Urania vroeg Cornélie binnen te komen, omdat het nu niet gezond was
buiten, in de mist-uitwademing van het meer, met het ondergaan van de
zon. De marchesa groette koel, stijf, knipte hare oogen dicht en deed
of zij zich Cornélie niet heel goed herinnerde.
--Ik kan me dat begrijpen, zei Cornélie, vinnig glimlachend. U ziet
zoo iederen dag andere locataires in uw pension, en ik ben veel korter
gebleven, dan u eigenlijk wel rekende. Ik hoop, dat mijn kamers weêr
gauw genomen zijn en u geen schade heeft gehad door mijn vertrek,
marchesa?
De marchesa Belloni keek haar in stomme verbazing aan. Zij was hier,
op San Stefano, in haar element van markiezin; zij, de schoonzuster
van den ouden prins, sprak hier nooit over haar vreemdelingen-pension;
zij ontmoette hier nooit hare gasten van Rome, die alleen als toeristen
op bepaalde uren het kasteel wel eens bezochten, terwijl zij, de
marchesa, enkele weken er haar zomervilligiatura doorbracht. Zij had
hier ook afgelegd hare smedigheid van kille kamers aan te prijzen, haar
handelstact van zooveel te vragen als zij maar dorst. Zij droeg hier
haar gefrizeerden leeuwenkop met een hooge waardigheid en zij droeg wel
hare kristallen brillanten in de ooren, maar een glimmend nieuw zijden
spencer om haar ampelen boezem. Zij kon het niet helpen, dat zij, een
geboren gravin, zij, de marchesa Belloni,--de markies was een broêr
geweest van de overleden prinses--geene distinctie had, trots al hare
kwartieren, maar zij voelde zich toch, die zij was, aristocrate. De
kennissen, de monsignori, die zij wel eens op San Stefano ontmoette,
verbloemden in hun gesprekken het pension Belloni, en noemden het
palazzo Belloni.
--O ja, zeide zij eindelijk, met haar voornaam knippende oogen, heel
koel. Nu herinner ik mij u ... hoewel ik uw naam ben vergeten.... Een
vriendin van de prinses Urania, niet waar? Het doet mij pleizier u
terug te zien, erg veel pleizier....
--En wat zegt u van het huwelijk van uw vriendin? vroeg zij, terwijl
zij een oogenblik naast Cornélie de trap opging, tusschen de marmeren
kandelabers van Mino da Fiesole. Gilio, nog boos en rood, en niet door
den kus gekalmeerd, had zich verwijderd en Urania was hen vlug vooruit
geloopen.
De marchesa wist van Cornélie's eerste tegenwerking, van haar vroegere
raadgevingen aan Urania, en zij was er zeker van, dat Cornélie zoo had
gedaan had, omdat zij voor zichzelve aan Gilio gedacht had. In hare
vraag klonk ironie en triomf.
--Dat het in den hemel besloten was, antwoordde Cornélie, ook ironisch.
Ik geloof, dat er op dit huwelijk een zegen rust.
--De zegen van Zijne Heiligheid, zei de marchesa naïef, niet begrijpend.
--Natuurlijk; de zegen van Zijne Heiligheid,... en de zegen van den
Hemel....
--Ik dacht, dat u niet godsdienstig was?
--Soms.... Als ik over hun huwelijk denk, word ik zeer godsdienstig.
Wat een rust voor de ziel van de prinses Urania, dat zij Katholiek is
geworden. Wat een geluk voor haar leven, dat zij il caro Gilio heeft
getrouwd. Er is toch nog geluk en vrede in het leven.
De marchesa vermoedde vaag iets van haar spot, en vond haar een
gevaarlijke vrouw.
--En u, heeft onze godsdienst geen bekoring voor u?
--Heel veel! Ik heb veel gevoel voor mooie kerken en schilderijen. Maar
dat is een artistieke opvatting. U zal dat wel niet begrijpen, want ik
geloof niet, dat u artistiek is, marchesa? En ook het huwelijk heeft
bekoring voor me, een huwelijk als dat van Urania. Zoû u mij ook niet
eens kunnen helpen, marchesa? Dan blijf ik een heelen winter in uw
pension, en, wie weet, dan word ik misschien nog wel Katholiek ook....
U zoû voor mij Rudyard nog wel eens kunnen probeeren, en als dat niet
ging, de twee monsignori.... Dan word ik het zeker.... En winstgevend
zoû het zeker zijn.
De marchesa zag haar hoog, wit van woede aan.
--Winstgevend....
--Als u mij een Italiaanschen titel bezorgt, maar met geld, zeker zoû
dat winstgevend zijn.
--Hoe meent u?
--Vraag dat maar eens aan den ouden prins en aan de monsignori,
marchesa....
--Wat weet u?! Wat denkt u?
--Ik? Niets! antwoordde Cornélie koel. Maar ik heb een double vue. Ik
zie soms in eens iets.... Hoû mij dus maar te vriend, en doe niet meer,
of u uw oude locataires vergeet.... Is hier de kamer van de prinses
Urania? Gaat u eerst binnen, marchesa: na u....
De marchesa trad rillende binnen: zij dacht aan duivelarij. Hoe wist
die vrouw _iets_ van haar onderhandelingen met den ouden prins en de
monsignori? Hoe vermoedde zij, dat het huwelijk van Urania en hare
bekeering haar eenige tienduizend lire's had aangebracht?
Zij had niet alleen een les gehad: zij rilde, zij was bang. Was die
vrouw dan de duivel? Had zij de mal' occhio? En de marchesa maakte
in de plooien van haar japon met pink en wijsvinger de bezwering der
gettatura, en lispelde: vade retro, satanas....
In haar eigen salon schonk Urania thee. Het vertrek zag met drie
spitsboogvensters uit op de stad en den antieken Dom, die in een oranje
weêrkaatsing van laatste zonnelicht even opleefde uit zijn grauwe stof
der eeuwen met de onduidelijke wemeling van zijn heiligen, profeten en
engelen. De kamer, behangen met mooie arazzi, een allegorie van den
Overvloed,--nimfen met uitstortende hoornen van overvloed--was half
antiek, half modern, niet overal goed van smaak en zuiver van toon, met
enkele afschuwelijke banaal moderne ornamenten, een enkel schreeuwend
modern comfort, maar toch gezellig, bewoond, en Urania's home. Een
jonge man rees op en Urania stelde hem Cornélie voor als haar broêr.
De jonge Hope was een stevige frissche jongen van achttien jaar; hij
droeg nog zijn fietspak: het mocht wel, zeide zijn zuster, om even een
kop thee te drinken. Zij streelde hem lachend over zijn kortharigen
ronden kop en gaf hem, met vergunning der dames, het eerst zijn kopje:
dan zoû hij zich verkleeden. Hij zat er zoo vreemd, zoo nieuw, en zoo
gezond, met zijn frisch roze teint, zijn breede borst, zijn sterke
handen en stevige kuiten, zijn jeugd van jongen Yankee-boer, die, trots
de millioenen van vader Hope, werkte op zijn hoeve, daar ver in de Far
West, om zelve fortuin te maken; hij zat er zoo vreemd, op dat oude
San Stefano, in het gezicht van dien streng symbolischen Dom, tegen
dien achtergrond van antieke arrazi, en nog vreemder trof Cornélie
eensklaps, de jonge nieuwe prinses.... Haar naam, haar Amerikaansche
naam van Urania klonk goed: de prinses Urania, dat kreeg eensklaps een
zeer goeden klank.... Maar het jonge vrouwtje, een beetje bleek, een
beetje weemoedig, met haar Yankee-Engelsch tusschen de tanden, scheen
haar eensklaps zoo niet op haar plaats in die vertaande glorie der
San Stefano's.... Cornélie vergat telkens, dat zij was de prinses di
Forte-Braccio: zij zag haar altijd als miss Hope. En toch had Urania
een tact, een gemakkelijkheid, een assimilatie-vermogen; heel groot.
Gilio was binnengekomen, en de enkele woorden, die zij sprak tegen
haar man, waren, natuurlijk weg, waardig bijna, en toch, voor Cornélie
met een klank van zich schikkende ontgoocheling, die haar Urania deed
beklagen. Zij had van den begin af voor Urania een vage sympathie
gevoeld: nu voelde zij inniger genegenheid. Zij had medelijden met dat
kind, de prinses Urania. Gilio was slordig koel tegen haar, de marchesa
neêrbuigend beschermend. En dan die ontzettende eenzaamheid, rondom
haar, van al die vervallen grootheid. Zij streelde haar jongen broêr
over het hoofd. Zij bedierf hem, vroeg of zijn thee goed was en propte
hem vol met sandwiches, omdat hij honger had na zijn fietstoer. Zij had
hem nu bij zich als iets van huis, als iets van Chicago: zij klampte
zich bijna aan hem.... Maar verder was rondom haar de neêrdrukkende
melancholie van het immense kasteel, de verwaarloosde glorie van zijn
oud-meesterlijke kunstpracht, de laatdunkendheid van dien adelhoogmoed,
die haar niet van noode had, maar wel haar millioenen. En voor Cornélie
verloor zij alle belachelijkheid van Amerikaansche parvenue; en kreeg
zij integendeel iets tragisch van jeugdig slachtoffer. Wat zaten zij er
vreemd, zij, de jonge prinses en haar broêr, met zijn stevige kuiten!
Urania toonde haar portefeuille met platen en teekeningen: ideeën van
een jongen architect uit Rome voor restauratie's van het kasteel.
En Urania wond zich op, een kleur kwam op haar wangen toen Cornélie
haar vroeg of zooveel restauratie wel mooi zoû zijn? Zij verdedigde
haar architect. Gilio rookte onverschillig cigaretten en was uit zijn
humeur. De marchesa zat als een idool, met haar leeuwenkop, waar de
oorkristallen flonkerden. Zij was bang voor Cornélie en beloofde zich
op haar hoede te zijn. Een hofmeester kwam aankondigen aan de prinses,
dat het diner gereed was. En Cornélie herkende in hem den ouden
Giuseppe van het pension Belloni, de oude aartshertogelijke hofmeester,
die een lepel had laten vallen, zooals Rudyard haar had verteld. Zij
zag Urania lachende aan, en Urania bloosde.
--Poor man! zeide zij, toen Giuseppe vertrokken was. Ja, ik heb hem
maar van tante overgenomen. Hij had het zoo druk in het palazzo
Belloni. Hij heeft hier heel weinig te doen, en hij heeft een jongen
hofmeester onder zich. Het personeel moest toch worden uitgebreid. Hij
heeft hier een prettigen ouden dag: poor old dear Giuseppe ... Bob, nu
heb je je niet verkleed!
--Goed kind! dacht Cornélie, terwijl zij allen opstonden en Urania haar
broêr als een bedorven jongen heel zachtjes verweet, dat hij met zijn
kuiten aan tafel kwam.