Urania schreef allerliefst. Dat zij het, met den ouden prins, heel
stil hadden op San Stefano; daar zij geen logé's vroegen omdat het
kasteel te somber, te vervallen, te eenzaam was, maar dat zij het
allergezelligst vinden zoû als Cornélie eenigen tijd bij hen kwam
doorbrengen. En, voegde zij er bij, zij zoû Mr. Van der Staal ook eene
invitatie zenden. De brief was geadresseerd: Via dei Serpenti, en
werd Cornélie van hare vroegere woning nagezonden. Zij begreep dus,
dat Gilio niet had gesproken van haar wonen in Duco's atelier, en zij
begreep tevens, dat Urania hun liaison aannam, zonder kritiek....
De aquarel der Banieren was naar Londen verzonden en in het atelier,
steeds koel, terwijl de stad blaakte, hing eene lichte werkeloosheid
en vage verveling, nu Duco niet meer werkte. En Cornélie antwoordde
Urania, dat zij gaarne aannam en beloofde over een week te zullen
komen. Zij was blij, dat zij op het kasteel geen andere gasten zoû
aantreffen, want zij had geen toiletten voor een vie-de-château. Maar
met haar tact verfrischte zij haar garderobe, zonder veel geld uit
te geven. Het nam haar al die dagen in beslag en zij naaide, terwijl
Duco op den divan lag en cigaretten rookte. Hij ook had aangenomen, om
Cornélie, en omdat die streek van het meer van San Stefano, waarover
het kasteel heen zag, hem aantrok. Hij beloofde Cornélie glimlachend
niet zoo stroef te zijn. Hij zoû zijn best doen vriendelijk te zijn.
Hij zag wat hoog neêr op den prins. Hij vond hem een kwâjongen, zoo
geen ploert meer. Hij vond hem een kind, zoo niet onedel en laag.
Cornélie vertrok; hij bracht haar naar het station. In het rijtuig
kuste zij hem innig en zeide, hoe zij hem missen zoû, die enkele
dagen.... Of hij gauw zoû komen? Over een week? Zij zoû naar hem
verlangen: zij kon niet buiten hem. Zij zag hem diep in zijn oogen, die
zij liefhad. Hij ook, hij zeide, hoe hij zich vervelen zoû, zoo zonder
haar. Kon hij niet vroeger komen? vroeg ze. Neen, Urania had den datum
vastgesteld....
Toen hij haar hielp in een coupé der tweede klasse was zij verdrietig
te gaan zonder hem. De coupé was vol, zij nam de laatste plaats in.
Zij zat tusschen een dikken boer en een oude boerevrouw: de boer hielp
haar vriendelijk met haar valiesje in het net te plaatsen, en vroeg
of het haar niet hinderen zoû, als hij zijn pijpje rookte. Zij zeide
vriendelijk van neen. Over hen zaten twee priesters in versleten
soutanes, en tusschen hun voeten hadden zij een onaanzienlijk bruin
houten kistje staan: het was het Heilige Oliesel, dat zij brachten aan
een stervende.
De boer maakte een praatje met Cornélie en vroeg of zij vreemdelinge
was, en zeker Engelsch? De oude boerevrouw bood haar een mandarijn.
Het andere gedeelte van de coupé was ingenomen door een burgerfamilie,
vader, moeder, een jongentje en twee kleine zusjes. De boemeltrein
schudde, rammelde en slingerde, hield telkens op. De zusjes neurieden.
Aan een station steeg uit de eerste klasse een dame met een meisje van
vijf jaar, in wit japonnetje en met witte struisveêren op den hoed.
--Oh, che bellezza! riep het jongentje. Mama, mama, kijk! Is zij niet
mooi? Is zij niet heerlijk? Divinamente! Oh, mama...!
Hij sloot zijne zwarte oogen, verliefd, verblind, door het witte
meisje van vijf jaar. De ouders lachten, de priesters lachten, allen
glimlachten. Maar het jongentje was niet verlegen.
--Era una bellezza! herhaalde hij nog eens met overtuiging en met een
blik in het rond.
Het was heel warm in den trein. Buiten gloeiden de bergen wit
aan de kimmen en glanstrilden als een vuur met weêrschijn van
opaal. Vlak aan den spoorweg rees een rij van eucalyptusboomen, de
bladeren sikkelvormig, een zwaren geur uitbroeiend. In de vlakte,
dor en verschroeid, graasden de wilde buffels, onverschillig hun
zwarten kroeskop oprichtend naar den trein. De boemeltrein schudde,
rammelde en slingerde, hield telkens op. In de stikkende broeiwarmte
slaapknikkelden de koppen op en neêr, terwijl een lucht van zweet,
tabaksrook en oranjeschil zich mengde met den wasem der eucalyptussen
buiten. De trein zwenkte een bocht, rammelde als een speelgoedtreintje
--blikken wagentjes, die bijna buitelden over elkaâr. En een effen
reep van rimpelloos lazuur: spiegel, metaal, kristal, saffier, werd
zichtbaar en verbreedde zich tot een ovalen beker tusschen glooiïngen
van bergland, gelijk een zeer diep neêrgezette vaas, waarin een heilige
vloeistof heel blauw en zuiver onbewogen werd bewaard, en beschermd
door een muur van rotsige heuvelen, die hooger opklommen en hooger,
tot, bij het rammelend zwenken van den trein, rondom den klaren beker,
hoog op een piek een slot zich hief, rotskleurig, breed, massief en
kloosterachtig, met de helling af neêrloopende arcaden. Edel en somber
droefgeestig rees het op en nauwlijks was zichtbaar uit den trein, wat
rots was en wat bouwsteen, alsof het éene barheid was, alsof het slot
natuurlijk uit de rots gegroeid was en in zijn groei had aangenomen
iets van den vorm van menschelijke woning uit heel vroegere tijden.
En of de ovale beker met zijn heilig blauwe water een goddelijke
ontvangschaal was, sloten de bergen het meer van San Stefano af en hief
zich het kasteel gelijk zijn sombere waker.
De trein slingerde even met een arabesk langs het water, maakte een
bocht, en weêr een en hield op: San Stefano. Het was eene kleine
stille stad, slaperig in de zon, zonder eenig leven en verkeer, en
alleen 's winters iederen dag bezocht door toeristen, die uit Rome den
Dom kwamen bezichtigen en het kasteel, en in de osteria den landwijn
proefden. Toen Cornélie uitstapte, zag zij dadelijk den prins.
--Hoe lief, dat u ons in ons uilennest komt opzoeken! zeide hij
opgetogen en drukte hare handen.
Hij leidde haar door het station naar zijn rijtuigje, een soort panier,
met twee kleine paardjes, en een kleinen groom. Een kruier zoû den
koffer brengen naar het kasteel.
--Ik vind het heerlijk, dat u komt! herhaalde hij nog eens. U is nog
nooit in San Stefano geweest? U weet, dat de Dom beroemd is. Ik rijd u
de heele stad door, de weg naar het kasteel is achterom....
Hij had een glimlach van pleizier. Hij zette de paardjes aan met
zijn tong, met een herhaald schudden aan de teugels, als een kind.
Zij vlogen over den weg, tusschen de lage, slaperige huisjes, over
de plaats, waar in den gloei van de zon de prachtige Dom rees,
lombardisch-romaansch van stijl, begonnen in de elfde, bijgebouwd in
eeuw na eeuw, met links de campanile, rechts het battisterio: wonderen
van bouwkunst in marmer, rood, zwart en wit, éen beeldhouwwerk van
engelen, heiligen en profeten en overpoeierd als met een dikke stof
van oudheid, die de kleuren van het marmer al lang getemperd had
tot roze, grijs en geel en tusschen de groepen nevelde, als het
allereenigste, dat over was gebleven van al die eeuwen, of zij tot stof
waren gezonken tusschen iedere voeg.
De prins reed over een lange brug, wier bogen waren de overblijfselen
van een antiek aquaduct, en nu stonden in de rivier, geheel verdroogd
en waarin kinderen speelden. Toen liet hij de paardjes stapvoets
klimmen, de weg klom steil naar boven, dor en rotsig zich boven de
neêrzinkende valleien van olijven opslingerend naar het slot, en wijder
steeds uitziende over het steeds wijder uitbreidende panorama van de
in de zon vergloeide blauwig witte bergen en opalen horizonnen, met
plotseling een blik op het meer: de ovale beker, dieper en dieper
neêrgezonken, nu als in een gecanneleerden rand van zongeschroeide
heuvels, dieper en afgronddieper blauwend, en opvangend in zijn
mystisch blauw, al het blauw van den hemel, tot de lucht er tusschen
trilde, als met lange lichtspiralen, die wemelden voor de oogen. Tot
plotseling een bedwelming aandreef van oranjebloesem, een adem zwaar
en zinnelijk als van een hijgende liefde, of duizende monden geuradem
bliezen, die stikkend bleef hangen in de windstille lichtatmosfeer,
tusschen hemel en meer.
De prins, blij, druk, sprak veel, wees hier, wees daar met zijn zweep,
smakte tegen de paardjes, vroeg wat aan Cornélie, of zij de streek
niet mooi vond.... Langzaam, spierig spannend de achterbeenen, trokken
de paardjes op. Het slot breidde zich uit, massief, massaal. Het meer
zonk weg. De horizonnen werden wijder, als een wereld; zweem van een
bries woei iets weg van den oranjebloesemadem. De weg werd breed,
gemakkelijk, vlak. Als een fort, als een stad, breidde zich het slot
uit, achter zijn getinde muren met poort bij poort. Zij reden binnen,
over een hof, onder een gewelf een tweede hof binnen, door een tweede
gewelf een derde hof in. En Cornélie omving een gevoel van ontzag, een
vizioen van zuilen, bogen, beelden, arcades en fonteinen. Zij stegen
uit.
Urania kwam haar tegemoet, omhelsde, verwelkomde haar met innigheid en
bracht haar de trappen op, de gangen door naar hare kamer. De vensters
stonden open; zij zag uit op het meer en op de stad en op den Dom. En
nog eens kuste Urania haar en deed haar zitten. En het viel Cornélie
op, dat Urania mager was geworden en niet meer had haar vroegere
schittermooiheid van Amerikaansch jong meisje, met dat onbewuste van
cocotte, in haar oogen, in haar glimlach, in haar kleeding. Zij was
veranderd. Zij was een beetje afgevallen, en zij was niet zoo mooi
meer, alsof haar schoonheid was geweest een schijn van korten tijd,
meer frischheid dan lijn. Maar had zij haar glans verloren, zij had
gewonnen een zekere distinctie, een zekeren stijl: iets, dat Cornélie
verbaasde. Hare gebaren waren stiller, haar stem was zachter, haar mond
scheen kleiner en spleet niet telkens open om witte tanden te toonen;
haar toilet was doodeenvoudig: een blauwe rok en witte blouse. Cornélie
had moeite te begrijpen, dat de jonge prinses di Forte-Braccio,
hertogin di San Stefano, miss Urania Hope was, uit Chicago. Een weemoed
was over haar gekomen, die haar flatteerde, al was zij minder mooi.
En Cornélie dacht, dat zij eenig verdriet had, dat haar temperde en
nuanceerde, maar dat zij ook met tact zich voegde naar hare zoo geheel
nieuwe omgeving. Zij vroeg Urania of zij gelukkig was. Urania zei van
ja, met haar glimlach van weemoed, die zoo nieuw was en zoo verbaasde.
En zij vertelde. In Nice hadden zij een aardigen winter gehad. Maar
met een cosmopolitischen club van kennissen, want hoewel haar nieuwe
familie heel vriendelijk was, was ze zeer neêrbuigend en Virgilio's
kennissen--vooral de dames--sloten haar bijna beleedigend uit. Zij had
al in haar bruiloftsdagen gemerkt, dat de aristocratie haar tolereeren
zoû, maar dat men nooit vergeten kon, dat zij de dochter was van Hope,
tricot-fabrikant in Chicago. Zij had gezien, dat zij niet de eenige
was, die, al was zij nu prinses, hertogin, geduld werd en geduld alleen
om hare millioenen: er waren er anderen als zij. Vriendschap had zij
niet gesloten. Men was gekomen op haar jours en bals: men was met Gilio
frère et compagnon en koek en ei; de dames tutoyeerden hem, lachten
met hem, flirtten met hem en schenen het heel goed te vinden, dat hij
een paar millioen getrouwd had.... Tegen Urania waren zij maar even,
ternauwernood, beleefd. De dames vooral, de heeren waren gemakkelijker.
Maar het deed haar leed, vooral van al die hooge vrouwen van adel--al
de beroemde namen van Italië--die haar neêrbuigend bejegenden, en
altijd haar wisten uit te sluiten buiten elke intimiteit, elke intime
bijeenkomst, elke intime samenwerking voor feesten, van liefdadigheid.
Was alles al besproken, dan vroegen zij aan de prinses di Forte-Braccio
om meê te doen, dan boden zij haar de plaats aan, die haar toekwam,
en zelfs met scrupuleuze nauwgezetheid. Duidelijk behandelden zij haar
als prinses en gelijke voor de wereld, voor het publiek. Maar in haar
eigen côterie bleef zij Urania Hope. En de enkele andere burgerlijke
millionair-elementen zochten haar, natuurlijk, op, maar _zij_ hield
die terug en Gilio vond dat goed. En wat had Gilio haar gezegd, toen
zij hem haar nood eens klaagde? Dat zij, met tact, zeer zeker haar
pozitie winnen zoû, maar met een groot geduld en na vele, vele jaren.
Zij weende nu, haar hoofd op Cornélie's schouder: ach, zij, ze dacht:
wel nooit zoû zij ze winnen, die trotsche vrouwen! Wat was ook zij, een
Hope, vergeleken bij al die beroemde geslachten, die te zamen Italië's
oude glorie maakten en zich, als de Massimo's, lieten afstammen van de
Romeinen?
Of Gilio lief was? Jawel, maar dadelijk had hij haar behandeld als
"zijn vrouw". Al zijne aardigheid, al zijne vroolijkheid was voor
anderen: hij sprak nooit veel met haar. En de jonge prinses weende: zij
voelde zich eenzaam, zij verlangde soms naar Amerika. Zij had ook nu
haar broêr bij zich gevraagd, een aardige jongen van zeventien jaar,
die bij gelegenheid van haar huwelijk was overgekomen en wat gereisd
had door Europa, voor hij weêr naar zijn hoeve trok, in de Far West.
Hij was haar lieveling, hij troostte haar, maar over enkele weken zoû
hij gaan. En wat hield zij dan over? O, wat was ze blij, dat Cornélie
gekomen was! En wat zag ze er goed uit, zoo mooi als zij haar nog nooit
had gezien! Van der Staal had aangenomen: hij kwam over een week.
Fluisterend vroeg ze: zouden zij niet trouwen? Cornélie antwoordde
beslist van neen; zij trouwde niet, zij trouwde nooit meer. En in eens,
oprecht, zich niet kunnende verbergen voor Urania, deelde zij haar
mede, dat zij niet meer woonde in de Via dei Serpenti: dat ze woonde
in Duco's atelier. Urania schrikte voor dat breken met alle conventie,
maar zij beschouwde haar vriendin als een vrouw, die dingen mocht doen,
die een ander niet doen mocht. Dus alleen hun geluk en hun liefde,
fluisterde zij als bang, en zonder de maatschappelijke sanctie? Urania
herinnerde zich Cornélie's imprecaties tegen het huwelijk en vroeger,
tegen den prins. Maar nu mocht zij Gilio toch wel een beetje? O, zij,
Urania, zoû niet jaloersch meer zijn. Zij vond het heerlijk, dat
Cornélie gekomen was, en Gilio, die zich verveelde, had ook zoo naar
haar uitgezien. Och neen, Urania was niet meer jaloersch....
En haar hoofd op Cornélie's schouder, en hare oogen altijd vol tranen,
scheen zij alleen maar wat vriendschap, wat vriendelijkheid te vragen,
wat lieve woorden en liefkoozing, het rijke Amerikaansche kind, dat nu
den titel droeg van een oud Italiaansch geslacht. En Cornélie voelde
voor haar, omdat zij leed, omdat zij niet meer was een kleine mensch,
wier levenslijn haar lijn toevallig kruiste. Zij sloot haar in haar
armen, zij troostte haar--het schreiende prinsesje--als met een nieuwe
vriendschap: zij nam haar als vriendin aan in haar leven, niet meer
als kleine mensch. En toen Urania zich, staaroogend, herinnerde de
waarschuwing van Cornélie, sprak Cornélie daarover heen en zei, dat
zij, Urania, meer moed moest hebben. Tact had zij, ingeboren. Maar
moedig moest zij zijn, het leven onder oogen zien....
Zij stonden op, en voor het open venster, elkaâr omvattend in de armen,
zagen zij uit. De klokken van den Dom beierden in de lucht; de Dom rees
edel, trotsch op uit heel laag dakgewriemel, een reuzekathedraal voor
zulk een kleine stad: immens symbool van geestelijke heerschersmacht
over het eerbiedig neêrgeknielde dakenstadje. En het ontzag, dat
Cornélie vervuld had in den hof, tusschen de arcades, beelden en
fonteinen, vervulde haar opnieuw, omdat een roem en grootheid,
stervende, maar niet gestorven, vermolmd, maar niet verteerd, scheen
op te schemeren en schaduwen uit het mystieke blauw van het meer, uit
den eeuwenbouw der kathedraal, langs de oranje-heuvels tot in het slot,
waar aan een open raam een vreemde jonge vrouw stond, ontmoedigd, maar
wier millioenen die schim van roem en grootheid eischte om voort te
duren, nog enkele geslachten na....
Het is mooi en hoog, zooveel verleden, dacht Cornélie. Het is groot....
Maar toch is het niets meer. Het is een schim. Want het is weg, het is
alles weg, het is alles maar herinnering van adeltrotsche menschen, van
eng denkende zielen, die niet naar de toekomst zien....
En de toekomst, met een verwarring van sociale raadsels, met het gewuif
van nieuwe banieren en wimpels, wemelde toen voor haar blik, in de
lange lichtspiralen, die, blauwe vraagteekens, trillerden voor hare
oogen, tusschen het meer en den hemel.