XXXIV.

Urania vroeg Cornélie binnen te komen, omdat het nu niet gezond was

buiten, in de mist-uitwademing van het meer, met het ondergaan van de

zon. De marchesa groette koel, stijf, knipte hare oogen dicht en deed

of zij zich Cornélie niet heel goed herinnerde.

--Ik kan me dat begrijpen, zei Cornélie, vinnig glimlachend. U ziet

zoo iederen dag andere locataires in uw pension, en ik ben veel korter

gebleven, dan u eigenlijk wel rekende. Ik hoop, dat mijn kamers weêr

gauw genomen zijn en u geen schade heeft gehad door mijn vertrek,

marchesa?

De marchesa Belloni keek haar in stomme verbazing aan. Zij was hier,

op San Stefano, in haar element van markiezin; zij, de schoonzuster

van den ouden prins, sprak hier nooit over haar vreemdelingen-pension;

zij ontmoette hier nooit hare gasten van Rome, die alleen als toeristen

op bepaalde uren het kasteel wel eens bezochten, terwijl zij, de

marchesa, enkele weken er haar zomervilligiatura doorbracht. Zij had

hier ook afgelegd hare smedigheid van kille kamers aan te prijzen, haar

handelstact van zooveel te vragen als zij maar dorst. Zij droeg hier

haar gefrizeerden leeuwenkop met een hooge waardigheid en zij droeg wel

hare kristallen brillanten in de ooren, maar een glimmend nieuw zijden

spencer om haar ampelen boezem. Zij kon het niet helpen, dat zij, een

geboren gravin, zij, de marchesa Belloni,--de markies was een broêr

geweest van de overleden prinses--geene distinctie had, trots al hare

kwartieren, maar zij voelde zich toch, die zij was, aristocrate. De

kennissen, de monsignori, die zij wel eens op San Stefano ontmoette,

verbloemden in hun gesprekken het pension Belloni, en noemden het

palazzo Belloni.

--O ja, zeide zij eindelijk, met haar voornaam knippende oogen, heel

koel. Nu herinner ik mij u ... hoewel ik uw naam ben vergeten.... Een

vriendin van de prinses Urania, niet waar? Het doet mij pleizier u

terug te zien, erg veel pleizier....

--En wat zegt u van het huwelijk van uw vriendin? vroeg zij, terwijl

zij een oogenblik naast Cornélie de trap opging, tusschen de marmeren

kandelabers van Mino da Fiesole. Gilio, nog boos en rood, en niet door

den kus gekalmeerd, had zich verwijderd en Urania was hen vlug vooruit

geloopen.

De marchesa wist van Cornélie's eerste tegenwerking, van haar vroegere

raadgevingen aan Urania, en zij was er zeker van, dat Cornélie zoo had

gedaan had, omdat zij voor zichzelve aan Gilio gedacht had. In hare

vraag klonk ironie en triomf.

--Dat het in den hemel besloten was, antwoordde Cornélie, ook ironisch.

Ik geloof, dat er op dit huwelijk een zegen rust.

--De zegen van Zijne Heiligheid, zei de marchesa naïef, niet begrijpend.

--Natuurlijk; de zegen van Zijne Heiligheid,... en de zegen van den

Hemel....

--Ik dacht, dat u niet godsdienstig was?

--Soms.... Als ik over hun huwelijk denk, word ik zeer godsdienstig.

Wat een rust voor de ziel van de prinses Urania, dat zij Katholiek is

geworden. Wat een geluk voor haar leven, dat zij il caro Gilio heeft

getrouwd. Er is toch nog geluk en vrede in het leven.

De marchesa vermoedde vaag iets van haar spot, en vond haar een

gevaarlijke vrouw.

--En u, heeft onze godsdienst geen bekoring voor u?

--Heel veel! Ik heb veel gevoel voor mooie kerken en schilderijen. Maar

dat is een artistieke opvatting. U zal dat wel niet begrijpen, want ik

geloof niet, dat u artistiek is, marchesa? En ook het huwelijk heeft

bekoring voor me, een huwelijk als dat van Urania. Zoû u mij ook niet

eens kunnen helpen, marchesa? Dan blijf ik een heelen winter in uw

pension, en, wie weet, dan word ik misschien nog wel Katholiek ook....

U zoû voor mij Rudyard nog wel eens kunnen probeeren, en als dat niet

ging, de twee monsignori.... Dan word ik het zeker.... En winstgevend

zoû het zeker zijn.

De marchesa zag haar hoog, wit van woede aan.

--Winstgevend....

--Als u mij een Italiaanschen titel bezorgt, maar met geld, zeker zoû

dat winstgevend zijn.

--Hoe meent u?

--Vraag dat maar eens aan den ouden prins en aan de monsignori,

marchesa....

--Wat weet u?! Wat denkt u?

--Ik? Niets! antwoordde Cornélie koel. Maar ik heb een double vue. Ik

zie soms in eens iets.... Hoû mij dus maar te vriend, en doe niet meer,

of u uw oude locataires vergeet.... Is hier de kamer van de prinses

Urania? Gaat u eerst binnen, marchesa: na u....

De marchesa trad rillende binnen: zij dacht aan duivelarij. Hoe wist

die vrouw _iets_ van haar onderhandelingen met den ouden prins en de

monsignori? Hoe vermoedde zij, dat het huwelijk van Urania en hare

bekeering haar eenige tienduizend lire's had aangebracht?

Zij had niet alleen een les gehad: zij rilde, zij was bang. Was die

vrouw dan de duivel? Had zij de mal' occhio? En de marchesa maakte

in de plooien van haar japon met pink en wijsvinger de bezwering der

gettatura, en lispelde: vade retro, satanas....

In haar eigen salon schonk Urania thee. Het vertrek zag met drie

spitsboogvensters uit op de stad en den antieken Dom, die in een oranje

weêrkaatsing van laatste zonnelicht even opleefde uit zijn grauwe stof

der eeuwen met de onduidelijke wemeling van zijn heiligen, profeten en

engelen. De kamer, behangen met mooie arazzi, een allegorie van den

Overvloed,--nimfen met uitstortende hoornen van overvloed--was half

antiek, half modern, niet overal goed van smaak en zuiver van toon, met

enkele afschuwelijke banaal moderne ornamenten, een enkel schreeuwend

modern comfort, maar toch gezellig, bewoond, en Urania's home. Een

jonge man rees op en Urania stelde hem Cornélie voor als haar broêr.

De jonge Hope was een stevige frissche jongen van achttien jaar; hij

droeg nog zijn fietspak: het mocht wel, zeide zijn zuster, om even een

kop thee te drinken. Zij streelde hem lachend over zijn kortharigen

ronden kop en gaf hem, met vergunning der dames, het eerst zijn kopje:

dan zoû hij zich verkleeden. Hij zat er zoo vreemd, zoo nieuw, en zoo

gezond, met zijn frisch roze teint, zijn breede borst, zijn sterke

handen en stevige kuiten, zijn jeugd van jongen Yankee-boer, die, trots

de millioenen van vader Hope, werkte op zijn hoeve, daar ver in de Far

West, om zelve fortuin te maken; hij zat er zoo vreemd, op dat oude

San Stefano, in het gezicht van dien streng symbolischen Dom, tegen

dien achtergrond van antieke arrazi, en nog vreemder trof Cornélie

eensklaps, de jonge nieuwe prinses.... Haar naam, haar Amerikaansche

naam van Urania klonk goed: de prinses Urania, dat kreeg eensklaps een

zeer goeden klank.... Maar het jonge vrouwtje, een beetje bleek, een

beetje weemoedig, met haar Yankee-Engelsch tusschen de tanden, scheen

haar eensklaps zoo niet op haar plaats in die vertaande glorie der

San Stefano's.... Cornélie vergat telkens, dat zij was de prinses di

Forte-Braccio: zij zag haar altijd als miss Hope. En toch had Urania

een tact, een gemakkelijkheid, een assimilatie-vermogen; heel groot.

Gilio was binnengekomen, en de enkele woorden, die zij sprak tegen

haar man, waren, natuurlijk weg, waardig bijna, en toch, voor Cornélie

met een klank van zich schikkende ontgoocheling, die haar Urania deed

beklagen. Zij had van den begin af voor Urania een vage sympathie

gevoeld: nu voelde zij inniger genegenheid. Zij had medelijden met dat

kind, de prinses Urania. Gilio was slordig koel tegen haar, de marchesa

neêrbuigend beschermend. En dan die ontzettende eenzaamheid, rondom

haar, van al die vervallen grootheid. Zij streelde haar jongen broêr

over het hoofd. Zij bedierf hem, vroeg of zijn thee goed was en propte

hem vol met sandwiches, omdat hij honger had na zijn fietstoer. Zij had

hem nu bij zich als iets van huis, als iets van Chicago: zij klampte

zich bijna aan hem.... Maar verder was rondom haar de neêrdrukkende

melancholie van het immense kasteel, de verwaarloosde glorie van zijn

oud-meesterlijke kunstpracht, de laatdunkendheid van dien adelhoogmoed,

die haar niet van noode had, maar wel haar millioenen. En voor Cornélie

verloor zij alle belachelijkheid van Amerikaansche parvenue; en kreeg

zij integendeel iets tragisch van jeugdig slachtoffer. Wat zaten zij er

vreemd, zij, de jonge prinses en haar broêr, met zijn stevige kuiten!

Urania toonde haar portefeuille met platen en teekeningen: ideeën van

een jongen architect uit Rome voor restauratie's van het kasteel.

En Urania wond zich op, een kleur kwam op haar wangen toen Cornélie

haar vroeg of zooveel restauratie wel mooi zoû zijn? Zij verdedigde

haar architect. Gilio rookte onverschillig cigaretten en was uit zijn

humeur. De marchesa zat als een idool, met haar leeuwenkop, waar de

oorkristallen flonkerden. Zij was bang voor Cornélie en beloofde zich

op haar hoede te zijn. Een hofmeester kwam aankondigen aan de prinses,

dat het diner gereed was. En Cornélie herkende in hem den ouden

Giuseppe van het pension Belloni, de oude aartshertogelijke hofmeester,

die een lepel had laten vallen, zooals Rudyard haar had verteld. Zij

zag Urania lachende aan, en Urania bloosde.

--Poor man! zeide zij, toen Giuseppe vertrokken was. Ja, ik heb hem

maar van tante overgenomen. Hij had het zoo druk in het palazzo

Belloni. Hij heeft hier heel weinig te doen, en hij heeft een jongen

hofmeester onder zich. Het personeel moest toch worden uitgebreid. Hij

heeft hier een prettigen ouden dag: poor old dear Giuseppe ... Bob, nu

heb je je niet verkleed!

--Goed kind! dacht Cornélie, terwijl zij allen opstonden en Urania haar

broêr als een bedorven jongen heel zachtjes verweet, dat hij met zijn

kuiten aan tafel kwam.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 46 / 67 题