XLV.

Het was alles streng, als volgens régime geregeld, en de minste

wijziging was niet mogelijk: alles was vastgesteld als volgens een

wet. Het lezen van de courant, haar anderhalf vrij uur; dan de lunch,

na het lunch de toer, de Jetée, de visites; iederen dag die visites,

afternoon-tea's; een enkelen keer een diner, 's avonds meestal een bal,

een soirée, een comedie. Zij maakte bij tientallen nieuwe kennissen

en vergat ze weêr dadelijk, en wist niet meer, als zij ze weêrzag, of

zij ze kende, ja of niet. Over het algemeen kwam men haar vrij wel te

gemoet in dien kring van cosmopolitisme, omdat men wist, dat zij een

intime vriendin van de prinses Urania was. Maar evenals Urania zelve

ondervond zij van den vrouwelijken kant der oude Italiaansche namen

en titels, die soms opschitterden in dien kring, een verpletterenden

hoogmoed en minachting. De heeren lieten zich steeds aan haar

voorstellen, maar zoo zij zich soms aan hun dames liet voorstellen, was

een vage verwonderde hoofdknik de eenige tegemoetkoming. Het kon haar

zelve weinig schelen, maar zij had medelijden met Urania. Want zij zag

duidelijk, soms op Urania's eigen soirées, hoe zij haar nauwlijks als

de gastvrouw telden, hoe zij Gilio omringden en fêteerden, maar zijn

vrouw alleen even gaven de beleefdheid, die haar als de prinses di

Forte-Braccio toekwam, zonder ooit te vergeten, dat zij miss Hope was.

En voor Urania was die kleinachting moeilijker door te maken dan voor

haarzelve. Want zij nam haar rol van gezelschapsdame aan. Zij hield

Mrs. Uxeley steeds in het oog, voegde zich in den loop van den avond

telkens een oogenblik bij haar, haalde in een ander salon een waaier,

dien Mrs. Uxeley vergeten had, bewees telkens den een of anderen

kleinen dienst. Dan zette zij zich, alleen in het druk gonzende salon,

tegen den muur en zij zag onverschillig voor zich uit. Zij zat, steeds

zeer elegant gekleed, in een houding van gracieuze onverschilligheid

en matte verveling, tippende met haar voetje, of ontplooiende haren

waaier. Zij nam van niemand notitie. Soms kwamen dan een paar heeren

naar haar toe, en zij sprak met ze, of danste even, onverschillig als

verleende zij een gunst. Eens, dat Gilio met haar sprak, zij zittende

en hij staande, en de hertogin di Luca en de gravin Costi beiden op hem

toekwamen, en met hem, staande, begonnen uitbundig gekheid te maken,

zonder haar met een woord, met een blik te verwaardigen, bleef zij de

dames eerst met een spottende ironie aankijken, van het hoofd tot de

voeten, en weêr van de voeten tot het hoofd, stond eindelijk langzaam

op, nam Gilio's arm en zeide, met haar blik, die uit haar toegeknepen

oogen hatelijk uitpriemde als een naald:

--Pardon ... maar u zult mij excuzeeren als ik u den prins di

Forte-Braccio weêr ontneem, want ik heb even intiem met hem te

spreken....

En met den drang van haar arm deed zij Gilio twee passen voortgaan,

zette zich, dadelijk, weêr neêr, deed hem naast zich zitten en begon

heel vertrouwelijk met hem te fluisteren, terwijl zij de hertogin en de

gravin op twee meter afstand in stupefactie over haar brutaliteit met

open mond liet alleen staan en nog daarenboven tusschen haar en die

dames haar sleep wijd uitplooide en haar waaier wijd wuivend tewoog,

als om een afstand te bewaren. Zij kon zoo iets doen met zoo veel

kalmte, zooveel tact en hoogheid, dat het Gilio dol amuzeerde, en hij

er met haar om gichelde van genot.

--Zoo moest Urania ook eens kunnen doen, zeide hij, dankbaar als een

kind voor dit amuzement, dat zij hem gegeven had.

--Urania is te lief om zoo hatelijk te kunnen zijn, antwoordde zij.

Zij maakte zich niet bemind, maar men werd bang voor haar, bang

voor haar rustige hatelijkheid en men vermeed haar in het vervolg

te kwetsen. Daarbij, de heeren vonden haar mooi en aardig, tevens

toegelokt door haar onverschillige hoogheid. En zonder het eigenlijk

te willen, veroverde zij zich een pozitie, schijnbaar met de grootste

diplomatie en in werkelijkheid natuurlijk, geleidelijk-weg. Terwijl

Mrs. Uxeley's egoïsme gestreeld werd door haar kleine attenties, die

zij plichtmatig nooit vergat en die zij bewees met iets alleraardigst

jong-moederlijks, waartegen Mrs. Uxeley het eenvoudig heerlijk vond

als een jong meisje te minaudeeren, kreeg zij langzamerhand op

die avonden een cour van heeren om zich heen, en werden de dames

zoetsappig beleefd. Urania zeide haar dikwijls hoe knap zij haar

vond, hoeveel tact zij toch had. Cornélie haalde de schouders op: het

ging alles van zelve, en eigenlijk kon het haar niet schelen. Maar

toch, langzamerhand, herwon zij iets van hare vroolijkheid. Als zij

zich staan zag in den spiegel over haar, kon zij zich niet anders dan

bekennen, dat zij zoo mooi was, als zij nog nooit was geweest, niet

als jong meisje, niet als pas getrouwde vrouw. Haar lang rank figuur

had een lijn van fierheid en loomte, die haar een bizondere gratie

gaf; haar hals was edeler, haar boezem voller, haar middel in deze

nieuwe toiletten, slanker, haar heupen waren zwaarder, haar armen

molliger geworden, en al had zij niet meer dien glans, dat geluk

over haar gelaat, als zij het te Rome gehad had, de spotglimlach,

de onverschillige ironie, gaven haar voor die vreemde mannen iets

aantrekkelijks, iets dat lokte en tartte, als de grootste coquetterie

niet gedaan zoû hebben. En Cornélie had hier niet naar verlangd, maar

nu het van zelve kwam, nam zij het aan. Het was niet in haar bloed het

te weigeren. En daarbij, Mrs. Uxeley was tevreden met haar. Cornélie

kon zoo lief tegen haar fluisteren: mevrouwtje, u heeft gisteren

zoo een pijn gehad, zoû u van avond niet wat vroeger naar huis gaan?

en dan minaudeerde Mrs. Uxeley, als een meisje, dat door haar moeder

vermaand werd van avond niet te veel te dansen. Zij vond die maniertjes

heerlijk, en Cornélie, onverschillig, gaf haar wat zij verlangde.

En ze amuzeerden haar meer die avonden, maar ze amuzeerden haar met

zelfverwijt zoodra zij aan Duco dacht, aan hun scheiding, aan Rome,

aan het atelier, aan het geluk der verledene dagen, dat zij door hare

zwakte verloren had.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 57 / 67 题