XLVI.

Er waren zoo een paar maanden voorbij gegaan, het was Januari en het

waren drukke dagen voor Cornélie, want Mrs. Uxeley zoû spoedig een

van hare beroemde feesten geven, en Cornélie's vrije morgenuren waren

thans ingenomen met het doen van allerlei boodschappen. Meestal reed

Urania met haar meê en vond zij bij Urania steun. Zij moesten gaan bij

behangers, bij banketbakkers, bij bloemisten en bij juweliers, waar

Cornélie en Urania cadeaux uitkozen voor den cotillon. Mrs. Uxeley ging

er nooit voor uit, maar bemoeide zich thuis met iedere kleinigheid en

het waren eindelooze besprekingen, en het waren na die besprekingen

weêr ritten naar de winkels, want de oude dame was alles behalve

gemakkelijk, ijdel op haar feestroem, en bang dien door de kleinste

nalatigheid te verliezen.

Op een van die ritten, terwijl de victoria de Avenue de la Gare

insloeg, schrikte Cornélie zoo hevig, dat zij Urania bij den arm

vastgreep en een uitroep niet weêrhouden kon. Urania vroeg haar

wat zij gezien had, maar zij kon niet spreken, en Urania deed haar

uitstappen bij een confiseur, om een glas water te drinken. Zij was op

het punt flauw te vallen en zag spierwit. Het was haar niet mogelijk

hare boodschappen verder af te doen, en zij reden terug naar de villa

van Mrs. Uxeley. De oude dame was niet tevreden over die plotselinge

flauwte en bromde zoo, dat Urania alleen de verdere boodschappen

ging doen. Dien middag echter was Cornélie hersteld, maakte zij hare

excuses, en vergezelde Mrs. Uxeley naar een afternoon-tea.

Den volgenden dag, toen zij met Mrs. Uxeley en een paar kennissen

zat op de Jetée, scheen zij ook weêr dat zelfde te zien. Zij werd

spierwit, maar hield zich goed, en lachte en praatte vroolijk. Het

waren de dagen der toebereidselen. De datum van het feest naderde;

eindelijk was de avond daar. Mrs. Uxeley trilde van zenuwachtigheid als

een jong meisje, en vond de kracht de geheele villa door te loopen,

die één licht was en één bloem. En met een zucht van voldoening zette

zij zich een oogenblik. Zij was gekleed. Haar gezicht was glad als

porcelein, het haar, geönduleerd, schitterende van diamanten pinnen.

Zij was laag gedecolleteerd in een japon van lichtblauw brokaat, en

zij schitterde als een reliquie-schrijn. Een telkens omslingerend

snoer van fabuleuze parelen hing tot over haar buik. In de hand--de

handschoenen nog niet aan--had zij een wandelstok met gouden knop,

haar onmisbaar om op te staan. En alleen als zij opstond, had zij haar

ouderdom, als zij zich gymnastisch werkte omhoog, met die pijn op

haar gezicht, dien rhumatiekscheut, die haar doorkrinkelde. Cornélie,

nog ongekleed, na een laatsten blik over de villa, blakend van licht,

bezwijmelend van bloemen, repte zich naar hare kamer, en zonk, al

moê, in den stoel voor haar toilet, om zich vlug te laten kappen. Zij

was zenuwachtig en haastte de kamenier. Zij was juist klaar, toen de

eerste gasten kwamen, en zij zich kon voegen bij Mrs. Uxeley. En de

rijtuigen rolden aan; Cornélie, boven aan de monumentale trap, blikte

in de hal-vestibule, waar men binnenstroomde, de dames nog in hare

lange sorties--bijna nog kostbaarder dan hare japonnen,--en die zij

met zorg afgaven in de druk gonzende vestiaire. En de eerste gasten

kwamen de trappen op, wachtende om niet de allereerste te zijn, en

tegengeglimlacht door Mrs. Uxeley. De salons vulden zich spoedig.

Behalve de receptiezalen waren de eigen kamers der gastvrouw open

en schakelde zich een suite van twaalf vertrekken. Waren de gangen

en trappen gedecoreerd met alleen bosschages van roode en witte en

roze camelia's, in de vertrekken was de bloemdecoratie aangebracht

in honderden vazen en bekers en schalen, die overal neêrgezet waren,

en met het licht der omschermde kaarsen een intimiteit gaven aan het

feest. Dat was de eigenaardigheid van Mrs Uxeley's versiering van

feestzalen; het electrische licht niet op, maar overal de kaarsen in

schermpjes, overal de coupes en glazen vol bloemen, en het werd er om

als een feeëntuin. Was de groote lijn misschien verbroken, gewonnen

was een allerliefste gezelligheid, overal konden zich groepjes vormen,

achter een paravent, in een loggia, telkens vond men een plekje voor

vertrouwelijkheid; en dit was misschien de reden van de vogue van Mrs.

Uxeley's feesten. De villa, geschikt tot het geven van een hofbal, gaf

slechts feesten van een luxueuze intimiteit aan honderden menschen,

die elkaâr in het geheel niet kenden. De côterietjes kozen zich een

hoekje uit, en waren daar als thuis. Een heel klein boudoirtje, geheel

van Japansch lak en Japansche zijde, werd algemeen beoogd, maar

dadelijk door Gilio ingenomen, de gravin di Rosavilla, de hertogin

di Luca, de gravin Costi. Zij kwamen zelfs niet in de comediezaal,

waar een concert het eerste nummer was. Faderewski speelde er, Sigrid

Arnoldson zoû er zingen. Ook de concertzaal was zoo verlicht, met

kaarsen in schermpjes, en men fluisterde algemeen, dat in dit teedere

licht Mrs. Uxeley veertig was. In de pauze minaudeerde zij tegen

twee heele jonge journalisten, die haar feest beschrijven zouden.

Urania, naast Cornélie, werd aangesproken, door een Franschman, dien

zij aan hare vriendin voorstelde: de chevalier de Breuil. Cornélie

wist, dat zij hem kende van Ostende, en dat zijn naam met dien van

de prinses di Forte-Braccio genoemd werd. Urania had haar nooit over

de Breuil gesproken, maar Cornélie, nu, aan haar glimlach, haar

blos, de schittering van haar oogen, zag, dat men gelijk had. Zij

liet henbeiden alleen, met een treurigheid om Urania. Zij begreep,

dat het jonge prinsesje zich troostte over de onverschilligheid van

haar man--en zij vond dit heele leven van schijn plotseling om van te

walgen. Zij verlangde naar Rome, naar het atelier, naar Duco, naar

onafhankelijkheid, liefde, geluk. Zij had het alles gehad, maar het

had niet mogen blijven. Zij was terug gedwongen in dien schijn, de

conventie, de walgelijke comedie van het leven. Het was om haar heen

als één leugen, schitterender dan in Den Haag, maar nog valscher,

brutaler, perverser. Men gaf zelfs niet meer voor, dat men aan de

leugen geloofde: hierin was een brutale oprechtheid. De leugen werd

geëerbiedigd, maar niemand geloofde aan ze, niemand drong de leugen als

waarheid op; de leugen was niets dan een vorm. Cornélie liep alleen

door de zalen, voegde zich--volgens hare gewoonte--even bij Mrs.

Uxeley, vroeg fluisterend hoe zij het maakte, of zij iets noodig had,

of alles goed was--en liep alleen weêr de zalen door. Zij stond bij

een vaas en schikte een paar orchideeën, toen een vrouw, in het zwart

fluweel, blond, met een vollen hals, haar aansprak in het Engelsch:

--Ik ben Mrs. Holt; u kent mijn naam misschien niet, maar ik ken den

uwe. Ik verlang zeer met u kennis te maken. Ik ben dikwijls in Holland

geweest en ik lees een beetje Hollandsch. Ik heb uwe brochure gelezen

over den Maatschappelijken Toestand van de Gescheiden Vrouw, en ik vond

heel veel interessants in wat u schreef.

--U is heel vriendelijk; willen wij een oogenblik gaan zitten.... Ik

herinner mij ook uw naam.... Was u niet een van de leidsters van het

Vrouwencongres in Londen?

--Ja.... Ik heb er gesproken over de opvoeding van het kind.... Kon u

niet in Londen komen?

--Neen, ik heb er wel over gedacht, maar ik was toen in Rome, en ik kon

niet.

--Dat was jammer. Het congres is een groote stap voorwaarts geweest.

Was uw brochure er vertaald, bekend geworden, dan had u groot succes

gehad.

--Ik streef zoo weinig naar succes van dien aard....

--Natuurlijk, dat begrijp ik. Maar het succes van uw boek is toch ook

voordeel voor de groote zaak.

--Meent u dat waarlijk? Is er iets goeds in mijn boekje?

--Twijfelt u daar dan aan?

--Heel dikwijls....

--Hoe is het mogelijk.... Het is toch zoo met zekere pen geschreven.

--Misschien juist daarom.

--Ik begrijp u niet. Er is in Hollanders soms een vaagheid, die wij

Engelschen niet begrijpen. Iets als de weêrspiegeling van uw mooie

luchten in uw karakters.

--Twijfelt u nooit? Is u zeker van uw ideeën over de opvoeding van het

kind?

--Ik heb kinderen bestudeerd in scholen, in crêches, thuis, en ik heb

zeer gedecideerde ideeën gekregen. En naar die ideeën werk ik voor

de menschen, die in de toekomst zullen zijn. Ik zal u mijn brochure

zenden, de quintessence van mijn redevoeringen op het congres. Is u nu

bezig aan een andere brochure?

--Neen, helaas niet....

--Waarom niet? Wij moeten allen dicht aaneensluiten om te overwinnen.

--Ik geloof, dat ik uitgezegd ben.... Ik heb geschreven uit een

impulsie, uit eigen ondervinding. En toen.

--Toen....

--Toen is het anders geworden.... Alle vrouwen zijn verschillend, en ik

vond het nooit goed te generalizeeren. En gelooft u, dat _vele_ vrouwen

met de doorzetting van een man kunnen werken voor een werelddoel, als

zij een klein doel voor zichzelve hebben gevonden, een klein geluk, bij

voorbeeld een liefde voor haar eigen ik, en waarin zij gelukkig zijn.

Gelooft u niet, dat er in iedere vrouw sluimert een egoïsme voor haar

eigen liefde, geluk, en dat, als zij dàt gevonden heeft ... de wereld

en de toekomst haar belang verliezen.

--Misschien.... Maar hoe weinig vrouwen vinden het.

--Ik geloof niet vele.... Maar dit is een andere kwestie. En ik geloof

wel, dat het belang voor wereldkwesties bij de meeste vrouwen pis-aller

is.

--U is een afvallige geworden. U spreekt heel anders dan u een jaar

geleden schreef....

--Ja. Ik ben heel nederig geworden, omdat ik oprechter ben. Natuurlijk,

ik geloof wel in enkele vrouwen, in enkele groote geesten. Maar, zoû

het meerendeel niet in vrouwelijkheid blijven: vrouw en zwak....

--Niet, met een verstandige opvoeding.

--Ja, ik geloof wel, dat het dat is: de opvoeding....

--Van het kind, van het meisje....

--Ik geloof het wel, dat ik nooit ben opgevoed, en dit zal wel mijn

zwakte zijn.

--Aan onze meisjes moet al heel jong van den strijd des levens verteld

worden.

--U heeft gelijk. Wij: mijn vriendinnen, mijn zusters en ik, werden zoo

gauw mogelijk op de huwelijksveiligheid gewezen.... Weet u wie ik het

meest te beklagen vind? Onze ouders! Hebben zij niet gedacht, dat zij

ons alles leeren lieten wat noodig was? En nu? op dit oogenblik, moeten

zij inzien, dat zij de toekomst niet geraden hebben, en dat hunne

opvoeding geen opvoeding was, omdat zij hunne kinderen niet wezen op

den strijd, die vlak voor hunne oogen al gestreden werd. Het zijn onze

ouders, die zijn te beklagen. Zij kunnen niets meer herstellen. Zij

zien ons, meisjes, jonge vrouwen, van twintig tot dertig, overstelpt

worden door het leven, en zij hebben er ons niet sterk voor gemaakt.

Zij hebben ons zoo lang mogelijk veilig gelaten in het ouderlijk

hoekje, en toen hebben zij gedacht aan ons huwelijk. Volstrekt niet

om ons kwijt te zijn, maar voor ons geluk, voor onze veiligheid en

onze toekomst. Wij zijn wel ongelukkig, wij meisjes en vrouwen, die

niet, als onze jongere zusjes, werden gewezen op den strijd daar vlak

bij ons, maar ik geloof, dat wij nog de hoop hebben op onze jonge

jaren, en ik geloof, dat onze arme ouders ongelukkiger zijn en meer

te beklagen dan wij, omdat zij niets meer kunnen hopen, omdat zij zich

in stilte, bekennen _moeten_, gedwaald te hebben in hun kinderliefde.

Zij voedden ons nog op volgens het verleden, terwijl de toekomst al zoo

dicht bij was. Ik heb medelijden met onze ouders, en ik zoû ze er bijna

liever om hebben, dan ik ze ooit gehad heb....

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 58 / 67 题