XLII.

Zij waren heel zuinig, zij hadden eenig geld en de maanden droomden

voorbij, in den blakenden zomer van Rome. Zij leefden hun vereenzaamd

geluksleven voort, zonder iemand anders te zien dan Urania, die een

enkelen keer in Rome kwam, hen opzocht, bij hen déjeuneerde in het

atelier en 's avonds weêr vertrok. Toen schreef Urania hen, dat Gilio

het niet meer uithield te San Stefano, en dat zij op reis gingen, eerst

naar Zwitserland, later naar Ostende. Zij kwam nog eenmaal om afscheid

te nemen, en toen zagen zij niemand meer.

Vroeger had Duco nog wel eens gekend een enkelen artist, een

schilder-landgenoot in Rome: nu kende hij niemand meer, nu zag hij

niemand. En hun leven in het koele atelier was als een eenzaam

oaze-bestaan te midden van de zonwoestijn van Rome, in Augustus.

Zij gingen niet de bergen in, naar een koelere plaats, voor de

zuinigheid. Zij gaven niet meer uit dan het allerhoogst noodzakelijke

en hunne bohême-armoede was toch geluk in hun decor van tryptiek- en

kazuifelkleuren.

Het geld echter bleef schaarsch. Duce verkocht eens een enkele aquarel,

maar soms moesten zij wel eens hun toevlucht nemen tot het verkoopen

van een bibelot. En het ging Duco altijd zeer aan het hart te scheiden

van iets, dat hij verzameld had. Zij hadden weinig behoeften, maar soms

moest de huur van het atelier worden betaald. Cornélie schreef soms

een brief, een schets, en kocht ervan wat zij noodig had voor haar

toilet. Zij had een zekeren chic van dragen, een talent er elegant

uit te zien in een oude versleten blouse. Zij was coquet op haar

haar, op haar huid, op haar tanden, op haar nagels. Met een nieuwe

voile droeg zij een ouden hoed; met een oude wandeljapon, een paar

frissche handschoenen, en zij droeg alles met coquetterie. Thuis, in

haar rozen peignoir, die geen kleur meer had, had zij een lijn van zoo

groote bevalligheid, dat Duco haar telkens schetste. Zij gingen bijna

nooit meer naar een restauratie. Cornélie kookte thuis wat, verzon

gemakkelijke recepten, haalde een fiasco wijn in de eerste de beste

"Olio e vino" waar de koetsiers aan tafeltjes zaten te drinken, en zij

aten thuis lekkerder en goedkooper dan in de osteria. En Duco, nu hij

niet meer kocht bij de antiquaires aan den Tiber, gaf niets uit. Maar

het geld bleef schaarsch. Toen zij eens een zilveren crucifix hadden

verkocht, voor veel te weinig geld, was Cornélie zoo ontmoedigd, dat

zij snikte aan Duco's borst. Hij troostte haar, streelde heur haar en

verklaarde, dat hij niet veel om het crucifix gaf. Maar zij wist, dat

het crucifix een heel mooi werk was van een onbekende uit de zestiende

eeuw, en dat hij er veel leed van had het niet meer te bezitten. En

ernstig zeide zij hem, dat het zoo niet langer kon gaan, dat zij hem,

niet tot lastpost kon wezen, en dat zij maar scheiden moesten: dat

zij iets zoeken zoû, naar Holland terug zoû gaan.... Hij schrikte

van haar wanhoop, en zei, dat het niet hoefde, dat hij wel voor haar

zorgen kon, als voor zijn vrouw, maar dat hij nu eenmaal zoo een

onpractische jongen was, die niets anders kon dan een beetje kladderen,

en niet eens genoeg om er van te leven. Maar zij zeide, dat hij zoo

niet spreken mocht, dat hij een groot artist was, die niet had een

geldmakende, gemakkelijke vruchtbaarheid, maar daarom des te hooger

stond. Zij zeide, dat zij niet van zijn geld wilde leven, dat zij voor

zichzelve wilde zorgen. En zij verzamelde de verwaaide resten van hare

feministische ideeën. Nog eens vroeg hij haar toe te staan in een

huwelijk: zij zouden zich verzoenen met zijn moeder en mevrouw Van der

Staal zoû hem weêr geven wat zij hem vroeger gaf, toen hij nog met zijn

moeder bij Belloni woonde. Maar zij wilde ten eerste van geen huwelijk

weten en ten tweede van geen onderstand van zijn moeder, evenmin als

hij geld van Urania wilde. Hoe dikwijls had Urania hun niet haar hulp

geboden! Hij had nooit gewild: hij was zelfs boos geweest, toen Urania

een blouse aan Cornélie had gegeven, en zij die met een zoen had

aangenomen. Neen, het ging niet langer: zij moesten maar scheiden: zij

zoû naar Holland terug, iets zoeken. Het was gemakkelijker in Holland

dan in den vreemde.... Maar hij was zoo wanhopig, om hun geluk, dat

wankelde voor zijn oogen, dat hij haar vasthield aan zijn borst, en

ook zij snikte, de armen om zijn hals. Waarom scheiden? vroeg hij. Zij

zouden sterker te zamen zijn. Hij kon niet meer buiten haar, zijn leven

zoû zonder haar geen leven zijn. Hij leefde vroeger in zijn droom, hij

leefde nu in de werkelijkheid van hun geluk.

En het bleef er bij: zij _konden_ niets veranderen, zij leefden zoo

gierig mogelijk, om bij elkaâr te blijven. Hij werkte zijn landschappen

af, die hij altijd verkocht, maar hij verkocht ze dadelijk, voor veel

te weinig geld, om maar niet behoeven te wachten. Maar toen dreigde

weêr het gebrek en zij dacht er over naar Holland te schrijven. Juist

echter ontving zij een brief van hare moeder, daarna een brief van eene

harer zusters. En zij vroegen haar in die brieven of het waar was, wat

men vertelde in Den Haag, dat zij leefde met Van der Staal. Zij had

zich altijd zoover beschouwd van Den Haag en de Haagsche menschen, dat

zij er nooit over had gedacht, dat haar leven bekend kon worden. Zij

sprak zoo niemand, zij kende zoo niemand met Hollandsche relaties....

Hoe dan ook, hare onafhankelijkheid was nu bekend. En zij beantwoordde

die brieven in een feministischen toon: zeide hare antipathie tegen

het huwelijk, bekende, dat zij leefde met Van der Staal. Zij schreef

koel en zakelijk, om in Den Haag indruk te maken als vrije vrouw.

Men kende er natuurlijk hare brochure. Maar zij begreep, dat zij nu

aan Holland niet meer kon denken. Ze schreef hare familie af. Het

scheurde toch nog iets in haar, het onbewuste van familieband. Maar de

band was reeds zoo los, door te weinig sympathie, vooral in de dagen

van haar scheiding. En zij voelde zich geheel alleen: zij had alleen

haar geluk, hare liefde, Duco. O, het was genoeg, het was genoeg voor

heel haar leven. Als zij alleen maar geld verdienen kon! Maar hoe? Zij

ging naar den Hollandschen consul: zij vroeg hem raad: het gaf niets.

Voor liefdezuster was zij ongeschikt: zij wilde dadelijk verdienen en

studeeren kon zij niet. In een winkel staan, dat kon zij. En zij bood

zich aan, zonder Duco er iets van te zeggen, maar niettegenstaande haar

versleten manteltje, vond men haar overal te veel dame, en vond zij het

salaris te weinig voor een heelen dag arbeid. En toen zij voelde, dat

zij het niet in haar bloed had te werken voor haar brood, trots al hare

ideeën, al hare logiek, trots hare brochure en haar vrije-vrouwschap,

voelde zij zich radeloos tot wanhoop toe, en terwijl zij naar huis

ging, moê, afgebeuld door trappenklimmen en nuttelooze gesprekken van

sollicitatie, kwam de oude klacht op hare lippen:

--O God, zèg mij, wat ik doen moet...!!

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 54 / 67 题