Zij waren in de groote sombere eetzaal, met de bijna zwarte arazzi, met
het bijna zwarte plafond in caissons, met al het bijna zwarte eiken
beeldhouwwerk; met de zwarte monumentale schouw; er boven, in zwart
marmer, het familiewapen. Het kaarsenlicht van twee groote zilveren
luchters op tafel gaf alleen wat schijn over het damast en kristal,
maar verder bleef de te groote zaal in een sombere duisternis van
schaduw, in de hoeken opgehoopt met massa's dikke schaduw, dunnere
schaduw van het plafond wazende af, als eene vervluchtiging van donker
fluweel, dat boven den kaarsenschijn in atomen rondzweefde. De antieke
oudheid van San Stefano drukte hier zwaar neêr als een ontzag, tegelijk
met een melancholie van zwart zwijgen en zwarten hoogmoed. Hier
klonken de woorden gedempt. Dit was nog geheel gebleven als het altijd
geweest was, dit was als iets heiligs van hunne voorname traditie, en
waaraan Urania niets zoû durven veranderen, als dorst zij er bijna
niet spreken en eten. Men wachtte een oogenblik, toen een dubbele deur
werd geopend. En als een schim trad binnen een groote oude grijze man,
die zijn arm gestoken had door den arm van den geestelijke naast hem.
De oude prins Ercole kwam heel langzaam en waardig nader, terwijl de
kapelaan zijn tred regelde naar die langzame waardigheid. Hij droeg
een lange zwarte jas van een ouden ruimen snit, die in plooien om hem
hing met iets van een tabbaard, en op zijn glinsterend grijze haren,
even golvend in den nek, een zwart fluweelen kalot. En men naderde hem
met heel veel eerbied. De marchesa eerst, toen Urania, die hij heel
langzaam--als wijdde hij haar--een kus gaf op het voorhoofd; toen
naderde hem Gilio en kuste zijn vader onderdanig de hand. De grijsaard
knikte den jongen Hope toe, die boog en wendde zijn blik naar Cornélie.
Urania stelde haar voor. En als verleende hij een audientie, sprak de
oude prins haar enkele minzame woorden toe en vroeg haar of Italië
haar beviel. Toen Cornélie geantwoord had, ging prins Ercole zitten
en gaf zijn kalot aan Giuseppe, die haar diep buigend aannam. Daarop
zetten zich allen: de marchesa met den kapelaan over prins Ercole, die
tusschen Cornélie en Urania zat, Gilio naast Cornélie, Bob Hope naast
zijne zuster.
--Mijn kuiten zijn niet te zien, fluisterde hij zijn zuster toe.
--Cht! zeide Urania.
Giuseppe, herlevende in zijn oude waardigheid, vulde aan een dressoir,
plechtstatig, de borden met soep. Hij vond zich hier in zijn element
terug; hij was zichtbaar Urania dankbaar; hij had een trek van
voornamen zielevrede en zag er in zijn rok uit als een oude diplomaat.
Hij amuzeerde Cornélie, die dacht aan Belloni, als hij ongeduldig
werd, omdat de gasten niet kwamen, als hij uitvaarde tegen de jonge
blanc-becs van kellners, die de marchesa voor de goedkoopte in dienst
nam. Toen twee lakeien de soep hadden rondgediend, stond de kapelaan
op, en zei het Benedicite. Er werd nog geen woord gesproken. Men at
de soep in stilte, terwijl de drie bedienden onbewegelijk stonden.
De lepels tikkelden tegen het porcelein en de marchesa smakte. De
luchters trillerden nu en dan en van het plafond viel drukkender de
schaduw, als vervluchtiging van fluweel Toen wendde prins Ercole
zich tot de marchesa. En beurtelings wendde hij zich tot iedereen
met een vriendelijk neêrbuigende waardigheid, in het Fransch, in het
Italiaansch. Het gesprek werd iets algemeener, maar de oude prins bleef
het leiden. En hij was heel vriendelijk tegen Urania, merkte Cornélie
op.... Maar Cornélie herinnerde zich Gilio's woorden: papa heeft
bijna een beroerte gehad, omdat de oude Hope op Urania's bruidschat
beknibbelde. Tien millioen? Vijf millioen? Geen drie millioen! Dollars?
Lires!! En de oude prins scheen haar eensklaps toe als het vergrijsd
egoïsme van San Stefano's glorie en adelhoogmoed, scheen haar toe de
levende schim dier opschaduwing van verleden, zooals zij het dien
middag gevoeld had, starende met Urania in het diepe, blauwe meer:
de veel eischende schim; de millioenen eischende schim, de nieuwe
levensvatbaarheid eischende schim; spectrale paraziet, die zijn
gedeprecieerde symbolen verkocht had aan de ijdelheid van een nieuw
koopmanshuis, maar in zijn voornaamheid niet had opgekund tegen de
slimheid van den koopman. Hun prinsesse- en hertoginnetitel voor nog
geen drie millioen lire's! Papa had bijna een beroerte gehad ... had
Gilio gezegd. En Cornélie, in de afgemeten minzame stijfte van het door
prins Ercole geleide gesprek, zag van den ouden prins-hertog,--zeventig
jaar--, naar den jongen frisschen Far-Wester--achttien, en zag van hem
naar prins Gilio: de hoop van het oude geslacht, hun eenige hoop. Hier,
in de somberheid van die eetzaal, waar hij zich verveelde, bovendien
nog uit zijn humeur, zag zij hem klein, nietig, dunnetjes, een schraal,
gedistingeerd viveurtje; zijn karbonkeloogen, die vroolijk, pervers
geestig schitteren konden, zagen nu mat onder de vallende oogleden uit
op zijn bord, waarin hij lusteloos pikte.
Zij kreeg medelijden met hem, en zij dacht aan de gouden
bruidskamer.... Zij minachtte hem een beetje. Zij beschouwde hem niet
als een man, hij kon niet wat hij wilde: zij beschouwde hem meer als
een stouten jongen. En hij moest jaloersch zijn van Bob, dacht zij:
van zijn frisch bloed, dat tintelde onder zijn wangen, van zijn breede
schouders en zijn breede borst. Maar toch, hij amuzeerde haar. Aardig
kon hij zijn, vroolijk en geestig, en vlug, als hij was opgewekt,
vlug in zijn woorden, in zijn geest. Zij hield wel van hem. En dan
zijn goed hart. De armband en vooral de duizend lire. Zij dacht er
steeds aan met aandoening; hoe was zij aangedaan geweest, tijdens die
wandeling, voorbij de post heen en weêr; aangedaan om zijn brief en
om zijn royale hulp. Hij had geen fond, hij was haar geen man: maar
hij was geestig en had een zeer goed hart. Zij hield van hem, als van
een vriend en prettig kameraad. Wat was hij neêrgeslagen en uit zijn
humeur. Maar waarom waagde hij zich dan ook aan die dwaze attaques...!
Zij richtte nu en dan het woord tot hem, maar zij vermocht hem niet op
te wekken. Trouwens, het gesprek sleepte stijf en minzaam voort, steeds
geleid door prins Ercole. Het diner liep ten einde en prins Ercole rees
op. Uit de handen van Giuseppe ontving hij zijn kalot, allen namen
afscheid van hem, de deuren werden geopend en, aan den arm van zijn
kapelaan, trok prins Ercole zich terug. Gilio, boos, verdween. De
marchesa, nog rillende voor Cornélie, verdween en wees, in haar japon,
de gettatura naar haar toe. En Urania nam Cornélie en Bob meê terug
naar haar salon. Zij herademden alle drie. Zij spraken vrij uit, in
het Engelsch nu: de jongen zei wanhopig, dat hij niet genoeg at, dat
hij niet dorst eten tot zijn honger gestild was, en Cornélie lachte,
hem prettig vindend, om zijn gezondheid, terwijl Urania beschuitjes
voor hem zocht en een stuk cake, van de tea nog over, en hem brood en
vleesch beloofde, voor zij naar bed zouden gaan. En zij ontspanden hun
gemoed na het plechtstatige middagmaal. Urania zei, dat zij den ouden
prins anders nooit zagen, dan aan het diner, maar zij zocht hem 's
morgens altijd op, bleef een uurtje met hem spreken of speelde met hem
schaak. Anders speelde hij schaak met den kapelaan. Zij had het druk,
Urania. De reorganizatie der huishouding, indertijd overgelaten aan
een arme bloedverwante, die nu in Rome van een pensioen leefde, kostte
haar veel tijd: zij besprak in de morgenuren van détails met prins
Ercole, die, niettegenstaande zijne afzondering, van alles op de hoogte
was. Dan had zij de beraadslagingen met haar Romeinschen architect
over de restauraties van het kasteel: zij hadden soms plaats in het
kabinet van den ouden prins. Dan liet zij in de stad een groot gesticht
bouwen, een Albergo dei Poveri, waarvoor de oude Hope haar afzonderlijk
doteerde: gesticht voor oude mannen en vrouwen. Toen zij voor het eerst
te San Stefano kwam, hadden haar getroffen de vervallen, in elkaâr
stortende huizen en huisjes der arme wijken, melaatsch en schurftig
van vuil, opgegeten door hun eigen gebrek, waar een geheele bevolking
planteleefde als paddestoelen. Zij liet nu bouwen het gesticht voor de
ouden, zij bezorgde op het domein werk aan de gezonden en jongen, zij
bemoeide zich met de verwaarloosde kinderen, zij had een nieuwe school
opgericht. Zij sprak over dit alles doodeenvoudig, de cake snijdende
voor haar broêr Bob, die zich te goed deed na de etiquette van het
diner. Zij noodigde Cornélie 's morgens eens meê te gaan naar het werk
van de Albergo, naar de nieuwe school, onder twee geestelijken van
Rome, haar door de monsignori aanbevolen.--
Door de spitsboogramen schemerde in de diepte de stad, en onder den
zoelen, met starren bezaaiden, zomernacht, rees de silhouet van den Dom
omhoog. En Cornélie dacht: het is niet alleen voor schim en schaduw,
dat zij hier is gekomen, de rijke Amerikaansche, die adel zoo lief
vond--"so nice"--het kind, dat staaltjes verzamelde van de baljaponnen
der koningin--album, dat zij nu als "zwarte" prinses verborg--het
meisje, dat met haar licht laken tailorpak trippelde door het Forum,
en niet begreep noch oud Rome, noch nieuw dagende toekomst....
En nu Cornélie door de stille zware nacht van het kasteel van San
Stefano ging naar haar eigen kamer, dacht zij: ik schrijf, maar zij
doet. Ik droom en ik denk, maar zij, zij leert de kinderen, al is het
met een priester; zij voedt en huisvest oude mannen en vrouwen.
Toen, in haar kamer, uitziende naar het meer onder den zomernacht,
bepoeierd met sterren, dacht zij na, dat zij ook gaarne rijk zoû willen
zijn en een groot arbeidsveld zoû willen hebben. Want nu had zij geen
veld, nu had zij geen geld, en nu ... nu verlangde zij alleen naar
Duco, en moest hij haar niet te lang alleen laten, op dit kasteel, in
al deze sombere grootheid, die op haar drukte als met eeuwen.