XXXIII.

Cornélie had zich verkleed en zij ging hare kamer uit. Zij liep den

corridor af en zag niemand. Zij wist den weg niet, maar liep voort;

plotseling, voor haar, treedde een breede trap naar beneden, tusschen

twee reien van marmeren reuzenkandelabers, en Cornélie kwam in een

atrio, die opende op het meer: de wandvakken met fresco's, van

Mantegna--in beeld gebrachte daden der San Stefano's--welfden naar een

koepel toe, die, met lucht en wolkjes beschilderd, open scheen en waar,

rondom een balustrade, zich neêrkijkende engeltjes en nimfen groepten.

Zij trad naar buiten en zag Gilio. Hij zat op de balustrade van het

terras, rookte een cigarette en zag uit naar het meer. Nu kwam hij

naar haar toe.

--Ik wist bijna zeker, dat u hier langs zoû komen. Is u niet moê? Mag

ik u eens rondleiden? Heeft u onze Mantegna's gezien? Ze hebben veel

geleden. Ze zijn in het begin van deze eeuw gerestaureerd. Ja, ze zien

er gedelabreerd uit, niet waar? Ziet u die kleine mythologische scène

daarboven, van Giulio Romano? Kom hier, door deze poort. Maar ze is

gesloten. Wacht....

Hij riep buiten, iets naar beneden. Na een poos kwam een oude dienaar

met zwaren sleuteltros en bood ze den prins.

--Ga maar, Egisto! Ik weet de sleutels wel.

De man ging. De prins opende een zware bronzen deur. Hij wees haar de

reliefs.

--Giovanni da Bologna, zeide hij.

Zij gingen voort, door een zaal met arazzi; de prins wees het plafond

van Ghirlandajo aan: apotheoze van den eenigen Paus uit het geslacht

der San Stefano's. Toen door een zaal met spiegels, beschilderd door

Mario de'Fiori. De stoffige mufheid van een niet onderhouden muzeum,

met een waas van verwaarloozing en onverschilligheid, beklemde den

adem; de witte zijden venstergordijnen waren geel van ouderdom,

bezoedeld door vliegen; de roode overgordijnen van Venetiaansch damast

hingen aan rafel en rag, door mot opgevreten; de beschilderde spiegels

waren dof verweerd; van de Venetiaansche glaskronen de armen gebroken.

Slordig ter zijde geschoven, stonden als rommel op een zolder, de

kostbaarste kabinetten, ingelegd met bronzen, parelmoêren en elpen

paneelen, mozaiektafels van lapis-lazuli, malachiet en groene, gele,

zwarte en roze marmers; de arazzi: Saul en David, Esther, Holofernus,

Salomo, leefden niet meer met de emotie der figuren, alsof zij verstikt

waren onder de grauwe laag van stof, die dik poeierde boven hun vergane

weefsels, en alle kleur neutralizeerde.

Door de immense zalen, half donker in haar gordijnenduister, dreef als

een weemoed, een melancholie van verbittering, hopeloos, overwonnen,

een langzame versterving van grootheid en grootschheid; tusschen de

meesterstukken der beroemdste schilders gaapten treurige vakken van

leêgte, getuigend van nijpend geldgebrek, van schilderijen, toch voor

fortuinen nog verkocht.... Cornélie herinnerde zich iets, enkele jaren

her, van een proces, van een poging om, tegen de wet in, Rafaëls

over de grenzen te zenden en te verkoopen in Berlijn.... En door de

spectrale zalen leidde Gilio haar, vroolijk als een jongen, luchtig als

een kind, blij zijne afleiding te hebben, haar haastig, zonder liefde

en belang namen noemend, die hij gehoord had van zijn kindsheid, maar

zich toch vergissende, zich verbeterende, en eindelijk lachend er voor

uitkomend, dat hij niet meer wist.

--En hier is de camera degli sposi....

Hij zocht aan den sleutelbos, lezend op de koperen etiquette, opende

knarsend toen de deur, en zij traden binnen.

En het was eensklaps als een innige exquize pracht van intimiteit: een

groot slaapvertrek, geheel goud, geheel dof goud, vertaand en verteerd

en verteederd goudweefsel; aan de wanden arazzi van goudkleur: de

geboorte van Venus uit het gulden schuim van een gouden oceaan, Venus

met Mars, Venus met Adonis, Venus met Cupido: de bleekroze naaktheid

der mythologie heel even oplevend in niets dan gouden atmosfeer en

sfeer, in gouden bosschen tusschen bloemen van goud; en cupido's en

zwanen en duiven en evers van goud; pauwen van goud aan fonteinen van

goud; water en wolken van goudelement, en al het goud vertaand en

verteerd en verteederd tot éen kwijnenden zonsondergang van stervende

glanzen: het praalbed goud, onder een baldakijn van goudbrokaat, waarop

de familiewapens zwaar en relief geborduurd: de sprei van goud, maar

àl het goud zonder leven; al het goud tot een weemoed geworden van

bijna grauwende glinstering, uitgewischt, weggevaagd, afgestompt, of de

stoffige eeuwen er eene schaduw over hadden geslagen, er spinneweb over

hadden gespreid.

--Wat is dit mooi! zei Cornélie.

--Onze beroemde bruidskamer, lachte de prins. Vreemde ideeën hadden

die oude lui, den eersten nacht te slapen in zoo een bizonder vertrek.

Trouwden zij in onze familie, dan sliepen zij hier den eersten nacht.

Het was zoo een bijgeloof. De jonge vrouw bleef alleen trouw, als zij

hier den eersten nacht met haar gemaal had doorgebracht. Arme Urania!

Wij hebben hier niet geslapen, signora mia, tusschen al die indecente

godinnen der liefde. Wij huldigen de familietraditie niet meer. Urania

is dus door het noodlot gedoemd mij ontrouw te worden. Tenzij ik die

doem van haar overneem....

--In die familie-traditie werd van de trouw van de mannen zeker niet

gerept?

--Neen, daar werd--en wordt nog altijd--heel weinig prijs op

gesteld....

--Het is prachtig, herhaalde Cornélie, en zag rond. Wat zal Duco het

hier prachtig vinden. O prins, ik heb nog nooit zoo een kamer gezien!

Zie Venus daar met Adonis gewond, zijn hoofd in haar schoot, de nimfen

weeklagend er om.... Het is een sprookje....

--Het is mij te veel goud....

--Misschien was het vroeger zoo, te veel goud....

--Veel goud, dat denoteerde rijkdom en liefdekracht. De rijkdom is nu

voorbij....

--Maar nu is het goud zoo verzacht, zoo vergrauwd....

--De liefdekracht is gebleven: de San Stefano's hebben steeds veel

bemind.

Hij schertste door en toonde de wulpschheid der tafereelen en waagde

een toespeling.

Zij deed of zij niet hoorde, zij zag naar de afazzi. In de

tusschenvakken dronken gouden pauwen aan gouden fonteinen en speelden

cupido's met duiven.

--Ik hoû zooveel van je! fluisterde hij aan haar oor en omvatte haar

middel. Engel, engel!

Zij weerde hem af.

--Prins....

--Zeg Gilio...!

--Waarom kunnen wij niet liever goede vrienden blijven....

--Omdat ik meer dan vriendschap wil.

Zij maakte zich nu geheel los.

--Ik niet, antwoordde zij koel.

--Heeft u dan alleen éen lief?

--Ja....

--Dat kan niet zijn.

--Waarom....

--Omdat u hem dan zoû trouwen. Als u niemand liefhad dan hem, Van der

Staal, zoû u hem trouwen.

--Ik ben tegen het huwelijk.

--Praatjes. U trouwt hem niet om vrij te zijn. En als u vrij wil zijn,

mag ik ook vragen, mijn moment van liefde.

Zij zag hem vreemd aan, hij voelde hare minachting.

--U begrijpt ... mij in het geheel niet, sprak zij langzaam en

medelijdend.

--U mij wel.

--O ja. U is zoo heel eenvoudig.

--Waarom wil u niet?

--Omdat ik niet wil.

--Waarom niet?

--Omdat ik niet voor u voel.

--Waarom niet!? dwong hij, en zijn handen krimpten ineen.

--Waarom niet? herhaalde zij. Omdat ik u vroolijk en aardig vind om

gekheid meê te maken, maar omdat uw temperament verder niet beantwoordt

aan het mijne.

--Wat weet u van mijn temperament?

--Ik zie u.

--U is geen dokter.

--Ik ben een vrouw.

--En ik een man.

--Maar niet voor mij.

Razend, met een vloek, pakte hij haar in zijn trillende armen. Voordat

zij het verhinderen kon, had hij haar woest gezoend. Zij wrong zich los

en sloeg hem vlak in zijn gezicht. Hij vloekte weêr, greep wild, maar

hooger richtte zij zich op.

--Prins! zeide zij, luid schaterlachend; u denkt toch niet mij te

kunnen dwingen?

--Natuurlijk.

Zij lachte schamper.

--U kan niet, zeide zij luid. Want ik wil niet en ik laat mij niet

dwingen.

Hij zag rood, hij was razend. Hij was nog nooit zoo getart en

weêrstaan, hij had altijd overwonnen.

Zij zag hem stormen op haar af, maar rustig wierp zij de deur der kamer

open.

De lange galerijen en zalen strekten zich uit, als eindeloos. Er was

iets in dat perspectief van ancestrale ruimte, dat hem weêrhield. Hij

was meer woest, dan beredeneerd geweldenaar. Zij liep heel langzaam

voort, aandachtig kijkend links en rechts.

Hij voegde zich aan hare zijde.

--U heeft me geslagen, hijgde hij, razend. Dat vergeef ik u nooit.

Nooit!

--Ik vraag u vergeving, sprak zij met haar liefste stem en lach. Ik

moest mij toch verdedigen.

--Waarom?

--Prins, zeide zij met overreding; waarom nu toch die boosheid en die

passie en die drift. U kan zoo lief zijn; verleden in Rome was u zoo

charmant. Wij waren zulke goede vrienden. Ik genoot van uw conversatie

en uw geest en van uw goed hart. Nu is alles bedorven.

--Neen, smeekte hij.

--Jawel. U wil me niet begrijpen. Uw temperament antwoordt niet aan het

mijne. Begrijpt u dat niet? U dwingt me grofheden te zeggen, omdat u

zelf grof is.

--Ik...?

--Ja; u gelooft niet aan de eerlijkheid van mijn onafhankelijkheid.

--Neen!

--Is dat dan hoffelijk tegenover een vrouw?

--Ik ben maar hoffelijk, tot zeker oogenblik.

--Wij zijn dat oogenblik voorbij. Wees dus nu weêr hoffelijk als

vroeger.

--U speelt met mij. Ik zal het nooit vergeten, ik zal mij wreken.

--Dus een strijd op leven en dood?

--Neen, op zege, voor mij....

Zij waren de atrio genaderd.

--Ik dank u voor uw rondgeleide, zeide zij, een beetje spotachtig. De

camera degli sposi, vooral, was magnifique. Laat ons niet meer zoo boos

zijn.

Zij bood haar hand.

--Neen, zeide hij; u heeft mij hier geslagen in mijn gezicht. Mijn wang

gloeit nog. Ik neem uw hand niet aan.

--Arme wang, plaagde zij. Arme prins! Sloeg ik hard?

--Ja....

--Hoe kan ik dien gloed weêr dooven?

Hij zag haar aan, nog hijgend, boos en rood, met flonkerende

karbonkeloogen.

--U is zoo coquet, als ik geen Italiaansche ken.

Zij lachte.

--Met een zoen? vroeg zij.

--Demon! siste hij tusschen zijne tanden.

--Met een zoen? herhaalde zij.

--Ja, sprak hij. Daar, in onze camera degli sposi.

--Neen, hier.

--Demon! zei hij, zachter nog en sissender. Zij kuste hem vluchtig.

Toen bood zij hem de hand.

--En nu is dit voorbij. Het incident gesloten.

--Engel, duivelin, siste hij haar achterna.

Zij keek over de balustrade naar het meer. De avond was gevallen en het

meer schemerde in mist. Zij dacht niet meer aan hem, hoewel hij noch

achter haar stond. Zij vond hem als een jonge jongen, die soms haar

amuzeerde en nu ondeugend was geweest. Zij dacht aan hem niet meer; zij

dacht aan Duco.

--Wat zal hij het hier mooi vinden, dacht zij. O, ik verlang naar

hem!...

Er ruischte achter hen iets van de kleêren van een vrouw. Het waren

Urania en de marchesa Belloni.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 45 / 67 题