Het was een paar maanden na Paschen: het waren de lentedagen van
Mei. De vloed der toeristen was, dadelijk na de groote kerkfeesten,
weggestroomd, en Rome was al heel warm en werd heel stil. Op
een morgen, dat Cornélie liep over de Piazza di Spagna, waar de
zonneschijn neêrvloot langs de roomgele façade der Trinita de' Monti,
over de monumentale trap, waar maar enkele bedelaars en de laatste
bloemenjongen in een hoekje schaduw zaten te droomen met knippende
oogleden, zag Cornélie den prins op zich afkomen. Hij groette haar met
een blijden glimlach en trad haastig op haar toe.
--Wat ben ik blij u te ontmoeten. Ik ben voor een paar dagen in Rome
en ik moet naar San Stefano, naar mijn vader, voor zaken. Vervelend
zaken, vooral deze. Urania is in Nice. Maar het is er warm, wij gaan
weg. Wij komen juist van een trip door de Middellandsche zee. Vier
weken op het yacht van een vriend. Het was heerlijk! Waarom is u niet
eens bij ons in Nice gekomen, zooals Urania u geschreven heeft te doen?
--Ik kon waarlijk niet komen....
--Ik ben u gisteren gaan opzoeken in de Via dei Serpenti. Maar men
vertelde mij, dat u verhuisd was....
Hij zag haar aan met een spotlachje in zijn kleine, glinsterende oogen.
Zij zweeg.
--Toen heb ik niet verder indiscreet willen zijn, voltooide hij met
bedoeling.... Waar gaat u heen?
--Ik moet naar het postkantoor.
--Ik heb niets te doen. Mag ik met u meêloopen. Is het u niet te warm
om te wandelen?
--O, neen, ik hoû van de warmte. Zeker, loopt u meê. Hoe gaat het met
Urania?
--Goed, uitstekend. Zij is uitstekend. Zij is prachtig, eenvoudig
prachtig. Ik had het nooit gedacht. Ik had het nooit durven denken.
Zij houdt zich briljant. Wat haar aangaat heb ik geen berouw van mijn
huwelijk. Maar verder, wat een tegenvaller, wat een deceptie. Gesu mio!
--Waarom?
--U wist, niet waar--hoe weet ik nog niet--u wist voor hoeveel ik me
verkocht? Geen vijf millioen, maar tien millioen. Ach, signora mia,
wat al deceptie. U heeft mijn schoonvader gezien tijdens ons huwelijk.
Wat een Yankee, wat een kousenkoopman en wat een handelsvent! Wij
kunnen daar niet tegen op. Ik niet, en papa niet, en de marchesa niet.
Eerst beloften, contracten, jawel. Maar dan pingelen hierop, pingelen
daarop. Wij kunnen dat niet. Ik niet. En papa ook niet. Alleen tante
kon pingelen. Maar ze was niet tegen den kousenkoopman opgewassen. Dat
had ze nog niet geleerd al de jaren, dat ze pension-mama was geweest.
Tien millioen? Vijf millioen? Geen drie millioen! Nu ja, maar ongeveer
zooveel hebben we wel gekregen, plus nog een hoop beloften, voor onze
kindskinderen, als iedereen dood is. Ach, signora, signora, ik was
rijker toen ik niet getrouwd was! Het is waar, toen had ik schulden, nu
niet. Maar Urania is van een zuinigheid, van een praktischheid. Ik had
dat nooit zoo gedacht.... Het is iedereen tegengevallen, papa, tante,
de monsignore's. U moest ze eens bijwonen met elkaâr. Ze hadden elkaâr
wel de oogen willen uitkrabben. Papa heeft bijna een beroerte gehad,
tante raakte handgemeen met de monsignore's.... Ach, signora, signora,
ik hoû daar niet van. Ik ben een slachtoffer. Winters lang hebben ze
met me gehengeld. Maar ik woû niet, ik stribbelde tegen: ik liet de
vischjes niet happen. En nu is het er dan van gekomen. Nog geen drie
millioen. Lire's, geen dollars. Ik was zoo dom, ik dacht eerst, dat het
dollars zouden zijn. En Urania is van een zuinigheid. Ik krijg mijn
zakgeld van haar. Zij beheert alles, zij doet alles. Zij weet precies
hoeveel ik verlies in den club. Neen, u lacht, maar het is treurig.
Ziet u wel, dat ik soms zoû kunnen huilen! En dan heeft ze zulke
vreemde ideeën. Bij voorbeeld, wij hebben nu ons appartement in Nice
en wij houden mijn kamers in het Palazzo Ruspoli aan, als pied-à-terre
in Rome. Dat is genoeg: wij komen toch nooit veel in Rome, omdat wij
"zwart" zijn en Urania dat saai vindt. 's Zomers zouden wij hier of
daar zijn, op een badplaats. Mooi, dat was nu eenmaal afgesproken.
Maar nu krijgt Urania in eens het idee om San Stefano uit te kiezen
als zomerverblijfplaats! San Stefano!! Ik vraag u. Ik hoû het er niet
uit. Het is waar, het ligt hoog, het is er koel: het klimaat is er
aangenaam: een frische berglucht. Maar, ik heb meer noodig om te leven
dan berglucht. Ik heb meer noodig om te leven dan berglucht. O, u zoû
Urania niet herkennen. Ze is zoo koppig soms. Het staat nu onwrikbaar
vast: 's zomers San Stefano. En het ergste is: ze heeft er papa's hart
meê gestolen. Ik ben dus het kind van de rekening. Ze staan twee tegen
mij, éen. En het allerergste is..., dat Urania gezegd heeft, dat we
heél zuinig moeten zijn, om San Stefano op te knappen. Het is er een
beroemde historische, maar vervallen boel. Wat wil u, we hebben nooit
veine gehad. Nadat er eens een Forte-Braccio Paus is geweest ... is
onze ster getaand en hebben we nooit meer geluk gehad. San Stefano is
het type van vervallen grootheid. U moet het eens zien. Zuinig zijn,
om San Stefano op te knappen! Dat is nu Urania's ideaal. Ze heeft zich
in het hoofd gezet onze voorvaderlijke woning eere aan te doen. Enfin,
ze steelt er papa's hart meê en hij is zijn beroerte te boven gekomen.
Maar begrijpt u nu, dat il povero Gilio armer is dan voor hij aandeelen
had in een kousenfabriek te Chicago??
Zijn woordenstroom was niet te breidelen. Hij voelde zich diep
ongelukkig, klein, geslagen, getemd, overwonnen, vernietigd en hij had
behoefte zijn hart te luchten. Zij waren de post al voorbij geloopen
en kwamen nu op hun passen terug. Hij zocht sympathie bij Cornélie en
hij vond die in de glimlachende oplettendheid, waarmeê ze zijn klachten
aanhoorde. Zij antwoordde, dat het toch voor Urania prouveerde, dat zij
gevoel had voor San Stefano.
--O ja, gaf hij nederig toe. Ze is heel goed. Ik had het nooit
gedacht. Ze is op-end-op prinses-hertogin. Het is prachtig. Maar de
tien millioen, weg illuzie! Maar zeg mij, wat ziet u er goed uit! U
wordt iederen keer, dat ik u zie, mooier en mooier. Weet u wel, dat u
een heele mooie vrouw is? U moet zeker heel gelukkig zijn! U is een
bizondere vrouw, ik heb het altijd gezegd. Ik begrijp u niet.... Mag ik
eerlijk spreken? Zijn wij goede vrienden? Ik begrijp u niet. Wat u nu
gedaan heeft, vind ik zoo iets ontzettends.... Ik heb daar nooit van
gehoord in onze wereld.
--Uw wereld is de mijne niet, prins.
--Nu ja, maar toch, uw wereld zal daaromtrent wel de zelfde ideeën
hebben. En die kalmte, die fierheid, dat geluk, waarmeê u rustig
doet.... waar u lust in heeft. Ik vind het ontzaglijk. Ik sta ervan
versteld.... En toch ... is het jammer. In mijn wereld is men heel
gemakkelijk.... Maar dàt mag niet!
--Prins, nog eens, ik heb geen wereld. Mijn wereld is mijn eigen sfeer.
--Ik begrijp dat niet.... Zeg mij, hoe moet ik het Urania zeggen? Want
ik zoû het zoo heerlijk vinden als u eens kwam te San Stefano. Och
toe, doe het, kom ons eens gezelschap houden. Ik smeek u er om. Wees
barmhartig, doe een goed werk.... Maar zeg mij eerst, hoe moet ik het
aan Urania zeggen....
Zij lachte.
--Wat?
--Dat wat men mij vertelde in de Via dei Serpenti: dat uw adres
voortaan luidde: Via del Babuino, atelier van den heer Van der Staal....
Zij zag hem, lachende, bijna medelijdend aan.
--Het is te moeilijk voor u, om te zeggen, antwoordde zij zachtjes
neêrbuigend. Ik zal het zelf aan Urania schrijven en haar mijn gedrag
verklaren.
Hij was blijkbaar verlucht.
--Dat is heerlijk, uitstekend! En ... komt u op San Stefano?
--Neen, ik kan niet, heusch niet.
--Waarom niet?
--In den kring, waarin u leeft, kan ik niet meer komen, na mijn
verandering van adres, zeide zij, half lachend, half ernstig.
Hij haalde de schouders op.
--Hoor eens, sprak hij. U kent onze Romeinsche maatschappij. Als zekere
convenances worden geëerbiedigd ... is alles geoorloofd.
--Juist, maar die convenances eerbiedig ik juist niet....
--Dat is dan ook verkeerd van u. Geloof mij, ik zeg het u als vriend.
--Ik leef naar mijn eigen wet en verlang niet uw wereld binnen te
treden.
Hij vouwde de handen.
--Ja, ja, dat weet ik wel. U is een "nieuwe vrouw." U heeft uw eigen
wet. Maar ik smeek u, heb medelijden met mij. Ontferm u over mij. Kom
te San Stefano.
Zij meende in zijne stem een verleiding te hooren en daarom zeide zij:
--Prins, al kon het overeenkomen met de convenances van uw wereld ...
dan nog zoû ik niet willen, want ik wil Van der Staal niet verlaten.
--Kom eerst, en later komt hij. Urania zal hem gaarne raad willen
vragen omtrent eenige artistieke kwesties, betreffende het "opknappen"
van Stefano. Wij hebben daar veel schilderijen. En antieken. Toe, doe
dat. Ik ga morgen naar San Stefano. Urania volgt mij na een week. Ik
zal haar voorstellen u spoedig te vragen....
--Waarlijk prins ... zoo binnen kort kan ik niet....
--Waarom niet?
Zij zag hem lang aan.
--Wil ik heel eerlijk zijn?
--Natuurlijk.
Zij waren de post al een paar malen voorbijgeloopen. Het was doodstil
op straat, er liep niemand. Hij zag haar vragend aan.
--Nu dan, sprak zij; wij zijn in groote geldelijke moeilijkheden.
Wij hebben op het oogenblik niets in huis. Ik heb mijn kapitaaltje
verloren en het weinigje wat ik verdiend heb met het schrijven van een
artikel is op. Duco werkt hard, maar hij is aan een groot werk bezig
en verdient niets. Over twee maanden wacht hij eenig geld. Maar op dit
oogenblik hebben wij niets. Eenvoudig niets. Daarom ben ik van morgen
in een winkel aan den Tiber gaan informeeren hoeveel de koopman geven
woû voor een paar antieke schilderijen, die Duco verkoopen wil. Hij
scheidt ongaarne van ze. Maar het kan niet anders. U ziet dus, dat ik
niet komen kan. Ik zoû hem niet willen verlaten en dan, ik zoû geen
geld hebben voor de reis en ook geen decente garderobe....
Hij zag haar aan. Hare opbloeiende schoonheid had hem eerst getroffen;
nu trof hem, dat haar rok wat gesleten was, hare blouse niet frisch
meer was, hoewel zij een paar rozen in den ceintuur droeg.
--Gesu mio! riep hij uit. En dat vertelt u mij zoo kalm, zoo rustig....
Zij glimlachte en haalde de schouders op.
--Wat wil u? Dat ik er over jammer?
--Maar u is een vrouw ... een vrouw om eerbied voor te hebben! riep hij
uit. Hoe is Van der Staal er onder?
--Hij is wel een beetje gedrukt. Hij heeft nooit finantieele
moeilijkheid gekend. En het verhindert hem met al zijn talent
te werken. Maar ik hoop hem tot eenigen steun te zijn in dezen
ongelukkigen tijd. U ziet dus, prins, dat ik niet kan komen te San
Stefano.
--Maar waarom heeft u ons niet geschreven? Waarom ons geen geld
gevraagd?
--Het is heel lief van u dat te zeggen, maar het idee is zelfs niet
bij ons opgekomen.
--Te fier?
--Te fier, ja.
--Maar wat een toestand? Wat kan ik voor u doen? Mag ik u een paar
honderd lire geven? Ik heb een paar honderd lire bij me. En ik zal
Urania zeggen, dat ik ze u gegeven heb.
--Neen prins, dank u. Ik ben u heel dankbaar, maar ik kan het niet
aannemen.
--Van _mij_ niet?
--Neen.
--Van Urania niet?
--Ook niet van haar.
--Waarom?
--Ik wil mijn geld verdienen en kan geen aalmoes ontvangen.
--Een mooi principe. Maar voor het oogenblik.
--Blijf ik het nog getrouw.
--Mag ik u wat zeggen.
--Wat dan?
--Ik bewonder u. Meer dan dat. Ik heb u lief. Zij maakte een beweging
met de hand en fronste de wenkbrauwen.
--Waarom mag ik dat niet zeggen. Een Italiaan houdt zijn liefde niet
in zich verborgen. Ik heb u lief. U is mooier en edeler en hooger dan
ik mij ooit een vrouw zoû kunnen voorstellen.... Wees niet boos: ik
vraag u niets. Ik ben een mauvais sujet maar op het oogenblik voel ik
waarachtig nog zoo iets in me, dat u op onze oude familieportretten
ziet. Een bij toeval overgebleven atoom van ridderlijkheid. Ik vraag u
niets. Ik zeg u alleen, ook uit Urania's naam nu: u kan altijd op ons
rekenen. Urania zal boos zijn, dat u haar niet geschreven heeft.
Zij gingen nu de post in en zij kocht een paar postzegels.
--Daar gaan mijn laatste soldi, zeide zij lachend en toonde haar
leêge beurs. Wij hadden ze noodig voor een paar brieven aan een
tentoonstellingscomité in Londen. Brengt u mij naar huis?
Zij zag eensklaps, dat hij tranen in zijn oogen had.
--Neemt u tweehonderd lire van mij aan! smeekte hij.
Zij dankte glimlachend van neen.
--Eet u thuis? vroeg hij.
Zij keek hem komisch aan.
--Ja, zeide zij.
Hij wilde niet verder vragen, bang haar te kwetsen.
--Wees lief, sprak hij; en dineer samen van avond met mij. Ik verveel
mij. Ik heb op het oogenblik geen kennis in Rome. Iedereen is weg. Niet
in het Grand-Hôtel, maar in een gezellige restauratie waar men mij
kent. Ik kom u halen, om zeven uur. Wees lief, en doe het! Om mij!
Zijn tranen kon hij niet weêrhouden.
--Gaarne, sprak zij zacht, met haar glimlach.
Zij stonden in de poort van het huis der Via del Babuino, waar het
atelier was. Hij hief haar hand aan zijn lippen, en kuste ze innig.
Toen groette hij met den hoed en vertrok haastig. Zij ging langzaam
de trappen op, hare aandoening bedwingend, voor zij het atelier
binnentrad.