XXXVI.

Den volgenden morgen leidde Urania's kamenier Cornélie door een

warreling van galerijen naar buiten, waar men ontbijten zoû, toen zij

op de trap Gilio ontmoette. De kamenier keerde terug.

--Ik heb nog altijd geleide noodig om mijn weg te vinden, lachte

Cornélie.

Hij bromde wat.

--Hoe heeft u geslapen, prins?

Hij bromde iets.

--Zeg eens, prins, dat booze humeur moet veranderen. Hoort u? Het

_moet_. Ik wil het. Ik wil vandaag geen bouderie meer zien, en hoop,

dat u zoo spoedig mogelijk uw vroolijken, geestigen toon van gesprek

weêr aanneemt, dien ik in u apprecieer.

Hij mopperde iets.

--Adieu, prins, zei Cornélie kort.

En zij keerde op haar weg terug.

--Waar gaat u heen? vroeg hij.

--Naar mijn kamer. Ik zal op mijn kamer ontbijten.

--Maar waarom?

--Omdat u me niet bevalt als gastheer.

--Ik niet?

--Neen, u niet. Gisteren beleedigt u me, ik verdedig mij, u blijft

grof, ik ben dadelijk weêr lief als altijd, geef u een hand en zelfs

een zoen. Aan het diner boudeert u me op een alleronbeleefdste

manier. U gaat naar uw kamer zonder me goeden nacht te wenschen. U

komt me van morgen tegen zonder me te begroeten. U bromt, boudeert en

moppert als een stout kind. Uw oogen staan nijdig, u ziet geel van

galligheid. Bepaald, u ziet er slecht uit. Het flatteert u niets. U is

alleronaangenaamst, grof, onbeleefd, en klein. Ik heb geen lust met u

te ontbijten in zoo een stemming.... En ik ga naar mijn kamer.

--Neen, smeekte hij.

--Jawel.

--Neen, neen.

--Nu wees dan anders. Doe u geweld aan, denk niet meer aan uw

nederlaag, en wees lief tegen me. U doet maar als de beleedigde partij,

terwijl ik de beleedigde ben. Maar ik kan niet boudeeren, en ik ben

niet klein. Ik kan niet klein doen. Ik vergeef u, vergeef mij ook. Zeg

iets liefs, zeg iets aardigs.

--Ik ben dol op u.

--Ik merk er niets van. Als u dol op me is, wees dan vriendelijk,

beleefd, vroolijk en geestig. Ik eisch het van u als van mijn gastheer.

--Ik zal niet meer boudeeren ... maar ik hoû zooveel van u! En u heeft

me geslagen.

--Vergeeft u nooit die zelfverdediging?

--Neen, nooit!

--Adieu, dan.

Zij keerde zich om.

--Neen, neen, ga niet terug. Ga meê naar de pergola, waar wij

ontbijten. Ik vraag u vergiffenis. Ik maak u mijn excuzes. Ik zal niet

grof meer zijn en niet klein. U, u is niet klein. U is de bizonderste

vrouw, die ik ken. Ik aanbid u.

--Aanbid dan in stilte, en amuzeer me.

Zijn oogen, zijn zwarte karbonkeloogen, begonnen weêr op te leven, op

te lachen; zijn gelaat ontrimpelde en klaarde op.

--Ik ben te verdrietig om amuzant te zijn.

--Ik geloof er niets van.

--Heusch, ik heb verdriet, ik lijd....

--Arme prins!

--U gelooft mij maar niet. U neemt me nooit in ernst aan. Ik moet maar

uw clown, uw paljas zijn. En ik heb u lief, en mag niets hopen? Zeg,

mag ik nooit iets hopen?

--Niet veel.

--U is onverbiddelijk, en zoo streng.

--Ik moet wel streng tegen u zijn, u is net een stoute jongen.... O,

daar zie ik de pergola. Dus, u belooft me beterschap?

--Ik zal zoet zijn.

--En amuzant.

Hij zuchtte.

--Povero Gilio! zuchtte hij. Arme paljas!

Zij lachte. In de pergola waren Urania en Bob Hope. De pergola,

begroeid met wijngaard en een roze bruidstraan, die met roze

bloementrossen neêrhing, verhief een rij van marmeren karyatiden en

hermen--nimfen, saters en faunen--wier bovenlijven eindigden in slank

voetstuk van sculptuur en die met opgeheven handen het vlakke blad- en

bloemdak steunden; terwijl in het midden een open rotonde was als een

open tempel, de cirkelbalustrade ook door karyatiden verheven en waar

een antieke sarkofaag tot cisterna was vermetseld. In de pergola was

een tafel gedekt voor het ontbijt; men ontbeet hier zonder den ouden

prins Ercole, ook de marchesa ontbeet op haar kamer. Het was acht uur,

een morgenfrischheid ademde nog op uit het meer, een waas van blauw

fluweel donsde over de heuvelen, waartusschen als in zacht gebogen

cannelures het meer verzonk als een ovalen beker.

--O, wat is het hier mooi! riep Cornélie verrukt.

Het ontbijt was een zonnig en vroolijk maal, na het zwartsombere diner

van gisteren. Urania was vol levendigheid over haar Albergo, die zij

straks met Cornélie zoû bezoeken, Gilio vond zijne beminnelijkheid

terug en Bob at goed. En toen Bob daarna ging fietsen, ging Gilio zelfs

met de dames meê naar de stad. Zij reden stapvoets in een landauer den

slotweg af. De zon werd warmer en het oude stadje blankte op, roomwit

en witgrijs van huizen als steenen spiegels, waarin de zon kaatste;

de pleintjes als putten, waarin de zon gloed goot. Voor het werk van

de albergo hield de koetsier stil, stegen zij uit en de aannemer kwam

plichtplegerig nader, de zweetende metselaars zagen uit naar den prins

en de prinses. Het was smoorheet. Gilio veegde zich telkens het

voorhoofd af, en school achter de parasol van Cornélie. Maar Urania

was éen levendigheid en belangstelling, vlug en energisch in haar wit

piqué pakje, met haar witten matelot onder haar witte parasol, tripte

zij over balken langs stapelingen van baksteen en cement en kalkbakken

met haar aannemer voort, liet zich verklaren en gaf raad, was het niet

altijd eens, en trok een wijs gezicht; zeide, dat die en die afmetingen

haar tegenvielen, geloofde niet wat de aannemer haar verzekerde, dat

naarmate het gebouw vorderde, de afmetingen haar zouden meêvallen,

schudde haar hoofd, drukte dìt op het hart, drukte dàt op het hart,

alles in een vlug, niet geheel correct, en hakkelig Italiaansch,

dat zij kauwde tusschen hare tanden. Maar Cornélie vond haar lief,

vond haar aardig, Cornélie vond haar de prinses di Forte-Braccio. Er

was geen twijfel aan. Terwijl Gilio, bang zijn licht flanellen pak

en gele schoenen te bezoedelen aan de kalk, in de schaduw van haar

parasol bleef, puffende van de warmte, zonder belang, was zijn vrouw

onvermoeid, dacht zij niet, dat haar witte rok een vuilen rand kreeg,

en sprak zij met den aannemer met een zekerheid, levendig maar waardig,

om eerbied voor te hebben. Waar had dat kind dat geleerd? Waar had

zij haar assimilatie-vermogen vandaan? Waar vandaan had zij die liefde

voor San Stefano, die liefde voor zijn armen? Hoe had dat Amerikaansche

meisje dat talent verkregen om hare hooge en nieuwe pozitie zoo goed

te bekleeden? Admirabile!--vond Gilio haar en fluisterde het Cornélie

in. Hij was niet blind voor hare kwaliteiten. Hij vond Urania prachtig,

uitstekend; ze verbaasde hem altijd. Geen Italiaansche vrouw van zijn

kringen zoû zoo geweest zijn. En ze hielden van haar. De bedienden

van het kasteel hielden van haar, Giuseppe zoû voor haar door het

vuur gaan, die aannemer bewonderde haar, de metselaars keken haar met

eerbied na, omdat zij zoo knap was, en er zooveel van wist en zoo goed

was voor hen en hun misère. Admirabile! zei Gilio. Maar hij pufte. Hij

wist niets van steenen, balken en afmetingen en begreep niet, waar

Urania dien technischen blik vandaan had. Zij was onvermoeid. Zij

liep het heele werk door, terwijl hij smeekend naar Cornélie opzag.

En eindelijk, in het Engelsch, bad hij zijn vrouw er nu in godsnaam

meê uit te scheiden. Zij stegen in, de aannemer groette, de werklui

groetten met iets van dankbaarheid en aanhankelijkheid. En ze reden

naar den Dom, dien Cornélie wilde bezichtigen, en waar Gilio, terwijl

Urania haar vriendelijk rondleidde, genade vroeg aan zijn dames, en

op de trappen van het altaar ging zitten, de armen hangende over de

knieën, om te bekoelen.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 48 / 67 题