XXXV.

Zij waren in de groote sombere eetzaal, met de bijna zwarte arazzi, met

het bijna zwarte plafond in caissons, met al het bijna zwarte eiken

beeldhouwwerk; met de zwarte monumentale schouw; er boven, in zwart

marmer, het familiewapen. Het kaarsenlicht van twee groote zilveren

luchters op tafel gaf alleen wat schijn over het damast en kristal,

maar verder bleef de te groote zaal in een sombere duisternis van

schaduw, in de hoeken opgehoopt met massa's dikke schaduw, dunnere

schaduw van het plafond wazende af, als eene vervluchtiging van donker

fluweel, dat boven den kaarsenschijn in atomen rondzweefde. De antieke

oudheid van San Stefano drukte hier zwaar neêr als een ontzag, tegelijk

met een melancholie van zwart zwijgen en zwarten hoogmoed. Hier

klonken de woorden gedempt. Dit was nog geheel gebleven als het altijd

geweest was, dit was als iets heiligs van hunne voorname traditie, en

waaraan Urania niets zoû durven veranderen, als dorst zij er bijna

niet spreken en eten. Men wachtte een oogenblik, toen een dubbele deur

werd geopend. En als een schim trad binnen een groote oude grijze man,

die zijn arm gestoken had door den arm van den geestelijke naast hem.

De oude prins Ercole kwam heel langzaam en waardig nader, terwijl de

kapelaan zijn tred regelde naar die langzame waardigheid. Hij droeg

een lange zwarte jas van een ouden ruimen snit, die in plooien om hem

hing met iets van een tabbaard, en op zijn glinsterend grijze haren,

even golvend in den nek, een zwart fluweelen kalot. En men naderde hem

met heel veel eerbied. De marchesa eerst, toen Urania, die hij heel

langzaam--als wijdde hij haar--een kus gaf op het voorhoofd; toen

naderde hem Gilio en kuste zijn vader onderdanig de hand. De grijsaard

knikte den jongen Hope toe, die boog en wendde zijn blik naar Cornélie.

Urania stelde haar voor. En als verleende hij een audientie, sprak de

oude prins haar enkele minzame woorden toe en vroeg haar of Italië

haar beviel. Toen Cornélie geantwoord had, ging prins Ercole zitten

en gaf zijn kalot aan Giuseppe, die haar diep buigend aannam. Daarop

zetten zich allen: de marchesa met den kapelaan over prins Ercole, die

tusschen Cornélie en Urania zat, Gilio naast Cornélie, Bob Hope naast

zijne zuster.

--Mijn kuiten zijn niet te zien, fluisterde hij zijn zuster toe.

--Cht! zeide Urania.

Giuseppe, herlevende in zijn oude waardigheid, vulde aan een dressoir,

plechtstatig, de borden met soep. Hij vond zich hier in zijn element

terug; hij was zichtbaar Urania dankbaar; hij had een trek van

voornamen zielevrede en zag er in zijn rok uit als een oude diplomaat.

Hij amuzeerde Cornélie, die dacht aan Belloni, als hij ongeduldig

werd, omdat de gasten niet kwamen, als hij uitvaarde tegen de jonge

blanc-becs van kellners, die de marchesa voor de goedkoopte in dienst

nam. Toen twee lakeien de soep hadden rondgediend, stond de kapelaan

op, en zei het Benedicite. Er werd nog geen woord gesproken. Men at

de soep in stilte, terwijl de drie bedienden onbewegelijk stonden.

De lepels tikkelden tegen het porcelein en de marchesa smakte. De

luchters trillerden nu en dan en van het plafond viel drukkender de

schaduw, als vervluchtiging van fluweel Toen wendde prins Ercole

zich tot de marchesa. En beurtelings wendde hij zich tot iedereen

met een vriendelijk neêrbuigende waardigheid, in het Fransch, in het

Italiaansch. Het gesprek werd iets algemeener, maar de oude prins bleef

het leiden. En hij was heel vriendelijk tegen Urania, merkte Cornélie

op.... Maar Cornélie herinnerde zich Gilio's woorden: papa heeft

bijna een beroerte gehad, omdat de oude Hope op Urania's bruidschat

beknibbelde. Tien millioen? Vijf millioen? Geen drie millioen! Dollars?

Lires!! En de oude prins scheen haar eensklaps toe als het vergrijsd

egoïsme van San Stefano's glorie en adelhoogmoed, scheen haar toe de

levende schim dier opschaduwing van verleden, zooals zij het dien

middag gevoeld had, starende met Urania in het diepe, blauwe meer:

de veel eischende schim; de millioenen eischende schim, de nieuwe

levensvatbaarheid eischende schim; spectrale paraziet, die zijn

gedeprecieerde symbolen verkocht had aan de ijdelheid van een nieuw

koopmanshuis, maar in zijn voornaamheid niet had opgekund tegen de

slimheid van den koopman. Hun prinsesse- en hertoginnetitel voor nog

geen drie millioen lire's! Papa had bijna een beroerte gehad ... had

Gilio gezegd. En Cornélie, in de afgemeten minzame stijfte van het door

prins Ercole geleide gesprek, zag van den ouden prins-hertog,--zeventig

jaar--, naar den jongen frisschen Far-Wester--achttien, en zag van hem

naar prins Gilio: de hoop van het oude geslacht, hun eenige hoop. Hier,

in de somberheid van die eetzaal, waar hij zich verveelde, bovendien

nog uit zijn humeur, zag zij hem klein, nietig, dunnetjes, een schraal,

gedistingeerd viveurtje; zijn karbonkeloogen, die vroolijk, pervers

geestig schitteren konden, zagen nu mat onder de vallende oogleden uit

op zijn bord, waarin hij lusteloos pikte.

Zij kreeg medelijden met hem, en zij dacht aan de gouden

bruidskamer.... Zij minachtte hem een beetje. Zij beschouwde hem niet

als een man, hij kon niet wat hij wilde: zij beschouwde hem meer als

een stouten jongen. En hij moest jaloersch zijn van Bob, dacht zij:

van zijn frisch bloed, dat tintelde onder zijn wangen, van zijn breede

schouders en zijn breede borst. Maar toch, hij amuzeerde haar. Aardig

kon hij zijn, vroolijk en geestig, en vlug, als hij was opgewekt,

vlug in zijn woorden, in zijn geest. Zij hield wel van hem. En dan

zijn goed hart. De armband en vooral de duizend lire. Zij dacht er

steeds aan met aandoening; hoe was zij aangedaan geweest, tijdens die

wandeling, voorbij de post heen en weêr; aangedaan om zijn brief en

om zijn royale hulp. Hij had geen fond, hij was haar geen man: maar

hij was geestig en had een zeer goed hart. Zij hield van hem, als van

een vriend en prettig kameraad. Wat was hij neêrgeslagen en uit zijn

humeur. Maar waarom waagde hij zich dan ook aan die dwaze attaques...!

Zij richtte nu en dan het woord tot hem, maar zij vermocht hem niet op

te wekken. Trouwens, het gesprek sleepte stijf en minzaam voort, steeds

geleid door prins Ercole. Het diner liep ten einde en prins Ercole rees

op. Uit de handen van Giuseppe ontving hij zijn kalot, allen namen

afscheid van hem, de deuren werden geopend en, aan den arm van zijn

kapelaan, trok prins Ercole zich terug. Gilio, boos, verdween. De

marchesa, nog rillende voor Cornélie, verdween en wees, in haar japon,

de gettatura naar haar toe. En Urania nam Cornélie en Bob meê terug

naar haar salon. Zij herademden alle drie. Zij spraken vrij uit, in

het Engelsch nu: de jongen zei wanhopig, dat hij niet genoeg at, dat

hij niet dorst eten tot zijn honger gestild was, en Cornélie lachte,

hem prettig vindend, om zijn gezondheid, terwijl Urania beschuitjes

voor hem zocht en een stuk cake, van de tea nog over, en hem brood en

vleesch beloofde, voor zij naar bed zouden gaan. En zij ontspanden hun

gemoed na het plechtstatige middagmaal. Urania zei, dat zij den ouden

prins anders nooit zagen, dan aan het diner, maar zij zocht hem 's

morgens altijd op, bleef een uurtje met hem spreken of speelde met hem

schaak. Anders speelde hij schaak met den kapelaan. Zij had het druk,

Urania. De reorganizatie der huishouding, indertijd overgelaten aan

een arme bloedverwante, die nu in Rome van een pensioen leefde, kostte

haar veel tijd: zij besprak in de morgenuren van détails met prins

Ercole, die, niettegenstaande zijne afzondering, van alles op de hoogte

was. Dan had zij de beraadslagingen met haar Romeinschen architect

over de restauraties van het kasteel: zij hadden soms plaats in het

kabinet van den ouden prins. Dan liet zij in de stad een groot gesticht

bouwen, een Albergo dei Poveri, waarvoor de oude Hope haar afzonderlijk

doteerde: gesticht voor oude mannen en vrouwen. Toen zij voor het eerst

te San Stefano kwam, hadden haar getroffen de vervallen, in elkaâr

stortende huizen en huisjes der arme wijken, melaatsch en schurftig

van vuil, opgegeten door hun eigen gebrek, waar een geheele bevolking

planteleefde als paddestoelen. Zij liet nu bouwen het gesticht voor de

ouden, zij bezorgde op het domein werk aan de gezonden en jongen, zij

bemoeide zich met de verwaarloosde kinderen, zij had een nieuwe school

opgericht. Zij sprak over dit alles doodeenvoudig, de cake snijdende

voor haar broêr Bob, die zich te goed deed na de etiquette van het

diner. Zij noodigde Cornélie 's morgens eens meê te gaan naar het werk

van de Albergo, naar de nieuwe school, onder twee geestelijken van

Rome, haar door de monsignori aanbevolen.--

Door de spitsboogramen schemerde in de diepte de stad, en onder den

zoelen, met starren bezaaiden, zomernacht, rees de silhouet van den Dom

omhoog. En Cornélie dacht: het is niet alleen voor schim en schaduw,

dat zij hier is gekomen, de rijke Amerikaansche, die adel zoo lief

vond--"so nice"--het kind, dat staaltjes verzamelde van de baljaponnen

der koningin--album, dat zij nu als "zwarte" prinses verborg--het

meisje, dat met haar licht laken tailorpak trippelde door het Forum,

en niet begreep noch oud Rome, noch nieuw dagende toekomst....

En nu Cornélie door de stille zware nacht van het kasteel van San

Stefano ging naar haar eigen kamer, dacht zij: ik schrijf, maar zij

doet. Ik droom en ik denk, maar zij, zij leert de kinderen, al is het

met een priester; zij voedt en huisvest oude mannen en vrouwen.

Toen, in haar kamer, uitziende naar het meer onder den zomernacht,

bepoeierd met sterren, dacht zij na, dat zij ook gaarne rijk zoû willen

zijn en een groot arbeidsveld zoû willen hebben. Want nu had zij geen

veld, nu had zij geen geld, en nu ... nu verlangde zij alleen naar

Duco, en moest hij haar niet te lang alleen laten, op dit kasteel, in

al deze sombere grootheid, die op haar drukte als met eeuwen.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 47 / 67 题