Het was dien morgen twaalf uur toen Cornélie wakker werd. De zon schoot
door de gouden reet der even opengeweken gordijnen met wemelatoompjes
binnen. Zij voelde zich doodmoê. Zij bedacht, dat Mrs. Uxeley haar een
morgen na zulk een feest vrij gaf om uit te rusten: ook de oude dame
zelve bleef dan in bed, hoewel zij niet sliep. En Cornélie miste alle
kracht om op te staan. Zij bleef liggen, zwaar van moêheid. Hare oogen
dwaalden door de ordelooze kamer; hare mooie baljapon sleepte radeloos,
slap, over een stoel en herinnerde haar dadelijk aan gisteren.
Trouwens, alles in haar dacht aan gisteren, alles in haar dacht aan
haar man met een strakke, gehypnotizeerde denking. Zij voelde zich als
na een nachtmerrie, een dronkenschap, een bezwijmeling. Alleen met
glas na glas champagne te drinken had zij zich kunnen ophouden, kunnen
dansen, met Brox; op hun beurt een figuur kunnen dirigeeren. Maar niet
alleen met champagne. Zijn blik ook had haar opgehouden, had haar
weêrhouden van flauw te vallen, van in snikken uit te barsten, van op
te gillen en krankzinnig de armen te zwaaien. Toen hij afscheid genomen
had, toen iedereen weg was, was zij gezonken in-een, had men haar naar
bed gebracht. Dadelijk weg uit zijn oog, had zij gevoeld hare ellende
en hare zwakte en had de champagne haar als eensklaps bewolkt.
Nu dacht zij aan hem in de geslagen loomte van hare verpletterende
morgenvermoeidheid. En het werd haar als was haar geheele Italiaansche
jaar een tusschendroom geweest. Zij zag zich terug in Den Haag; het
jonge meisje, dat veel uitging, met haar aardig gezichtje en haar
flirtmaniertjes en hare woordjes altijd ad rem. Zij zag hunne eerste
ontmoetingen en hoe zij dadelijk onder hem gebogen had en met hèm niet
had kunnen flirten, omdat hij lachte om hare vrouweverwerinkjes. Hij
was dadelijk te sterk geweest. Toen hun engagement. Hij schreef haar de
wet voor en zij stond op, driftig, met hevige scène's, niet beheerscht
willende worden, gekrenkt in hare verwendheid van gevierd en bedorven
jong meisje. En als met de plompe kracht van zijn vuist--en altijd met
den lach om zijn mooien mond--hield hij haar onder. Tot zij getrouwd
waren, tot zij schandaal had gemaakt en was weggeloopen. Hij had eerst
niet willen scheiden, hij had later toegegeven, voor het schandaal. Zij
had zich bevrijd, zij was gevlucht!
De Vrouwenbeweging, Italië, Duco.... Was het een droom? Was het groote
geluk, de dierbare harmonie een droom en ontwaakte zij na een jaar van
droomen? Was zij gescheiden of was zij het niet? Zij moest zich met
geweld herinneren de formaliteiten: ja, zij waren wettig gescheiden.
Maar wàs zij gescheiden, was tusschen hen alles uit? En wàs zij
waarlijk niet meer zijn vrouw?!
Wat had hij er aan gehad; haar te zoeken toen hij haar eenmaal in Nice
gezien had? O, hij had het haar gezegd, gedurende dien cotillon, dien
eindeloozen cotillon! Hij was trotsch op haar geworden toen hij zag
hoe mooi zij was en hoe chic, hoe gelukkig zij scheen in de elegante
victoria van Mrs. Uxeley of van de prinses--hij had haar zoo gezien,
mooi, chic, en gelukkig--en hij was jaloersch geworden. Zij, mooie
vrouw, was zijn vrouw geweest! Recht had hij op haar gevoeld, trots de
wet! Wat was de wet? Maakte de wet haar vrouw, of had hij haar vrouw
gemaakt? En zijn recht had hij haar laten voelen, tegelijk met de
onherstelbaarheid van het verleden. Onherstelbaar, onuitwischbaar, was
het geweest....
Zij zag om zich rond, radeloos. En zij begon te weenen, te snikken....
Toen voelde zij iets in zich sterken, een onwil in haar opgieren als
een veer, die eindelijk weêr spande, nu zij uitrustte en niet meer was
onder zijn blik. Zij wilde niet. Zij wilde niet. Zij wilde hem in haar
bloed niet voelen. Mocht zij hem een volgenden keer ontmoeten, dan zoû
zij hem, kalmer, te woord staan, heel kort, en hem bevelen haar te
verlaten, hem de deur wijzen, hem de deur uit laten gooien.... Hare
handen balden zich in woede. Zij haatte hem. Zij dacht aan Duco En
zij dacht hem te schrijven, alles. En zij dacht zoo spoedig mogelijk
tot hem terug te gaan. Hij was geen droom, hij bestond, al leefde hij
ver van haar, in Florence. Zij had wat geld gespaard, zij zouden hun
geluk in het atelier te Rome terug vinden. Zij zoû hem schrijven en
zij wilde zoo spoedig mogelijk weg. Bij Duco zoû zij veilig zijn. O,
ze verlangde naar hem, zoo zacht en kalm en weldadig te liggen in zijn
arm, aan zijn borst, als in de omhelzing van éen wonderdadig geluk.
Was het wàar geweest, hun geluk, hunne liefde en harmonie? Ja, het had
bestaan, het was geen droom. Daar was zijn portret; daar aan den wand
een paar zijner waterverven: de zee van Sorrente en de luchten boven
Amalfi, gewasschen in die dagen, die waren geweest als gedichten. Zij
zoû veilig zijn bij hem. Zij zoû bij Duco Rudolf niet voelen, haar man
in haar bloed.... Want zij voelde Duco in hare ziel, en hare ziel zoû
sterker zijn! Zij zoû Duco voelen in hare ziel, in haar hart, in geheel
haar innigste leven en uit hèm verzamelen haar opperste kracht, als een
bundel glanzende zwaarden! Nu al, dat zij zoo aan hem dacht met zulk
verlangen, voelde zij zich sterker worden. Zij had nu met Brox kunnen
spreken. Gisteren had hij haar overvallen, haar geprangd tusschen zich
en dien spiegel, tot zij hem dubbel gezien had en niet meer geweten had
en verloren was geweest. Dat zoû nu nooit meer zijn. Dat was alleen de
verrassing geweest. Als zij hem nu weêr sprak, zoû _zij_ zegevieren
met wat zij aangeleerd had als vrouw, die op zichzelve had gestaan. En
zij stond op, en opende de vensters en kleedde zich in een peignoir.
Zij zag naar de blauwe zee, naar de kleurige beweging op de Promenade.
En zij zette zich en schreef aan Duco. Zij schreef alles, haar eerste
ontmoetingen van schrik, hare verrassing en nederlaag op het bal....
Hare pen ijlde over het papier. Zij hoorde niet, dat er geklopt werd,
dat Urania voorzichtig binnenkwam, denkende haar nog in slaap te vinden
en willende weten, hoe zij zich voelde. Opgewonden las zij een gedeelte
voor van haar brief en zij zeide zich te schamen over hare zwakte van
gisteren. Hoe hàd zij zoo kunnen zijn: zij begreep het zelve niet.
Neen, zij begreep het zelve niet. Nu zij zich voelde wat uitgerust, met
Urania sprak, die haar Rome herinnerde, in de hand haar langen brief
aan Duco, nu begreep zij het alles zelve niet en vroeg zij wàt droomen
was: haar Italiaansche jaar van geluk of die nachtmerrie van gisteren?