XXXVII.

Er waren zeven dagen verloopen en Duco was aangekomen. Het was na het

plechtige diner in de sombere eetzaal, waar Duco was voorgesteld aan

prins Ercole, en het was een zomeravond als een droom, toen Cornélie

en Duco naar buiten gingen. Het kasteel lag al in zware rust, maar

Cornélie had zich door Giuseppe een sleutel laten geven. En zij

gingen naar buiten, naar de pergola. De starren poeierden als een

blond licht over den nachthemel heen, en aan de toppen der heuvels

kroonde de maan en trilde even terug in de mystieke diepte van het

meer. Een adem van slapende rozen walmde uit den bloementuin aan de

andere zijde der pergola, en beneden, in de dakvlakkende stad, stond

aan zijn maanbelicht plein de Dom zijn reuzensilhouet uit tegen de

starren. En een slapen was overal, over het meer, over de stad en

achter de vensters van het kasteel; de karyatiden en hermen--de saters

en nimfen--torsten slapend het looverdak van de pergola, als in een

betooverde houding van dienaren der Slaapster. Een krekel knerpte, maar

zweeg stil zoodra zij naderden, Duco en Cornélie. En zij zetten zich

op een antieke bank, en zij sloeg om zijn lichaam haar armen en drukte

zich tegen hem aan.

--Een week! fluisterde zij. Een volle week, dat ik je niet gezien heb,

Duco, mijn lieveling! Ik kan niet zoo lang zonder je. Bij alles wat ik

dacht en zag, en bewonderde, dacht ik aan jou, hoe mooi je het hier

zoû vinden. Je bent hier wel eens geweest, als toerist. O, dat is niet

het zelfde. Het is hier juist zoo mooi om te blijven, om niet door te

loopen, maar om te blijven. Dat meer, die Dom, die heuvels! Die zalen

binnen. Verwaarloosd maar zoo mooi. De drie hoven zijn vervallen, de

fonteinen brokkelen in elkaâr Maar de stijl van de atrio, de somberheid

van de eetzaal, de poëzie van deze pergola ... Duco, is die pergola

niet als een antieke ode? We hebben samen wel eens Horatius gelezen,

jij vertaalde me de verzen zoo mooi, je improvizeerde zoo heerlijk!

Wat ben je toch knap, je weet zoo veel, je voelt zoo mooi. Ik hoû van

je oogen, van je stem, en van je heelemaal, van allemaal wat jou is ...

ik kan het niet zeggen, Duco. Ik heb mij langzamerhand gewonnen gegeven

aan elk woord van je, aan ieder gevoel van je, aan je liefde voor Rome,

aan je liefde voor muzea, aan de manier, waarop je die luchten ziet,

die je op je aquarellen wascht. Je bent zoo heerlijk kalm, bijna als

dit meer. O, lach niet, weer me niet af: ik heb je in geen week gezien,

ik heb behoefte zoo eens tegen je te spreken. Is het overdreven? Ik

voel hier ook niet gewoon, er is iets in die lucht, in dat licht, dat

me zoo laat spreken. Het is zoo mooi, dat ik bijna niet gelooven kan,

dat het gewoon leven, gewone realiteit is.... Herinner je te Sorrento

op het terras van het hôtel, toen we over de zee uitkeken, over die

parelen zee, met Napels zoo wit ver af, toen heb ik zoo gevoeld, maar

toen dorst ik zoo niet spreken: het was 's morgens, er waren menschen

om ons heen, die wij wel niet zagen, maar die ons zagen en die ik

om mij heen vermoedde: maar nu zijn wij alleen, en nu wil ik het je

zeggen, in je armen, aan je borst: ik ben zoo gelukkig! Ik hoû zoo van

jou! Ik voel mijn ziel, al mijn mooiste voor jou! Je lacht, maar je

gelooft me niet. Toch? Geloof je me?

--Ja, ik geloof je, ik lach niet om je, ik lach zoo maar.... Ja, het is

hier mooi.... Ik ook, ik voel mij zoo gelukkig. Ik ben zoo gelukkig om

jou en om mijn kunst. Je hebt me werken geleerd, je hebt mij opgewekt

uit mijn droomen! Ik ben zoo gelukkig om de Banieren: ik heb brieven

uit Londen: ik zal je ze morgen laten lezen. Ik heb alles aan jou te

danken. Het is bijna niet te gelooven, dat dit gewoon leven is. Ik

heb het ook zoo stil gehad in Rome. Ik zag niemand, ik werkte maar

wat--maar niet veel; en ik at in de osteria alleen. De twee Italianen,

je weet wel, hadden, geloof ik, medelijden met me. O, het was een

vreeslijke week. Ik kan niet meer buiten je. Herinner je je onze eerste

wandelingen en gesprekken in Borghese, en op den Palatijn? Wat waren we

toen nog vreemd aan elkaâr, zoo niet samengevoegd. Maar ik voelde het,

geloof ik, dadelijk, dat het mooi zoû worden tusschen ons....

Zij zweeg, en bleef aan zijn borst. De krekel knerpte weêr als met een

langen triller. Maar verder sliep alles....

--Tusschen ons.... herhaalde ze als in koorts, en ze omhelsde hem

geheel.

De geheele nacht sliep, en terwijl zij hun leven ademden in elkanders

armen, torsten boven hunne hoofden de betooverde karyatiden--faunen

en nimfen--slapende het bladerdak der pergola, tusschen hen en de met

starren bepoeierde lucht.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 49 / 67 题