Den volgenden dag zoû de prins 's morgens naar San Stefano gaan en heel
vroeg schreef Cornélie hem het volgende briefje:
Waarde Prins.
Ik kom tot u met een verzoek. U was gisteren morgen zoo
vriendelijk mij uw hulp aan te bieden. Ik meende toen uw zoo
vriendschappelijk aanbod te kunnen weigeren. Maar ik hoop, dat u
mij niet al te grillig vindt als ik mij van daag tot u wend met
het verzoek: leen mij, wat u mij gisteren wilde aanbieden.
Leen mij tweehonderd lire. Ik hoop ze u zoo spoedig mogelijk te
kunnen teruggeven. Het behoeft natuurlijk geen geheim voor Urania
te zijn, maar laat Duco het niet weten. Ik heb gisteren mijn
braceletten willen verkoopen, maar er slechts éen verkocht, voor
heel weinig geld. De goudsmid wilde er mij te weinig voor geven,
maar éen was ik wel gedwongen hem voor veertig lire te laten, want
ik had geen soldo meer! En nu kom ik dus een beroep doen op uw
vriendschap en u vragen: sluit in een couvert de tweehonderd lire
en laat mij die _zelve_ komen afhalen bij den portier. Ontvang bij
voorbaat de betuiging mijner innige erkentelijkheid.
Wat een gezelligen avond heeft u ons gisteren bezorgd. Zoo een
paar uren van vroolijke kout aan een keurig diner doen mij
goed. Hoe gelukkig ik mij voel, onze tegenwoordige toestand van
geldelijke zorg drukt mij wel eens neêr, hoewel ik mij voor Duco
ophoud. Tobben over geld stoort hem in zijn arbeid en knakt hem in
zijn werkkracht. Ik spreek er hem dan ook zoo min mogelijk over,
en vraag u dus uitdrukkelijk: laat hem buiten dit kleine geheim.
Nogmaals: ik ben u innig dankbaar.