Gilio had den raad van zijne nicht, de gravin di Rosavilla, opgevolgd.
Hij was dadelijk na den eten naar buiten geslopen, en hij liep de
pergola af tot de rotonde, waarin het maanlicht viel, als in een witte
schaal. Maar er was schaduw achter een paar karyatiden, en daar verborg
hij zich. Hij wachtte een uur lang. Maar de nacht sliep, de karyatiden
sliepen, roerloos staande en beurende het bladerdak. Hij vloekte en
sloop naar binnen. Hij liep op de teenen de corridors af en luisterde
aan de deur van Van der Staal. Hij hoorde niets, maar misschien sliep
hij...?
Maar Gilio sloop verder een anderen corridor door, en luisterde aan
de deur van Cornélie. Hij hield den adem in.... Jawel, er klonken
stemmen. Zij waren samen! Samen!! Hij krampte de vuisten ineen en liep
terug. Maar waarom wond hij zich op! Hij wist immers hunne verhouding.
Waarom zouden zij hier niet samen komen. En hij klopte aan bij de
gravin....
Den volgenden avond wachtte hij weêr bij de rotonde. Maar zij kwamen
niet. Maar na enkele avonden, terwijl hij zat te wachten, zich
verbijtend van ergernis, zag hij ze komen. Hij zag Duco de terraspoort
achter zich sluiten: het slot knarste van verre, roestig. Langzaam zag
hij ze aanloopen en naderen in het licht, vervagen in de schaduw, weêr
uit komen in den maneschijn. Zij zetten zich op de marmeren bank....
Wat schenen zij gelukkig! Hij was jaloersch van hun geluk; jaloersch
vooral van hem. En wat was zij zacht en teeder, zij, die hem, Gilio,
maar goed genoeg vond voor amuzement, voor haar flirt: een clown:
zij, de demonische vrouw, was engelachtig met wie zij lief had! Zij
boog zich tot haar minnaar met een glimlachende liefkoozing, met een
ombuiging van haren arm, met een naderen van hare lippen, met iets
innig omstrikkends, met zoo een fluweelen loomte van liefde, als hij
niet vermoed had in haar, met haar kouden flirtscherts tegen hem,
Gilio. Zij leunde nu tegen Duco's arm, aan zijn borst, haar gezicht
tegen het zijne.... O, haar zoen, nu, hoe zette hij Gilio in woede
en vlam! Dat was niet meer hare ijskoude zinnen-onverschilligheid
tegenover hem, Gilio, in de camera dei sposi! En hij kon zich niet
langer inhouden: hij zoû hun dit oogenblik van hun geluk ten minste
verstoren. En trillend in zijn zenuwen, kwam hij te voorschijn van
achter de karyatide, en liep door de rotonde hen tegemoet. Zij zagen
hem niet dadelijk, verloren in elkanders oogen.... Maar eensklaps
schrikten zij, beiden tegelijk; de omhelzing van hunne armen viel
plotseling, zij stonden in éene beweging op, zij zagen hem aankomen,
hem klaarblijkelijk niet dadelijk herkennende. Pas toen hij vlak bij
was, herkenden zij hem, en zagen, opgeschrikt, hem zwijgende aan, wat
hij zeggen zoû. Hij boog ironisch.
--Een heerlijke avond, niet waar? Het uitzicht is mooi, zoo in
den nacht, van de pergola af. U heeft gelijk hier eens te komen
profiteeren. Ik hoop, dat ik u niet stoor met mijn onverwacht
gezelschap!
Zijn trillende stem was zoo kwaadaardig twistzoekend, dat zij niet
konden twijfelen aan zijn hevige ontstemming.
--Zeker niet, prins! antwoordde Cornélie, zich herstellende. Hoewel
het mij verbaast, wat u hier doet, op dit uur.
--En wat doet u hier, op dit uur?
--Wat ik hier doe? Ik zit hier met Van der Staal....
--Op dit uur?
--Op dit uur! Wat meent u, prins, wat bedoelt u?
--Wat ik bedoel? Dat 's nachts de pergola gesloten is.
--Prins, zeide Duco; uw toon bevalt mij niet.
--En u bevalt mij heelemaal niet....
--Als u niet mijn gastheer was, gaf ik u een klap in uw gezicht....
Cornélie hield Duco's arm tegen: de prins vloekte en balde de vuisten.
--Prins, sprak zij. Het is klaarblijkelijk, dat u een scène met ons
zoekt. Waarom? Wat heeft u er tegen, dat ik Van der Staal 's avonds
hier ontmoet. Ten eerste is onze verhouding geen geheim voor u. En dan
dunkt het mij onwaardig voor u ons hier te komen bespieden.
--Onwaardig? Onwaardig?--Hij was onmachtig zich meer te
beheerschen.--Onwaardig ben ik, en klein, en grof, en geen man, en ik
heb geen temperament, dat je aanstaat? Zijn temperament staat je wel
aan, niet waar! Ik heb je zoen hooren klinken. Duivelin! Duivelin!
Demon! Niemand heeft me zoo beleedigd als jij. Van niemand heb ik mij
al zooveel laten welgevallen. Ik laat het mij niet langer! Jij, je hebt
me geslagen, demon, duivelin! Hij, hij dreigt me met een slag. Mijn
geduld is ten einde. Ik kan het niet verdragen, in mijn eigen huis, dat
je mij weigert, wat je hem geeft.... Hij is niet je man! Hij is niet je
man! Ik kan evenveel recht hebben als hij, en rekent hij uit, dat hij
meer recht heeft dan ik, dan haàt ik hem!...
En hij vloog Duco aan, naar de keel, blind van woede. De aanval was zoo
onverwacht, dat Duco struikelde. Zij worstelden samen, beiden razend.
Al hunne verborgen antipathie sloeg uit als razernij. Zij hoorden niet
Cornélie's smeeken, zij sloegen elkaâr met de vuist, zij omstrengelden
elkanders beenen en armen, borst geperst aan borst. Toen zag Cornélie
iets flikkeren. In het licht zag zij, dat de prins een mes trok. Maar
zijn beweging zelve was een voordeel voor Duco, die zijn pols als in
ijzer vastgreep en hem dwong op den grond, de knie stijf drukte op
Gilio's borst en met de andere hand hem zijn keel omklemde.
--Laat los! krijschte de prins.
--Laat dat mes los! krijschte Duco.
De prins, onwillig, hield vol.
--Laat los! krijschte hij nog eens.
--Laat dat mes los Het mes viel uit zijn vingers. Duco greep het en
stond op.
--Sta op! zeide hij. Wij kunnen, wanneer u wil, dit gevecht op minder
primitieve manier morgen vervolgen. Niet meer met een mes, maar met
degen of pistool.
De prins was opgestaan. Hij hijgde, blauw.... Hij kwam tot zichzelven.
--Neen, zei hij, langzaam. Ik wil niet duelleeren. Tenzij jij het wilt.
Maar ik wil niet. Ik ben overwonnen.... Er is in haar een demonische
kracht, die je altijd zoû laten winnen, welk spel wij ook speelden. Wij
hebben al geduelleerd. Deze strijd zegt mij meer dan een geregeld duel.
Alleen als jij het wenscht, heb ik er niets op tegen. Maar ik weet nu
zeker, dat je me zoû dooden. _Zij_ beschermt je....
--Ik wensch geen duel, zei Duco.
Laat ons dan dezen strijd als een duel beschouwen, en geef mij nu een
hand ... Duco strekte de hand. Gilio drukte die.
--Vergeef mij, zeide hij, neêrbuigend tot Cornélie; ik heb u
beleedigd....
--Neen, zeide zij. Ik vergeef u niet.
--Wij hebben elkaâr te vergeven. Ik vergeef u uw slag.
--Ik vergeef u niets. Ik vergeef u dezen avond nooit, niet uw
spionneeren, niet uw gebrek aan zelfbeheersching, niet uw recht, dat u
op mij, ongetrouwde vrouw, meent te kunnen laten gelden, terwijl ik u
geen recht geef, niet uw aanval, en niet uw mes.
--Wij zijn dus vijanden, voor altijd?
--Ja, voor altijd. Ik verlaat morgen uw huis....
--Ik heb verkeerd gehandeld, bekende hij nederig. Vergeef mij. Mijn
bloed is hevig.
--Ik heb u totnogtoe gekend als een heer....
--Ik ben ook nog een Italiaan.
--Ik vergeef u niet.
--Ik heb u wel eens bewezen, dat ik een goed vriend kon zijn.
--Het is geen oogenblik het mij te herinneren.
--Ik herinner u alles, wat u zachter voor mij zoû kunnen stemmen.
--Dat is alles te vergeefs.
--Dus vijanden?
--Ja. Laat ons naar binnen gaan. Ik verlaat morgen uw huis....
--Ik wil alle boete doen, die u mij oplegt.
--Ik leg niets op. Ik wil dit gesprek eindigen en ik wil naar huis.
--Ik zal u voorgaan....
Hij deed zoo. Zij liepen de pergola af. Hij opende zelve de terraspoort
en liet hen het eerst binnen.
Zij begaven zich zwijgend naar hunne kamers.
Het kasteel sliep in duister. De prins lichtte bij met een lucifer.
Duco was het eerst bij zijn vertrek.
--Ik zal u verder bijlichten, sprak de prins nederig.
Hij vergezelde nog, met een tweede lucifer, Cornélie tot haar deur.
Daar viel hij op zijn knieën.
--Vergeef mij, fluisterde hij met een snik in zijn keel.
--Neen, zeide zij.
En zonder meer sloot zij de deur achter zich. Hij bleef nog een
oogenblik zoo geknield. Toen stond hij langzaam op. Zijn hals deed hem
pijn. Zijn schouder voelde als ontwricht.
--Het is uit, mompelde hij. Ik ben overwonnen. Zij is nu sterker dan
ik, maar niet omdat zij een duivel is. Ik heb ze samen gezien.... Ik
heb hun omhelzing gezien. Ze is sterker, hij is sterker dan ik ... om
hun geluk ... Ik voel, dat zij, om hun geluk, altijd sterker zullen
zijn, dan ik....
Hij ging naar zijn kamer, die grensde aan Urania's slaapkamer. Een
snikken golfde op in zijn borst. Hij wierp zich, gekleed, snikkend op
zijn bed, zijn snikken inslikkend in den sluimerenden nacht, die door
het kasteel heen donsde. Toen stond hij op, en zag uit het raam. Hij
zag het meer. Hij zag de pergola, waar zij zoo even hadden gevochten.
De nacht sliep er, de karyatiden blankten er, slapende, uit de schaduw
op. En met den blik zocht hij de juiste plek van hun strijd en zijn
nederlaag. En bijgeloovig, aan hun geluk, meende hij, dat er niet tegen
te strijden zoû zijn, nooit.
Toen haalde hij de schouders op, als wierp hij zich een pak van den rug.
--Fa niente! troostte hij zich. Domani megliore....
Hij meende er meê, dat hij morgen, zoo niet déze, overwinning, wel een
andere behalen zoû. En zijn oogen nog nat, sliep hij in als een kind.