In den trein, in den brandenden morgen, waren zij stil, en zij vonden
Rome als barstende uit zijne huizen, van zonnebrand. In het atelier was
het echter koel, eenzaam en rustig.
--Cornélie, zeide Duco. Vertel mij wat er gebeurd is tusschen jou en
den prins. Waarom heb je hem geslagen?
Zij trok hem op den divan, wierp zich aan zijn hals en vertelde de
scène van de camera dei sposi. Zij vertelde hem van de duizend lire en
van den armband. Zij verklaarde hem, dat zij hierover gezwegen had, om
hem niet over geldzorgen te spreken, terwijl hij zijn aquarel voor de
tentoonstelling in Londen voltooide.
--Duco, ging zij voort. Ik ben gisteren zoo geschrikt, toen ik Gilio
dat mes zag trekken. Ik voelde mij flauw vallen, maar ik heb het niet
gedaan. Ik had hem nog nooit zoo gezien, zoo hevig, zoo tot alles in
staat.... Ik voelde toen pas, hoeveel ik van je hield.... Ik had hem
vermoord, als hij je verwond had....
--Je hadt niet met hem moeten spelen, zeide hij streng. Hij heeft je
lief ...
Maar ondanks zijn strengen toon, trok hij haar vaster naar zich toe.
Zij legde met iets als schuldbewustzijn haar hoofd vleiend tegen hem
aan.
--Hij is alleen wat verliefd ... verdedigde zij zich, zwakjes.
--Hij is heel gepassionneerd verliefd ... Je hadt niet met hem mogen
spelen....
Zij antwoordde niet meer, hem met de hand vleiende zijn gezicht. Zij
vond hem heel lief, dat hij haar zoo berispte: zij hield van dien
strengen, ernstigen toon, dien hij bijna nooit tegen haar aannam. Zij
wist, dat zij die behoefte tot flirt in zich had, gehad had van heel
jong meisje: zij telde het niet, het was onschuldig amuzement. Zij
was het niet met Duco eens, maar zij vond het onnoodig er over door
te gaan: het was als het was, zij dacht er niet over, zij streed er
niet tegen: het was als een verschil van opinie, bijna van smaak, dat
niet telde. Zij lag te gemakkelijk tegen hem aan, na de agitatie van
gisteren avond, na een slapeloozen nacht, na een overhaast vertrek,
na drie uur sporens in de brandende warmte, om er veel tegen in te
praten. Zij vond de stille koelte van het atelier lief, de eenzaamheid
met hen beiden, na de drie weken op San Stefano. Er was hier een rust,
een komen tot zichzelve, die zalig was. Het hooge raam was opgetrokken
en de warme lucht vloot weldadig in en temperde zich in de natuurlijke
kilte van het noordelijke vertrek. Duco's ezel, leêg, stond in
afwachting. Het was er hun thuis, tusschen al die kleur en vorm van
kunst rondom haar heen. Zij begreep nu die kleur en vorm: zij leerde
Rome. Zij leerde dat alles in den droom van haar geluk. Zij dacht
weinig over de Vrouwenkwestie en de kritieken over haar brochure keek
zij nauwlijks in en interesseerden haar weinig. Zij vond den engel van
Lippo mooi, en zij vond mooi het tryptiekblad van Gentile da Fabriano
en de flonkerkleuren der oude kazuifels. Het was wel heel weinig na de
schatten van San Stefano, maar het was het hunne en hun home. Zij sprak
niet meer, zij voelde zich tevreden, zij rustte uit aan Duco's borst,
en hare vingers streelden zijn gezicht.
--De Banieren zijn zoo goed als verkocht, zeide hij: voor negentig
pond. Ik zal van middag telegrafeeren naar Londen ... En dan kunnen we
gauw den prins die duizend lire teruggeven.
--Het is het geld van Urania, zeide zij zwakjes.
--Maar ik wil die schuld niet langer hebben ...
Zij voelde, dat hij een beetje boos was, maar zij was in geen stemming
om over geldzaken te praten, en een zalige loomte doorvloeide haar aan
zijn borst....
Ben je boos, Duco?
--Neen ... maar je hadt het niet moeten doen....
Hij nam haar vaster tegen zich aan, om haar te laten voelen, dat
hij niet op haar brommen wilde, al vond hij, dat zij verkeerd had
gehandeld. Zij vond, dat zij goed had gehandeld om hem niet te spreken
over de duizend lire, maar zij verdedigde zich niet. Het zouden
nuttelooze woorden zijn en zij voelde zich te tevreden, om over geld te
praten.
--Cornélie, zeide hij; laten wij trouwen....
Zij zag hem aan, verschrikt, opgeschrikt uit hare zaligheid.
--Waarom?
--Niet om onszelven. Wij zijn even gelukkig, niet getrouwd. Maar om de
wereld, de menschen.
--Om de wereld, de menschen?
--Ja; wij zullen ons hoe langer hoe meer geizoleerd gaan voelen. Ik heb
er wel eens met Urania over gesproken. Zij had er veel verdriet over,
maar zij tolereerde ons.... Zij vond het een onmogelijke verhouding.
Zij heeft misschien gelijk. Wij kunnen nergens komen. Op San Stefano
deed men nog of men niet wist, dat wij samen woonden. Dat is nu uit....
--Wat kan je schelen de opinie van "kleine onverschillige menschen, die
bij toeval je pad kruisen", zooals je zegt....
--Dat is nu niet meer zoo: aan den prins zijn wij geld schuldig en
Urania is de eenige vriendin, die je hebt....
--Ik heb jou: ik heb niemand noodig.
Hij kuste haar.
--Heusch, Cornélie, het is beter, dat wij trouwen. Dan zal niemand je
meer beleedigen kunnen als de prins je heeft durven doen.
--Hij heeft bekrompen ideeën: hoe kan je willen trouwen om wereld en
menschen als San Stefano en den prins.
--De geheele wereld is zoo en wij zijn in de wereld. Wij leven te
midden van andere menschen. Het is onmogelijk zich geheel te izoleeren
en izolement straft zichzelve later. Wij moeten ons aansluiten bij
andere menschen: het is onmogelijk altijd op je eigen te bestaan,
zonder eenig gemeenschapsgevoel.
--Duco, ik herken je niet meer: het zijn zulke maatschappelijke ideeën.
--Ik heb meer nagedacht in den laatsten tijd.
--Ik verleer juist na te denken.... Mijn lieveling, wat ben je ernstig
van morgen. En dat terwijl ik zoo heerlijk tegen je aanlig, om uit te
rusten van al die emotie, en die warme reis.
--Heusch Cornélie, laten wij trouwen....
Zij schuurde een weinig nerveus tegen hem aan, ontevreden, dat hij
doorging en met geweld haar zalige stemming vernielde....
--Je bent een akelige jongen. Waarom moeten wij trouwen. Het zoû niets
aan onzen toestand veranderen. Wij zouden ons toch niet met andere
menschen bemoeien. Wij leven zoo heerlijk hier, in je kunst. Wij hebben
niets anders noodig dan elkaâr, en je kunst en Rome. Ik hoû nu zoo
veel van Rome: ik ben heelemaal veranderd. Er is hier iets wat mij
telkens weêr aantrekt. Op San Stefano had ik heimwee naar Rome en ons
atelier. Je moet weêr een ander motief zoeken--om aan het werk te gaan.
Als je niets doet, dan denk je na ... in een maatschappelijke richting
... en dat is niets voor jou. Ik herken je zoo niet. En zoo klein
maatschappelijk nog. Om te trouwen! In Godsnaam waarom, Duco? Je kent
mijn ideeën over het huwelijk. Ik heb mijn ondervinding: het is beter
van niet....
Zij was opgestaan en werktuigelijk zocht zij in een portefeuille
tusschen half-affe schetsen.
--Je, ondervinding ... herhaalde hij. Wij kennen elkaâr te goed om voor
iets bang te zijn.
Zij trok de schetsen uit de portefeuile: het waren de ideeën, die bij
hem opgeschoten waren en die hij had aangeteekend, terwijl hij werkte
aan de Banieren. Zij zag ze na en strooide ze uit.
--Bang te zijn? herhaalde zij vaag. Neen, hernam zij plotseling vaster.
Een mensch kent zich en een ander nooit. Ik ken je niet, ik ken mijzelf
niet.
Iets waarschuwde haar in het diepst van zich: trouw niet, geef hem
niet toe. Het is beter van niet, het is beter van niet.... Het was
nauwlijks een fluisterende zweeming van waarschuwend voorgevoel, het
was onuitgedacht, onbewust en zielediep geheimzinnig. Want zij was
het zich niet bewust, zij dacht het niet, zij hoorde het nauwlijks in
zich. Het ging door haar heen en het was geen gevoel en het liet alleen
achter een tegenwerkende onwil in haar, zeer duidelijk.... Pas jaren
later zoû zij dien onwil begrijpen....
--Neen Duco, het is beter van niet....
--Denk er nu eens over na, Cornélie.
--Het is beter van niet, herhaalde zij star. Toe, laat ons er niet meer
over spreken. Het is beter van niet, maar ik vind het zoo akelig het je
te weigeren, omdat jij het verlangt. Ik weiger je anders nooit iets. Ik
zoû anders alles voor je willen doen. Maar dit voel ik zoo: het ... is
beter ... van niet!
Zij kwam als eéne liefkoozing naar hem toe en omhelsde hem.
--Vraag het mij niet meer. Wat een wolk op je gezicht! Ik zie, dat je
er nog altijd over denken zult.
Zij streelde over zijn voorhoofd als om zijn rimpels weg te vegen.
--Denk er niet meer over na. Ik hoû van je, ik hoû van je! Ik wil
niets anders dan jou.... Ik ben gelukkig, zooals wij zijn. Waarom
jij ook niet? Omdat Gilio grof is geweest en Urania "prim?" Kom je
schetsen eens bezien. Ga je gauw aan het werk? Ik vind het heerlijk
als je werkt. Dan ga ik weêr wat schrijven: een causerie over een oud
Italiaansch kasteel. Mijn souvenirs van San Stefano. Misschien wel een
novelle en de pergola als achtergrond. O, die mooie pergola.... Maar
gisteren, dat mes! Zeg Duco, ga je weêr werken? Laten wij samen eens
zien. Wat had je toen veel ideeën! Maar word niet te symbolistisch: ik
meen, krijg niet die trucs, die repetities van je eigen.... Die vrouw
hier, die is wel mooi.... Ze loopt zoo in onbewust-zijn die hellende
lijn af en die duwende handen om haar heen, en die roode bloemen in den
afgrond.... Zeg Duco, wat meende je er meê?
--Ik weet niet: het was mezelf niet heel duidelijk....
--Ik vind het wel mooi, maar ik hoû niet van die schets. Ik weet niet
waarom. Ik vind er iets akeligs in. Ik vind die vrouw dom. Ik hoû
niet van die hellende lijnen: ik hoû van opgaande lijnen, als in de
Banieren. Dat vloeide alles uit den nacht naar boven, naar de zon! Wat
was dat mooi! Hoe jammer, dat wij het nu niet meer hebben, dat het
verkocht wordt. Als ik schilder was, zoû ik nooit wat kunnen verkoopen.
Ik zal de schetsen ervan bewaren, als souvenir. Vindt je het niet
vreeslijk, dat wij het niet meer hebben...?
Hij beaamde het: hij miste ook zijn Banieren: hij had ze lief. En hij
zocht met haar tusschen de andere studiën en schetsen. Maar behalve
de onbewuste vrouw was er niets onder, dat hem duidelijk genoeg was,
om uit te werken. En Cornélie wilde niet, dat hij de onbewuste vrouw
afmaakte: neen, ze hield niet van die hellende lijnen.... Maar toen
vond hij nog schetsen van landschapsstudiën, van wolken en luchten,
over de Campagna, Venetië en Napels.
En hij zette zich aan het werk.