Zij waren heel zuinig, zij hadden eenig geld en de maanden droomden
voorbij, in den blakenden zomer van Rome. Zij leefden hun vereenzaamd
geluksleven voort, zonder iemand anders te zien dan Urania, die een
enkelen keer in Rome kwam, hen opzocht, bij hen déjeuneerde in het
atelier en 's avonds weêr vertrok. Toen schreef Urania hen, dat Gilio
het niet meer uithield te San Stefano, en dat zij op reis gingen, eerst
naar Zwitserland, later naar Ostende. Zij kwam nog eenmaal om afscheid
te nemen, en toen zagen zij niemand meer.
Vroeger had Duco nog wel eens gekend een enkelen artist, een
schilder-landgenoot in Rome: nu kende hij niemand meer, nu zag hij
niemand. En hun leven in het koele atelier was als een eenzaam
oaze-bestaan te midden van de zonwoestijn van Rome, in Augustus.
Zij gingen niet de bergen in, naar een koelere plaats, voor de
zuinigheid. Zij gaven niet meer uit dan het allerhoogst noodzakelijke
en hunne bohême-armoede was toch geluk in hun decor van tryptiek- en
kazuifelkleuren.
Het geld echter bleef schaarsch. Duce verkocht eens een enkele aquarel,
maar soms moesten zij wel eens hun toevlucht nemen tot het verkoopen
van een bibelot. En het ging Duco altijd zeer aan het hart te scheiden
van iets, dat hij verzameld had. Zij hadden weinig behoeften, maar soms
moest de huur van het atelier worden betaald. Cornélie schreef soms
een brief, een schets, en kocht ervan wat zij noodig had voor haar
toilet. Zij had een zekeren chic van dragen, een talent er elegant
uit te zien in een oude versleten blouse. Zij was coquet op haar
haar, op haar huid, op haar tanden, op haar nagels. Met een nieuwe
voile droeg zij een ouden hoed; met een oude wandeljapon, een paar
frissche handschoenen, en zij droeg alles met coquetterie. Thuis, in
haar rozen peignoir, die geen kleur meer had, had zij een lijn van zoo
groote bevalligheid, dat Duco haar telkens schetste. Zij gingen bijna
nooit meer naar een restauratie. Cornélie kookte thuis wat, verzon
gemakkelijke recepten, haalde een fiasco wijn in de eerste de beste
"Olio e vino" waar de koetsiers aan tafeltjes zaten te drinken, en zij
aten thuis lekkerder en goedkooper dan in de osteria. En Duco, nu hij
niet meer kocht bij de antiquaires aan den Tiber, gaf niets uit. Maar
het geld bleef schaarsch. Toen zij eens een zilveren crucifix hadden
verkocht, voor veel te weinig geld, was Cornélie zoo ontmoedigd, dat
zij snikte aan Duco's borst. Hij troostte haar, streelde heur haar en
verklaarde, dat hij niet veel om het crucifix gaf. Maar zij wist, dat
het crucifix een heel mooi werk was van een onbekende uit de zestiende
eeuw, en dat hij er veel leed van had het niet meer te bezitten. En
ernstig zeide zij hem, dat het zoo niet langer kon gaan, dat zij hem,
niet tot lastpost kon wezen, en dat zij maar scheiden moesten: dat
zij iets zoeken zoû, naar Holland terug zoû gaan.... Hij schrikte
van haar wanhoop, en zei, dat het niet hoefde, dat hij wel voor haar
zorgen kon, als voor zijn vrouw, maar dat hij nu eenmaal zoo een
onpractische jongen was, die niets anders kon dan een beetje kladderen,
en niet eens genoeg om er van te leven. Maar zij zeide, dat hij zoo
niet spreken mocht, dat hij een groot artist was, die niet had een
geldmakende, gemakkelijke vruchtbaarheid, maar daarom des te hooger
stond. Zij zeide, dat zij niet van zijn geld wilde leven, dat zij voor
zichzelve wilde zorgen. En zij verzamelde de verwaaide resten van hare
feministische ideeën. Nog eens vroeg hij haar toe te staan in een
huwelijk: zij zouden zich verzoenen met zijn moeder en mevrouw Van der
Staal zoû hem weêr geven wat zij hem vroeger gaf, toen hij nog met zijn
moeder bij Belloni woonde. Maar zij wilde ten eerste van geen huwelijk
weten en ten tweede van geen onderstand van zijn moeder, evenmin als
hij geld van Urania wilde. Hoe dikwijls had Urania hun niet haar hulp
geboden! Hij had nooit gewild: hij was zelfs boos geweest, toen Urania
een blouse aan Cornélie had gegeven, en zij die met een zoen had
aangenomen. Neen, het ging niet langer: zij moesten maar scheiden: zij
zoû naar Holland terug, iets zoeken. Het was gemakkelijker in Holland
dan in den vreemde.... Maar hij was zoo wanhopig, om hun geluk, dat
wankelde voor zijn oogen, dat hij haar vasthield aan zijn borst, en
ook zij snikte, de armen om zijn hals. Waarom scheiden? vroeg hij. Zij
zouden sterker te zamen zijn. Hij kon niet meer buiten haar, zijn leven
zoû zonder haar geen leven zijn. Hij leefde vroeger in zijn droom, hij
leefde nu in de werkelijkheid van hun geluk.
En het bleef er bij: zij _konden_ niets veranderen, zij leefden zoo
gierig mogelijk, om bij elkaâr te blijven. Hij werkte zijn landschappen
af, die hij altijd verkocht, maar hij verkocht ze dadelijk, voor veel
te weinig geld, om maar niet behoeven te wachten. Maar toen dreigde
weêr het gebrek en zij dacht er over naar Holland te schrijven. Juist
echter ontving zij een brief van hare moeder, daarna een brief van eene
harer zusters. En zij vroegen haar in die brieven of het waar was, wat
men vertelde in Den Haag, dat zij leefde met Van der Staal. Zij had
zich altijd zoover beschouwd van Den Haag en de Haagsche menschen, dat
zij er nooit over had gedacht, dat haar leven bekend kon worden. Zij
sprak zoo niemand, zij kende zoo niemand met Hollandsche relaties....
Hoe dan ook, hare onafhankelijkheid was nu bekend. En zij beantwoordde
die brieven in een feministischen toon: zeide hare antipathie tegen
het huwelijk, bekende, dat zij leefde met Van der Staal. Zij schreef
koel en zakelijk, om in Den Haag indruk te maken als vrije vrouw.
Men kende er natuurlijk hare brochure. Maar zij begreep, dat zij nu
aan Holland niet meer kon denken. Ze schreef hare familie af. Het
scheurde toch nog iets in haar, het onbewuste van familieband. Maar de
band was reeds zoo los, door te weinig sympathie, vooral in de dagen
van haar scheiding. En zij voelde zich geheel alleen: zij had alleen
haar geluk, hare liefde, Duco. O, het was genoeg, het was genoeg voor
heel haar leven. Als zij alleen maar geld verdienen kon! Maar hoe? Zij
ging naar den Hollandschen consul: zij vroeg hem raad: het gaf niets.
Voor liefdezuster was zij ongeschikt: zij wilde dadelijk verdienen en
studeeren kon zij niet. In een winkel staan, dat kon zij. En zij bood
zich aan, zonder Duco er iets van te zeggen, maar niettegenstaande haar
versleten manteltje, vond men haar overal te veel dame, en vond zij het
salaris te weinig voor een heelen dag arbeid. En toen zij voelde, dat
zij het niet in haar bloed had te werken voor haar brood, trots al hare
ideeën, al hare logiek, trots hare brochure en haar vrije-vrouwschap,
voelde zij zich radeloos tot wanhoop toe, en terwijl zij naar huis
ging, moê, afgebeuld door trappenklimmen en nuttelooze gesprekken van
sollicitatie, kwam de oude klacht op hare lippen:
--O God, zèg mij, wat ik doen moet...!!