XLIII.

Urania schreef zij geregeld, naar Zwitserland, naar Ostende, en Urania

schreef altijd zoo lief terug en bood hare hulp aan. Maar Cornélie

weerde steeds af, bang nu Duco er meê te kwetsen. Zij, voor zich,

voelde grootere gemakkelijkheid, vooral nu het tot haar kwam, dat zij

toch niet werken kon. Maar zij begreep het in Duco en eerbiedigde het.

Voor zich had zij echter aangenomen, nu hare fierheid toch wankelde,

nu hare ideeën in-een stortten, te zwak voor den stadigen druk van het

steenharde leven. Het was als een groote vinger, die even langs huisjes

van kaarten ging: met zorg en trots opgebouwd, viel alles plat neêr

bij de minste beroering. Alleen vast bleef staan hare liefde en haar

geluk, onwankelbaar te midden der ruïne. O, wat had zij hem lief,

hoe eenvoudig waar was hun geluk! Wat was hij haar dierbaar, om zijn

zachtheid, om zijne kalmte, zijn gemis aan drift, of zijne zenuwen

zich alleen maar gespannen hadden tot het fijner voelen van kunst. Zij

voelde zoo heerlijk, dat het onverstoorbaar was, gevonden voor altijd.

Zonder dat geluk hadden zij ook nooit van dag tot dag hun moeilijke

leven kunnen sleepen. Nu voelden zij die zwaarte niet dagelijks, als

trokken zij samen den last, van den eenen dag op den anderen, voort. Nu

voelden zij die zwaarte maar soms, als de volgende dag geheel duister

was en zij niet wisten waar zij hun levenslast sleepten, in het donkere

van die toekomst. Maar zij overwonnen altijd weêr: zij hadden elkaâr te

lief om bij den last in-een te zinken. Zij vonden altijd weêr wat moed:

glimlachend steunden zij elkanders kracht.

Het werd September, Oktober, en Urania schreef, dat zij terugkwamen te

San Stefano en er een paar maanden blijven zouden, voor zij dien winter

naar Nice gingen. En op een morgen, onverwachts, kwam Urania in het

atelier. Zij vond Cornélie alleen: Duco was naar een kunstkooper. Zij

begroetten elkander heel innig.

--Ik ben zoo blij je terug te zien! babbelde Urania vroolijk. Ik ben

blij weêr in Italië te zijn en nog een tijd te San Stefano te blijven.

En hier is alles als het was, in jullie gezellig atelier? Je bent

gelukkig? O, ik behoef het niet te vragen...!

En uitbundig, als een kind, omhelsde zij Cornélie, nooit kracht

vindende af te keuren het al te vrije leven van hare vriendin, en

vooral niet nu, na haar eigen zomer te Ostende... Zij zaten naast

elkaâr op den divan, Cornélie in haar ouden peignoir, dien zij droeg

met hare geheel eigen gratie, en de jonge prinses in haar lichtgrijs

tailorpak, dat zeer nieuwerwetsch plakte om hare vormen, ruischend

van zwaar zijden voering, met haar hoed van zilverpailletten en

zwarte veêren, hare bejuweelde vingers, spelende met een zeer langen

horlogeketting, die zij droeg om den hals: de laatste mode-nieuwigheid.

Cornélie kon bewonderen zonder ijverzucht en zij liet Urania opstaan,

draaien voor haar heen, vond den snit van haar rok mooi; zei, dat

haar hoed haar allerliefst stond en bekeek met aandacht de ketting.

En zij verdiepte zich in die chiffons: Urania beschreef toiletten van

Ostende ... en Urania bewonderde Cornélie's ouden peignoir. Cornélie

lachte. Na Ostende vooral, niet waar? lachte zij vroolijk. Maar

Urania, ernstig, meende het: Cornélie droeg dat met een chic! En van

topic veranderend, zeide zij, dat zij heel ernstig spreken wilde. Dat

zij misschien iets voor Cornélie wist, nu deze nooit haar--Urania's

--hulp wilde aannemen. In Ostende had zij kennis gemaakt met een

oude Amerikaansche dame, Mrs. Uxeley, een type. Zij was negentig

jaar en woonde 's winters in Nice. Zij was schat- en schatrijk:

een petroleum-koninginne-vermogen. Zij was negentig, maar deed nog

steeds of zij vijf-en-veertig was. Zij ging uit, kwam in de wereld,

coquetteerde. Men lachte haar uit, maar men accepteerde haar, om haar

geld en haar prachtige feesten. In Nice kwam de geheele cosmopolitische

kolonie ten harent. Urania haalde een casino-blaadje van Ostende te

voorschijn en las voor een journalistisch mededeelinkje over een bal

in Ostende, waarin Mrs. Uxeley genoemd werd: la femme la plus élégante

d'Ostende. De journalist had daar item zooveel voor gekregen, de

geheele wereld lachte er om en amuzeerde zich. Mrs. Uxeley was een

karikatuur, maar met genoeg tact om als ernst aangenomen te worden.

Nu, en Mrs. Uxeley zocht iemand. Zij had altijd bij zich een dame,

een jong meisje, een jonge vrouw, als gezelschap, en tallooze dames

hadden elkaâr al bij haar afgewisseld. Zij had nichten bij zich gehad,

verre nichten, heel verre nichten en geheel vreemden. Zij was lastig,

capricieus, onmogelijk: het was algemeen bekend. Wilde Cornélie het

eens probeeren? Urania had er al met Mrs. Uxeley over gesproken en hare

vriendin gerecommandeerd. Cornélie vond het niet erg aanlokkelijk.

Maar er was over te denken. Mrs. Uxeley's gezelschapsdame bleef tot

November, tot "the old thing" over Parijs naar Nice terugging. En in

Nice zouden zij elkaâr veel zien, Cornélie en Urania. Maar Cornélie

vond het vreeslijk Duco te verlaten. Zij dacht, dat het nooit gaan zoû

Zij hielden zoo van elkaâr, zij waren zoo aan elkaâr gewend. Finantieel

zoû het alles heel goed zijn--een gemakkelijk leven, dat haar toelachte

na dien knak harer moreele fierheid--maar zij kon er niet aan denken

Duco te verlaten. En wat zoû Duco in Nice doen! Neen, zij kon, zij

kon niet: zij bleef bij hem.... Zij voelde een onwil te gaan, als

een hand, die haar tegenhield. Zij zei Urania de oude dame maar af

te schrijven, iemand anders te zoeken. Zij kon niet. Wat had zij aan

zulk een leven--afhankelijk, maar finantieel onafhankelijk--zonder

Duco! En toen Urania weg was--zij ging door naar San Stefano--was

Cornélie blij, dadelijk geweigerd te hebben dit domme gemakkelijke

afhankelijke leven van dame-de-compagnie bij een oude rijke toot. Zij

zag rond in het atelier. Zij had het lief met zijne mooie kleuren, zijn

edele oude dingen, en achter dat gordijn haar bed, achter dat schutsel

haar petroleumstel, als een keukentje. Het was, in zijn bohême van

kostbare bibelots en zeer primitief comfort, haar onmisbaar geworden,

haar home. En toen Duco thuis kwam, en zij hem omhelsde, vertelde zij

hem van Urania en Mrs. Uxeley, blij te kunnen nestelen tegen hem aan.

Hij had een paar aquarellen verkocht. Er was totaal geen reden hem te

verlaten. Hij wilde het ook niet, hij zoû het nooit willen. En zij

hielden elkaâr vast omhelsd, als voelden zij iets, dat hen zoû kunnen

scheiden, een onafwendbare noodzakelijkheid, of handen zweefden rondom

hen heen, hen duwende, hen leidende, hen tegenhoudende en verdedigende,

een strijd van handen, als een wolk om hen beiden; handen, die met

geweld zochten te splitsen hun glinstere levenslijn, hun samengesmolten

levenslijn, als was die te smal voor hunne beider voeten, en de handen

ze wringen zouden uiteen, om in twee spiralen de groote lijn uiteen

te laten slingeren. Zij zeiden niets: in elkanders armen zagen zij het

leven aan, huiverden zij voor de handen, voelden zij het naderen van

den dwang, die al dichter wolkte om hen heen. Maar zij voelden zich

warm tegen elkaâr: nauw in hunne omhelzing sloten zij hun klein geluk,

verborgen zij het tusschen henbeiden in, opdat de handen het niet

zouden aanwijzen, beroeren, duwen....

En onder hun vasten staarblik deinsde het leven zachtjes terug, loste

de wolk op, verijlden, verdwenen de handen, en eene verlichting zuchtte

op uit hunne borsten, terwijl zij stil liggen bleef tegen hem aan, en

de oogen sloot, als om te slapen....

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 55 / 67 题