Gilio vond de villegiatura op San Stefano verschrikkelijk. Hij moest
iederen morgen om zes uur reeds klaar zijn om met prins Ercole, Urania
en de marchesa de mis bij te wonen, die de kapelaan in de slotkapel
bediende. Daarna wist hij met zijn tijd geen raad. Hij was een paar
malen gaan fietsen met Bob Hope, maar de jonge Far Wester was hem te
energisch, even als zijne zuster, Urania. Hij flirtte en redetwistte
wat met Cornélie, maar in stilte was hij nog steeds beleedigd, en boos
op zichzelven en op haar. Hij herinnerde zich haar eerste komst op dien
avond, in het Palazzo Ruspoli; toen zij zijn rendez-vous met Urania
was komen storen. En in de gouden camera dei sposi was zij hem voor
de tweede maal te sterk geweest! Hij ziedde als hij er aan dacht, en
hij haatte haar, en hij zwoer zijn groote goden wraak te zullen nemen.
Hij vloekte zijn eigen weifelmoedigheid. Hij was te zwak om woest te
dwingen en hij had nooit behoeven te dwingen: hij was gewoon, dat men
hem toegaf. En van haar, die Hollandsche, moest hij hooren over zijn
temperament, dat niet beantwoordde aan het hare! Wat zat er in die
vrouw? Wat meende zij er meê? Hij was zoo weinig gewoon te denken, hij
was zoo een gedachteloos kind van de gemakkelijke natuur van Italië,
zoo gewoon zich te laten leven naar zijn gril en impulsie, dat hij haar
nauwlijks begreep,--ofschoon hij den zin van haar woorden vermoedde,--
nauwlijks begreep die terughoudendheid. Waarom zoo tegenover hem, de
vreemde vrouw met hare nieuwe ideeën van den duivel; die zich niet
stoorde aan de wereld, die niets van huwelijk weten wilde, die met een
schilder leefde, als zijn maîtresse! Zij had geen godsdienst, en geen
moraal--_hij_ wist van godsdienst en van moraal--zij was des duivels;
demonisch was zij: wist zij niet alles van de manoeuvres van tante
Lucia Belloni, en had tante Lucia hem niet dezer dagen gewaarschuwd,
dat zij gevaarlijk was, demonisch, des duivels! Zij was een heks!
Waarom wilde zij niet? Had hij niet gisteren nacht door den cour haar
silhouet zien gaan in den maneschijn, duidelijk naast de figuur van
Van der Staal, en had hij hen niet zien openen de deur van het terras
der pergola? En had hij niet éen uur, twee uur, slapeloos gewacht,
tot hij ze had zien keeren, sluitende de deur weêr achter zich? En
waarom had zij lief alleen hèm, dien schilder? O, hij haatte hem met
al de gloeiende haat van zijn ijverzucht, hij haatte haar, om hare
uitsluitendheid, om hare minachting, om al hun scherts en flirt, als
was hij een paljas, een clown! Wat vroeg hij? Een gunst van liefde
zooals zij aan haar minnaar toestond! Hij vroeg niets ernstigs; geen
eeden, geen levenslange banden: hij vroeg zoo weinig: een enkel uur
van liefde. Het was van geen belang: hij had dat nooit van veel belang
beschouwd. En zij, ze weigerde het hem. Neen, hij begreep haar niet,
maar wel begreep hij, dat zij hem minachtte, en hij, hij haatte haar
en hem. En toch was hij verliefd op haar met al de woede van zijn
weêrstreefde passie. In de verveling dier villigiatura, waartoe zijn
vrouw hem drong in haar nieuwe liefde voor hun vervallen uilennest,
was hem zijn haat en de gedachte aan zijn wraak een bezigheid voor
zijn leêge hersenen. Uiterlijk was hij de zelfde weêr als vroeger, en
flirtte hij met Cornélie, en zelfs meer dan vroeger, om Van der Staal
te plagen. En toen zijne nicht, de gravin di Rosavilla, zijn "witte"
nicht--hofdame der koningin--hen voor enkele dagen kwam bezoeken,
flirtte hij ook met haar, en poogde hij de ijverzucht van Cornélie
te wekken, wat hem maar niet best gelukte, en troostte hij zich
met de gravin. Zij stelde hem schadeloos voor zijn teleurstelling.
Zij was geen jonge vrouw meer, maar zij had het koude, sculpturale
Juno-type, een beetje dom: zij had de Juno-oogen, die puilden: zij
was een der toongeefsters aan het Quirinaal en in de "witte" wereld,
en haar galante reputatie was algemeen bekend. Zij had met Gilio
nooit een liaison gehad, die langer duurde dan een uur. Zij had over
de liefde eenvoudige ideeën, met weinig nuance. Vroolijk pervers
amuzeerde zij Gilio. En flirtende in hoekjes, zijn voet op den hare,
onder haar japon, vertelde Gilio haar van Cornélie, van Duco en van
het avontuur in hunne camera dei sposi, en hij vroeg zijn nicht, of
_zij_ begreep? Neen, de gravin di Rosavilla begreep ook niet zoo heel
goed. Temperament? Ach ja, misschien hield zij--questa Cornelia,--meer
van blond of bruin: er waren vrouwen, die deden keuze.... En Gilio
lachte.... Het was zoo eenvoudig, l'amore, er was niet veel over te
praten.
Cornélie was blij, dat Gilio de gravin had. Zij interesseerde zich
met Duco, voor haar, Urania's, plannen; hij voerde gesprekken met den
architekt. En Duco was verontwaardigd, en gaf den raad niet zooveel te
verbouwen in die stijllooze restauratie-manier: het kostte hoopen met
geld, en het bedierf alles.
Urania was uit het veld geslagen, maar Duco ging voort, brak den
architect af, gaf den raad alleen bij te bouwen wat waarlijk stortte in
elkaâr, maar zooveel mogelijk te stutten, te steunen en te behouden.
En op een morgen verwaardigde zich prins Ercole met Duco, Urania en
Cornélie de lange zalen af te loopen. Met alleen te onderhouden en
geregeld--meende Duco--, met artistiek te schikken wat nu zonder
gedachte op elkaâr stond gepakt, was al zoo veel te doen. De gordijnen?
vroeg Urania. Laten, meende Duco: hoogstens nieuwe venstergordijnen,
maar het oude roode Venetiaansche damast.... O laten, laten: het
was zoo mooi: hier en daar, met veel zorg, kon het worden versteld.
Hij schrikte van Urania's idee: nieuwe gordijnen! En de oude prins
was verrukt, omdat de restauratie van San Stefano, op die manier,
duizenden minder zoû kosten en artistieker zoû zijn: hij beschouwde het
geld van zijne schoondochter als het zijne en had het nog liever dan
haarzelve. Hij was verrukt: hij nam Duco meê naar zijn bibliotheek:
hij toonde hem de oude missalen: de oude familieboeken en documenten,
charters en schenkingen: hij toonde hem zijn munten en medailles. Het
was alles verrommeld, verwaarloosd, eerst uit geldgebrek en toen uit
onverschilligheid gekleinacht, maar nu wilde Urania, met geleerden uit
Rome, Florence, Bologna, het familie-muzeum reorganizeeren. De oude
prins voelde er wel voor, nu er weêr geld was. En de geleerden kwamen,
verbleven op het kasteel, en heele morgens was Duco met hen bezig.
Hij genoot. Hij leefde in zijne betoovering van verleden, niet meer
in antieken tijd, maar in de middeneeuwen en Renaissance. De dagen
waren te kort. En zijn liefde voor San Stefano werd zóó, dat eens
een archivaris hem aanzag voor den jongen prins: den prins Virgilio.
Aan het diner vertelde prins Ercole de anecdote. En allen lachten,
maar Gilio vond de grap eenvoudig onbetaalbaar terwijl de archivaris,
die meê aan tafel zat, niet wist hoe hij zich klein zoû maken in
verontschuldiging.