XXXII.

Urania schreef allerliefst. Dat zij het, met den ouden prins, heel

stil hadden op San Stefano; daar zij geen logé's vroegen omdat het

kasteel te somber, te vervallen, te eenzaam was, maar dat zij het

allergezelligst vinden zoû als Cornélie eenigen tijd bij hen kwam

doorbrengen. En, voegde zij er bij, zij zoû Mr. Van der Staal ook eene

invitatie zenden. De brief was geadresseerd: Via dei Serpenti, en

werd Cornélie van hare vroegere woning nagezonden. Zij begreep dus,

dat Gilio niet had gesproken van haar wonen in Duco's atelier, en zij

begreep tevens, dat Urania hun liaison aannam, zonder kritiek....

De aquarel der Banieren was naar Londen verzonden en in het atelier,

steeds koel, terwijl de stad blaakte, hing eene lichte werkeloosheid

en vage verveling, nu Duco niet meer werkte. En Cornélie antwoordde

Urania, dat zij gaarne aannam en beloofde over een week te zullen

komen. Zij was blij, dat zij op het kasteel geen andere gasten zoû

aantreffen, want zij had geen toiletten voor een vie-de-château. Maar

met haar tact verfrischte zij haar garderobe, zonder veel geld uit

te geven. Het nam haar al die dagen in beslag en zij naaide, terwijl

Duco op den divan lag en cigaretten rookte. Hij ook had aangenomen, om

Cornélie, en omdat die streek van het meer van San Stefano, waarover

het kasteel heen zag, hem aantrok. Hij beloofde Cornélie glimlachend

niet zoo stroef te zijn. Hij zoû zijn best doen vriendelijk te zijn.

Hij zag wat hoog neêr op den prins. Hij vond hem een kwâjongen, zoo

geen ploert meer. Hij vond hem een kind, zoo niet onedel en laag.

Cornélie vertrok; hij bracht haar naar het station. In het rijtuig

kuste zij hem innig en zeide, hoe zij hem missen zoû, die enkele

dagen.... Of hij gauw zoû komen? Over een week? Zij zoû naar hem

verlangen: zij kon niet buiten hem. Zij zag hem diep in zijn oogen, die

zij liefhad. Hij ook, hij zeide, hoe hij zich vervelen zoû, zoo zonder

haar. Kon hij niet vroeger komen? vroeg ze. Neen, Urania had den datum

vastgesteld....

Toen hij haar hielp in een coupé der tweede klasse was zij verdrietig

te gaan zonder hem. De coupé was vol, zij nam de laatste plaats in.

Zij zat tusschen een dikken boer en een oude boerevrouw: de boer hielp

haar vriendelijk met haar valiesje in het net te plaatsen, en vroeg

of het haar niet hinderen zoû, als hij zijn pijpje rookte. Zij zeide

vriendelijk van neen. Over hen zaten twee priesters in versleten

soutanes, en tusschen hun voeten hadden zij een onaanzienlijk bruin

houten kistje staan: het was het Heilige Oliesel, dat zij brachten aan

een stervende.

De boer maakte een praatje met Cornélie en vroeg of zij vreemdelinge

was, en zeker Engelsch? De oude boerevrouw bood haar een mandarijn.

Het andere gedeelte van de coupé was ingenomen door een burgerfamilie,

vader, moeder, een jongentje en twee kleine zusjes. De boemeltrein

schudde, rammelde en slingerde, hield telkens op. De zusjes neurieden.

Aan een station steeg uit de eerste klasse een dame met een meisje van

vijf jaar, in wit japonnetje en met witte struisveêren op den hoed.

--Oh, che bellezza! riep het jongentje. Mama, mama, kijk! Is zij niet

mooi? Is zij niet heerlijk? Divinamente! Oh, mama...!

Hij sloot zijne zwarte oogen, verliefd, verblind, door het witte

meisje van vijf jaar. De ouders lachten, de priesters lachten, allen

glimlachten. Maar het jongentje was niet verlegen.

--Era una bellezza! herhaalde hij nog eens met overtuiging en met een

blik in het rond.

Het was heel warm in den trein. Buiten gloeiden de bergen wit

aan de kimmen en glanstrilden als een vuur met weêrschijn van

opaal. Vlak aan den spoorweg rees een rij van eucalyptusboomen, de

bladeren sikkelvormig, een zwaren geur uitbroeiend. In de vlakte,

dor en verschroeid, graasden de wilde buffels, onverschillig hun

zwarten kroeskop oprichtend naar den trein. De boemeltrein schudde,

rammelde en slingerde, hield telkens op. In de stikkende broeiwarmte

slaapknikkelden de koppen op en neêr, terwijl een lucht van zweet,

tabaksrook en oranjeschil zich mengde met den wasem der eucalyptussen

buiten. De trein zwenkte een bocht, rammelde als een speelgoedtreintje

--blikken wagentjes, die bijna buitelden over elkaâr. En een effen

reep van rimpelloos lazuur: spiegel, metaal, kristal, saffier, werd

zichtbaar en verbreedde zich tot een ovalen beker tusschen glooiïngen

van bergland, gelijk een zeer diep neêrgezette vaas, waarin een heilige

vloeistof heel blauw en zuiver onbewogen werd bewaard, en beschermd

door een muur van rotsige heuvelen, die hooger opklommen en hooger,

tot, bij het rammelend zwenken van den trein, rondom den klaren beker,

hoog op een piek een slot zich hief, rotskleurig, breed, massief en

kloosterachtig, met de helling af neêrloopende arcaden. Edel en somber

droefgeestig rees het op en nauwlijks was zichtbaar uit den trein, wat

rots was en wat bouwsteen, alsof het éene barheid was, alsof het slot

natuurlijk uit de rots gegroeid was en in zijn groei had aangenomen

iets van den vorm van menschelijke woning uit heel vroegere tijden.

En of de ovale beker met zijn heilig blauwe water een goddelijke

ontvangschaal was, sloten de bergen het meer van San Stefano af en hief

zich het kasteel gelijk zijn sombere waker.

De trein slingerde even met een arabesk langs het water, maakte een

bocht, en weêr een en hield op: San Stefano. Het was eene kleine

stille stad, slaperig in de zon, zonder eenig leven en verkeer, en

alleen 's winters iederen dag bezocht door toeristen, die uit Rome den

Dom kwamen bezichtigen en het kasteel, en in de osteria den landwijn

proefden. Toen Cornélie uitstapte, zag zij dadelijk den prins.

--Hoe lief, dat u ons in ons uilennest komt opzoeken! zeide hij

opgetogen en drukte hare handen.

Hij leidde haar door het station naar zijn rijtuigje, een soort panier,

met twee kleine paardjes, en een kleinen groom. Een kruier zoû den

koffer brengen naar het kasteel.

--Ik vind het heerlijk, dat u komt! herhaalde hij nog eens. U is nog

nooit in San Stefano geweest? U weet, dat de Dom beroemd is. Ik rijd u

de heele stad door, de weg naar het kasteel is achterom....

Hij had een glimlach van pleizier. Hij zette de paardjes aan met

zijn tong, met een herhaald schudden aan de teugels, als een kind.

Zij vlogen over den weg, tusschen de lage, slaperige huisjes, over

de plaats, waar in den gloei van de zon de prachtige Dom rees,

lombardisch-romaansch van stijl, begonnen in de elfde, bijgebouwd in

eeuw na eeuw, met links de campanile, rechts het battisterio: wonderen

van bouwkunst in marmer, rood, zwart en wit, éen beeldhouwwerk van

engelen, heiligen en profeten en overpoeierd als met een dikke stof

van oudheid, die de kleuren van het marmer al lang getemperd had

tot roze, grijs en geel en tusschen de groepen nevelde, als het

allereenigste, dat over was gebleven van al die eeuwen, of zij tot stof

waren gezonken tusschen iedere voeg.

De prins reed over een lange brug, wier bogen waren de overblijfselen

van een antiek aquaduct, en nu stonden in de rivier, geheel verdroogd

en waarin kinderen speelden. Toen liet hij de paardjes stapvoets

klimmen, de weg klom steil naar boven, dor en rotsig zich boven de

neêrzinkende valleien van olijven opslingerend naar het slot, en wijder

steeds uitziende over het steeds wijder uitbreidende panorama van de

in de zon vergloeide blauwig witte bergen en opalen horizonnen, met

plotseling een blik op het meer: de ovale beker, dieper en dieper

neêrgezonken, nu als in een gecanneleerden rand van zongeschroeide

heuvels, dieper en afgronddieper blauwend, en opvangend in zijn

mystisch blauw, al het blauw van den hemel, tot de lucht er tusschen

trilde, als met lange lichtspiralen, die wemelden voor de oogen. Tot

plotseling een bedwelming aandreef van oranjebloesem, een adem zwaar

en zinnelijk als van een hijgende liefde, of duizende monden geuradem

bliezen, die stikkend bleef hangen in de windstille lichtatmosfeer,

tusschen hemel en meer.

De prins, blij, druk, sprak veel, wees hier, wees daar met zijn zweep,

smakte tegen de paardjes, vroeg wat aan Cornélie, of zij de streek

niet mooi vond.... Langzaam, spierig spannend de achterbeenen, trokken

de paardjes op. Het slot breidde zich uit, massief, massaal. Het meer

zonk weg. De horizonnen werden wijder, als een wereld; zweem van een

bries woei iets weg van den oranjebloesemadem. De weg werd breed,

gemakkelijk, vlak. Als een fort, als een stad, breidde zich het slot

uit, achter zijn getinde muren met poort bij poort. Zij reden binnen,

over een hof, onder een gewelf een tweede hof binnen, door een tweede

gewelf een derde hof in. En Cornélie omving een gevoel van ontzag, een

vizioen van zuilen, bogen, beelden, arcades en fonteinen. Zij stegen

uit.

Urania kwam haar tegemoet, omhelsde, verwelkomde haar met innigheid en

bracht haar de trappen op, de gangen door naar hare kamer. De vensters

stonden open; zij zag uit op het meer en op de stad en op den Dom. En

nog eens kuste Urania haar en deed haar zitten. En het viel Cornélie

op, dat Urania mager was geworden en niet meer had haar vroegere

schittermooiheid van Amerikaansch jong meisje, met dat onbewuste van

cocotte, in haar oogen, in haar glimlach, in haar kleeding. Zij was

veranderd. Zij was een beetje afgevallen, en zij was niet zoo mooi

meer, alsof haar schoonheid was geweest een schijn van korten tijd,

meer frischheid dan lijn. Maar had zij haar glans verloren, zij had

gewonnen een zekere distinctie, een zekeren stijl: iets, dat Cornélie

verbaasde. Hare gebaren waren stiller, haar stem was zachter, haar mond

scheen kleiner en spleet niet telkens open om witte tanden te toonen;

haar toilet was doodeenvoudig: een blauwe rok en witte blouse. Cornélie

had moeite te begrijpen, dat de jonge prinses di Forte-Braccio,

hertogin di San Stefano, miss Urania Hope was, uit Chicago. Een weemoed

was over haar gekomen, die haar flatteerde, al was zij minder mooi.

En Cornélie dacht, dat zij eenig verdriet had, dat haar temperde en

nuanceerde, maar dat zij ook met tact zich voegde naar hare zoo geheel

nieuwe omgeving. Zij vroeg Urania of zij gelukkig was. Urania zei van

ja, met haar glimlach van weemoed, die zoo nieuw was en zoo verbaasde.

En zij vertelde. In Nice hadden zij een aardigen winter gehad. Maar

met een cosmopolitischen club van kennissen, want hoewel haar nieuwe

familie heel vriendelijk was, was ze zeer neêrbuigend en Virgilio's

kennissen--vooral de dames--sloten haar bijna beleedigend uit. Zij had

al in haar bruiloftsdagen gemerkt, dat de aristocratie haar tolereeren

zoû, maar dat men nooit vergeten kon, dat zij de dochter was van Hope,

tricot-fabrikant in Chicago. Zij had gezien, dat zij niet de eenige

was, die, al was zij nu prinses, hertogin, geduld werd en geduld alleen

om hare millioenen: er waren er anderen als zij. Vriendschap had zij

niet gesloten. Men was gekomen op haar jours en bals: men was met Gilio

frère et compagnon en koek en ei; de dames tutoyeerden hem, lachten

met hem, flirtten met hem en schenen het heel goed te vinden, dat hij

een paar millioen getrouwd had.... Tegen Urania waren zij maar even,

ternauwernood, beleefd. De dames vooral, de heeren waren gemakkelijker.

Maar het deed haar leed, vooral van al die hooge vrouwen van adel--al

de beroemde namen van Italië--die haar neêrbuigend bejegenden, en

altijd haar wisten uit te sluiten buiten elke intimiteit, elke intime

bijeenkomst, elke intime samenwerking voor feesten, van liefdadigheid.

Was alles al besproken, dan vroegen zij aan de prinses di Forte-Braccio

om meê te doen, dan boden zij haar de plaats aan, die haar toekwam,

en zelfs met scrupuleuze nauwgezetheid. Duidelijk behandelden zij haar

als prinses en gelijke voor de wereld, voor het publiek. Maar in haar

eigen côterie bleef zij Urania Hope. En de enkele andere burgerlijke

millionair-elementen zochten haar, natuurlijk, op, maar _zij_ hield

die terug en Gilio vond dat goed. En wat had Gilio haar gezegd, toen

zij hem haar nood eens klaagde? Dat zij, met tact, zeer zeker haar

pozitie winnen zoû, maar met een groot geduld en na vele, vele jaren.

Zij weende nu, haar hoofd op Cornélie's schouder: ach, zij, ze dacht:

wel nooit zoû zij ze winnen, die trotsche vrouwen! Wat was ook zij, een

Hope, vergeleken bij al die beroemde geslachten, die te zamen Italië's

oude glorie maakten en zich, als de Massimo's, lieten afstammen van de

Romeinen?

Of Gilio lief was? Jawel, maar dadelijk had hij haar behandeld als

"zijn vrouw". Al zijne aardigheid, al zijne vroolijkheid was voor

anderen: hij sprak nooit veel met haar. En de jonge prinses weende: zij

voelde zich eenzaam, zij verlangde soms naar Amerika. Zij had ook nu

haar broêr bij zich gevraagd, een aardige jongen van zeventien jaar,

die bij gelegenheid van haar huwelijk was overgekomen en wat gereisd

had door Europa, voor hij weêr naar zijn hoeve trok, in de Far West.

Hij was haar lieveling, hij troostte haar, maar over enkele weken zoû

hij gaan. En wat hield zij dan over? O, wat was ze blij, dat Cornélie

gekomen was! En wat zag ze er goed uit, zoo mooi als zij haar nog nooit

had gezien! Van der Staal had aangenomen: hij kwam over een week.

Fluisterend vroeg ze: zouden zij niet trouwen? Cornélie antwoordde

beslist van neen; zij trouwde niet, zij trouwde nooit meer. En in eens,

oprecht, zich niet kunnende verbergen voor Urania, deelde zij haar

mede, dat zij niet meer woonde in de Via dei Serpenti: dat ze woonde

in Duco's atelier. Urania schrikte voor dat breken met alle conventie,

maar zij beschouwde haar vriendin als een vrouw, die dingen mocht doen,

die een ander niet doen mocht. Dus alleen hun geluk en hun liefde,

fluisterde zij als bang, en zonder de maatschappelijke sanctie? Urania

herinnerde zich Cornélie's imprecaties tegen het huwelijk en vroeger,

tegen den prins. Maar nu mocht zij Gilio toch wel een beetje? O, zij,

Urania, zoû niet jaloersch meer zijn. Zij vond het heerlijk, dat

Cornélie gekomen was, en Gilio, die zich verveelde, had ook zoo naar

haar uitgezien. Och neen, Urania was niet meer jaloersch....

En haar hoofd op Cornélie's schouder, en hare oogen altijd vol tranen,

scheen zij alleen maar wat vriendschap, wat vriendelijkheid te vragen,

wat lieve woorden en liefkoozing, het rijke Amerikaansche kind, dat nu

den titel droeg van een oud Italiaansch geslacht. En Cornélie voelde

voor haar, omdat zij leed, omdat zij niet meer was een kleine mensch,

wier levenslijn haar lijn toevallig kruiste. Zij sloot haar in haar

armen, zij troostte haar--het schreiende prinsesje--als met een nieuwe

vriendschap: zij nam haar als vriendin aan in haar leven, niet meer

als kleine mensch. En toen Urania zich, staaroogend, herinnerde de

waarschuwing van Cornélie, sprak Cornélie daarover heen en zei, dat

zij, Urania, meer moed moest hebben. Tact had zij, ingeboren. Maar

moedig moest zij zijn, het leven onder oogen zien....

Zij stonden op, en voor het open venster, elkaâr omvattend in de armen,

zagen zij uit. De klokken van den Dom beierden in de lucht; de Dom rees

edel, trotsch op uit heel laag dakgewriemel, een reuzekathedraal voor

zulk een kleine stad: immens symbool van geestelijke heerschersmacht

over het eerbiedig neêrgeknielde dakenstadje. En het ontzag, dat

Cornélie vervuld had in den hof, tusschen de arcades, beelden en

fonteinen, vervulde haar opnieuw, omdat een roem en grootheid,

stervende, maar niet gestorven, vermolmd, maar niet verteerd, scheen

op te schemeren en schaduwen uit het mystieke blauw van het meer, uit

den eeuwenbouw der kathedraal, langs de oranje-heuvels tot in het slot,

waar aan een open raam een vreemde jonge vrouw stond, ontmoedigd, maar

wier millioenen die schim van roem en grootheid eischte om voort te

duren, nog enkele geslachten na....

Het is mooi en hoog, zooveel verleden, dacht Cornélie. Het is groot....

Maar toch is het niets meer. Het is een schim. Want het is weg, het is

alles weg, het is alles maar herinnering van adeltrotsche menschen, van

eng denkende zielen, die niet naar de toekomst zien....

En de toekomst, met een verwarring van sociale raadsels, met het gewuif

van nieuwe banieren en wimpels, wemelde toen voor haar blik, in de

lange lichtspiralen, die, blauwe vraagteekens, trillerden voor hare

oogen, tusschen het meer en den hemel.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 44 / 67 题