XLVII.

Zij was plotseling heel bleek geworden als onder een plotselinge

emotie. Zij bedekte haar gezicht met haar wuivenden waaier en hare

vingers trilden hevig; haar geheele lichaam sidderde.

--Dat is mooi van u gedacht, zeide Mrs. Holt. Het doet mij pleizier u

ontmoet te hebben. Er is voor mij in Hollanders altijd een charme. Dat

vage, dat wij niet vatten kunnen, en dan zoo op eens een licht, dat er

uit schiet als uit een wolk.... Ik hoop u toch nog eens te ontmoeten.

Ik ontvang iederen Dinsdag, vijf uur. Komt u eens aan met Mrs. Uxeley?

--Heel gaarne, met heel veel pleizier....

Mrs. Holt gaf haar de hand, die zij drukte, en verloor zich tusschen

andere gasten. Cornélie was opgestaan, terwijl hare knieën knikten. Zij

bleef staan, half naar de zaal gekeerd, kijkende in den spiegel. Op de

console speelden hare vingers met de orchideeën in een Venetiaansch

glas. Zij was nog wat bleek, maar beheerschte zich, hoewel haar hart

klopte, haar borst hijgde. En zij zag in den spiegel. Zij zag eerst

haar eigen gedaante, hare ranke, mooie vormen in haar toilet van

zwarte en witte Chantilly, de witte kanten sleep, schuimende van

volants; de zwarte kanten tuniek er over heen geschulpt en bezaaid met

staalpailletten en blauwe steenen, een tak orchideeën aan het geheel

mouwlooze corsage, dat haar hals en armen en schouders bloot liet. Drie

parelen Grieksche banden hielden heur haar omspannen, en haar witte

veêren waaier--een geschenk van Urania--was als een schuim tegen haar

hals. Zij zag het eerst zichzelve en toen in den spiegel zag zij hèm.

Hij naderde haar. Zij bewoog niet, alleen hare vingers speelden met

de bloemen in het glas. Zij had een gevoel van te willen vluchten,

maar hare knieën knikten en hare voeten waren als verlamd. Zij was als

vastgenageld, zij was als gehypnotizeerd. Zij kon zich niet bewegen. En

zij zag hem steeds dichter naderen, terwijl zij den rug half keerde

tegen de zaal. Hij naderde, en uit zijne nadering scheen een web uit

te stralen, waarin zij als gevangen bleef. Hij was nu vlak bij haar,

hij stond vlak achter haar. Werktuigelijk hief zij de oogen op en zag

in den spiegel, en ontmoette in het glas zijne oogen. Zij dacht flauw

te zullen vallen. Zij voelde zich als geprangd tusschen hem en het

glas. In den spiegel draaide de zaal, duizelden-om de kaarsen, als

een dansend firmament. Hij zeide nog niets. Zij zag alleen zijn oogen

kijken en zijn mond onder zijn snor glimlachen. En hij zeide nog niets.

Toen, in die onuithoudbare engte tusschen hem en den spiegel, die zelfs

niet beveiligde als een muur had gedaan, maar die hem weêrkaatste

zoodat hij als dubbel haar gevangen had, achter en voor--wendde zij

zich langzaam om en zag hem in de oogen. Maar zij sprak ook niet. Zij

zagen elkaâr sprakeloos aan.

--Daar hadt je nooit aan gedacht ... me hier eens te zien, zei hij

eindelijk.

Zij had nu in meer dan een jaar zijn stem niet gehoord. Maar zij voelde

zijn stem in zich.

--Neen, zeide zij eindelijk, hoog, koud, ver. Hoewel ik je een paar

keer gezien heb, in de stad, op de Jetée.

--Ja, zeide hij. Had ik je moeten groeten, vindt je?

Zij haalde haar bloote schouders op, en hij zag naar ze. Zij voelde

voor het eerst, dat zij half naakt was, dien avond.

--Neen, antwoordde zij, steeds koud en ver. Evenmin als je me nu hoefde

aan te spreken.

Hij glimlachte haar toe. Hij stond voor haar als een muur. Hij stond

voor haar als een man. Zijn kop, zijn schouders, zijn borst, zijn

beenen, zijn geheele figuur rees voor haar op als éene mannelijkheid.

--Natuurlijk behoefde ik dat niet te doen, antwoordde hij, en zij

voelde zijn stem in zich: zij voelde zijn geluid zinken in haar

als gesmolten brons in eene vaas. Als ik je in Holland ook ergens

ontmoet had, had ik alleen mijn hoed afgenomen, maar je verder niet

aangesproken. Maar hier zijn we in een vreemd land....

--Wat doet er dat toe?

--Ik had lust je aan te spreken ... Ik woû eens wat met je praten.

Kunnen we dat niet doen als vreemden?

--Als vreemden ... herhaalde zij.

--Nou, ja, we zijn niet vreemd voor elkaâr. We kennen elkaâr zelfs

verbazend intiem, hè? Kom nu eens naast me zitten en vertel me hoe je

het gemaakt hebt. Is het je bevallen in Rome?...

--Ja, zeide zij.

Hij had haar als met zijn wil geleid naar een chaise-longue achter een

Louis-XV-paravent, half damast, half glas--en zij liet zich neêrvallen

in een rozigen schemer van kaarsen, om zich heen bouquetten van roze

rozen in allerlei Venetiaansche glazen. Hij zette zich op een pouffe,

een beetje buigende naar haar toe, de armen over de knieën, de handen

gevouwen.

--Ze hebben flink over je gekletst in Den Haag. Eerst over je brochure.

En toen over je schilder.

Haar oogen priemden hem toe als naalden. Hij lachte.

--Je kan nog even boos kijken als vroeger. Zeg, hoor je wel eens wat

van de oudelui? Ze zijn er slecht aan toe.

--Nu en dan. Ik heb ze verleden wat geld kunnen zenden.

--Dat is verdomd aardig van je. Ze verdienen het niet. Ze hebben

gezegd, dat je niet meer voor ze bestond.

--Mama schreef mij, dat ze zoo moesten tobben. Toen heb ik ze honderd

gulden gezonden. Meer was mij niet mogelijk.

--O, nou als ze zien, dat je geld zendt, zal je wel weêr voor ze

bestaan.

Zij haalde de schouders op.

--Dat kan me niet schelen. Ik had medelijden met ze. Het speet me, dat

ik niet meer kon zenden.

--Neen, als je er ook zoo verbazend chic uitziet....

--Dat betaal ik niet....

--Ik zeg het zoo maar. Ik waag me aan geen kritiek. Ik vind het verdomd

mooi, dat je ze geld zendt. Maar je bènt verbazend chic. Zeg, wil ik je

eens wat zeggen. Je bent een verdòmde mooie meid geworden.

Hij zag haar aan, met zijn glimlach, waarnaar ze kijken moest.

Toen antwoordde zij, heel kalm, haar waaier licht wuivende over haar

naakten hals, zij schuilende in het schuim van haar waaier:

--Dat doet me verdomd veel pleizier.

Hij lachte, dik luid.

--Zoo, dat mag ik, je hebt nog altijd je geestige repartie. Altijd ad

rem. Verdomd leuk van je!

Zij stond op, nerveus, verwrongen.

--Ik moet je verlaten, ik moet naar Mrs. Uxeley.

Hij breidde de armen wat uit.

--Blijf nog wat zitten. Het doet me goed wat met je te praten.

--Hoû je dan een beetje in en "verdom" niet zoo veel. Ik ben daar niet

meer gewend aan.

--Ik zal mijn best doen, blijf dan zitten.

Zij viel neêr en school achter haar waaier.

--Laat me dan zeggen, dat je bepaald ... een heéle ... een heéle mooie

vrouw bent geworden. Is het nu iets als een compliment?

--Het heeft er iets meer van.

--Nou maar, mooier kan ik het niet, hoor. Zoo moet je het nu maar goed

vinden. Vertel me nu eens iets van Rome. Hoe leefde je daar?

--Waarom moet ik je daarover vertellen?

--Omdat ik er belang in stel.

--Je hebt niet in mij belang te stellen....

--Ja, maar dat doe ik nu eenmaal. Heelemaal vergeten heb ik je nooit.

En het zoû me verwonderen als jij dat gedaan hadt.

--Heelemaal, zeide zij koel.

Hij zag haar aan met zijn glimlach. Hij antwoordde niets, maar zij

voelde, dat hij beter wist. Zij was bang hem verder te overtuigen.

--Is het waar wat ze in Den Haag vertellen. Van Van der Staal?

Zij zag hem hoog aan.

--Nou, vertel nou eens....

--Ja....

--Je bent toch een brutale meid. Kan je de heele boel niets meer

schelen?

--Neen....

--En hoe doe je hier, bij dat wijf?

--Hoe meen je?

--Nemen ze dat zoo hier in Nice aan?

--Ik blagueer niet op mijn onafhankelijkheid en niemand kan op mijn

gedrag hier iets aanmerken.

--Waar is Van der Staal?

--In Florence.

--Waarom is hij niet hier?

--Ik heb geen lust je meer te antwoorden. Je bent indiscreet. Je hebt

daar niets meê noodig en ik laat me niet ondervragen.

Zij werd heel zenuwachtig en stond weêr op. Hij breidde de armen uit.

--Heusch, Rudolf, laat me gaan, smeekte zij. Ik moet naar Mrs. Uxeley

toe. Er wordt een pavane gedanst in de groote zaal, en ik moet eenige

orders vragen en geven. Laat me gaan.

--Dan zal ik je brengen. Mag ik je mijn arm prezenteeren?

--Rudolf, toe ga weg. Zie je niet, hoe nerveus je me maakt? Zoo

onverwachts heb ik je hier weêr ontmoet. Toe, ga weg, laat me alleen,

ik kan me anders niet meer houden. Ik ga huilen.... Waarom heb je

me aangesproken, waarom ben je hier gekomen, waar je wist dat je me

ontmoeten zoû.

--Omdat ik een feest bij Mrs. Uxeley woû zien, en omdàt ik je ontmoeten

woû.

--Je begrijpt toch wel, dat je terugzien me nerveus maakt. Wat heb je

er aan. Wij zijn dood voor elkaâr.... Wat heb je er aan mij zoo te

plagen.

--Dat is het juist wat ik weten woû. Of we dood zijn voor elkaâr.

--Dood, dood, heelemaal dood! riep zij hevig.

Hij lachte.

--Kom, wees niet zoo theatraal. Je begrijpt toch wel, dat ik

nieuwsgierig was je eens terug te zien en met je te spreken. Ik zag je

in de straten, in je rijtuig, op de Jetée, en het deed me pleizier, dat

je er zoo goed uitzag, zoo chic, zoo gelukkig, en zoo mooi. Je weet,

dat ik nu eenmaal een groot zwak heb voor mooie vrouwen. Je bent veel

mooier dan vroeger, toen je mijn vrouw was. Als je toen zoo geweest

was als nu, was ik nooit van je gescheiden.... Kom, wees geen kind.

Niemand kent ons hier. Ik vind het verdomd leuk je hier te ontmoeten,

met je te kletsen en je aan mijn arm te hebben. Neem mijn arm. Zanik

niet langer, dan breng ik je waar je zijn moet. Waar vinden we Mrs

Uxeley...? Stel me voor ... als een kennis uit Holland....

--Rudolf....

--Ach, ik wil het, zanik niet. Wat is er nou aan. Het amuzeert me, en

het is leuk met je gescheiden vrouw rond te wandelen op een bal in

Nice. Heerlijke stad hè? Ik ga iederen dag naar Monte-Carlo, en ben

verdomd gelukkig geweest. Gisteren drieduizend francs gewonnen. Ga je

eens met me meê...?

--Je bent dol!

--Ik ben niet dol. Ik wil me amuzeeren. En ik ben er trotsch op je aan

mijn arm te hebben.

Zij trok haar arm terug.

--Je hebt op niets trotsch te zijn....

--Word nu niet kwaadaardig, het is allemaal gekheid; laten we ons nu

amuzeeren. Daar heb je het oude wijf.... Ze kijkt naar je uit.

Zij was aan zijn arm eenige zalen door gegaan, en zij zagen bij een

tombola, waar men zich verdrong om cadeautjes en surprises te trekken,

Mrs. Uxeley, Gilio en de dames di Rosavilla, Costi, Luca. Men was er

zeer vroolijk, doende als kinderen om de pyramide van snuisterijen,

wanneer men zijn nummer op een roulette had gewonnen.

--Mrs. Uxeley, begon Cornélie en hare stem trilde; mag ik u een

landgenoot voorstellen, baron Brox....

Mrs. Uxeley minaudeerde, en zei een paar vriendelijke zinnen, en vroeg

of hij geen nummer trekken wilde.... De roulette draaide.

--Een landgenoot, Cornélie?

--Ja, Mrs. Uxeley.

--Hoe zeg je ... zijn naam?

--Baron Brox....

--A splendid fellow! Een mooie kerel! Een verbazend mooie kerel. Wat is

hij, wat doet hij?

--Hij is officier, eerste luitenant....

--Welk wapen?

--Van de huzaren....

--In Den Haag?

--In Den Haag.

--Een verbazende mooie kerel. Ik hoû van zulke groote, flinke mannen.

--Mrs. Uxeley, gaat alles goed?

--Ja, darling.

--Voelt u u wel?

--Ik heb een beetje pijn, maar het gaat wel.

--Moet de pavane niet gauw worden gedanst?

--Ja, zorg, dat de meisjes zich gaan verkleeden. De kapper heeft toch

nog wel de pruiken gebracht voor de jongelui?

--Ja....

--Verzamel de jongelui dan, en laten ze zich haasten. Ze moeten niet

later dan over een half uur beginnen....

Rudolf Brox kwam van de tombola terug, waar hij een zilveren

lucifersdoos had getrokken. Hij bedankte Mrs. Uxeley, die minaudeerde,

en toen hij zag, dat Cornélie zich verwijderde, volgde hij haar.

--Cornélie....

--Ik bid je, Rudolf, laat me; ik moet de meisjes en de jongelui voor de

pavane verzamelen. Ik heb veel te doen....

--Ik zal je helpen....

Zij wenkte een paar meisjes, zij liet een paar knechts de jongelui

opzoeken door de zalen en hen verzoeken naar de kleedkamers te gaan.

Hij zag, dat zij bleek was en trilde over haar lichaam.

--Wat is er?

--Ik ben moê.

--Laten wij dan wat gaan drinken.

Zij voelde zich niet van zenuwachtigheid. De muziek van het onzichtbare

orkest boem-boemde woest tegen hare hersens aan, en soms duizelden

de ontelbare kaarsen voor hare oogen als een dansend firmament.

Het was stampvol in de zalen. Men verdrong er zich, men lachte,

luid, toonde elkaâr zijn cadeaux, men trapte op de sleepen der

dames. Een bedwelmende benauwdheid van bloemen en feestatmosfeer en

lauwen geparfumeerden vrouwengeur hing als een wolk door de zalen.

Cornélie liep hier, zocht daar, had eindelijk de meisjes verzameld.

De dansmeester kwam haar iets vragen. Een hofmeester kwam haar iets

vragen. En Brox week niet van haar zijde.

--Laat ons nu wat gaan drinken.... herhaalde bij.

Werktuigelijk nam zij zijn arm en haar hand trilde op zijn zwarte mouw.

Hij duwde met haar door de foule en zij gingen langs Urania en de

Breuil. Urania zei een paar woorden, die Cornélie niet verstond. In de

buffetzaal ook was het stampvol, gonzend van hooge lachende stemmen.

Achter de lange tafels stond de hofmeester als een minister. Hij

beheerschte de geheele service. Er was geen gedrang, geen gevecht om

een glas wijn of een broodje. Men wachtte tot een lakei het gevraagde

prezenteerde.

--De boel is netjes geregeld, zei Brox. Doe jij dat allemaal...?

--Neen, dat is alles al zoo jaren lang.... Zij viel neêr in een stoel,

bleek.

--Wat wil je hebben?

--Een glas champagne.

--Ik heb honger. Ik heb slecht gedineerd in mijn hôtel. Ik wil wel wat

eten.

Hij bestelde voor haar de champagne. Hij at eerst een pasteitje, toen

nog een, en toen een châteaubriand met erwtjes. Hij dronk een paar

glazen rooden wijn, en toen een glas champagne. De lakei bracht hem

alles een voor een op een zilveren blad. Zijn mooi mangezicht was

van een steenroode tint van gezondheid en animale kracht. Op zijn

zwaren ronden kop was het harde haar geheel kort geknipt. Zijn groote

grauwe oogen lachten, helder, recht brutaal van blik. Een zware, goed

verzorgde snor kroesde vol boven zijn mond, waar de witte tanden in

glansden. Hij stond een beetje wijdbeens, militair stevig in zijn rok,

dien hij droeg met een eenvoudige correctheid. Hij at langzaam en met

pleizier, genietende zijn goed glas fijnen wijn.

Werktuigelijk, nu, uit haar stoel, zag zij hem aan. Zij had een glas

champagne gedronken en vroeg een tweede, en deze prikkeling bracht haar

bij. Hare wangen gloeiden wat op, hare oogen tintelden.

--Het is hier een verdòmde goeie boel, zeide hij, haar naderend met

zijn glas in de handen. En hij dronk het uit.

--De pavane moet gauw worden gedanst, murmelde zij.

En zij gingen door de drukke zaten, naar een grooten corridor buiten,

als een allée van camelia-heesters. Zij waren daar even alleen.

--Hier moeten de danseurs zich verzamelen....

--Laten wij dan hier op ze wachten. Het is hier lekker frisch.

Zij zetten zich op de bank.

--Ben je beter? vroeg hij. Je deedt zoo raar in de zaal.

--Ja ... ik ben beter....

--Vindt je het nu niet leuk je ouden man weêr eens te ontmoeten?

--Rudolf ... ik begrijp niet hoe je zoo spreken kan, me achtervolgen

kan, me plagen kan.... Na alles wat er gebeurd is....

--Nou ja, dat is nou gebeurd....

--Vindt je het discreet van je ... en kiesch?

--Neen. Noch discreet en noch kiesch. Je weet, dat zijn nu eenmaal van

die lieve dingen, die ik nooit ben; dat heb je vroeger genoeg naar mijn

hoofd gegooid. Maar als het niet kiesch is, amuzant is het wel. Ben jij

je gevoel voor humor kwijt? Er is een verduiveld leuke humor in onze

ontmoeting hier.... En luister nou eens naar me. We zijn gescheiden,

goed. Voor de wet is dat zoo. Maar een wettelijke scheiding is alleen

iets voor wet en vorm en maatschappij. Voor geldzaken en dergelijke.

Wij zijn te veel man en vrouw samen geweest, om niet bij een latere

ontmoeting, zooals hier, iets voor elkaâr te voelen. Jawel, ik weet

wel, wat je zeggen wil. Het is eenvoudig niet waar. Je bent te verliefd

op me geweest, en ik op jou, dan dat alles dood zoû zijn. Ik herinner

me nog alles. En jij moet je ook nog alles herinneren. Herinner je,

toen wij eens....

Hij lachte, schoof dichter bij haar en fluisterde vlak aan haar oor.

Zij voelde zijn adem over haar vleesch trillen als een warme bries. Zij

bloosde rood en werd zenuwachtig. En zij voelde met heel haar lichaam,

dat hij haar man was geweest, dat zij hem had in haar bloed. Zijn

stem zonk als gesmolten brons langs hare gehoorzenuwen, diep in haar

binnen. Onder den bries van zijn adem sidderde haar geheele vleesch.

Zij kende hem heelemaal. Zij kende zijn oogen, zijn mond, zij kende

zijn borst en zijn dijen. Zij kende zijn handen, breed, goed verzorgd,

met de groote, ronde nagels en met den donkeren zegelring--als zij

lagen op zijn knieën, vierkant spannende in de buiging van zijn zwarte

broekspijp. En zij voelde, als een plotselinge wanhoop, dat zij hem

kende en voelde in heel haar lichaam. Hoe grof hij ook vroeger tegen

haar was geweest, hoe hij haar mishandeld had, geslagen met zijn dichte

vuist, gekwakt tegen een muur ... zij was zijn vrouw geweest. Zij was,

maagd, zijn vrouw geworden, door hem gewijd tot vrouw. En zij voelde

zich door hem als gestempeld tot het zijne, zij voelde het tot in haar

bloed en haar merg. Zij bekende het zich, zij had hem nooit vergeten.

In de eerste eenzaamheid te Rome, had zij verlangd naar zijn zoen, had

zij aan hem gedacht, zijn beeld van man zich geroepen voor den geest,

zich wijsgemaakt, dat zij met tact en geduld en wat leiding zijn vrouw

had kunnen blijven...!

Toen was het groote geluk gekomen, het zachte geluk der volkomen

harmonie...!

Het ging alles bliksemsnel door haar heen.

O, in het groote zachte geluk had zij alles vergeten kunnen, had

zij het verleden niet in zich gevoeld. Maar nu voelde zij, dat het

verleden altijd blijft, en onherroepelijk is, onuitwischbaar. Zij was

zijn vrouw geweest en zij behield hem in haar bloed. Nù voelde zij het

met iederen ademtocht. Zij was verontwaardigd omdat hij fluisteren

durfde van vroeger, aan haar oor, maar het was geweest, als hij zeide.

Onherroepelijk, onuitwischbaar.

--Rudolf! smeekte zij en zij vouwde de handen. Spaar me!!

Ze gilde het bijna uit, in een kreet van angst en wanhoop. Maar hij

lachte en vatte in zijn eene hand hare beide gevouwen handen van

smeeking.

--Als je zoo doet, als je me zoo smeekend aankijkt met die mooie oogen,

dan spaar ik je zelfs hier niet en zoen ik je tot....

Zijn woorden woeien over haar heen als een heete wind. Maar stemmen

lachten aan, en een paar jonge meisjes, een paar jongelui, al gekleed

als Henri IV, Marguérite de Valois, voor de pavane, kwamen de trap af.

--Waar blijven nu de anderen! riepen zij, omkijkende op de trap. En

zij naderden Cornélie vroolijk, met een danspas. Ook de dans meester

naderde. Zij verstond niet wat hij zeide.

--Waar blijven nu de anderen, herhaalde zij werktuigelijk, met een

heesche stem, de meisjes na.

--Daar komen ze aan.... Nu zijn we er allemaal....

Het praatte en lachte en schitterde en gonsde om haar heen. Zij

verzamelde al hare arme kracht, gaf eenige orders. In de groote

danszaal stroomden de gasten, zetten zich vóór op stoelen, drongen in

de hoekjes elkaâr op. De pavane werd gedanst in het midden der zaal,

op de sleeping eener oude wijze: een langzaam krinkelende arabesk van

sierlijke pas, diepe nijging en porceleinachtig opglansend satijn....

de wuiving van een schoudermanteltje een lange lichtglans op een

degen....

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 59 / 67 题