Maar het dwingende leven kwam terug, de zwevende handen verschenen
weêr, als een zacht geheimzinnig geweld. Cornélie weende bitter en
bekende het zich, en bekende het Duco: het ging niet langer. Zij hadden
éen oogenblik niet genoeg om de huur van het atelier te betalen en
moesten zich wenden tot Urania. In het atelier waren leêgten gekomen,
kleuren verijld, door het verkoopen van dingen, die Duco met teederheid
en opoffering had verzameld. Maar de engel van Lippo Memmi, dien hij
niet verkoopen wilde, bleef met zijn gebaar van lelie-reiken, in
zijn brokaten goudmantel nog stralen als altijd. Om hem heen gaapten
treurige vakken wand, waren spijkers blootgekomen. Eerst poogden zij
nog anders te schikken, maar de lust hiertoe verging. En als zij zaten
bij elkaâr, in elkanders armen, voelende hun klein geluk, maar ook den
dwang van het met handen duwende leven, sloten zij de oogen, om het
atelier niet te zien, dat scheen te brokkelen rondom hen heen, waar met
de eerste koelere dagen een zonnelooze kilte huiverend neêrviel van
het plafond, dat hooger en verder scheen, en waar de schildersezel,
leêg, wachtte. Zij sloten beiden de oogen, en bleven zoo, zich, trots
de kracht van hun geluk, hunne liefde, voelende langzaam-aan overwinnen
door het leven, dat zoo gestadig dwong en hun iederen dag iets ontnam.
Eens, toen zij zoo zaten, vielen hun armen slap, viel hun omhelzing uit
elkaâr, als trokken handen hen van elkaâr af. Zij bleven lang zitten
staren, naast elkaâr, zonder elkaâr aan te roeren. Toen snikte zij
luid op en wierp zich met haar gezicht op zijn knieën. Er was niets
meer aan te doen: het leven was sterker, het sprakelooze leven, het
zacht-gestadig dwingende leven, dat met zoovele handen rondom hen was.
En het was of hun klein geluk hun ontviel, als een engelachtig kind,
dat gestorven was, en aan hunne omhelzing was ontzonken.
Zij zeide, dat zij Urania zoû schrijven: de Forte-Braccio's waren
te Nice. Hij, mat, stemde toe. En zoodra zij antwoord had, pakte zij
werktuigelijk haar koffer, pakte zij haar oude kleêren in. Want Urania
schreef haar te komen, en dat Mrs. Uxeley haar wilde zien. Mrs. Uxeley
zond haar het reisgeld. Zij was in een radeloozen toestand van telkens
opsnikkende zenuwachtigheid, en zij voelde zich als scheuren van hem
weg, scheuren uit dat home, dat haar lief was, en dat brokkelde om hen
heen, alleen door hàre schuld. Toen zij den aan geteekenden brief met
het reisgeld ontving kreeg zij een zenuwtoeval, klaagde als een kind
tegen hem aan, dat zij niet kon, dat zij niet woû, dat zij niet zonder
hem kon leven, dat zij hem lief had voor eeuwig, voor eeuwig, dat zij
sterven zoû, zoo ver van hem. Zij lag op den divan, haar beenen stijf,
haar armen stijf, en zij schreeuwde met een verwrongen mond als van
lichamelijke pijn. Hij suste haar in zijn armen, bette haar hoofd,
liet haar ether drinken, troostte haar, zei, dat het later alles goed
weêr zoû worden.... Later.... Zij zag hem wezenloos aan. Zij was als
krankzinnig van smart. Zij gooide alles weêr uit haar koffer, door het
vertrek, linnengoed, blouses, en lachte, en lachte.... Hij bezwoer
haar zich te beheerschen. Toen zij zijn ontdaan gezicht zag, toen ook
hij snikte tegen haar aan, pakte zij hem vast tegen zich, zoende hem,
troostte hem op hare beurt En alles viel mat, slap, in haar neêr....
Zij pakten beiden den koffer weêr in. Toen zag zij rond en schikte in
een vlaag van energie het atelier voor hèm, liet haar bed wegnemen,
bevestigde zijn eigen schetsen aan den wand, poogde iets op te bouwen,
van wat rondom hen heen was in-een gebrokkeld, schikte alles anders,
deed haar best. Zij kookte hun laatste maal, zij stookte het vuur
op.... Maar een radelooze dreiging van eenzaamheid en verlatenheid
heerschte al rond. Het ging niet, het ging niet.... Snikkende sliepen
zij in, in elkanders armen, nauw tegen elkaâr aan. Dien volgenden
morgen bracht hij haar naar het station. En toen zij ingestegen was,
in haar coupé, konden zij beiden zich niet beheerschen. Zij omhelsden
elkaâr snikkende, terwijl de conducteur al het portier wilde sluiten.
Zij zag hem wegloopen als een gek, dwars door de drukke menigte
duwende, en zij wierp zich van smart brekende, achterover. Zij was zoo
benauwd, op het punt flauw te vallen, dat eene dame naast haar hielp,
haar gezicht waschte met Eau de Cologne....
Zij dankte, verontschuldigde zich, en ziende de andere reizigers
haar aanstaren met deelneming, beheerschte zij zich, en viel mat
ineen, en tuurde wezenloos door het raam. Zij spoorde door, zij hield
nergens op, alleen stapte zij uit om van trein te verwisselen. Hoewel
hongerig, had zij geen energie aan de stations iets te bestellen. Zij
at niets, zij dronk niets. Zij spoorde een dag, een nacht, en kwam den
volgenden avond laat te Nice. Urania was aan het station en schrikte
omdat Cornélie er grauwbleek uitzag, doodmoê, hol van oogen. En zij
was allerliefst; zij nam Cornélie meê naar huis, verzorgde haar een
paar dagen, deed haar blijven te bed, en ging zelve Mrs. Uxeley zeggen,
dat haar vriendin te ongesteld was om zich aan te melden. Gilio kwam
Cornélie even zijne opwachting maken, en zij kon niet anders dan hem
danken voor die dagen van gastvrijheid en zorg onder zijn dak. En
de jonge prinses was als een zuster, was als een moeder, en kweekte
Cornélie op met melk, met eieren, met versterkende middelen. Zij liet
alles gewillig met zich doen, mat, onverschillig, en zij at, om Urania
lief te zijn. Na enkele dagen, zeide Urania, dat Mrs. Uxeley dien
middag een visite kwam maken, benieuwd hare nieuwe gezelschapsdame te
zien. Mrs. Uxeley was nu alleen, maar zij kon wachten tot Cornélie
hersteld was. Cornélie kleedde zich zoo goed mogelijk aan en wachtte
met Urania de oude dame af. Zij kwam met uitbundigheid binnen, in
een vloed van woorden, en Cornélie kon, in het schemerlicht van
Urania's salon zich niet verwezenlijken, dat zij negentig jaar was.
Urania knipoogde tegen Cornélie, maar deze glimlachte flauw: zij
zag op tegen dit eerste onderhoud. Maar Mrs. Uxeley, zeker omdat
Cornélie de vriendin was van de prinses di Forte-Braccio, was heel
gemakkelijk, heel aardig, zonder neêrbuigendheid tegen haar aanstaande
dame-de-compagnie; vroeg naar Cornélie's gezondheid in een vermoeiende
uitbundigheid van uitroepjes en zinnetjes en raadgevingen. Cornélie,
in het schemerlicht der staande kant-omkapte lampen, nam haar met
den blik op, en zag een vrouw, vijftig, de rimpeltjes zorgvuldig
bijgepoeierd, in een mauve fluweelen toilet met dof goud en pailletten
en kralen gewerkt, op den bruinen geönduleerden chignon een hoed
met witte aigrette. Telkens twinkelden hare juweelen omdat zij heel
bewegelijk was, heel druk. Nu nam zij Cornélie's hand en begon intiem
te praten.... Dus overmorgen zoû Cornélie komen? Goed. Zij was gewoon
honderd dollars in de maand te geven, of vijfhonderd francs, nooit
minder, maar ook nooit meer. Maar zij begreep, dat Cornélie nu iets
noodig had, voor nieuwe toiletten: of zij dan maar aan dit adres
bestellen wilde, wat zij noodig had, voor rekening van Mrs. Uxeley. Een
paar baltoiletten, een paar minder gekleedde avondtoiletten, enfin,
alles. De prinses Urania zoû haar dat wel zeggen, en wel met haar
willen meêgaan. En zij stond op, pogende jong te doen, minaudeerend
met haar face-à-main, maar onderwijl zich steunende met haar parasol,
zich gymnastisch opwerkende aan den stok van haar parasol, met een
plotselingen trek van rheumatische pijn, die allerlei rimpels ontdekte.
Urania geleidde haar tot den corridor, en kwam gierende terug, en ook
Cornélie lachte, heel matjes. Het kon haar alles niets schelen: zij was
meer verbaasd over Mrs. Uxeley, dan dat zij haar komisch vond. Negentig
jaar! Negentig jaar!! Wat een energie, een beter doel waardig, om
elegant te willen blijven: la femme la plus élégante d'Ostende!!
Negentig jaar! Wat moest die vrouw lijden, de uren van haar langdurig
toilet, dat zij zich karikaturizeerde tot dit type. Urania zeide, dat
alles valsch was, haar haren, haar décolletage! En Cornélie voelde
een walging voortaan te moeten leven naast die vrouw, als naast eene
onwaardigheid. In haar geluk van liefde was veel van haar energie
verzwakt, alsof hun twee-geluk--van Duco en van haar--haar ongeschikter
had gemaakt voor verderen levensstrijd en haar verweekt, had in zijn
heerlijkheid, maar het had in haar ziel iets verfijnd en verpuurd en
zij walgde van zooveel schijn voor zoo klein en ijdel een doel. En het
was alleen de noodzakelijkheid zelve--de geleidelijkheid van de dingen
des levens, die dreef en zacht haar met leidenden vinger duwde langs
eene nu eenzaam uitslingerende levenslijn--de noodzakelijkheid, die
haar kracht gaf haar verdriet, haar verlangen, haar heimwee naar alles
wat zij verlaten had, diep te bergen in zichzelve. Zij sprak er maar
niet meer over met Urania. Urania was zoo blij haar te zien, beschouwde
haar als een goede vriendin, in de eenzaamheid van haar groot leven, in
het izolement te midden der aristocratische kennissen. Urania was vol
ijver met haar naar naaisters en winkels te gaan en hielp haar kiezen
haar nieuwen trousseau. Het kon haar niet schelen. Zij, elegante vrouw,
ingeboren elegant, die in haar uiterlijk zich steeds verdedigd had
tegen de armoede, die met een frisch lint een oude blouse gracieus wist
te dragen, in de dagen van haar geluk, zij was totaal onverschillig
over alles wat zij nu kocht voor rekening van Mrs. Uxeley. Het was
haar als was het niet voor haar. Zij liet Urania vragen, kiezen, zij
vond alles goed. Zij paste als een pop. Het hinderde haar zooveel te
moeten uitgeven op rekening van een vreemde. Zij voelde zich gezonken,
vernederd: al haar fiere levenstrots was weg. Zij was bang voor wat men
van haar denken zoû in den kring van Mrs. Uxeley's kennissen, of men
zoû weten van haar vrije ideeën, van haar samenleven met Duco, zij was
bang voor Mrs. Uxeley's opinie. Want Urania had eerlijk moeten zijn en
alles verteld. Alleen door Urania's warme recommandatie was zij door
Mrs. Uxeley nog aangenomen. Zij voelde zich misplaatst, nu zij weêr
meê zoû moeten doen met al die menschen, en zij was bang zich bloot te
zullen geven. Zij zoû comedie moeten spelen, hare ideeën maskeeren,
hare woorden bedenken, en zij was het niet meer gewoon. En alles om
dat geld. Alles omdat zij geen kracht had gehad naast Duco haar eigen
brood te verdienen, en, hem, blij, onafhankelijk, op te wekken in zijn
arbeid, in zijn kunst. O, als zij maar gekund had, gevonden had, wat
zoû zij gelukkig geweest zijn. Als zij maar niet in zich had laten
kankeren de ellendige loomte van haar bloed, van haar opvoeding, haar
brillante salon-educatie-loomte, die haar ongeschikt maakte tot wat
ook! In haar bloed was zij zoowel een vrouw van liefde als een vrouw
van luxe, maar zij was meer liefde dan luxe: zij kon gelukkig zijn met
het hoogst eenvoudige als zij maar kon liefhebben. En nu had het leven
haar weggescheurd van hem, langzaam aan, maar onverbiddelijk. En nu had
zij luxe, afhankelijke luxe, en het voldeed aan haar bloed niet meer,
omdat zij haar ziel niet voldoen kon. Eene rampzalige ontevredenheid
woekerde op in die eenzame ziel. Het eenige geluk, dat zij had, waren
zijn brieven, zijn lange brieven, brieven van verlangen, maar ook
brieven van troost. Hij schreef haar zijn verlangen, maar hij schreef
haar ook moed en hoop in. Hij schreef haar iederen dag. Hij was nu in
Florence, en zocht zijn troost in Uffizie en Pitti. In Rome had hij
niet kunnen blijven, het atelier was nu gesloten. In Florence was hij
iets dichter bij haar. En zijn brieven waren haar als een liefdeboek,
de eenige roman, dien zij las, en het was of zij in zijn stijl zijn
landschappen zag, de zelfde wazigheid van kleur-emotie, het parelen
blanke en de droomwazige lichte verte: de horizon van zijn verlangen,
of zijn oogen steeds uitgingen naar den einder, waar zij in den nacht
van hun scheiden verdwenen was als in paarsgrauwen zonsondergang; een
lucht van de droeve Campagna. In die brieven nog leefden zij samen.
Maar zij kon hem zoo niet schrijven. Hoewel zij hem iederen dag
schreef, schreef zij kort, in andere woorden altijd het zelfde: haar
verlangen, haar matte onverschilligheid. Maar zij schreef haar geluk om
zijn brieven, die waren als haar dagelijksch brood.
Zij was nu bij Mrs. Uxeley en bewoonde in de reusachtige villa
twee lieve kamers, die uitzagen op de zee en op de Promenade des
Anglais. Urania had haar geholpen ze te arrangeeren. En zij leefde
als in een oneigenlijken droom van vreemdheid, van niet bestaan
met haar ziel, van ongeleefd handelen en gebaren; volgens den wil
van andere menschen. Des morgens zocht zij Mrs. Uxeley op in haar
boudoir, en las haar voor Amerikaansche en Fransche couranten, en
soms iets uit een Fransch romannetje. Zij deed nederig haar best.
Mrs. Uxeley vond, dat zij prettig las, maar zei alleen, dat ze wat
vroolijk moest worden, dat haar treurige dagen nu waren voorbij.
Van Duco werd niet gesproken en Mrs. Uxeley deed of zij niets wist.
Het groote boudoir, de balkondeuren open, zag uit op de zee, waarop
de Promenade, de morgenwandeling al begon, kleurig en vlakkerig van
parasols, fijn scheltjes tegen de diepblauwe zee, een zee, van luxe,
water van weelde, golfjes, die als veel geld schenen te kosten, vóór
zij bevalligjes verkozen aan te schuiven. De oude dame, al geverfd,
haar pruik op, een witte kant over die pruik voor den tocht, lag in
de zwarte en witte kanten van haar witten zijden peignoir op de hoop
kussens harer chaise-longue. In hare gerimpelde hand de face-à-main,
waarop haar initialen in diamanten, amuzeerde het haar te turen naar
de schelle vlakjes der parasols buiten. Nu en dan vertrok zij, bij
een rheumatischen scheut, in eens het gezicht tot ééne verkreukeling
van rimpel, waaronder de strakke maquillage bijna brak, als gekrakeld
porcelein. In het daglicht was zij bijna niet meer levend, scheen
zij een automatische, in elkaâr geleede pop van verdorde ledematen,
die mechanisch nog sprak en gebaarde. Zij was 's morgens altijd wat
moê, zij sliep 's nachts nooit; na elven maakte zij een dutje. Zij
leefde volgens een streng régime, en haar dokter, die haar iederen
dag bezocht, scheen haar iederen dag weêr wat te doen opleven, zoodat
zij den avond haalde. 's Middags toerde zij, steeg uit bij de Jetée,
maakte hare visites. Maar 's avonds leefde zij op, met iets van
werkelijk leven, kleedde zich, deed haar juweelen aan, en kreeg hare
uitbundigheid terug, haar uitroepjes, en minauderietjes.... Dan waren
het bals, feesten, de comedie. Dan was zij niet ouder dan vijftig jaar.
Maar dat waren de goede dagen. Soms na een nacht van onduldbare pijnen,
bleef zij in haar slaapkamer, de maquillage van den vorigen dag niet
bijgewerkt, over haar kale hoofd een zwarte kant, in een zwart satijnen
morgenjas, die als een gemakkelijke zak om haar hing, en zij kreunde,
gilde, schreeuwde, en scheen genade te smeeken voor haar marteling. Dit
duurde een paar dagen, en was geregeld iedere drie weken: dan leefde
zij weêr langzaam op.
Haar drukke conversatie bepaalde zich bij een geregeld terugkomende
bespreking en kritiek van allerlei familie-aangelegenheden. Zij
legde Cornélie uit al de familie-betrekkingen van haar kennissen,
Amerikaansche en Europeesche, maar vooral weidde zij uit over de groote
Europeesche families, die zij onder hare kennissen telde. Cornélie kon
er nooit naar hooren, en vergat de relaties weêr dadelijk. Het was
soms ondragelijk vervelend zoo lang aan te moeten hooren, en alleen
daarom, als gedwongen, vond Cornélie kracht zelve wat te praten, een
anecdote te vertellen, een verhaal te doen. Toen zij zag, dat de oude
vrouw erg gevoelig was voor anecdotes, raadsels, woordspelingen,
vooral met ondeugende tint, verzamelde zij er zooveel zij kon uit de
Vie Parisienne, het Journal pour Rire, en had ze altijd bij de hand.
En Mrs. Uxeley vond haar amuzant. Eens, daar zij wel merkte Duco's
dagelijkschen brief, maakte zij eene toespeling, en Cornélie vond
eensklaps uit, dat zij verging van nieuwsgierigheid. Toen vertelde zij
rustig de waarheid: haar huwelijk, hare scheiding, hare vrije ideeën,
hare ontmoeting en haar leven met Duco. De oude vrouw was een beetje
teleurgesteld, omdat Cornélie er zoo eenvoudig over sprak. Zij gaf
alleen den raad zich nu correct te houden. Wat de kennissen praatten
over vroeger, kwam er minder op aan. Maar nu mocht er geen aanstoot
zijn. Cornélie, nederig, beloofde. En Mrs. Uxeley toonde haar albums,
haar eigen portretten van jonge vrouw af, en de portretten van allerlei
mannen. En zij vertelde van dien vriend en dien vriend, en zij liet,
ijdel, iets schemeren van een zeer woelig verleden. Maar zij had zich
altijd correct gehouden.... Dat was haar trots. Zooals Cornélie gedaan
had, was niet goed....
Een verlossing was het uur van elven tot half een. Dan sliep de oude
vrouw geregeld--haar eenige slaap--en dan kwam Urania Cornélie halen.
Zij toerden wat of wandelden op de Promenade of zaten in den Jardin
Public. En het was het eenige oogenblik, dat Cornélie iets van hare
nieuwe luxe waardeerde en dat ze eenigszins hare ijdelheid streelde. De
wandelaars zagen om naar de twee mooie jonge vrouwen in hare keurige
laken toiletten, wier modieus gehoede kopjes zich terugtrokken in de
schemering der parasols en zij bewonderden de glinsterende victoria, de
onberispelijke liverei en de schimmels van de prinses di Forte-Braccio.
Gilio was tegenover Cornélie ingehouden en bescheiden. Hij was beleefd
maar op een hoffelijken afstand, als hij zich een oogenblik voegde
bij de twee dames in den tuin of op Jetée. Zij was na den nacht in de
pergola, na het plotselinge schitteren van zijn driftig mes, bang voor
hem, ook omdat zij veel van haar moed en hare fierheid had verloren.
Maar zij kon hem niet koeler antwoorden dan zij deed, omdat zij hem
dankbaar was, hem, evenals Urania, voor de zorg der eerste dagen,
voor den tact, waarmeê zij haar niet dadelijk aan Mrs. Uxeley hadden
overgelaten, maar haar ten hunnent hadden gehouden tot zij wat kracht
had terug gewonnen.
In die vrije morgens, dat zij zich verlost voelde van die karikatuur
van haar leven, van de oude vrouw--ijdel, egoïst, onbeduidend,
belachelijk--voelde zij zich in de vriendschap van Urania komen tot
zichzelve, werd zij het zich bewust in Nice te zijn, zag zij de
kleurige drukte rondom zich heen met helderder oogen aan en verloor
zij de oneigenlijkheid der eerste dagen. Het was dan of zij voor het
eerst zichzelve weêr zag, in haar licht laken wandelpak, zittende in
den Tuin, hare geschoeide vingers spelende met de kwasten van haar
parasol. Zij kon nog nauwlijks aan zich gelooven, maar zij zag zich.
Diep in zich, ook voor Urania verborgen, borg zij haar verlangen, haar
heimwee: hare benauwende ontevredenheid. Het was soms of zij stikken
zoû. Maar zij hoorde naar Urania, en praatte en lachte meê en zij
zag lachend naar Gilio op, die voor haar stond, te dandineeren op de
punten van zijn schoenen, tusschen de handen, op zijn rug, bengelende
zijn wandelstok. Soms plotseling--vizioen, dwarrelend door de menigte
heen--zag zij Duco, het atelier, haar geluk der verledene dagen
wegwazen, éen kort oogenblik. Dan voelde zij met de tippen der vingers
tusschen de kanten strookjes, die voor in haar bolero fronselden, zijn
brief van dien morgen en kreukelde even de stugge enveloppe aan tegen
haar borst, als iets van hem, dat haar liefkoosde.
En het was niet te ontkennen: zij zag zich, en Nice om zich, zij
voelde-aan haar nieuwe leven: het was geen oneigenlijkheid, al was het
voor haar ziel geen werkelijkheid: het was verdrietige komedie, waarin
zij mat, moê, zwak, lusteloos,--meêspeelde.