Urania schreef zij geregeld, naar Zwitserland, naar Ostende, en Urania
schreef altijd zoo lief terug en bood hare hulp aan. Maar Cornélie
weerde steeds af, bang nu Duco er meê te kwetsen. Zij, voor zich,
voelde grootere gemakkelijkheid, vooral nu het tot haar kwam, dat zij
toch niet werken kon. Maar zij begreep het in Duco en eerbiedigde het.
Voor zich had zij echter aangenomen, nu hare fierheid toch wankelde,
nu hare ideeën in-een stortten, te zwak voor den stadigen druk van het
steenharde leven. Het was als een groote vinger, die even langs huisjes
van kaarten ging: met zorg en trots opgebouwd, viel alles plat neêr
bij de minste beroering. Alleen vast bleef staan hare liefde en haar
geluk, onwankelbaar te midden der ruïne. O, wat had zij hem lief,
hoe eenvoudig waar was hun geluk! Wat was hij haar dierbaar, om zijn
zachtheid, om zijne kalmte, zijn gemis aan drift, of zijne zenuwen
zich alleen maar gespannen hadden tot het fijner voelen van kunst. Zij
voelde zoo heerlijk, dat het onverstoorbaar was, gevonden voor altijd.
Zonder dat geluk hadden zij ook nooit van dag tot dag hun moeilijke
leven kunnen sleepen. Nu voelden zij die zwaarte niet dagelijks, als
trokken zij samen den last, van den eenen dag op den anderen, voort. Nu
voelden zij die zwaarte maar soms, als de volgende dag geheel duister
was en zij niet wisten waar zij hun levenslast sleepten, in het donkere
van die toekomst. Maar zij overwonnen altijd weêr: zij hadden elkaâr te
lief om bij den last in-een te zinken. Zij vonden altijd weêr wat moed:
glimlachend steunden zij elkanders kracht.
Het werd September, Oktober, en Urania schreef, dat zij terugkwamen te
San Stefano en er een paar maanden blijven zouden, voor zij dien winter
naar Nice gingen. En op een morgen, onverwachts, kwam Urania in het
atelier. Zij vond Cornélie alleen: Duco was naar een kunstkooper. Zij
begroetten elkander heel innig.
--Ik ben zoo blij je terug te zien! babbelde Urania vroolijk. Ik ben
blij weêr in Italië te zijn en nog een tijd te San Stefano te blijven.
En hier is alles als het was, in jullie gezellig atelier? Je bent
gelukkig? O, ik behoef het niet te vragen...!
En uitbundig, als een kind, omhelsde zij Cornélie, nooit kracht
vindende af te keuren het al te vrije leven van hare vriendin, en
vooral niet nu, na haar eigen zomer te Ostende... Zij zaten naast
elkaâr op den divan, Cornélie in haar ouden peignoir, dien zij droeg
met hare geheel eigen gratie, en de jonge prinses in haar lichtgrijs
tailorpak, dat zeer nieuwerwetsch plakte om hare vormen, ruischend
van zwaar zijden voering, met haar hoed van zilverpailletten en
zwarte veêren, hare bejuweelde vingers, spelende met een zeer langen
horlogeketting, die zij droeg om den hals: de laatste mode-nieuwigheid.
Cornélie kon bewonderen zonder ijverzucht en zij liet Urania opstaan,
draaien voor haar heen, vond den snit van haar rok mooi; zei, dat
haar hoed haar allerliefst stond en bekeek met aandacht de ketting.
En zij verdiepte zich in die chiffons: Urania beschreef toiletten van
Ostende ... en Urania bewonderde Cornélie's ouden peignoir. Cornélie
lachte. Na Ostende vooral, niet waar? lachte zij vroolijk. Maar
Urania, ernstig, meende het: Cornélie droeg dat met een chic! En van
topic veranderend, zeide zij, dat zij heel ernstig spreken wilde. Dat
zij misschien iets voor Cornélie wist, nu deze nooit haar--Urania's
--hulp wilde aannemen. In Ostende had zij kennis gemaakt met een
oude Amerikaansche dame, Mrs. Uxeley, een type. Zij was negentig
jaar en woonde 's winters in Nice. Zij was schat- en schatrijk:
een petroleum-koninginne-vermogen. Zij was negentig, maar deed nog
steeds of zij vijf-en-veertig was. Zij ging uit, kwam in de wereld,
coquetteerde. Men lachte haar uit, maar men accepteerde haar, om haar
geld en haar prachtige feesten. In Nice kwam de geheele cosmopolitische
kolonie ten harent. Urania haalde een casino-blaadje van Ostende te
voorschijn en las voor een journalistisch mededeelinkje over een bal
in Ostende, waarin Mrs. Uxeley genoemd werd: la femme la plus élégante
d'Ostende. De journalist had daar item zooveel voor gekregen, de
geheele wereld lachte er om en amuzeerde zich. Mrs. Uxeley was een
karikatuur, maar met genoeg tact om als ernst aangenomen te worden.
Nu, en Mrs. Uxeley zocht iemand. Zij had altijd bij zich een dame,
een jong meisje, een jonge vrouw, als gezelschap, en tallooze dames
hadden elkaâr al bij haar afgewisseld. Zij had nichten bij zich gehad,
verre nichten, heel verre nichten en geheel vreemden. Zij was lastig,
capricieus, onmogelijk: het was algemeen bekend. Wilde Cornélie het
eens probeeren? Urania had er al met Mrs. Uxeley over gesproken en hare
vriendin gerecommandeerd. Cornélie vond het niet erg aanlokkelijk.
Maar er was over te denken. Mrs. Uxeley's gezelschapsdame bleef tot
November, tot "the old thing" over Parijs naar Nice terugging. En in
Nice zouden zij elkaâr veel zien, Cornélie en Urania. Maar Cornélie
vond het vreeslijk Duco te verlaten. Zij dacht, dat het nooit gaan zoû
Zij hielden zoo van elkaâr, zij waren zoo aan elkaâr gewend. Finantieel
zoû het alles heel goed zijn--een gemakkelijk leven, dat haar toelachte
na dien knak harer moreele fierheid--maar zij kon er niet aan denken
Duco te verlaten. En wat zoû Duco in Nice doen! Neen, zij kon, zij
kon niet: zij bleef bij hem.... Zij voelde een onwil te gaan, als
een hand, die haar tegenhield. Zij zei Urania de oude dame maar af
te schrijven, iemand anders te zoeken. Zij kon niet. Wat had zij aan
zulk een leven--afhankelijk, maar finantieel onafhankelijk--zonder
Duco! En toen Urania weg was--zij ging door naar San Stefano--was
Cornélie blij, dadelijk geweigerd te hebben dit domme gemakkelijke
afhankelijke leven van dame-de-compagnie bij een oude rijke toot. Zij
zag rond in het atelier. Zij had het lief met zijne mooie kleuren, zijn
edele oude dingen, en achter dat gordijn haar bed, achter dat schutsel
haar petroleumstel, als een keukentje. Het was, in zijn bohême van
kostbare bibelots en zeer primitief comfort, haar onmisbaar geworden,
haar home. En toen Duco thuis kwam, en zij hem omhelsde, vertelde zij
hem van Urania en Mrs. Uxeley, blij te kunnen nestelen tegen hem aan.
Hij had een paar aquarellen verkocht. Er was totaal geen reden hem te
verlaten. Hij wilde het ook niet, hij zoû het nooit willen. En zij
hielden elkaâr vast omhelsd, als voelden zij iets, dat hen zoû kunnen
scheiden, een onafwendbare noodzakelijkheid, of handen zweefden rondom
hen heen, hen duwende, hen leidende, hen tegenhoudende en verdedigende,
een strijd van handen, als een wolk om hen beiden; handen, die met
geweld zochten te splitsen hun glinstere levenslijn, hun samengesmolten
levenslijn, als was die te smal voor hunne beider voeten, en de handen
ze wringen zouden uiteen, om in twee spiralen de groote lijn uiteen
te laten slingeren. Zij zeiden niets: in elkanders armen zagen zij het
leven aan, huiverden zij voor de handen, voelden zij het naderen van
den dwang, die al dichter wolkte om hen heen. Maar zij voelden zich
warm tegen elkaâr: nauw in hunne omhelzing sloten zij hun klein geluk,
verborgen zij het tusschen henbeiden in, opdat de handen het niet
zouden aanwijzen, beroeren, duwen....
En onder hun vasten staarblik deinsde het leven zachtjes terug, loste
de wolk op, verijlden, verdwenen de handen, en eene verlichting zuchtte
op uit hunne borsten, terwijl zij stil liggen bleef tegen hem aan, en
de oogen sloot, als om te slapen....