XLIX.

Het was dien morgen twaalf uur toen Cornélie wakker werd. De zon schoot

door de gouden reet der even opengeweken gordijnen met wemelatoompjes

binnen. Zij voelde zich doodmoê. Zij bedacht, dat Mrs. Uxeley haar een

morgen na zulk een feest vrij gaf om uit te rusten: ook de oude dame

zelve bleef dan in bed, hoewel zij niet sliep. En Cornélie miste alle

kracht om op te staan. Zij bleef liggen, zwaar van moêheid. Hare oogen

dwaalden door de ordelooze kamer; hare mooie baljapon sleepte radeloos,

slap, over een stoel en herinnerde haar dadelijk aan gisteren.

Trouwens, alles in haar dacht aan gisteren, alles in haar dacht aan

haar man met een strakke, gehypnotizeerde denking. Zij voelde zich als

na een nachtmerrie, een dronkenschap, een bezwijmeling. Alleen met

glas na glas champagne te drinken had zij zich kunnen ophouden, kunnen

dansen, met Brox; op hun beurt een figuur kunnen dirigeeren. Maar niet

alleen met champagne. Zijn blik ook had haar opgehouden, had haar

weêrhouden van flauw te vallen, van in snikken uit te barsten, van op

te gillen en krankzinnig de armen te zwaaien. Toen hij afscheid genomen

had, toen iedereen weg was, was zij gezonken in-een, had men haar naar

bed gebracht. Dadelijk weg uit zijn oog, had zij gevoeld hare ellende

en hare zwakte en had de champagne haar als eensklaps bewolkt.

Nu dacht zij aan hem in de geslagen loomte van hare verpletterende

morgenvermoeidheid. En het werd haar als was haar geheele Italiaansche

jaar een tusschendroom geweest. Zij zag zich terug in Den Haag; het

jonge meisje, dat veel uitging, met haar aardig gezichtje en haar

flirtmaniertjes en hare woordjes altijd ad rem. Zij zag hunne eerste

ontmoetingen en hoe zij dadelijk onder hem gebogen had en met hèm niet

had kunnen flirten, omdat hij lachte om hare vrouweverwerinkjes. Hij

was dadelijk te sterk geweest. Toen hun engagement. Hij schreef haar de

wet voor en zij stond op, driftig, met hevige scène's, niet beheerscht

willende worden, gekrenkt in hare verwendheid van gevierd en bedorven

jong meisje. En als met de plompe kracht van zijn vuist--en altijd met

den lach om zijn mooien mond--hield hij haar onder. Tot zij getrouwd

waren, tot zij schandaal had gemaakt en was weggeloopen. Hij had eerst

niet willen scheiden, hij had later toegegeven, voor het schandaal. Zij

had zich bevrijd, zij was gevlucht!

De Vrouwenbeweging, Italië, Duco.... Was het een droom? Was het groote

geluk, de dierbare harmonie een droom en ontwaakte zij na een jaar van

droomen? Was zij gescheiden of was zij het niet? Zij moest zich met

geweld herinneren de formaliteiten: ja, zij waren wettig gescheiden.

Maar wàs zij gescheiden, was tusschen hen alles uit? En wàs zij

waarlijk niet meer zijn vrouw?!

Wat had hij er aan gehad; haar te zoeken toen hij haar eenmaal in Nice

gezien had? O, hij had het haar gezegd, gedurende dien cotillon, dien

eindeloozen cotillon! Hij was trotsch op haar geworden toen hij zag

hoe mooi zij was en hoe chic, hoe gelukkig zij scheen in de elegante

victoria van Mrs. Uxeley of van de prinses--hij had haar zoo gezien,

mooi, chic, en gelukkig--en hij was jaloersch geworden. Zij, mooie

vrouw, was zijn vrouw geweest! Recht had hij op haar gevoeld, trots de

wet! Wat was de wet? Maakte de wet haar vrouw, of had hij haar vrouw

gemaakt? En zijn recht had hij haar laten voelen, tegelijk met de

onherstelbaarheid van het verleden. Onherstelbaar, onuitwischbaar, was

het geweest....

Zij zag om zich rond, radeloos. En zij begon te weenen, te snikken....

Toen voelde zij iets in zich sterken, een onwil in haar opgieren als

een veer, die eindelijk weêr spande, nu zij uitrustte en niet meer was

onder zijn blik. Zij wilde niet. Zij wilde niet. Zij wilde hem in haar

bloed niet voelen. Mocht zij hem een volgenden keer ontmoeten, dan zoû

zij hem, kalmer, te woord staan, heel kort, en hem bevelen haar te

verlaten, hem de deur wijzen, hem de deur uit laten gooien.... Hare

handen balden zich in woede. Zij haatte hem. Zij dacht aan Duco En

zij dacht hem te schrijven, alles. En zij dacht zoo spoedig mogelijk

tot hem terug te gaan. Hij was geen droom, hij bestond, al leefde hij

ver van haar, in Florence. Zij had wat geld gespaard, zij zouden hun

geluk in het atelier te Rome terug vinden. Zij zoû hem schrijven en

zij wilde zoo spoedig mogelijk weg. Bij Duco zoû zij veilig zijn. O,

ze verlangde naar hem, zoo zacht en kalm en weldadig te liggen in zijn

arm, aan zijn borst, als in de omhelzing van éen wonderdadig geluk.

Was het wàar geweest, hun geluk, hunne liefde en harmonie? Ja, het had

bestaan, het was geen droom. Daar was zijn portret; daar aan den wand

een paar zijner waterverven: de zee van Sorrente en de luchten boven

Amalfi, gewasschen in die dagen, die waren geweest als gedichten. Zij

zoû veilig zijn bij hem. Zij zoû bij Duco Rudolf niet voelen, haar man

in haar bloed.... Want zij voelde Duco in hare ziel, en hare ziel zoû

sterker zijn! Zij zoû Duco voelen in hare ziel, in haar hart, in geheel

haar innigste leven en uit hèm verzamelen haar opperste kracht, als een

bundel glanzende zwaarden! Nu al, dat zij zoo aan hem dacht met zulk

verlangen, voelde zij zich sterker worden. Zij had nu met Brox kunnen

spreken. Gisteren had hij haar overvallen, haar geprangd tusschen zich

en dien spiegel, tot zij hem dubbel gezien had en niet meer geweten had

en verloren was geweest. Dat zoû nu nooit meer zijn. Dat was alleen de

verrassing geweest. Als zij hem nu weêr sprak, zoû _zij_ zegevieren

met wat zij aangeleerd had als vrouw, die op zichzelve had gestaan. En

zij stond op, en opende de vensters en kleedde zich in een peignoir.

Zij zag naar de blauwe zee, naar de kleurige beweging op de Promenade.

En zij zette zich en schreef aan Duco. Zij schreef alles, haar eerste

ontmoetingen van schrik, hare verrassing en nederlaag op het bal....

Hare pen ijlde over het papier. Zij hoorde niet, dat er geklopt werd,

dat Urania voorzichtig binnenkwam, denkende haar nog in slaap te vinden

en willende weten, hoe zij zich voelde. Opgewonden las zij een gedeelte

voor van haar brief en zij zeide zich te schamen over hare zwakte van

gisteren. Hoe hàd zij zoo kunnen zijn: zij begreep het zelve niet.

Neen, zij begreep het zelve niet. Nu zij zich voelde wat uitgerust, met

Urania sprak, die haar Rome herinnerde, in de hand haar langen brief

aan Duco, nu begreep zij het alles zelve niet en vroeg zij wàt droomen

was: haar Italiaansche jaar van geluk of die nachtmerrie van gisteren?

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 61 / 67 题