Zij bleef een dag thuis, moê, en diep in zich, bijna onbewust, toch
bang hem te zullen ontmoeten, maar Mrs. Uxeley, die van geen ziekte
of vermoeienis weten wilde, was zoo verstoord, dat Cornélie haar den
volgenden dag vergezelde naar de Promenade des Anglais. Kennissen
kwamen haar aanspreken en waren druk om hare stoelen heen; en onder hen
Rudolf Brox. Maar Cornélie ontweek alle vertrouwelijkheid. Een week
daarna echter kwam hij op den receptie-dag van Mrs. Uxeley, en in de
volte der visites--beleefdheidsbezoeken na het feest--wist hij haar een
oogenblik alleen te spreken. Hij naderde haar met dien lach, of het
zijn oogen waren, die lachten, of het zijn snor was, die lachte. En zij
verzamelde hare gedachten, om sterk te zijn tegenover hem.
--Rudolf, zeide zij hoog. Het is eenvoudig belachelijk. Als je het
niet onkiesch vindt, probeer het dan toch eens belachelijk te vinden.
Het amuzeert je gevoel voor humor, maar bedenk eens hoe men in Holland
hierover zoû spreken.... Verleden op het feest heb je me verrast en ik
heb--ik weet nog niet hoe--kunnen toegeven aan je vreemd verlangen om
met mij te dansen en cotillon-figuren te dirigeeren. Ik beken ronduit,
ik was in de war. Nu zie ik alles klaar en duidelijk in en zeg ik je:
ik wil je niet weêr ontmoeten. Ik wil niet met je spreken. Ik wil van
de hooge ernst van onze scheiding geen vaudeville probeeren te maken.
--Je weet van vroeger, zeide hij; dat je met dien hoogen toon, en die
airs en die deftigheid niets van me verkrijgt en me integendeel
prikkelt juist te doen wat jij niet hebben wilt....
--Als dat zoo is, dan zal ik eenvoudig Mrs. Uxeley vertellen welke
mijne verhouding tot je is en haar verzoeken je haar huis te
ontzeggen....
Hij lachte. Zij werd driftig.
--Ben je van plan je te gedragen als een gentleman? Of als een ploert?
Hij werd rood, zijn vuisten balden zich.
--Verdomd! siste hij, in zijn snor.
--Zoû je me soms willen slaan en mishandelen? ging zij minachtend door.
Hij beheerschte zich.
--We zijn nu in een vol salon, tartte zij door. Wat als we alleen
waren? Je vuist balt zich al! Je zoû me ranselen als dien eenen keer.
Bruut! Bruut!!
--En jij bent dapper in dat vol salon! lachte hij, met zijn lach, die
haar opwond tot drift, als zij er niet door bedwongen werd. Neen, ik
zoû je niet ranselen, ging hij door. Ik zoû je zoenen....
--Het is nu de laatste keer, dat je tegen me spreekt! siste zij razend.
Ga weg! Ga weg! Ik weet niet wat ik doe, ik maak een scène!
Hij ging kalm zitten.
--Ga je gang, zeide hij rustig.
Zij stond trillende voor hem, onmachtig. Men sprak haar aan, de
knecht prezenteerde thee. Zij was in een cirkel van heeren, en, zich
beheerschende, schertste zij, hoog zenuwachtig vroolijk, flirtte zij,
coquetter dan ooit. Het was de kleine cour om haar heen, waarin de
hertog di Luca het vrijpostigst was. Vlak bij zat Rudolf Brox en dronk,
schijnbaar kalm, zijn thee, als in afwachting. Maar zijn bloed van
kracht en overheersching ziedde dol in hem op. Hij had haar kunnen
vermoorden en hij zag rood van ijverzucht. Die vrouw was van hem, trots
de wet. Hij zoû voor geen schandaal meer bang zijn. Zij was mooi, zij
was als hij wenschte en hij wilde haar hebben, zijn vrouw. Hij wist hoe
hij haar terug winnen zoû en dàn wilde hij haar niet meer verliezen:
dan was ze van hem, zoolang hij het verkoos. Zoodra het hem mogelijk
was haar alleen te woord te staan, wendde hij zich weêr tot haar. Zij
wilde zich juist naar Urania begeven, die zij bij Mrs. Uxeley zag
zitten, toen hij zeide aan haar oor, streng, kort, barsch:
--Cornélie....
Zij wendde zich werktuigelijk om, maar met haar hoogen blik. Zij had
liever willen doorgaan, maar zij kon niet: iets weêrhield haar, een
geheimzinnige macht en meerderheid, die klonk uit zijn stem en in haar
viel met een bronzen zwaarte, die hare energie verloomde, verlamde.
--Wat is er?
--Ik wil je even alleen spreken.
--Neen.
--Jawel. Hoor me nou eens even kalm aan als je kan. Ik ben ook kalm,
dat zie je. Je hoeft niet bang voor me te zijn. Ik verzeker je, dat ik
je niet zal mishandelen, en zelfs niet zal vloeken. Maar spreken moet
ik je, alleen. We kunnen na onze ontmoeting, en na het bal van verleden
week, zoo niet van elkaâr gaan. Je hebt zelfs geen recht me zoo de
deur te wijzen, nadat je verleden met me gesproken hebt en gedanst.
Het heeft geen reden en geen logica. Jij bent driftig geworden....
Maar laten we nu eens geen van beiden meer driftig zijn. Ik woû je
spreken....
--Ik kan niet: Mrs. Uxeley wil niet, dat ik mij verwijder uit het
salon, als er menschen zijn. Ik ben afhankelijk van haar.
Hij lachte.
--Je bent bijna nog afhankelijker van haar, dan je vroeger van mij was.
Maar een oogenblik kan je me wel toestaan, in de kamer hiernaast.
--Neen.
--Jawel.
--Waarover heb je me te spreken?
--Dat kan ik hier niet zeggen.
--Ik kan je niet alleen te woord staan.
--Wil ik je eens wat zeggen? Je bent bang.
--Neen.
--Jawel, je bent bang voor me. Met al je airs en je deftigheid ben je
eenvoudig bang een oogenblik alleen met me te zijn.
--Ik ben niet bang.
--Je bent het wel. Je staat niet vast in je schoenen. Je hebt me
ontvangen met een mooie fraze, die je van te voren hebt bestudeerd. Nu
je die gezegd hebt ... is het uit en ben je bang.
--Ik ben niet bang....
--Ga dan even meê, dappere schrijfster van den Maatschappelijken
Toestand ... hoe is het ook weêr? Kom, ga nu even meê. Ik beloof je, ik
zweer je, dat ik kalm zal zijn, kalm zal zeggen, wat ik je te zeggen
heb en je op mijn woord van eer niet zal slaan.... In welke kamer
kunnen wij gaan...? Wil je niet? Hoor eens: als je niet even met me
meê gaat is het nog niet uit. Anders is het misschien uit en zie je me
nooit meer terug.
--Wat kan je me te zeggen hebben.
--Ga meê....
Het was om zijne stem, niet om zijn woorden.
--Maar niet langer dan drie minuten.
--Niet langer dan drie minuten.
Zij bracht hem op den corridor en in een leêg salon.
--Wat is er? vroeg zij, bang.
--Wees niet bang, zeide hij, met zijn snorlach. Wees niet bang. Ik
woû je alleen maar zeggen ... DAT JE MIJN VROUW BENT. Begrijp je dat?
Probeer niet tegen te spreken. Ik heb het verleden op het bal gevoeld,
toen ik je in mijn arm had, om met je te walsen. Probeer niet tegen
te spreken, dat je je toen een oogenblik tegen me aan hebt gedrukt.
JE BENT MIJN VROUW. Ik heb dat toen gevoeld, en ik voel het nu. En
jij voelt het ook, al wil je het ontkennen. Maar dat helpt je niets.
Er is niets te veranderen aan wat geweest is, en wat geweest is ...
is nog altijd in je. Durf nu eens zeggen, dat ik niet netjes spreek
en kiesch. Geen vloek en geen onvertogen woord komt over mijn mond.
Want ik wil je niet driftig maken. Ik wil je alleen laten bekennen ...
dat het waar is, wat ik zeg: en DAT JE MIJN VROUW NOG BENT. Die wet
beteekent niets. Er is een andere wet, die ons beheerscht. Er is een
wet, die jou beheerscht, vooral. Een wet, die ons, zonder dat wij het
ooit hadden kunnen denken, weêr tot elkaâr brengt, al is het langs een
heel vreemden omweg, waarlangs jij, jij vooral, hebt gedwaald. Jou
vooral beheerscht die wet. Ik ben overtuigd, dat je nog van mij houdt,
ten minste, dat je nog verliefd op me bent. Ik voel dat, ik weet dat
zeker: probeer het niet te ontkennen. Het helpt je allemaal _niets_,
Cornélie. En wil ik je nu nog wat zeggen? Ik ben ook verliefd op je
en meer dan vroeger. Als je met die kerels flirt, voel ik dat. Ik zoû
je dan kunnen worgen, ik zoû die kerels kunnen ranselen.... Wees niet
bang, ik zal het niet doen: ik ben niet driftig. Ik heb juist kalm met
je willen spreken en je eens de waarheid willen laten zien. Zie je ze
voor je ... en on ... om ... stoo ... telijk...? Zie je, je kan me
niets tegenwerpen. Het is ook als het is. Wijs je me nog de deur? Praat
je nog met Mrs. Uxeley? Ik zoû het liever niet doen. Je vriendin, de
prinses, weet wie ik ben: laat dat genoeg zijn. Had de oude nooit mijn
naam gehoord, of was ze hem vergeten? Zeker vergeten. Scherp haar nu
maar niet haar oude geheugen. Laat het zoo. Het is beter, dat je niets
zegt. Neen, belachelijk is de toestand niet en komisch is het ook niet.
Het is heel ernstig geworden: de zuivere waarheid is altijd ernstig.
Het is wel vreemd, ik had het nooit gedacht. Het is mij ook een
openbaring.... En nu heb ik met je uitgesproken. Op mijn horloge nog
geen vijf minuten. Ze zullen je nauwlijks gemist hebben in het salon.
En nu ga ik weg, maar geef eerst een zoen aan je man, want je man, dat
blijf ik altijd.
Zij stond sidderend voor hem. Het was zijn stem, die viel als gesmolten
brons in haar ziel, in haar lichaam, en verloomde haar en verlamde
haar. Het was zijn stem van overreding, van overredende verleiding,
de stem, die zij kende van vroeger, de stem, die haar tot alles dwong
wat hij wilde. Onder die stem was ze als een voorwerp, een ding, dat
hem toebehoorde, nadat hij haar eerst voor altijd gestempeld had tot
zijn vrouw. Zij was onmachtig hem uit zich te werpen, hem van zich
af te schudden, het stempel van zijn bezit, het brandmerk van zijn
eigendom zich af- en uit te wisschen. Zij was van hem, en alles wat
anders haarzelve was, had haar verlaten. Er was in haar hersens geen
herinnering meer en gedachte....
Zij zag hem naderen en om haar heen zijn armen slaan. Hij nam haar
langzaam maar zoo vast aan zijn borst, dat het was als nam hij haar
geheel in zijn bezit. Zij voelde zich weggesmolten in zijn armen als
in een vlam van warmte. Zij voelde op hare lippen zijn mond, zijn snor
drukken, drukken, drukken, tot zij de oogen sloot, half flauw. Hij
sprak nog zacht aan haar oor, met die stem, waaronder zij als niet
telde, als was zij niets, als bestond zij alleen door hem. Toen hij
haar losliet, wankelde zij.
--Kom, hoû je goed, hoorde zij hem zeggen, kalm, almachtig en zeker.
En neem het aan zooals het is. Het is nu eenmaal zooals het is. Er is
niets aan te veranderen. Dank je, dat je me even met je hebt laten
spreken. Nu is tusschen ons alles in orde, daar ben ik zeker van. En nu
tot ziens. Tot ziens....
Hij zoende haar nog eens.
--Geef mij een zoen terug, vroeg hij, met zijn stem...
Zij sloeg om zijn lichaam haar arm en zoende hem op den mond.
--Tot ziens, zeide hij nog eens.
Zij zag hem lachen, zijn snorlach, en zijn oogen lachten goudvlammend
haar toe en hij ging. Zij hoorde zijn stap de trap afloopen, toen
klinken op het marmer van de hal, met de kracht van zijn stevigen
tred.... Zij stond als wezenloos. In het salon, naast de kamer,
waarin zij zich bevond, gonsde het van lachende stemmen, hoog op. Zij
zag Rome voor zich, Duco, in een korten weêrlichtflits.... Weg was
het.... En in-een zinkende op een stoel, slaakte zij een onderdrukten
wanhoopkreet, sloeg de handen voor het gezicht en snikte, voor al die
menschen inhoudend haar radeloosheid, dof op, als uit een keel, die
stikte.