vrouw overheerschte. En

zij had gevonden in hem haar meester, haar eenige. Want geen andere

man drukte over haar neêr met dit koningschap, dat was uit het bloed,

uit het vleesch. Integendeel, zij was meestal de meerdere. Zij had

een koele onverschilligheid over zich, die haar steeds tartte tot

afbrekende kritiek. Zij had behoefte aan scherts, aan een vroolijk

gesprek, aan coquetterie en flirt, en steeds meester van het antwoord,

lokte zij de gelegenheid uit tot antwoorden, maar verder waren de

mannen haar weinig waard, en zag zij in ieder het belachelijke: vond

zij dezen te klein, dien te lang, den een onhandig, den ander dom,

vond zij in ieder iets, dat haar lach en haar spotlust en kritiek

opwekte. Zij zoû nooit een vrouw zijn, die zich gaf aan velen. Zij

had Duco ontmoet en zij had hem hare liefde gegeven geheel en al, als

éen onverdeelbaar groot gouden geschenk, en zij zoû na hem nooit meer

liefhebben. Maar vóor Duco had zij Rudolf Brox ontmoet. Misschien

als zij hem na Duco ontmoet had, had zijn meesterschap haar niet

overheerscht.... Zij wist het niet. En wat gaf het, dat te bedenken.

Nu was het als het was. Zij was in haar bloed geen vrouw voor velen:

zij was in haar bloed geheel echtvrouw, echtgenoote, gemalin. Van den

man, die haar man geweest was, was zij in haar vleesch, in haar bloed

de vrouw, en was zij zijn vrouw, ook zonder liefde. Want zij kon dit

geen liefde noemen; zij noemde liefde alleen dat andere, dat hooge en

teedere, dat innig volmaakte van levensharmonie, dat gaan van twee

langs een gouden lijn, samengesmolten uit twee glinsterende lijnen....

Maar in een wolk waren om hen heen de handen als opgespookt, hadden de

handen geheimzinnig, noodlottig hun gouden lijn uit een doen springen,

en de hare, kronkelende arabesk, was teruggesprongen, trillende

spiraal, en had gekruist een donkere lijn van vroeger, een sombere weg

van het verleden, een duistere laan vol onbewustbaarheid en noodlottige

slavernij. O, van die levenslijnen het vreemde, het allergeheimzinnigst

vreemde toch: terug te krullen, terug te dwingen naar haar eerste

uitgangspunt! Waarom was het alles noodig geweest?

Zij had maar éene gedachte: te vluchten. Zij zag niet de

geleidelijkheid der lijnen, en het noodlot van die wegen, en zij wilde

niet voelen den drang der spokende handen. Te vluchten, om te keeren op

den duisteren weg, terug naar het punt van scheiding, terug naar Duco,

en met hem samen vlechten, wringen de twee verlorene richtingen tot

weêr éen zuivere beweging, tot weêr éen lijn van geluk....

Te vluchten, te vluchten. Zij zeide het Urania, dat zij ging. Zij

smeekte Urania haar te vergeven, omdat deze haar had aanbevolen aan de

oude vrouw, die zij nu plotseling verliet.

En zij zeide het Mrs. Uxeley, zonder zich te storen aan haar boosheid,

haar drift en haar scheldwoorden. Zij bekende het, dat zij ondankbaar

scheen. Maar er was een levensbelang, dat haar dwong Nice plotseling te

verlaten. Zij zwoer, dat het er was. Zij zwoer, dat zij haar ongeluk,

haar verderf zoû voelen naderen als zij bleef. Met een enkel woord

verklaarde zij het aan Urania. Maar de oude vrouw verklaarde zij het

niet, en zij liet haar in een drift van machteloosheid, die haar

verwrong van rheumatische pijnen. Zij liet alles achter wat zij van

Mrs. Uxeley ontvangen had, hare rijke garderobe van afhankelijkheid.

Zij trok een ouden japon aan. Zij ging als een misdadigster stil naar

het spoor, rillende hem te zullen ontmoeten. Maar zij wist: op dit uur

was hij steeds te Monte-Carlo. Zij ging toch in een gesloten fiacre, en

zij nam een kaartje tweede klasse Florence. Zij telegrafeerde aan Duco.

En zij vluchtte. Zij had niets dan hem. Op Mrs. Uxeley kon zij nooit

meer rekenen, en ook Urania was koel geweest, niet begrijpende die

zonderlinge vlucht, omdat zij niet begreep de eenvoudige waarheid: de

heerschappij van Rudolf Brox. Zij vond, dat Cornélie het zich moeilijk

maakte. In den kring, waarin Urania leefde, wankelde haar gevoel van

maatschappelijke zedelijkheid, sedert haar liaison met den chevalier

de Breuil. Hoorende fluisteren om zich heen de Italiaansche liefdewet,

dat de liefde zoo eenvoudig is, als een roos, die opengaat, begreep

zij niet den strijd van Cornélie. Zij nam Gilio niets kwalijk meer, en

hij, hij liet haar vrij. Wat ging er om in Cornélie? Hoe eenvoudig was

het niet, als zij nog hield van haar gescheiden man! Waarom vluchtte

zij naar Duco, en maakte zij zich belachelijk voor al hunne kennissen!

En zoo was zij koel van Cornélie gescheiden, maar zij miste toch hare

vriendin. Zij was de prinses di Forte Braccio, en verleden, op haar

verjaardag, had prins Ercole haar gezonden een groote smaragd, uit de

zorgvuldig bewaarde familie-juweelen, als werd zij ze, langzamerhand,

steen voor steen, waardig! Maar zij miste Cornélie, en zij voelde zich

eenzaam, doodeenzaam, trots haar smaragd en haar amant....

Cornélie vluchtte: zij had niets dan Duco. Maar in hem zoû zij alles

hebben. En toen zij hem zag in Florence, aan het station Santa Maria

Novella, stortte zij zich aan zijn borst, als aan een kruis van

redding, als aan een Heiland van veiligheid. Hij bracht haar snikkende

naar een fiacre, en zij reden naar zijn kamer. Daar zag zij zenuwachtig

om zich rond, òp van overspanning na haar lange reis, telkens denkende,

dat Rudolf haar achtervolgen zoû. Zij vertelde Duco alles, zij opende

zich geheel voor hem, als was hij haar geweten, als was hij haar ziel,

haar god. Zij nestelde tegen hem aan als een kind, zij streelde hem,

zij aaide hem; zij zeide, dat hij haar moest helpen. Het was, als bad

zij tot hem; haar angst steeg als een gebed tot hem op. Hij kuste haar,

en zij kende die wijze van troosten, zij kende dat zachte streelen. Zij

viel in eens mat tegen hem aan, en bleef liggen en sloot de oogen. Het

was of zij verzonk in een meer, in een blauw heilig meer, mystiek als

het meer van San Stefano in den slapenden nacht, bepoeierd met sterren.

En zij hoorde hem zeggen, dat hij haar helpen zoû. Dat het niets was,

haar angst. Dat die man geen macht over haar had. Dat hij nooit macht

over haar zoû hebben, als zij zijn, Duco's, vrouw werd. Zij zag hem

aan, en begreep niet. Zij zag hem koortsachtig aan, als maakte hij haar

plotseling wakker, terwijl zij zalig sliep een oogenblik in de blauwe

kalmte van het mystieke meer. Zij begreep niet, maar doodmoê school zij

weêr weg in zijn arm en sliep zij in.

Zij was doodmoê. Zij sliep een paar uur onbewegelijk tegen zijn borst,

met eene diepe ademhaling. Als hij zijn arm verschikte, bewoog zij even

loom het hoofd als een bloem aan een matten stengel, maar sliep door.

Hij streelde haar voorhoofd, heur haar, en zij sliep door, hare hand in

zijn hand. Zij sliep als had zij in dagen, in weken niet geslapen.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 63 / 67 题