Cornélie had zich verkleed en zij ging hare kamer uit. Zij liep den
corridor af en zag niemand. Zij wist den weg niet, maar liep voort;
plotseling, voor haar, treedde een breede trap naar beneden, tusschen
twee reien van marmeren reuzenkandelabers, en Cornélie kwam in een
atrio, die opende op het meer: de wandvakken met fresco's, van
Mantegna--in beeld gebrachte daden der San Stefano's--welfden naar een
koepel toe, die, met lucht en wolkjes beschilderd, open scheen en waar,
rondom een balustrade, zich neêrkijkende engeltjes en nimfen groepten.
Zij trad naar buiten en zag Gilio. Hij zat op de balustrade van het
terras, rookte een cigarette en zag uit naar het meer. Nu kwam hij
naar haar toe.
--Ik wist bijna zeker, dat u hier langs zoû komen. Is u niet moê? Mag
ik u eens rondleiden? Heeft u onze Mantegna's gezien? Ze hebben veel
geleden. Ze zijn in het begin van deze eeuw gerestaureerd. Ja, ze zien
er gedelabreerd uit, niet waar? Ziet u die kleine mythologische scène
daarboven, van Giulio Romano? Kom hier, door deze poort. Maar ze is
gesloten. Wacht....
Hij riep buiten, iets naar beneden. Na een poos kwam een oude dienaar
met zwaren sleuteltros en bood ze den prins.
--Ga maar, Egisto! Ik weet de sleutels wel.
De man ging. De prins opende een zware bronzen deur. Hij wees haar de
reliefs.
--Giovanni da Bologna, zeide hij.
Zij gingen voort, door een zaal met arazzi; de prins wees het plafond
van Ghirlandajo aan: apotheoze van den eenigen Paus uit het geslacht
der San Stefano's. Toen door een zaal met spiegels, beschilderd door
Mario de'Fiori. De stoffige mufheid van een niet onderhouden muzeum,
met een waas van verwaarloozing en onverschilligheid, beklemde den
adem; de witte zijden venstergordijnen waren geel van ouderdom,
bezoedeld door vliegen; de roode overgordijnen van Venetiaansch damast
hingen aan rafel en rag, door mot opgevreten; de beschilderde spiegels
waren dof verweerd; van de Venetiaansche glaskronen de armen gebroken.
Slordig ter zijde geschoven, stonden als rommel op een zolder, de
kostbaarste kabinetten, ingelegd met bronzen, parelmoêren en elpen
paneelen, mozaiektafels van lapis-lazuli, malachiet en groene, gele,
zwarte en roze marmers; de arazzi: Saul en David, Esther, Holofernus,
Salomo, leefden niet meer met de emotie der figuren, alsof zij verstikt
waren onder de grauwe laag van stof, die dik poeierde boven hun vergane
weefsels, en alle kleur neutralizeerde.
Door de immense zalen, half donker in haar gordijnenduister, dreef als
een weemoed, een melancholie van verbittering, hopeloos, overwonnen,
een langzame versterving van grootheid en grootschheid; tusschen de
meesterstukken der beroemdste schilders gaapten treurige vakken van
leêgte, getuigend van nijpend geldgebrek, van schilderijen, toch voor
fortuinen nog verkocht.... Cornélie herinnerde zich iets, enkele jaren
her, van een proces, van een poging om, tegen de wet in, Rafaëls
over de grenzen te zenden en te verkoopen in Berlijn.... En door de
spectrale zalen leidde Gilio haar, vroolijk als een jongen, luchtig als
een kind, blij zijne afleiding te hebben, haar haastig, zonder liefde
en belang namen noemend, die hij gehoord had van zijn kindsheid, maar
zich toch vergissende, zich verbeterende, en eindelijk lachend er voor
uitkomend, dat hij niet meer wist.
--En hier is de camera degli sposi....
Hij zocht aan den sleutelbos, lezend op de koperen etiquette, opende
knarsend toen de deur, en zij traden binnen.
En het was eensklaps als een innige exquize pracht van intimiteit: een
groot slaapvertrek, geheel goud, geheel dof goud, vertaand en verteerd
en verteederd goudweefsel; aan de wanden arazzi van goudkleur: de
geboorte van Venus uit het gulden schuim van een gouden oceaan, Venus
met Mars, Venus met Adonis, Venus met Cupido: de bleekroze naaktheid
der mythologie heel even oplevend in niets dan gouden atmosfeer en
sfeer, in gouden bosschen tusschen bloemen van goud; en cupido's en
zwanen en duiven en evers van goud; pauwen van goud aan fonteinen van
goud; water en wolken van goudelement, en al het goud vertaand en
verteerd en verteederd tot éen kwijnenden zonsondergang van stervende
glanzen: het praalbed goud, onder een baldakijn van goudbrokaat, waarop
de familiewapens zwaar en relief geborduurd: de sprei van goud, maar
àl het goud zonder leven; al het goud tot een weemoed geworden van
bijna grauwende glinstering, uitgewischt, weggevaagd, afgestompt, of de
stoffige eeuwen er eene schaduw over hadden geslagen, er spinneweb over
hadden gespreid.
--Wat is dit mooi! zei Cornélie.
--Onze beroemde bruidskamer, lachte de prins. Vreemde ideeën hadden
die oude lui, den eersten nacht te slapen in zoo een bizonder vertrek.
Trouwden zij in onze familie, dan sliepen zij hier den eersten nacht.
Het was zoo een bijgeloof. De jonge vrouw bleef alleen trouw, als zij
hier den eersten nacht met haar gemaal had doorgebracht. Arme Urania!
Wij hebben hier niet geslapen, signora mia, tusschen al die indecente
godinnen der liefde. Wij huldigen de familietraditie niet meer. Urania
is dus door het noodlot gedoemd mij ontrouw te worden. Tenzij ik die
doem van haar overneem....
--In die familie-traditie werd van de trouw van de mannen zeker niet
gerept?
--Neen, daar werd--en wordt nog altijd--heel weinig prijs op
gesteld....
--Het is prachtig, herhaalde Cornélie, en zag rond. Wat zal Duco het
hier prachtig vinden. O prins, ik heb nog nooit zoo een kamer gezien!
Zie Venus daar met Adonis gewond, zijn hoofd in haar schoot, de nimfen
weeklagend er om.... Het is een sprookje....
--Het is mij te veel goud....
--Misschien was het vroeger zoo, te veel goud....
--Veel goud, dat denoteerde rijkdom en liefdekracht. De rijkdom is nu
voorbij....
--Maar nu is het goud zoo verzacht, zoo vergrauwd....
--De liefdekracht is gebleven: de San Stefano's hebben steeds veel
bemind.
Hij schertste door en toonde de wulpschheid der tafereelen en waagde
een toespeling.
Zij deed of zij niet hoorde, zij zag naar de afazzi. In de
tusschenvakken dronken gouden pauwen aan gouden fonteinen en speelden
cupido's met duiven.
--Ik hoû zooveel van je! fluisterde hij aan haar oor en omvatte haar
middel. Engel, engel!
Zij weerde hem af.
--Prins....
--Zeg Gilio...!
--Waarom kunnen wij niet liever goede vrienden blijven....
--Omdat ik meer dan vriendschap wil.
Zij maakte zich nu geheel los.
--Ik niet, antwoordde zij koel.
--Heeft u dan alleen éen lief?
--Ja....
--Dat kan niet zijn.
--Waarom....
--Omdat u hem dan zoû trouwen. Als u niemand liefhad dan hem, Van der
Staal, zoû u hem trouwen.
--Ik ben tegen het huwelijk.
--Praatjes. U trouwt hem niet om vrij te zijn. En als u vrij wil zijn,
mag ik ook vragen, mijn moment van liefde.
Zij zag hem vreemd aan, hij voelde hare minachting.
--U begrijpt ... mij in het geheel niet, sprak zij langzaam en
medelijdend.
--U mij wel.
--O ja. U is zoo heel eenvoudig.
--Waarom wil u niet?
--Omdat ik niet wil.
--Waarom niet?
--Omdat ik niet voor u voel.
--Waarom niet!? dwong hij, en zijn handen krimpten ineen.
--Waarom niet? herhaalde zij. Omdat ik u vroolijk en aardig vind om
gekheid meê te maken, maar omdat uw temperament verder niet beantwoordt
aan het mijne.
--Wat weet u van mijn temperament?
--Ik zie u.
--U is geen dokter.
--Ik ben een vrouw.
--En ik een man.
--Maar niet voor mij.
Razend, met een vloek, pakte hij haar in zijn trillende armen. Voordat
zij het verhinderen kon, had hij haar woest gezoend. Zij wrong zich los
en sloeg hem vlak in zijn gezicht. Hij vloekte weêr, greep wild, maar
hooger richtte zij zich op.
--Prins! zeide zij, luid schaterlachend; u denkt toch niet mij te
kunnen dwingen?
--Natuurlijk.
Zij lachte schamper.
--U kan niet, zeide zij luid. Want ik wil niet en ik laat mij niet
dwingen.
Hij zag rood, hij was razend. Hij was nog nooit zoo getart en
weêrstaan, hij had altijd overwonnen.
Zij zag hem stormen op haar af, maar rustig wierp zij de deur der kamer
open.
De lange galerijen en zalen strekten zich uit, als eindeloos. Er was
iets in dat perspectief van ancestrale ruimte, dat hem weêrhield. Hij
was meer woest, dan beredeneerd geweldenaar. Zij liep heel langzaam
voort, aandachtig kijkend links en rechts.
Hij voegde zich aan hare zijde.
--U heeft me geslagen, hijgde hij, razend. Dat vergeef ik u nooit.
Nooit!
--Ik vraag u vergeving, sprak zij met haar liefste stem en lach. Ik
moest mij toch verdedigen.
--Waarom?
--Prins, zeide zij met overreding; waarom nu toch die boosheid en die
passie en die drift. U kan zoo lief zijn; verleden in Rome was u zoo
charmant. Wij waren zulke goede vrienden. Ik genoot van uw conversatie
en uw geest en van uw goed hart. Nu is alles bedorven.
--Neen, smeekte hij.
--Jawel. U wil me niet begrijpen. Uw temperament antwoordt niet aan het
mijne. Begrijpt u dat niet? U dwingt me grofheden te zeggen, omdat u
zelf grof is.
--Ik...?
--Ja; u gelooft niet aan de eerlijkheid van mijn onafhankelijkheid.
--Neen!
--Is dat dan hoffelijk tegenover een vrouw?
--Ik ben maar hoffelijk, tot zeker oogenblik.
--Wij zijn dat oogenblik voorbij. Wees dus nu weêr hoffelijk als
vroeger.
--U speelt met mij. Ik zal het nooit vergeten, ik zal mij wreken.
--Dus een strijd op leven en dood?
--Neen, op zege, voor mij....
Zij waren de atrio genaderd.
--Ik dank u voor uw rondgeleide, zeide zij, een beetje spotachtig. De
camera degli sposi, vooral, was magnifique. Laat ons niet meer zoo boos
zijn.
Zij bood haar hand.
--Neen, zeide hij; u heeft mij hier geslagen in mijn gezicht. Mijn wang
gloeit nog. Ik neem uw hand niet aan.
--Arme wang, plaagde zij. Arme prins! Sloeg ik hard?
--Ja....
--Hoe kan ik dien gloed weêr dooven?
Hij zag haar aan, nog hijgend, boos en rood, met flonkerende
karbonkeloogen.
--U is zoo coquet, als ik geen Italiaansche ken.
Zij lachte.
--Met een zoen? vroeg zij.
--Demon! siste hij tusschen zijne tanden.
--Met een zoen? herhaalde zij.
--Ja, sprak hij. Daar, in onze camera degli sposi.
--Neen, hier.
--Demon! zei hij, zachter nog en sissender. Zij kuste hem vluchtig.
Toen bood zij hem de hand.
--En nu is dit voorbij. Het incident gesloten.
--Engel, duivelin, siste hij haar achterna.
Zij keek over de balustrade naar het meer. De avond was gevallen en het
meer schemerde in mist. Zij dacht niet meer aan hem, hoewel hij noch
achter haar stond. Zij vond hem als een jonge jongen, die soms haar
amuzeerde en nu ondeugend was geweest. Zij dacht aan hem niet meer; zij
dacht aan Duco.
--Wat zal hij het hier mooi vinden, dacht zij. O, ik verlang naar
hem!...
Er ruischte achter hen iets van de kleêren van een vrouw. Het waren
Urania en de marchesa Belloni.