Er waren zeven dagen verloopen en Duco was aangekomen. Het was na het
plechtige diner in de sombere eetzaal, waar Duco was voorgesteld aan
prins Ercole, en het was een zomeravond als een droom, toen Cornélie
en Duco naar buiten gingen. Het kasteel lag al in zware rust, maar
Cornélie had zich door Giuseppe een sleutel laten geven. En zij
gingen naar buiten, naar de pergola. De starren poeierden als een
blond licht over den nachthemel heen, en aan de toppen der heuvels
kroonde de maan en trilde even terug in de mystieke diepte van het
meer. Een adem van slapende rozen walmde uit den bloementuin aan de
andere zijde der pergola, en beneden, in de dakvlakkende stad, stond
aan zijn maanbelicht plein de Dom zijn reuzensilhouet uit tegen de
starren. En een slapen was overal, over het meer, over de stad en
achter de vensters van het kasteel; de karyatiden en hermen--de saters
en nimfen--torsten slapend het looverdak van de pergola, als in een
betooverde houding van dienaren der Slaapster. Een krekel knerpte, maar
zweeg stil zoodra zij naderden, Duco en Cornélie. En zij zetten zich
op een antieke bank, en zij sloeg om zijn lichaam haar armen en drukte
zich tegen hem aan.
--Een week! fluisterde zij. Een volle week, dat ik je niet gezien heb,
Duco, mijn lieveling! Ik kan niet zoo lang zonder je. Bij alles wat ik
dacht en zag, en bewonderde, dacht ik aan jou, hoe mooi je het hier
zoû vinden. Je bent hier wel eens geweest, als toerist. O, dat is niet
het zelfde. Het is hier juist zoo mooi om te blijven, om niet door te
loopen, maar om te blijven. Dat meer, die Dom, die heuvels! Die zalen
binnen. Verwaarloosd maar zoo mooi. De drie hoven zijn vervallen, de
fonteinen brokkelen in elkaâr Maar de stijl van de atrio, de somberheid
van de eetzaal, de poëzie van deze pergola ... Duco, is die pergola
niet als een antieke ode? We hebben samen wel eens Horatius gelezen,
jij vertaalde me de verzen zoo mooi, je improvizeerde zoo heerlijk!
Wat ben je toch knap, je weet zoo veel, je voelt zoo mooi. Ik hoû van
je oogen, van je stem, en van je heelemaal, van allemaal wat jou is ...
ik kan het niet zeggen, Duco. Ik heb mij langzamerhand gewonnen gegeven
aan elk woord van je, aan ieder gevoel van je, aan je liefde voor Rome,
aan je liefde voor muzea, aan de manier, waarop je die luchten ziet,
die je op je aquarellen wascht. Je bent zoo heerlijk kalm, bijna als
dit meer. O, lach niet, weer me niet af: ik heb je in geen week gezien,
ik heb behoefte zoo eens tegen je te spreken. Is het overdreven? Ik
voel hier ook niet gewoon, er is iets in die lucht, in dat licht, dat
me zoo laat spreken. Het is zoo mooi, dat ik bijna niet gelooven kan,
dat het gewoon leven, gewone realiteit is.... Herinner je te Sorrento
op het terras van het hôtel, toen we over de zee uitkeken, over die
parelen zee, met Napels zoo wit ver af, toen heb ik zoo gevoeld, maar
toen dorst ik zoo niet spreken: het was 's morgens, er waren menschen
om ons heen, die wij wel niet zagen, maar die ons zagen en die ik
om mij heen vermoedde: maar nu zijn wij alleen, en nu wil ik het je
zeggen, in je armen, aan je borst: ik ben zoo gelukkig! Ik hoû zoo van
jou! Ik voel mijn ziel, al mijn mooiste voor jou! Je lacht, maar je
gelooft me niet. Toch? Geloof je me?
--Ja, ik geloof je, ik lach niet om je, ik lach zoo maar.... Ja, het is
hier mooi.... Ik ook, ik voel mij zoo gelukkig. Ik ben zoo gelukkig om
jou en om mijn kunst. Je hebt me werken geleerd, je hebt mij opgewekt
uit mijn droomen! Ik ben zoo gelukkig om de Banieren: ik heb brieven
uit Londen: ik zal je ze morgen laten lezen. Ik heb alles aan jou te
danken. Het is bijna niet te gelooven, dat dit gewoon leven is. Ik
heb het ook zoo stil gehad in Rome. Ik zag niemand, ik werkte maar
wat--maar niet veel; en ik at in de osteria alleen. De twee Italianen,
je weet wel, hadden, geloof ik, medelijden met me. O, het was een
vreeslijke week. Ik kan niet meer buiten je. Herinner je je onze eerste
wandelingen en gesprekken in Borghese, en op den Palatijn? Wat waren we
toen nog vreemd aan elkaâr, zoo niet samengevoegd. Maar ik voelde het,
geloof ik, dadelijk, dat het mooi zoû worden tusschen ons....
Zij zweeg, en bleef aan zijn borst. De krekel knerpte weêr als met een
langen triller. Maar verder sliep alles....
--Tusschen ons.... herhaalde ze als in koorts, en ze omhelsde hem
geheel.
De geheele nacht sliep, en terwijl zij hun leven ademden in elkanders
armen, torsten boven hunne hoofden de betooverde karyatiden--faunen
en nimfen--slapende het bladerdak der pergola, tusschen hen en de met
starren bepoeierde lucht.