Het was alles streng, als volgens régime geregeld, en de minste
wijziging was niet mogelijk: alles was vastgesteld als volgens een
wet. Het lezen van de courant, haar anderhalf vrij uur; dan de lunch,
na het lunch de toer, de Jetée, de visites; iederen dag die visites,
afternoon-tea's; een enkelen keer een diner, 's avonds meestal een bal,
een soirée, een comedie. Zij maakte bij tientallen nieuwe kennissen
en vergat ze weêr dadelijk, en wist niet meer, als zij ze weêrzag, of
zij ze kende, ja of niet. Over het algemeen kwam men haar vrij wel te
gemoet in dien kring van cosmopolitisme, omdat men wist, dat zij een
intime vriendin van de prinses Urania was. Maar evenals Urania zelve
ondervond zij van den vrouwelijken kant der oude Italiaansche namen
en titels, die soms opschitterden in dien kring, een verpletterenden
hoogmoed en minachting. De heeren lieten zich steeds aan haar
voorstellen, maar zoo zij zich soms aan hun dames liet voorstellen, was
een vage verwonderde hoofdknik de eenige tegemoetkoming. Het kon haar
zelve weinig schelen, maar zij had medelijden met Urania. Want zij zag
duidelijk, soms op Urania's eigen soirées, hoe zij haar nauwlijks als
de gastvrouw telden, hoe zij Gilio omringden en fêteerden, maar zijn
vrouw alleen even gaven de beleefdheid, die haar als de prinses di
Forte-Braccio toekwam, zonder ooit te vergeten, dat zij miss Hope was.
En voor Urania was die kleinachting moeilijker door te maken dan voor
haarzelve. Want zij nam haar rol van gezelschapsdame aan. Zij hield
Mrs. Uxeley steeds in het oog, voegde zich in den loop van den avond
telkens een oogenblik bij haar, haalde in een ander salon een waaier,
dien Mrs. Uxeley vergeten had, bewees telkens den een of anderen
kleinen dienst. Dan zette zij zich, alleen in het druk gonzende salon,
tegen den muur en zij zag onverschillig voor zich uit. Zij zat, steeds
zeer elegant gekleed, in een houding van gracieuze onverschilligheid
en matte verveling, tippende met haar voetje, of ontplooiende haren
waaier. Zij nam van niemand notitie. Soms kwamen dan een paar heeren
naar haar toe, en zij sprak met ze, of danste even, onverschillig als
verleende zij een gunst. Eens, dat Gilio met haar sprak, zij zittende
en hij staande, en de hertogin di Luca en de gravin Costi beiden op hem
toekwamen, en met hem, staande, begonnen uitbundig gekheid te maken,
zonder haar met een woord, met een blik te verwaardigen, bleef zij de
dames eerst met een spottende ironie aankijken, van het hoofd tot de
voeten, en weêr van de voeten tot het hoofd, stond eindelijk langzaam
op, nam Gilio's arm en zeide, met haar blik, die uit haar toegeknepen
oogen hatelijk uitpriemde als een naald:
--Pardon ... maar u zult mij excuzeeren als ik u den prins di
Forte-Braccio weêr ontneem, want ik heb even intiem met hem te
spreken....
En met den drang van haar arm deed zij Gilio twee passen voortgaan,
zette zich, dadelijk, weêr neêr, deed hem naast zich zitten en begon
heel vertrouwelijk met hem te fluisteren, terwijl zij de hertogin en de
gravin op twee meter afstand in stupefactie over haar brutaliteit met
open mond liet alleen staan en nog daarenboven tusschen haar en die
dames haar sleep wijd uitplooide en haar waaier wijd wuivend tewoog,
als om een afstand te bewaren. Zij kon zoo iets doen met zoo veel
kalmte, zooveel tact en hoogheid, dat het Gilio dol amuzeerde, en hij
er met haar om gichelde van genot.
--Zoo moest Urania ook eens kunnen doen, zeide hij, dankbaar als een
kind voor dit amuzement, dat zij hem gegeven had.
--Urania is te lief om zoo hatelijk te kunnen zijn, antwoordde zij.
Zij maakte zich niet bemind, maar men werd bang voor haar, bang
voor haar rustige hatelijkheid en men vermeed haar in het vervolg
te kwetsen. Daarbij, de heeren vonden haar mooi en aardig, tevens
toegelokt door haar onverschillige hoogheid. En zonder het eigenlijk
te willen, veroverde zij zich een pozitie, schijnbaar met de grootste
diplomatie en in werkelijkheid natuurlijk, geleidelijk-weg. Terwijl
Mrs. Uxeley's egoïsme gestreeld werd door haar kleine attenties, die
zij plichtmatig nooit vergat en die zij bewees met iets alleraardigst
jong-moederlijks, waartegen Mrs. Uxeley het eenvoudig heerlijk vond
als een jong meisje te minaudeeren, kreeg zij langzamerhand op
die avonden een cour van heeren om zich heen, en werden de dames
zoetsappig beleefd. Urania zeide haar dikwijls hoe knap zij haar
vond, hoeveel tact zij toch had. Cornélie haalde de schouders op: het
ging alles van zelve, en eigenlijk kon het haar niet schelen. Maar
toch, langzamerhand, herwon zij iets van hare vroolijkheid. Als zij
zich staan zag in den spiegel over haar, kon zij zich niet anders dan
bekennen, dat zij zoo mooi was, als zij nog nooit was geweest, niet
als jong meisje, niet als pas getrouwde vrouw. Haar lang rank figuur
had een lijn van fierheid en loomte, die haar een bizondere gratie
gaf; haar hals was edeler, haar boezem voller, haar middel in deze
nieuwe toiletten, slanker, haar heupen waren zwaarder, haar armen
molliger geworden, en al had zij niet meer dien glans, dat geluk
over haar gelaat, als zij het te Rome gehad had, de spotglimlach,
de onverschillige ironie, gaven haar voor die vreemde mannen iets
aantrekkelijks, iets dat lokte en tartte, als de grootste coquetterie
niet gedaan zoû hebben. En Cornélie had hier niet naar verlangd, maar
nu het van zelve kwam, nam zij het aan. Het was niet in haar bloed het
te weigeren. En daarbij, Mrs. Uxeley was tevreden met haar. Cornélie
kon zoo lief tegen haar fluisteren: mevrouwtje, u heeft gisteren
zoo een pijn gehad, zoû u van avond niet wat vroeger naar huis gaan?
en dan minaudeerde Mrs. Uxeley, als een meisje, dat door haar moeder
vermaand werd van avond niet te veel te dansen. Zij vond die maniertjes
heerlijk, en Cornélie, onverschillig, gaf haar wat zij verlangde.
En ze amuzeerden haar meer die avonden, maar ze amuzeerden haar met
zelfverwijt zoodra zij aan Duco dacht, aan hun scheiding, aan Rome,
aan het atelier, aan het geluk der verledene dagen, dat zij door hare
zwakte verloren had.