Er waren zoo een paar maanden voorbij gegaan, het was Januari en het
waren drukke dagen voor Cornélie, want Mrs. Uxeley zoû spoedig een
van hare beroemde feesten geven, en Cornélie's vrije morgenuren waren
thans ingenomen met het doen van allerlei boodschappen. Meestal reed
Urania met haar meê en vond zij bij Urania steun. Zij moesten gaan bij
behangers, bij banketbakkers, bij bloemisten en bij juweliers, waar
Cornélie en Urania cadeaux uitkozen voor den cotillon. Mrs. Uxeley ging
er nooit voor uit, maar bemoeide zich thuis met iedere kleinigheid en
het waren eindelooze besprekingen, en het waren na die besprekingen
weêr ritten naar de winkels, want de oude dame was alles behalve
gemakkelijk, ijdel op haar feestroem, en bang dien door de kleinste
nalatigheid te verliezen.
Op een van die ritten, terwijl de victoria de Avenue de la Gare
insloeg, schrikte Cornélie zoo hevig, dat zij Urania bij den arm
vastgreep en een uitroep niet weêrhouden kon. Urania vroeg haar
wat zij gezien had, maar zij kon niet spreken, en Urania deed haar
uitstappen bij een confiseur, om een glas water te drinken. Zij was op
het punt flauw te vallen en zag spierwit. Het was haar niet mogelijk
hare boodschappen verder af te doen, en zij reden terug naar de villa
van Mrs. Uxeley. De oude dame was niet tevreden over die plotselinge
flauwte en bromde zoo, dat Urania alleen de verdere boodschappen
ging doen. Dien middag echter was Cornélie hersteld, maakte zij hare
excuses, en vergezelde Mrs. Uxeley naar een afternoon-tea.
Den volgenden dag, toen zij met Mrs. Uxeley en een paar kennissen
zat op de Jetée, scheen zij ook weêr dat zelfde te zien. Zij werd
spierwit, maar hield zich goed, en lachte en praatte vroolijk. Het
waren de dagen der toebereidselen. De datum van het feest naderde;
eindelijk was de avond daar. Mrs. Uxeley trilde van zenuwachtigheid als
een jong meisje, en vond de kracht de geheele villa door te loopen,
die één licht was en één bloem. En met een zucht van voldoening zette
zij zich een oogenblik. Zij was gekleed. Haar gezicht was glad als
porcelein, het haar, geönduleerd, schitterende van diamanten pinnen.
Zij was laag gedecolleteerd in een japon van lichtblauw brokaat, en
zij schitterde als een reliquie-schrijn. Een telkens omslingerend
snoer van fabuleuze parelen hing tot over haar buik. In de hand--de
handschoenen nog niet aan--had zij een wandelstok met gouden knop,
haar onmisbaar om op te staan. En alleen als zij opstond, had zij haar
ouderdom, als zij zich gymnastisch werkte omhoog, met die pijn op
haar gezicht, dien rhumatiekscheut, die haar doorkrinkelde. Cornélie,
nog ongekleed, na een laatsten blik over de villa, blakend van licht,
bezwijmelend van bloemen, repte zich naar hare kamer, en zonk, al
moê, in den stoel voor haar toilet, om zich vlug te laten kappen. Zij
was zenuwachtig en haastte de kamenier. Zij was juist klaar, toen de
eerste gasten kwamen, en zij zich kon voegen bij Mrs. Uxeley. En de
rijtuigen rolden aan; Cornélie, boven aan de monumentale trap, blikte
in de hal-vestibule, waar men binnenstroomde, de dames nog in hare
lange sorties--bijna nog kostbaarder dan hare japonnen,--en die zij
met zorg afgaven in de druk gonzende vestiaire. En de eerste gasten
kwamen de trappen op, wachtende om niet de allereerste te zijn, en
tegengeglimlacht door Mrs. Uxeley. De salons vulden zich spoedig.
Behalve de receptiezalen waren de eigen kamers der gastvrouw open
en schakelde zich een suite van twaalf vertrekken. Waren de gangen
en trappen gedecoreerd met alleen bosschages van roode en witte en
roze camelia's, in de vertrekken was de bloemdecoratie aangebracht
in honderden vazen en bekers en schalen, die overal neêrgezet waren,
en met het licht der omschermde kaarsen een intimiteit gaven aan het
feest. Dat was de eigenaardigheid van Mrs Uxeley's versiering van
feestzalen; het electrische licht niet op, maar overal de kaarsen in
schermpjes, overal de coupes en glazen vol bloemen, en het werd er om
als een feeëntuin. Was de groote lijn misschien verbroken, gewonnen
was een allerliefste gezelligheid, overal konden zich groepjes vormen,
achter een paravent, in een loggia, telkens vond men een plekje voor
vertrouwelijkheid; en dit was misschien de reden van de vogue van Mrs.
Uxeley's feesten. De villa, geschikt tot het geven van een hofbal, gaf
slechts feesten van een luxueuze intimiteit aan honderden menschen,
die elkaâr in het geheel niet kenden. De côterietjes kozen zich een
hoekje uit, en waren daar als thuis. Een heel klein boudoirtje, geheel
van Japansch lak en Japansche zijde, werd algemeen beoogd, maar
dadelijk door Gilio ingenomen, de gravin di Rosavilla, de hertogin
di Luca, de gravin Costi. Zij kwamen zelfs niet in de comediezaal,
waar een concert het eerste nummer was. Faderewski speelde er, Sigrid
Arnoldson zoû er zingen. Ook de concertzaal was zoo verlicht, met
kaarsen in schermpjes, en men fluisterde algemeen, dat in dit teedere
licht Mrs. Uxeley veertig was. In de pauze minaudeerde zij tegen
twee heele jonge journalisten, die haar feest beschrijven zouden.
Urania, naast Cornélie, werd aangesproken, door een Franschman, dien
zij aan hare vriendin voorstelde: de chevalier de Breuil. Cornélie
wist, dat zij hem kende van Ostende, en dat zijn naam met dien van
de prinses di Forte-Braccio genoemd werd. Urania had haar nooit over
de Breuil gesproken, maar Cornélie, nu, aan haar glimlach, haar
blos, de schittering van haar oogen, zag, dat men gelijk had. Zij
liet henbeiden alleen, met een treurigheid om Urania. Zij begreep,
dat het jonge prinsesje zich troostte over de onverschilligheid van
haar man--en zij vond dit heele leven van schijn plotseling om van te
walgen. Zij verlangde naar Rome, naar het atelier, naar Duco, naar
onafhankelijkheid, liefde, geluk. Zij had het alles gehad, maar het
had niet mogen blijven. Zij was terug gedwongen in dien schijn, de
conventie, de walgelijke comedie van het leven. Het was om haar heen
als één leugen, schitterender dan in Den Haag, maar nog valscher,
brutaler, perverser. Men gaf zelfs niet meer voor, dat men aan de
leugen geloofde: hierin was een brutale oprechtheid. De leugen werd
geëerbiedigd, maar niemand geloofde aan ze, niemand drong de leugen als
waarheid op; de leugen was niets dan een vorm. Cornélie liep alleen
door de zalen, voegde zich--volgens hare gewoonte--even bij Mrs.
Uxeley, vroeg fluisterend hoe zij het maakte, of zij iets noodig had,
of alles goed was--en liep alleen weêr de zalen door. Zij stond bij
een vaas en schikte een paar orchideeën, toen een vrouw, in het zwart
fluweel, blond, met een vollen hals, haar aansprak in het Engelsch:
--Ik ben Mrs. Holt; u kent mijn naam misschien niet, maar ik ken den
uwe. Ik verlang zeer met u kennis te maken. Ik ben dikwijls in Holland
geweest en ik lees een beetje Hollandsch. Ik heb uwe brochure gelezen
over den Maatschappelijken Toestand van de Gescheiden Vrouw, en ik vond
heel veel interessants in wat u schreef.
--U is heel vriendelijk; willen wij een oogenblik gaan zitten.... Ik
herinner mij ook uw naam.... Was u niet een van de leidsters van het
Vrouwencongres in Londen?
--Ja.... Ik heb er gesproken over de opvoeding van het kind.... Kon u
niet in Londen komen?
--Neen, ik heb er wel over gedacht, maar ik was toen in Rome, en ik kon
niet.
--Dat was jammer. Het congres is een groote stap voorwaarts geweest.
Was uw brochure er vertaald, bekend geworden, dan had u groot succes
gehad.
--Ik streef zoo weinig naar succes van dien aard....
--Natuurlijk, dat begrijp ik. Maar het succes van uw boek is toch ook
voordeel voor de groote zaak.
--Meent u dat waarlijk? Is er iets goeds in mijn boekje?
--Twijfelt u daar dan aan?
--Heel dikwijls....
--Hoe is het mogelijk.... Het is toch zoo met zekere pen geschreven.
--Misschien juist daarom.
--Ik begrijp u niet. Er is in Hollanders soms een vaagheid, die wij
Engelschen niet begrijpen. Iets als de weêrspiegeling van uw mooie
luchten in uw karakters.
--Twijfelt u nooit? Is u zeker van uw ideeën over de opvoeding van het
kind?
--Ik heb kinderen bestudeerd in scholen, in crêches, thuis, en ik heb
zeer gedecideerde ideeën gekregen. En naar die ideeën werk ik voor
de menschen, die in de toekomst zullen zijn. Ik zal u mijn brochure
zenden, de quintessence van mijn redevoeringen op het congres. Is u nu
bezig aan een andere brochure?
--Neen, helaas niet....
--Waarom niet? Wij moeten allen dicht aaneensluiten om te overwinnen.
--Ik geloof, dat ik uitgezegd ben.... Ik heb geschreven uit een
impulsie, uit eigen ondervinding. En toen.
--Toen....
--Toen is het anders geworden.... Alle vrouwen zijn verschillend, en ik
vond het nooit goed te generalizeeren. En gelooft u, dat _vele_ vrouwen
met de doorzetting van een man kunnen werken voor een werelddoel, als
zij een klein doel voor zichzelve hebben gevonden, een klein geluk, bij
voorbeeld een liefde voor haar eigen ik, en waarin zij gelukkig zijn.
Gelooft u niet, dat er in iedere vrouw sluimert een egoïsme voor haar
eigen liefde, geluk, en dat, als zij dàt gevonden heeft ... de wereld
en de toekomst haar belang verliezen.
--Misschien.... Maar hoe weinig vrouwen vinden het.
--Ik geloof niet vele.... Maar dit is een andere kwestie. En ik geloof
wel, dat het belang voor wereldkwesties bij de meeste vrouwen pis-aller
is.
--U is een afvallige geworden. U spreekt heel anders dan u een jaar
geleden schreef....
--Ja. Ik ben heel nederig geworden, omdat ik oprechter ben. Natuurlijk,
ik geloof wel in enkele vrouwen, in enkele groote geesten. Maar, zoû
het meerendeel niet in vrouwelijkheid blijven: vrouw en zwak....
--Niet, met een verstandige opvoeding.
--Ja, ik geloof wel, dat het dat is: de opvoeding....
--Van het kind, van het meisje....
--Ik geloof het wel, dat ik nooit ben opgevoed, en dit zal wel mijn
zwakte zijn.
--Aan onze meisjes moet al heel jong van den strijd des levens verteld
worden.
--U heeft gelijk. Wij: mijn vriendinnen, mijn zusters en ik, werden zoo
gauw mogelijk op de huwelijksveiligheid gewezen.... Weet u wie ik het
meest te beklagen vind? Onze ouders! Hebben zij niet gedacht, dat zij
ons alles leeren lieten wat noodig was? En nu? op dit oogenblik, moeten
zij inzien, dat zij de toekomst niet geraden hebben, en dat hunne
opvoeding geen opvoeding was, omdat zij hunne kinderen niet wezen op
den strijd, die vlak voor hunne oogen al gestreden werd. Het zijn onze
ouders, die zijn te beklagen. Zij kunnen niets meer herstellen. Zij
zien ons, meisjes, jonge vrouwen, van twintig tot dertig, overstelpt
worden door het leven, en zij hebben er ons niet sterk voor gemaakt.
Zij hebben ons zoo lang mogelijk veilig gelaten in het ouderlijk
hoekje, en toen hebben zij gedacht aan ons huwelijk. Volstrekt niet
om ons kwijt te zijn, maar voor ons geluk, voor onze veiligheid en
onze toekomst. Wij zijn wel ongelukkig, wij meisjes en vrouwen, die
niet, als onze jongere zusjes, werden gewezen op den strijd daar vlak
bij ons, maar ik geloof, dat wij nog de hoop hebben op onze jonge
jaren, en ik geloof, dat onze arme ouders ongelukkiger zijn en meer
te beklagen dan wij, omdat zij niets meer kunnen hopen, omdat zij zich
in stilte, bekennen _moeten_, gedwaald te hebben in hun kinderliefde.
Zij voedden ons nog op volgens het verleden, terwijl de toekomst al zoo
dicht bij was. Ik heb medelijden met onze ouders, en ik zoû ze er bijna
liever om hebben, dan ik ze ooit gehad heb....