Den volgenden morgen leidde Urania's kamenier Cornélie door een
warreling van galerijen naar buiten, waar men ontbijten zoû, toen zij
op de trap Gilio ontmoette. De kamenier keerde terug.
--Ik heb nog altijd geleide noodig om mijn weg te vinden, lachte
Cornélie.
Hij bromde wat.
--Hoe heeft u geslapen, prins?
Hij bromde iets.
--Zeg eens, prins, dat booze humeur moet veranderen. Hoort u? Het
_moet_. Ik wil het. Ik wil vandaag geen bouderie meer zien, en hoop,
dat u zoo spoedig mogelijk uw vroolijken, geestigen toon van gesprek
weêr aanneemt, dien ik in u apprecieer.
Hij mopperde iets.
--Adieu, prins, zei Cornélie kort.
En zij keerde op haar weg terug.
--Waar gaat u heen? vroeg hij.
--Naar mijn kamer. Ik zal op mijn kamer ontbijten.
--Maar waarom?
--Omdat u me niet bevalt als gastheer.
--Ik niet?
--Neen, u niet. Gisteren beleedigt u me, ik verdedig mij, u blijft
grof, ik ben dadelijk weêr lief als altijd, geef u een hand en zelfs
een zoen. Aan het diner boudeert u me op een alleronbeleefdste
manier. U gaat naar uw kamer zonder me goeden nacht te wenschen. U
komt me van morgen tegen zonder me te begroeten. U bromt, boudeert en
moppert als een stout kind. Uw oogen staan nijdig, u ziet geel van
galligheid. Bepaald, u ziet er slecht uit. Het flatteert u niets. U is
alleronaangenaamst, grof, onbeleefd, en klein. Ik heb geen lust met u
te ontbijten in zoo een stemming.... En ik ga naar mijn kamer.
--Neen, smeekte hij.
--Jawel.
--Neen, neen.
--Nu wees dan anders. Doe u geweld aan, denk niet meer aan uw
nederlaag, en wees lief tegen me. U doet maar als de beleedigde partij,
terwijl ik de beleedigde ben. Maar ik kan niet boudeeren, en ik ben
niet klein. Ik kan niet klein doen. Ik vergeef u, vergeef mij ook. Zeg
iets liefs, zeg iets aardigs.
--Ik ben dol op u.
--Ik merk er niets van. Als u dol op me is, wees dan vriendelijk,
beleefd, vroolijk en geestig. Ik eisch het van u als van mijn gastheer.
--Ik zal niet meer boudeeren ... maar ik hoû zooveel van u! En u heeft
me geslagen.
--Vergeeft u nooit die zelfverdediging?
--Neen, nooit!
--Adieu, dan.
Zij keerde zich om.
--Neen, neen, ga niet terug. Ga meê naar de pergola, waar wij
ontbijten. Ik vraag u vergiffenis. Ik maak u mijn excuzes. Ik zal niet
grof meer zijn en niet klein. U, u is niet klein. U is de bizonderste
vrouw, die ik ken. Ik aanbid u.
--Aanbid dan in stilte, en amuzeer me.
Zijn oogen, zijn zwarte karbonkeloogen, begonnen weêr op te leven, op
te lachen; zijn gelaat ontrimpelde en klaarde op.
--Ik ben te verdrietig om amuzant te zijn.
--Ik geloof er niets van.
--Heusch, ik heb verdriet, ik lijd....
--Arme prins!
--U gelooft mij maar niet. U neemt me nooit in ernst aan. Ik moet maar
uw clown, uw paljas zijn. En ik heb u lief, en mag niets hopen? Zeg,
mag ik nooit iets hopen?
--Niet veel.
--U is onverbiddelijk, en zoo streng.
--Ik moet wel streng tegen u zijn, u is net een stoute jongen.... O,
daar zie ik de pergola. Dus, u belooft me beterschap?
--Ik zal zoet zijn.
--En amuzant.
Hij zuchtte.
--Povero Gilio! zuchtte hij. Arme paljas!
Zij lachte. In de pergola waren Urania en Bob Hope. De pergola,
begroeid met wijngaard en een roze bruidstraan, die met roze
bloementrossen neêrhing, verhief een rij van marmeren karyatiden en
hermen--nimfen, saters en faunen--wier bovenlijven eindigden in slank
voetstuk van sculptuur en die met opgeheven handen het vlakke blad- en
bloemdak steunden; terwijl in het midden een open rotonde was als een
open tempel, de cirkelbalustrade ook door karyatiden verheven en waar
een antieke sarkofaag tot cisterna was vermetseld. In de pergola was
een tafel gedekt voor het ontbijt; men ontbeet hier zonder den ouden
prins Ercole, ook de marchesa ontbeet op haar kamer. Het was acht uur,
een morgenfrischheid ademde nog op uit het meer, een waas van blauw
fluweel donsde over de heuvelen, waartusschen als in zacht gebogen
cannelures het meer verzonk als een ovalen beker.
--O, wat is het hier mooi! riep Cornélie verrukt.
Het ontbijt was een zonnig en vroolijk maal, na het zwartsombere diner
van gisteren. Urania was vol levendigheid over haar Albergo, die zij
straks met Cornélie zoû bezoeken, Gilio vond zijne beminnelijkheid
terug en Bob at goed. En toen Bob daarna ging fietsen, ging Gilio zelfs
met de dames meê naar de stad. Zij reden stapvoets in een landauer den
slotweg af. De zon werd warmer en het oude stadje blankte op, roomwit
en witgrijs van huizen als steenen spiegels, waarin de zon kaatste;
de pleintjes als putten, waarin de zon gloed goot. Voor het werk van
de albergo hield de koetsier stil, stegen zij uit en de aannemer kwam
plichtplegerig nader, de zweetende metselaars zagen uit naar den prins
en de prinses. Het was smoorheet. Gilio veegde zich telkens het
voorhoofd af, en school achter de parasol van Cornélie. Maar Urania
was éen levendigheid en belangstelling, vlug en energisch in haar wit
piqué pakje, met haar witten matelot onder haar witte parasol, tripte
zij over balken langs stapelingen van baksteen en cement en kalkbakken
met haar aannemer voort, liet zich verklaren en gaf raad, was het niet
altijd eens, en trok een wijs gezicht; zeide, dat die en die afmetingen
haar tegenvielen, geloofde niet wat de aannemer haar verzekerde, dat
naarmate het gebouw vorderde, de afmetingen haar zouden meêvallen,
schudde haar hoofd, drukte dìt op het hart, drukte dàt op het hart,
alles in een vlug, niet geheel correct, en hakkelig Italiaansch,
dat zij kauwde tusschen hare tanden. Maar Cornélie vond haar lief,
vond haar aardig, Cornélie vond haar de prinses di Forte-Braccio. Er
was geen twijfel aan. Terwijl Gilio, bang zijn licht flanellen pak
en gele schoenen te bezoedelen aan de kalk, in de schaduw van haar
parasol bleef, puffende van de warmte, zonder belang, was zijn vrouw
onvermoeid, dacht zij niet, dat haar witte rok een vuilen rand kreeg,
en sprak zij met den aannemer met een zekerheid, levendig maar waardig,
om eerbied voor te hebben. Waar had dat kind dat geleerd? Waar had
zij haar assimilatie-vermogen vandaan? Waar vandaan had zij die liefde
voor San Stefano, die liefde voor zijn armen? Hoe had dat Amerikaansche
meisje dat talent verkregen om hare hooge en nieuwe pozitie zoo goed
te bekleeden? Admirabile!--vond Gilio haar en fluisterde het Cornélie
in. Hij was niet blind voor hare kwaliteiten. Hij vond Urania prachtig,
uitstekend; ze verbaasde hem altijd. Geen Italiaansche vrouw van zijn
kringen zoû zoo geweest zijn. En ze hielden van haar. De bedienden
van het kasteel hielden van haar, Giuseppe zoû voor haar door het
vuur gaan, die aannemer bewonderde haar, de metselaars keken haar met
eerbied na, omdat zij zoo knap was, en er zooveel van wist en zoo goed
was voor hen en hun misère. Admirabile! zei Gilio. Maar hij pufte. Hij
wist niets van steenen, balken en afmetingen en begreep niet, waar
Urania dien technischen blik vandaan had. Zij was onvermoeid. Zij
liep het heele werk door, terwijl hij smeekend naar Cornélie opzag.
En eindelijk, in het Engelsch, bad hij zijn vrouw er nu in godsnaam
meê uit te scheiden. Zij stegen in, de aannemer groette, de werklui
groetten met iets van dankbaarheid en aanhankelijkheid. En ze reden
naar den Dom, dien Cornélie wilde bezichtigen, en waar Gilio, terwijl
Urania haar vriendelijk rondleidde, genade vroeg aan zijn dames, en
op de trappen van het altaar ging zitten, de armen hangende over de
knieën, om te bekoelen.