Zij vond Duco lusteloos, liggend op den divan. Hij had een zware
hoofdpijn en zij zette zich naast hem.
--Wel? vroeg hij.
--De man woû tachtig lire geven voor den Memmi, zeide zij; maar hij
beweerde, dat het tryptiekblad niet was van Gentile da Fabriano: hij
herinnerde zich het blad bij je gezien te hebben.
--De man leutert, antwoordde hij; of hij zoekt mijn Gentile voor niets
te krijgen.... Cornélie, ik kan ze eigenlijk niet verkoopen.
Nu Duco, dan zullen we wel wat anders vinden, sprak ze, en legde haar
hand op zijn van hoofdpijn verwrongen voorhoofd.
--Misschien een paar kleinere dingen, een paar bibelots ... kreunde hij.
--Misschien ... Wil ik er van middag nog eens teruggaan?
--Neen, neen ... Dan ga _ik_. Maar eigenlijk kunnen wij zulke dingen
wel koopen, maar nooit verkoopen.
--Neen Duco, gaf zij lachende toe. Maar ik heb gisteren geïnformeerd
wat ik voor een paar braceletten krijgen kon, en die zal ik van middag
van de hand doen. En dan kunnen we wel een maand rondscharrelen. Maar
ik woû je iets vertellen. Weet je wien ik ontmoet heb?
--Neen.
--Den prins.
Zijn voorhoofd fronste.
--Ik hoû niet van dien ploert, sprak hij.
--Ik heb het je al eens gezegd, Duco: ik vind hem geen ploert. En ik
geloof ook niet, dat hij dat is. Hij vroeg ons te dineeren voor van
avond, heel eenvoudig.
--Neen, ik heb geen lust....
Zij zweeg. Zij stond op, kookte water op een spiritusstel en zette thee.
--Beste Duco, ik heb het lunch wat genegligeerd. Een kop thee en een
boterham is alles wat ik je kan offreeren. Heb je veel honger?
--Neen, zeide hij ontwijkend.
Zij neuriede, terwijl zij de thee inschonk, in een antiek kopje. Zij
sneed het brood en bracht hem zijn kopje op den divan. Toen zette zij
zich naast hem, ook met een kopje in de hand.
--Cornélie, willen we liever niet lunchen in de osteria....
Zij toonde hem lachend haar leêge beurs.
--Hier zijn de postzegels, sprak ze.
Hij wierp zich ontmoedigd in de kussens.
--Mijn beste jongen, ging zij voort; wees niet zoo down. Van middag heb
ik weêr geld, van die braceletten. Ik had ze eerder moeten verkoopen.
Heusch Duco, het heeft niets te beteekenen. Waarom heb je niet gewerkt.
Het zoû je opgewekt hebben.
--Ik had geen lust en ik heb hoofdpijn....
Zij zweeg even. Toen zeide zij:
--De prins was boos, dat wij hem niet geschreven hadden om hulp. Hij
woû me tweehonderd lire geven....
--Je hebt ze toch geweigerd? vroeg hij woest.
--Natuurlijk, zeide zij kalm. Hij vroeg ons te logeeren op San Stefano,
waar zij van den zomer zijn. Dat heb ik ook geweigerd.
--Waarom?
--Ik zoû geen kleêren hebben Maar jij zoû toch ook geen lust hebben,
wel?
--Neen, sprak hij mat.
Zij nam zijn hoofd tegen zich aan en streelde over zijn voorhoofd.
Een breed vak van weêrkaatst middaglicht viel uit de blauwe lucht
buiten door het atelierraam en het atelier was als een ineengewemel
van stoffige kleur, waarin de silhouetten zich uitteekenden met hun
onbewegelijk gebaar en onveranderlijke emotie. De reliefborduursels
der kazuifels en stolen, de purperen en azuurblauwen van Gentile's
tryptiekblad, de mystische weelde van Memmi's engel in zijn mantel van
zwaarkreukend brokaat, de gouden lelietak in de vingers--waren als een
opeengestapelde rijkdom van kleur en flonkerden in dat weêrkaatste
licht als van handenvol juweelen. Op den ezel stond de aquarel der
Banieren, fijn en edel. En zooals zij zaten op den divan, hij leunende
het hoofd tegen haar aan, beiden drinkende hunne thee, waren zij
harmonisch van geluk tegen dien achtergrond van kunst. En het scheen
ongelooflijk, dat zij zich bezorgd maakten over een paar honderd lire,
want het gloeide om hen heen van kleur als edelsteen, en haar glimlach
bleef als een glans. Maar ontmoedigd stonden zijn oogen en slap hing
zijn hand.
Zij ging dien middag nog even uit, maar kwam spoedig thuis, zeggende,
dat zij de braceletten verkocht had en dat hij nu zonder zorg behoefde
te zijn. En zij zong en bewoog zich vroolijk door het atelier. Zij
had eenige inkoopen gedaan: een amandeltaart, beschuitjes, een half
fleschje port. Zij had dat zelve meêgebracht in een mandje en zij pakte
het al zingend uit. Hare levendigheid wekte hem op; hij stond op en
zette zich eensklaps voor "De Banieren". Hij zag naar het licht en
bedacht, dat hij nog wel een uur kon werken. Een heerlijkheid golfde
in hem op toen hij de aquarel beschouwde: hij vond er veel goeds, veel
moois in. Er was breedheid in en fijnheid; het was modern en toch
geen truc van modernisme: er was gedachte in en toch zuiverheid van
lijn en groep. En de kleur was van een rustige voornaamheid: paarsch
en grijs en wit; violet en grauw en blank; duister, schemer, licht;
nacht, dageraad, dag. De dag vooral, de hoog daar dagende dag, was van
een witte, zelfbewuste zon: een blanke zekerheid, waarin de toekomst
duidelijk werd. Maar als een wolk waren de wimpels, deviezen, vanen,
banieren, uitwaaiende als een heraldische trotschheid boven de
extazehoofden der strijdsters.... Hij zocht zijne kleuren, hij zocht
zijn penseelen, hij werkte met ijver, tot hij geen licht meer had. En
hij zette zich bij haar, gelukkig, tevreden. In de schemering dronken
zij van den port en aten zij van de taart. Hij had wel lust, zeide hij:
hij had honger....
Om zeven uur werd er geklopt. Hij schrikte op, ging naar de deur, en de
prins trad binnen. Duco's voorhoofd bewolkte, maar de prins zag niets
in het duisterende atelier. Cornélie stak een lamp op.
--Scusi, prins, zeide zij. Ik ben bepaald verlegen. Duco heeft geen
lust uit te gaan--hij heeft gewerkt en is moê--en ik had niemand om u
een boodschap te zenden, dat wij uw invitatie niet konden aannemen.
--Maar dat meent u toch niet! Ik had zoo vast gerekend u beiden te
hebben. Wat doe ik anders met mijn avond...!
En met zijn woordvloed, zijn klagen van bedorven kind, zijn smeeken van
verwende jongen, die zijn zin wilde hebben, begon hij Duco--onwillig,
stroef--over te halen. Duco stond eindelijk op, haalde zijn schouders
op, glimlachte meêlijdend, bijna beleedigend, maar gaf toe. Maar zijn
gevoel van onwil kon hij niet bedwingen; zijn ijverzucht om de vlugge
repartie's van Cornélie en den prins was altijd hevig in hem, als een
pijn. In de restauratie was hij eerst stil. Toen deed hij een poging om
meê te doen in het gesprek, zich herinnerende wat Cornélie hem gezegd
had dien gewichtigen dag in de osteria: dat zij hèm, Duco, liefhad; dat
zij tegen hem opzag, dat zij den prins zelfs niet vergeleek bij hem;
maar.... dat hij niet vroolijk was en geestig.... En om die herinnering
voelende zijn meerderheid, was hij, trots zijn jalouzie, een beetje
glimlachend uit de hoogte tegen den prins, een beetje neêrbuigend en
duldende zijn aardigheid en flirt, omdat het Cornélie amuzeerde, dat
gespeel met vlugge woorden en kort op elkaâr slaande zinnetjes, als de
dialoog van een Fransch tooneelstuk.