XLIV.

Maar het dwingende leven kwam terug, de zwevende handen verschenen

weêr, als een zacht geheimzinnig geweld. Cornélie weende bitter en

bekende het zich, en bekende het Duco: het ging niet langer. Zij hadden

éen oogenblik niet genoeg om de huur van het atelier te betalen en

moesten zich wenden tot Urania. In het atelier waren leêgten gekomen,

kleuren verijld, door het verkoopen van dingen, die Duco met teederheid

en opoffering had verzameld. Maar de engel van Lippo Memmi, dien hij

niet verkoopen wilde, bleef met zijn gebaar van lelie-reiken, in

zijn brokaten goudmantel nog stralen als altijd. Om hem heen gaapten

treurige vakken wand, waren spijkers blootgekomen. Eerst poogden zij

nog anders te schikken, maar de lust hiertoe verging. En als zij zaten

bij elkaâr, in elkanders armen, voelende hun klein geluk, maar ook den

dwang van het met handen duwende leven, sloten zij de oogen, om het

atelier niet te zien, dat scheen te brokkelen rondom hen heen, waar met

de eerste koelere dagen een zonnelooze kilte huiverend neêrviel van

het plafond, dat hooger en verder scheen, en waar de schildersezel,

leêg, wachtte. Zij sloten beiden de oogen, en bleven zoo, zich, trots

de kracht van hun geluk, hunne liefde, voelende langzaam-aan overwinnen

door het leven, dat zoo gestadig dwong en hun iederen dag iets ontnam.

Eens, toen zij zoo zaten, vielen hun armen slap, viel hun omhelzing uit

elkaâr, als trokken handen hen van elkaâr af. Zij bleven lang zitten

staren, naast elkaâr, zonder elkaâr aan te roeren. Toen snikte zij

luid op en wierp zich met haar gezicht op zijn knieën. Er was niets

meer aan te doen: het leven was sterker, het sprakelooze leven, het

zacht-gestadig dwingende leven, dat met zoovele handen rondom hen was.

En het was of hun klein geluk hun ontviel, als een engelachtig kind,

dat gestorven was, en aan hunne omhelzing was ontzonken.

Zij zeide, dat zij Urania zoû schrijven: de Forte-Braccio's waren

te Nice. Hij, mat, stemde toe. En zoodra zij antwoord had, pakte zij

werktuigelijk haar koffer, pakte zij haar oude kleêren in. Want Urania

schreef haar te komen, en dat Mrs. Uxeley haar wilde zien. Mrs. Uxeley

zond haar het reisgeld. Zij was in een radeloozen toestand van telkens

opsnikkende zenuwachtigheid, en zij voelde zich als scheuren van hem

weg, scheuren uit dat home, dat haar lief was, en dat brokkelde om hen

heen, alleen door hàre schuld. Toen zij den aan geteekenden brief met

het reisgeld ontving kreeg zij een zenuwtoeval, klaagde als een kind

tegen hem aan, dat zij niet kon, dat zij niet woû, dat zij niet zonder

hem kon leven, dat zij hem lief had voor eeuwig, voor eeuwig, dat zij

sterven zoû, zoo ver van hem. Zij lag op den divan, haar beenen stijf,

haar armen stijf, en zij schreeuwde met een verwrongen mond als van

lichamelijke pijn. Hij suste haar in zijn armen, bette haar hoofd,

liet haar ether drinken, troostte haar, zei, dat het later alles goed

weêr zoû worden.... Later.... Zij zag hem wezenloos aan. Zij was als

krankzinnig van smart. Zij gooide alles weêr uit haar koffer, door het

vertrek, linnengoed, blouses, en lachte, en lachte.... Hij bezwoer

haar zich te beheerschen. Toen zij zijn ontdaan gezicht zag, toen ook

hij snikte tegen haar aan, pakte zij hem vast tegen zich, zoende hem,

troostte hem op hare beurt En alles viel mat, slap, in haar neêr....

Zij pakten beiden den koffer weêr in. Toen zag zij rond en schikte in

een vlaag van energie het atelier voor hèm, liet haar bed wegnemen,

bevestigde zijn eigen schetsen aan den wand, poogde iets op te bouwen,

van wat rondom hen heen was in-een gebrokkeld, schikte alles anders,

deed haar best. Zij kookte hun laatste maal, zij stookte het vuur

op.... Maar een radelooze dreiging van eenzaamheid en verlatenheid

heerschte al rond. Het ging niet, het ging niet.... Snikkende sliepen

zij in, in elkanders armen, nauw tegen elkaâr aan. Dien volgenden

morgen bracht hij haar naar het station. En toen zij ingestegen was,

in haar coupé, konden zij beiden zich niet beheerschen. Zij omhelsden

elkaâr snikkende, terwijl de conducteur al het portier wilde sluiten.

Zij zag hem wegloopen als een gek, dwars door de drukke menigte

duwende, en zij wierp zich van smart brekende, achterover. Zij was zoo

benauwd, op het punt flauw te vallen, dat eene dame naast haar hielp,

haar gezicht waschte met Eau de Cologne....

Zij dankte, verontschuldigde zich, en ziende de andere reizigers

haar aanstaren met deelneming, beheerschte zij zich, en viel mat

ineen, en tuurde wezenloos door het raam. Zij spoorde door, zij hield

nergens op, alleen stapte zij uit om van trein te verwisselen. Hoewel

hongerig, had zij geen energie aan de stations iets te bestellen. Zij

at niets, zij dronk niets. Zij spoorde een dag, een nacht, en kwam den

volgenden avond laat te Nice. Urania was aan het station en schrikte

omdat Cornélie er grauwbleek uitzag, doodmoê, hol van oogen. En zij

was allerliefst; zij nam Cornélie meê naar huis, verzorgde haar een

paar dagen, deed haar blijven te bed, en ging zelve Mrs. Uxeley zeggen,

dat haar vriendin te ongesteld was om zich aan te melden. Gilio kwam

Cornélie even zijne opwachting maken, en zij kon niet anders dan hem

danken voor die dagen van gastvrijheid en zorg onder zijn dak. En

de jonge prinses was als een zuster, was als een moeder, en kweekte

Cornélie op met melk, met eieren, met versterkende middelen. Zij liet

alles gewillig met zich doen, mat, onverschillig, en zij at, om Urania

lief te zijn. Na enkele dagen, zeide Urania, dat Mrs. Uxeley dien

middag een visite kwam maken, benieuwd hare nieuwe gezelschapsdame te

zien. Mrs. Uxeley was nu alleen, maar zij kon wachten tot Cornélie

hersteld was. Cornélie kleedde zich zoo goed mogelijk aan en wachtte

met Urania de oude dame af. Zij kwam met uitbundigheid binnen, in

een vloed van woorden, en Cornélie kon, in het schemerlicht van

Urania's salon zich niet verwezenlijken, dat zij negentig jaar was.

Urania knipoogde tegen Cornélie, maar deze glimlachte flauw: zij

zag op tegen dit eerste onderhoud. Maar Mrs. Uxeley, zeker omdat

Cornélie de vriendin was van de prinses di Forte-Braccio, was heel

gemakkelijk, heel aardig, zonder neêrbuigendheid tegen haar aanstaande

dame-de-compagnie; vroeg naar Cornélie's gezondheid in een vermoeiende

uitbundigheid van uitroepjes en zinnetjes en raadgevingen. Cornélie,

in het schemerlicht der staande kant-omkapte lampen, nam haar met

den blik op, en zag een vrouw, vijftig, de rimpeltjes zorgvuldig

bijgepoeierd, in een mauve fluweelen toilet met dof goud en pailletten

en kralen gewerkt, op den bruinen geönduleerden chignon een hoed

met witte aigrette. Telkens twinkelden hare juweelen omdat zij heel

bewegelijk was, heel druk. Nu nam zij Cornélie's hand en begon intiem

te praten.... Dus overmorgen zoû Cornélie komen? Goed. Zij was gewoon

honderd dollars in de maand te geven, of vijfhonderd francs, nooit

minder, maar ook nooit meer. Maar zij begreep, dat Cornélie nu iets

noodig had, voor nieuwe toiletten: of zij dan maar aan dit adres

bestellen wilde, wat zij noodig had, voor rekening van Mrs. Uxeley. Een

paar baltoiletten, een paar minder gekleedde avondtoiletten, enfin,

alles. De prinses Urania zoû haar dat wel zeggen, en wel met haar

willen meêgaan. En zij stond op, pogende jong te doen, minaudeerend

met haar face-à-main, maar onderwijl zich steunende met haar parasol,

zich gymnastisch opwerkende aan den stok van haar parasol, met een

plotselingen trek van rheumatische pijn, die allerlei rimpels ontdekte.

Urania geleidde haar tot den corridor, en kwam gierende terug, en ook

Cornélie lachte, heel matjes. Het kon haar alles niets schelen: zij was

meer verbaasd over Mrs. Uxeley, dan dat zij haar komisch vond. Negentig

jaar! Negentig jaar!! Wat een energie, een beter doel waardig, om

elegant te willen blijven: la femme la plus élégante d'Ostende!!

Negentig jaar! Wat moest die vrouw lijden, de uren van haar langdurig

toilet, dat zij zich karikaturizeerde tot dit type. Urania zeide, dat

alles valsch was, haar haren, haar décolletage! En Cornélie voelde

een walging voortaan te moeten leven naast die vrouw, als naast eene

onwaardigheid. In haar geluk van liefde was veel van haar energie

verzwakt, alsof hun twee-geluk--van Duco en van haar--haar ongeschikter

had gemaakt voor verderen levensstrijd en haar verweekt, had in zijn

heerlijkheid, maar het had in haar ziel iets verfijnd en verpuurd en

zij walgde van zooveel schijn voor zoo klein en ijdel een doel. En het

was alleen de noodzakelijkheid zelve--de geleidelijkheid van de dingen

des levens, die dreef en zacht haar met leidenden vinger duwde langs

eene nu eenzaam uitslingerende levenslijn--de noodzakelijkheid, die

haar kracht gaf haar verdriet, haar verlangen, haar heimwee naar alles

wat zij verlaten had, diep te bergen in zichzelve. Zij sprak er maar

niet meer over met Urania. Urania was zoo blij haar te zien, beschouwde

haar als een goede vriendin, in de eenzaamheid van haar groot leven, in

het izolement te midden der aristocratische kennissen. Urania was vol

ijver met haar naar naaisters en winkels te gaan en hielp haar kiezen

haar nieuwen trousseau. Het kon haar niet schelen. Zij, elegante vrouw,

ingeboren elegant, die in haar uiterlijk zich steeds verdedigd had

tegen de armoede, die met een frisch lint een oude blouse gracieus wist

te dragen, in de dagen van haar geluk, zij was totaal onverschillig

over alles wat zij nu kocht voor rekening van Mrs. Uxeley. Het was

haar als was het niet voor haar. Zij liet Urania vragen, kiezen, zij

vond alles goed. Zij paste als een pop. Het hinderde haar zooveel te

moeten uitgeven op rekening van een vreemde. Zij voelde zich gezonken,

vernederd: al haar fiere levenstrots was weg. Zij was bang voor wat men

van haar denken zoû in den kring van Mrs. Uxeley's kennissen, of men

zoû weten van haar vrije ideeën, van haar samenleven met Duco, zij was

bang voor Mrs. Uxeley's opinie. Want Urania had eerlijk moeten zijn en

alles verteld. Alleen door Urania's warme recommandatie was zij door

Mrs. Uxeley nog aangenomen. Zij voelde zich misplaatst, nu zij weêr

meê zoû moeten doen met al die menschen, en zij was bang zich bloot te

zullen geven. Zij zoû comedie moeten spelen, hare ideeën maskeeren,

hare woorden bedenken, en zij was het niet meer gewoon. En alles om

dat geld. Alles omdat zij geen kracht had gehad naast Duco haar eigen

brood te verdienen, en, hem, blij, onafhankelijk, op te wekken in zijn

arbeid, in zijn kunst. O, als zij maar gekund had, gevonden had, wat

zoû zij gelukkig geweest zijn. Als zij maar niet in zich had laten

kankeren de ellendige loomte van haar bloed, van haar opvoeding, haar

brillante salon-educatie-loomte, die haar ongeschikt maakte tot wat

ook! In haar bloed was zij zoowel een vrouw van liefde als een vrouw

van luxe, maar zij was meer liefde dan luxe: zij kon gelukkig zijn met

het hoogst eenvoudige als zij maar kon liefhebben. En nu had het leven

haar weggescheurd van hem, langzaam aan, maar onverbiddelijk. En nu had

zij luxe, afhankelijke luxe, en het voldeed aan haar bloed niet meer,

omdat zij haar ziel niet voldoen kon. Eene rampzalige ontevredenheid

woekerde op in die eenzame ziel. Het eenige geluk, dat zij had, waren

zijn brieven, zijn lange brieven, brieven van verlangen, maar ook

brieven van troost. Hij schreef haar zijn verlangen, maar hij schreef

haar ook moed en hoop in. Hij schreef haar iederen dag. Hij was nu in

Florence, en zocht zijn troost in Uffizie en Pitti. In Rome had hij

niet kunnen blijven, het atelier was nu gesloten. In Florence was hij

iets dichter bij haar. En zijn brieven waren haar als een liefdeboek,

de eenige roman, dien zij las, en het was of zij in zijn stijl zijn

landschappen zag, de zelfde wazigheid van kleur-emotie, het parelen

blanke en de droomwazige lichte verte: de horizon van zijn verlangen,

of zijn oogen steeds uitgingen naar den einder, waar zij in den nacht

van hun scheiden verdwenen was als in paarsgrauwen zonsondergang; een

lucht van de droeve Campagna. In die brieven nog leefden zij samen.

Maar zij kon hem zoo niet schrijven. Hoewel zij hem iederen dag

schreef, schreef zij kort, in andere woorden altijd het zelfde: haar

verlangen, haar matte onverschilligheid. Maar zij schreef haar geluk om

zijn brieven, die waren als haar dagelijksch brood.

Zij was nu bij Mrs. Uxeley en bewoonde in de reusachtige villa

twee lieve kamers, die uitzagen op de zee en op de Promenade des

Anglais. Urania had haar geholpen ze te arrangeeren. En zij leefde

als in een oneigenlijken droom van vreemdheid, van niet bestaan

met haar ziel, van ongeleefd handelen en gebaren; volgens den wil

van andere menschen. Des morgens zocht zij Mrs. Uxeley op in haar

boudoir, en las haar voor Amerikaansche en Fransche couranten, en

soms iets uit een Fransch romannetje. Zij deed nederig haar best.

Mrs. Uxeley vond, dat zij prettig las, maar zei alleen, dat ze wat

vroolijk moest worden, dat haar treurige dagen nu waren voorbij.

Van Duco werd niet gesproken en Mrs. Uxeley deed of zij niets wist.

Het groote boudoir, de balkondeuren open, zag uit op de zee, waarop

de Promenade, de morgenwandeling al begon, kleurig en vlakkerig van

parasols, fijn scheltjes tegen de diepblauwe zee, een zee, van luxe,

water van weelde, golfjes, die als veel geld schenen te kosten, vóór

zij bevalligjes verkozen aan te schuiven. De oude dame, al geverfd,

haar pruik op, een witte kant over die pruik voor den tocht, lag in

de zwarte en witte kanten van haar witten zijden peignoir op de hoop

kussens harer chaise-longue. In hare gerimpelde hand de face-à-main,

waarop haar initialen in diamanten, amuzeerde het haar te turen naar

de schelle vlakjes der parasols buiten. Nu en dan vertrok zij, bij

een rheumatischen scheut, in eens het gezicht tot ééne verkreukeling

van rimpel, waaronder de strakke maquillage bijna brak, als gekrakeld

porcelein. In het daglicht was zij bijna niet meer levend, scheen

zij een automatische, in elkaâr geleede pop van verdorde ledematen,

die mechanisch nog sprak en gebaarde. Zij was 's morgens altijd wat

moê, zij sliep 's nachts nooit; na elven maakte zij een dutje. Zij

leefde volgens een streng régime, en haar dokter, die haar iederen

dag bezocht, scheen haar iederen dag weêr wat te doen opleven, zoodat

zij den avond haalde. 's Middags toerde zij, steeg uit bij de Jetée,

maakte hare visites. Maar 's avonds leefde zij op, met iets van

werkelijk leven, kleedde zich, deed haar juweelen aan, en kreeg hare

uitbundigheid terug, haar uitroepjes, en minauderietjes.... Dan waren

het bals, feesten, de comedie. Dan was zij niet ouder dan vijftig jaar.

Maar dat waren de goede dagen. Soms na een nacht van onduldbare pijnen,

bleef zij in haar slaapkamer, de maquillage van den vorigen dag niet

bijgewerkt, over haar kale hoofd een zwarte kant, in een zwart satijnen

morgenjas, die als een gemakkelijke zak om haar hing, en zij kreunde,

gilde, schreeuwde, en scheen genade te smeeken voor haar marteling. Dit

duurde een paar dagen, en was geregeld iedere drie weken: dan leefde

zij weêr langzaam op.

Haar drukke conversatie bepaalde zich bij een geregeld terugkomende

bespreking en kritiek van allerlei familie-aangelegenheden. Zij

legde Cornélie uit al de familie-betrekkingen van haar kennissen,

Amerikaansche en Europeesche, maar vooral weidde zij uit over de groote

Europeesche families, die zij onder hare kennissen telde. Cornélie kon

er nooit naar hooren, en vergat de relaties weêr dadelijk. Het was

soms ondragelijk vervelend zoo lang aan te moeten hooren, en alleen

daarom, als gedwongen, vond Cornélie kracht zelve wat te praten, een

anecdote te vertellen, een verhaal te doen. Toen zij zag, dat de oude

vrouw erg gevoelig was voor anecdotes, raadsels, woordspelingen,

vooral met ondeugende tint, verzamelde zij er zooveel zij kon uit de

Vie Parisienne, het Journal pour Rire, en had ze altijd bij de hand.

En Mrs. Uxeley vond haar amuzant. Eens, daar zij wel merkte Duco's

dagelijkschen brief, maakte zij eene toespeling, en Cornélie vond

eensklaps uit, dat zij verging van nieuwsgierigheid. Toen vertelde zij

rustig de waarheid: haar huwelijk, hare scheiding, hare vrije ideeën,

hare ontmoeting en haar leven met Duco. De oude vrouw was een beetje

teleurgesteld, omdat Cornélie er zoo eenvoudig over sprak. Zij gaf

alleen den raad zich nu correct te houden. Wat de kennissen praatten

over vroeger, kwam er minder op aan. Maar nu mocht er geen aanstoot

zijn. Cornélie, nederig, beloofde. En Mrs. Uxeley toonde haar albums,

haar eigen portretten van jonge vrouw af, en de portretten van allerlei

mannen. En zij vertelde van dien vriend en dien vriend, en zij liet,

ijdel, iets schemeren van een zeer woelig verleden. Maar zij had zich

altijd correct gehouden.... Dat was haar trots. Zooals Cornélie gedaan

had, was niet goed....

Een verlossing was het uur van elven tot half een. Dan sliep de oude

vrouw geregeld--haar eenige slaap--en dan kwam Urania Cornélie halen.

Zij toerden wat of wandelden op de Promenade of zaten in den Jardin

Public. En het was het eenige oogenblik, dat Cornélie iets van hare

nieuwe luxe waardeerde en dat ze eenigszins hare ijdelheid streelde. De

wandelaars zagen om naar de twee mooie jonge vrouwen in hare keurige

laken toiletten, wier modieus gehoede kopjes zich terugtrokken in de

schemering der parasols en zij bewonderden de glinsterende victoria, de

onberispelijke liverei en de schimmels van de prinses di Forte-Braccio.

Gilio was tegenover Cornélie ingehouden en bescheiden. Hij was beleefd

maar op een hoffelijken afstand, als hij zich een oogenblik voegde

bij de twee dames in den tuin of op Jetée. Zij was na den nacht in de

pergola, na het plotselinge schitteren van zijn driftig mes, bang voor

hem, ook omdat zij veel van haar moed en hare fierheid had verloren.

Maar zij kon hem niet koeler antwoorden dan zij deed, omdat zij hem

dankbaar was, hem, evenals Urania, voor de zorg der eerste dagen,

voor den tact, waarmeê zij haar niet dadelijk aan Mrs. Uxeley hadden

overgelaten, maar haar ten hunnent hadden gehouden tot zij wat kracht

had terug gewonnen.

In die vrije morgens, dat zij zich verlost voelde van die karikatuur

van haar leven, van de oude vrouw--ijdel, egoïst, onbeduidend,

belachelijk--voelde zij zich in de vriendschap van Urania komen tot

zichzelve, werd zij het zich bewust in Nice te zijn, zag zij de

kleurige drukte rondom zich heen met helderder oogen aan en verloor

zij de oneigenlijkheid der eerste dagen. Het was dan of zij voor het

eerst zichzelve weêr zag, in haar licht laken wandelpak, zittende in

den Tuin, hare geschoeide vingers spelende met de kwasten van haar

parasol. Zij kon nog nauwlijks aan zich gelooven, maar zij zag zich.

Diep in zich, ook voor Urania verborgen, borg zij haar verlangen, haar

heimwee: hare benauwende ontevredenheid. Het was soms of zij stikken

zoû. Maar zij hoorde naar Urania, en praatte en lachte meê en zij

zag lachend naar Gilio op, die voor haar stond, te dandineeren op de

punten van zijn schoenen, tusschen de handen, op zijn rug, bengelende

zijn wandelstok. Soms plotseling--vizioen, dwarrelend door de menigte

heen--zag zij Duco, het atelier, haar geluk der verledene dagen

wegwazen, éen kort oogenblik. Dan voelde zij met de tippen der vingers

tusschen de kanten strookjes, die voor in haar bolero fronselden, zijn

brief van dien morgen en kreukelde even de stugge enveloppe aan tegen

haar borst, als iets van hem, dat haar liefkoosde.

En het was niet te ontkennen: zij zag zich, en Nice om zich, zij

voelde-aan haar nieuwe leven: het was geen oneigenlijkheid, al was het

voor haar ziel geen werkelijkheid: het was verdrietige komedie, waarin

zij mat, moê, zwak, lusteloos,--meêspeelde.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 56 / 67 题