XXXVIII.

Gilio vond de villegiatura op San Stefano verschrikkelijk. Hij moest

iederen morgen om zes uur reeds klaar zijn om met prins Ercole, Urania

en de marchesa de mis bij te wonen, die de kapelaan in de slotkapel

bediende. Daarna wist hij met zijn tijd geen raad. Hij was een paar

malen gaan fietsen met Bob Hope, maar de jonge Far Wester was hem te

energisch, even als zijne zuster, Urania. Hij flirtte en redetwistte

wat met Cornélie, maar in stilte was hij nog steeds beleedigd, en boos

op zichzelven en op haar. Hij herinnerde zich haar eerste komst op dien

avond, in het Palazzo Ruspoli; toen zij zijn rendez-vous met Urania

was komen storen. En in de gouden camera dei sposi was zij hem voor

de tweede maal te sterk geweest! Hij ziedde als hij er aan dacht, en

hij haatte haar, en hij zwoer zijn groote goden wraak te zullen nemen.

Hij vloekte zijn eigen weifelmoedigheid. Hij was te zwak om woest te

dwingen en hij had nooit behoeven te dwingen: hij was gewoon, dat men

hem toegaf. En van haar, die Hollandsche, moest hij hooren over zijn

temperament, dat niet beantwoordde aan het hare! Wat zat er in die

vrouw? Wat meende zij er meê? Hij was zoo weinig gewoon te denken, hij

was zoo een gedachteloos kind van de gemakkelijke natuur van Italië,

zoo gewoon zich te laten leven naar zijn gril en impulsie, dat hij haar

nauwlijks begreep,--ofschoon hij den zin van haar woorden vermoedde,--

nauwlijks begreep die terughoudendheid. Waarom zoo tegenover hem, de

vreemde vrouw met hare nieuwe ideeën van den duivel; die zich niet

stoorde aan de wereld, die niets van huwelijk weten wilde, die met een

schilder leefde, als zijn maîtresse! Zij had geen godsdienst, en geen

moraal--_hij_ wist van godsdienst en van moraal--zij was des duivels;

demonisch was zij: wist zij niet alles van de manoeuvres van tante

Lucia Belloni, en had tante Lucia hem niet dezer dagen gewaarschuwd,

dat zij gevaarlijk was, demonisch, des duivels! Zij was een heks!

Waarom wilde zij niet? Had hij niet gisteren nacht door den cour haar

silhouet zien gaan in den maneschijn, duidelijk naast de figuur van

Van der Staal, en had hij hen niet zien openen de deur van het terras

der pergola? En had hij niet éen uur, twee uur, slapeloos gewacht,

tot hij ze had zien keeren, sluitende de deur weêr achter zich? En

waarom had zij lief alleen hèm, dien schilder? O, hij haatte hem met

al de gloeiende haat van zijn ijverzucht, hij haatte haar, om hare

uitsluitendheid, om hare minachting, om al hun scherts en flirt, als

was hij een paljas, een clown! Wat vroeg hij? Een gunst van liefde

zooals zij aan haar minnaar toestond! Hij vroeg niets ernstigs; geen

eeden, geen levenslange banden: hij vroeg zoo weinig: een enkel uur

van liefde. Het was van geen belang: hij had dat nooit van veel belang

beschouwd. En zij, ze weigerde het hem. Neen, hij begreep haar niet,

maar wel begreep hij, dat zij hem minachtte, en hij, hij haatte haar

en hem. En toch was hij verliefd op haar met al de woede van zijn

weêrstreefde passie. In de verveling dier villigiatura, waartoe zijn

vrouw hem drong in haar nieuwe liefde voor hun vervallen uilennest,

was hem zijn haat en de gedachte aan zijn wraak een bezigheid voor

zijn leêge hersenen. Uiterlijk was hij de zelfde weêr als vroeger, en

flirtte hij met Cornélie, en zelfs meer dan vroeger, om Van der Staal

te plagen. En toen zijne nicht, de gravin di Rosavilla, zijn "witte"

nicht--hofdame der koningin--hen voor enkele dagen kwam bezoeken,

flirtte hij ook met haar, en poogde hij de ijverzucht van Cornélie

te wekken, wat hem maar niet best gelukte, en troostte hij zich

met de gravin. Zij stelde hem schadeloos voor zijn teleurstelling.

Zij was geen jonge vrouw meer, maar zij had het koude, sculpturale

Juno-type, een beetje dom: zij had de Juno-oogen, die puilden: zij

was een der toongeefsters aan het Quirinaal en in de "witte" wereld,

en haar galante reputatie was algemeen bekend. Zij had met Gilio

nooit een liaison gehad, die langer duurde dan een uur. Zij had over

de liefde eenvoudige ideeën, met weinig nuance. Vroolijk pervers

amuzeerde zij Gilio. En flirtende in hoekjes, zijn voet op den hare,

onder haar japon, vertelde Gilio haar van Cornélie, van Duco en van

het avontuur in hunne camera dei sposi, en hij vroeg zijn nicht, of

_zij_ begreep? Neen, de gravin di Rosavilla begreep ook niet zoo heel

goed. Temperament? Ach ja, misschien hield zij--questa Cornelia,--meer

van blond of bruin: er waren vrouwen, die deden keuze.... En Gilio

lachte.... Het was zoo eenvoudig, l'amore, er was niet veel over te

praten.

Cornélie was blij, dat Gilio de gravin had. Zij interesseerde zich

met Duco, voor haar, Urania's, plannen; hij voerde gesprekken met den

architekt. En Duco was verontwaardigd, en gaf den raad niet zooveel te

verbouwen in die stijllooze restauratie-manier: het kostte hoopen met

geld, en het bedierf alles.

Urania was uit het veld geslagen, maar Duco ging voort, brak den

architect af, gaf den raad alleen bij te bouwen wat waarlijk stortte in

elkaâr, maar zooveel mogelijk te stutten, te steunen en te behouden.

En op een morgen verwaardigde zich prins Ercole met Duco, Urania en

Cornélie de lange zalen af te loopen. Met alleen te onderhouden en

geregeld--meende Duco--, met artistiek te schikken wat nu zonder

gedachte op elkaâr stond gepakt, was al zoo veel te doen. De gordijnen?

vroeg Urania. Laten, meende Duco: hoogstens nieuwe venstergordijnen,

maar het oude roode Venetiaansche damast.... O laten, laten: het

was zoo mooi: hier en daar, met veel zorg, kon het worden versteld.

Hij schrikte van Urania's idee: nieuwe gordijnen! En de oude prins

was verrukt, omdat de restauratie van San Stefano, op die manier,

duizenden minder zoû kosten en artistieker zoû zijn: hij beschouwde het

geld van zijne schoondochter als het zijne en had het nog liever dan

haarzelve. Hij was verrukt: hij nam Duco meê naar zijn bibliotheek:

hij toonde hem de oude missalen: de oude familieboeken en documenten,

charters en schenkingen: hij toonde hem zijn munten en medailles. Het

was alles verrommeld, verwaarloosd, eerst uit geldgebrek en toen uit

onverschilligheid gekleinacht, maar nu wilde Urania, met geleerden uit

Rome, Florence, Bologna, het familie-muzeum reorganizeeren. De oude

prins voelde er wel voor, nu er weêr geld was. En de geleerden kwamen,

verbleven op het kasteel, en heele morgens was Duco met hen bezig.

Hij genoot. Hij leefde in zijne betoovering van verleden, niet meer

in antieken tijd, maar in de middeneeuwen en Renaissance. De dagen

waren te kort. En zijn liefde voor San Stefano werd zóó, dat eens

een archivaris hem aanzag voor den jongen prins: den prins Virgilio.

Aan het diner vertelde prins Ercole de anecdote. En allen lachten,

maar Gilio vond de grap eenvoudig onbetaalbaar terwijl de archivaris,

die meê aan tafel zat, niet wist hoe hij zich klein zoû maken in

verontschuldiging.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 50 / 67 题