XXVIII.

Het was een paar maanden na Paschen: het waren de lentedagen van

Mei. De vloed der toeristen was, dadelijk na de groote kerkfeesten,

weggestroomd, en Rome was al heel warm en werd heel stil. Op

een morgen, dat Cornélie liep over de Piazza di Spagna, waar de

zonneschijn neêrvloot langs de roomgele façade der Trinita de' Monti,

over de monumentale trap, waar maar enkele bedelaars en de laatste

bloemenjongen in een hoekje schaduw zaten te droomen met knippende

oogleden, zag Cornélie den prins op zich afkomen. Hij groette haar met

een blijden glimlach en trad haastig op haar toe.

--Wat ben ik blij u te ontmoeten. Ik ben voor een paar dagen in Rome

en ik moet naar San Stefano, naar mijn vader, voor zaken. Vervelend

zaken, vooral deze. Urania is in Nice. Maar het is er warm, wij gaan

weg. Wij komen juist van een trip door de Middellandsche zee. Vier

weken op het yacht van een vriend. Het was heerlijk! Waarom is u niet

eens bij ons in Nice gekomen, zooals Urania u geschreven heeft te doen?

--Ik kon waarlijk niet komen....

--Ik ben u gisteren gaan opzoeken in de Via dei Serpenti. Maar men

vertelde mij, dat u verhuisd was....

Hij zag haar aan met een spotlachje in zijn kleine, glinsterende oogen.

Zij zweeg.

--Toen heb ik niet verder indiscreet willen zijn, voltooide hij met

bedoeling.... Waar gaat u heen?

--Ik moet naar het postkantoor.

--Ik heb niets te doen. Mag ik met u meêloopen. Is het u niet te warm

om te wandelen?

--O, neen, ik hoû van de warmte. Zeker, loopt u meê. Hoe gaat het met

Urania?

--Goed, uitstekend. Zij is uitstekend. Zij is prachtig, eenvoudig

prachtig. Ik had het nooit gedacht. Ik had het nooit durven denken.

Zij houdt zich briljant. Wat haar aangaat heb ik geen berouw van mijn

huwelijk. Maar verder, wat een tegenvaller, wat een deceptie. Gesu mio!

--Waarom?

--U wist, niet waar--hoe weet ik nog niet--u wist voor hoeveel ik me

verkocht? Geen vijf millioen, maar tien millioen. Ach, signora mia,

wat al deceptie. U heeft mijn schoonvader gezien tijdens ons huwelijk.

Wat een Yankee, wat een kousenkoopman en wat een handelsvent! Wij

kunnen daar niet tegen op. Ik niet, en papa niet, en de marchesa niet.

Eerst beloften, contracten, jawel. Maar dan pingelen hierop, pingelen

daarop. Wij kunnen dat niet. Ik niet. En papa ook niet. Alleen tante

kon pingelen. Maar ze was niet tegen den kousenkoopman opgewassen. Dat

had ze nog niet geleerd al de jaren, dat ze pension-mama was geweest.

Tien millioen? Vijf millioen? Geen drie millioen! Nu ja, maar ongeveer

zooveel hebben we wel gekregen, plus nog een hoop beloften, voor onze

kindskinderen, als iedereen dood is. Ach, signora, signora, ik was

rijker toen ik niet getrouwd was! Het is waar, toen had ik schulden, nu

niet. Maar Urania is van een zuinigheid, van een praktischheid. Ik had

dat nooit zoo gedacht.... Het is iedereen tegengevallen, papa, tante,

de monsignore's. U moest ze eens bijwonen met elkaâr. Ze hadden elkaâr

wel de oogen willen uitkrabben. Papa heeft bijna een beroerte gehad,

tante raakte handgemeen met de monsignore's.... Ach, signora, signora,

ik hoû daar niet van. Ik ben een slachtoffer. Winters lang hebben ze

met me gehengeld. Maar ik woû niet, ik stribbelde tegen: ik liet de

vischjes niet happen. En nu is het er dan van gekomen. Nog geen drie

millioen. Lire's, geen dollars. Ik was zoo dom, ik dacht eerst, dat het

dollars zouden zijn. En Urania is van een zuinigheid. Ik krijg mijn

zakgeld van haar. Zij beheert alles, zij doet alles. Zij weet precies

hoeveel ik verlies in den club. Neen, u lacht, maar het is treurig.

Ziet u wel, dat ik soms zoû kunnen huilen! En dan heeft ze zulke

vreemde ideeën. Bij voorbeeld, wij hebben nu ons appartement in Nice

en wij houden mijn kamers in het Palazzo Ruspoli aan, als pied-à-terre

in Rome. Dat is genoeg: wij komen toch nooit veel in Rome, omdat wij

"zwart" zijn en Urania dat saai vindt. 's Zomers zouden wij hier of

daar zijn, op een badplaats. Mooi, dat was nu eenmaal afgesproken.

Maar nu krijgt Urania in eens het idee om San Stefano uit te kiezen

als zomerverblijfplaats! San Stefano!! Ik vraag u. Ik hoû het er niet

uit. Het is waar, het ligt hoog, het is er koel: het klimaat is er

aangenaam: een frische berglucht. Maar, ik heb meer noodig om te leven

dan berglucht. Ik heb meer noodig om te leven dan berglucht. O, u zoû

Urania niet herkennen. Ze is zoo koppig soms. Het staat nu onwrikbaar

vast: 's zomers San Stefano. En het ergste is: ze heeft er papa's hart

meê gestolen. Ik ben dus het kind van de rekening. Ze staan twee tegen

mij, éen. En het allerergste is..., dat Urania gezegd heeft, dat we

heél zuinig moeten zijn, om San Stefano op te knappen. Het is er een

beroemde historische, maar vervallen boel. Wat wil u, we hebben nooit

veine gehad. Nadat er eens een Forte-Braccio Paus is geweest ... is

onze ster getaand en hebben we nooit meer geluk gehad. San Stefano is

het type van vervallen grootheid. U moet het eens zien. Zuinig zijn,

om San Stefano op te knappen! Dat is nu Urania's ideaal. Ze heeft zich

in het hoofd gezet onze voorvaderlijke woning eere aan te doen. Enfin,

ze steelt er papa's hart meê en hij is zijn beroerte te boven gekomen.

Maar begrijpt u nu, dat il povero Gilio armer is dan voor hij aandeelen

had in een kousenfabriek te Chicago??

Zijn woordenstroom was niet te breidelen. Hij voelde zich diep

ongelukkig, klein, geslagen, getemd, overwonnen, vernietigd en hij had

behoefte zijn hart te luchten. Zij waren de post al voorbij geloopen

en kwamen nu op hun passen terug. Hij zocht sympathie bij Cornélie en

hij vond die in de glimlachende oplettendheid, waarmeê ze zijn klachten

aanhoorde. Zij antwoordde, dat het toch voor Urania prouveerde, dat zij

gevoel had voor San Stefano.

--O ja, gaf hij nederig toe. Ze is heel goed. Ik had het nooit

gedacht. Ze is op-end-op prinses-hertogin. Het is prachtig. Maar de

tien millioen, weg illuzie! Maar zeg mij, wat ziet u er goed uit! U

wordt iederen keer, dat ik u zie, mooier en mooier. Weet u wel, dat u

een heele mooie vrouw is? U moet zeker heel gelukkig zijn! U is een

bizondere vrouw, ik heb het altijd gezegd. Ik begrijp u niet.... Mag ik

eerlijk spreken? Zijn wij goede vrienden? Ik begrijp u niet. Wat u nu

gedaan heeft, vind ik zoo iets ontzettends.... Ik heb daar nooit van

gehoord in onze wereld.

--Uw wereld is de mijne niet, prins.

--Nu ja, maar toch, uw wereld zal daaromtrent wel de zelfde ideeën

hebben. En die kalmte, die fierheid, dat geluk, waarmeê u rustig

doet.... waar u lust in heeft. Ik vind het ontzaglijk. Ik sta ervan

versteld.... En toch ... is het jammer. In mijn wereld is men heel

gemakkelijk.... Maar dàt mag niet!

--Prins, nog eens, ik heb geen wereld. Mijn wereld is mijn eigen sfeer.

--Ik begrijp dat niet.... Zeg mij, hoe moet ik het Urania zeggen? Want

ik zoû het zoo heerlijk vinden als u eens kwam te San Stefano. Och

toe, doe het, kom ons eens gezelschap houden. Ik smeek u er om. Wees

barmhartig, doe een goed werk.... Maar zeg mij eerst, hoe moet ik het

aan Urania zeggen....

Zij lachte.

--Wat?

--Dat wat men mij vertelde in de Via dei Serpenti: dat uw adres

voortaan luidde: Via del Babuino, atelier van den heer Van der Staal....

Zij zag hem, lachende, bijna medelijdend aan.

--Het is te moeilijk voor u, om te zeggen, antwoordde zij zachtjes

neêrbuigend. Ik zal het zelf aan Urania schrijven en haar mijn gedrag

verklaren.

Hij was blijkbaar verlucht.

--Dat is heerlijk, uitstekend! En ... komt u op San Stefano?

--Neen, ik kan niet, heusch niet.

--Waarom niet?

--In den kring, waarin u leeft, kan ik niet meer komen, na mijn

verandering van adres, zeide zij, half lachend, half ernstig.

Hij haalde de schouders op.

--Hoor eens, sprak hij. U kent onze Romeinsche maatschappij. Als zekere

convenances worden geëerbiedigd ... is alles geoorloofd.

--Juist, maar die convenances eerbiedig ik juist niet....

--Dat is dan ook verkeerd van u. Geloof mij, ik zeg het u als vriend.

--Ik leef naar mijn eigen wet en verlang niet uw wereld binnen te

treden.

Hij vouwde de handen.

--Ja, ja, dat weet ik wel. U is een "nieuwe vrouw." U heeft uw eigen

wet. Maar ik smeek u, heb medelijden met mij. Ontferm u over mij. Kom

te San Stefano.

Zij meende in zijne stem een verleiding te hooren en daarom zeide zij:

--Prins, al kon het overeenkomen met de convenances van uw wereld ...

dan nog zoû ik niet willen, want ik wil Van der Staal niet verlaten.

--Kom eerst, en later komt hij. Urania zal hem gaarne raad willen

vragen omtrent eenige artistieke kwesties, betreffende het "opknappen"

van Stefano. Wij hebben daar veel schilderijen. En antieken. Toe, doe

dat. Ik ga morgen naar San Stefano. Urania volgt mij na een week. Ik

zal haar voorstellen u spoedig te vragen....

--Waarlijk prins ... zoo binnen kort kan ik niet....

--Waarom niet?

Zij zag hem lang aan.

--Wil ik heel eerlijk zijn?

--Natuurlijk.

Zij waren de post al een paar malen voorbijgeloopen. Het was doodstil

op straat, er liep niemand. Hij zag haar vragend aan.

--Nu dan, sprak zij; wij zijn in groote geldelijke moeilijkheden.

Wij hebben op het oogenblik niets in huis. Ik heb mijn kapitaaltje

verloren en het weinigje wat ik verdiend heb met het schrijven van een

artikel is op. Duco werkt hard, maar hij is aan een groot werk bezig

en verdient niets. Over twee maanden wacht hij eenig geld. Maar op dit

oogenblik hebben wij niets. Eenvoudig niets. Daarom ben ik van morgen

in een winkel aan den Tiber gaan informeeren hoeveel de koopman geven

woû voor een paar antieke schilderijen, die Duco verkoopen wil. Hij

scheidt ongaarne van ze. Maar het kan niet anders. U ziet dus, dat ik

niet komen kan. Ik zoû hem niet willen verlaten en dan, ik zoû geen

geld hebben voor de reis en ook geen decente garderobe....

Hij zag haar aan. Hare opbloeiende schoonheid had hem eerst getroffen;

nu trof hem, dat haar rok wat gesleten was, hare blouse niet frisch

meer was, hoewel zij een paar rozen in den ceintuur droeg.

--Gesu mio! riep hij uit. En dat vertelt u mij zoo kalm, zoo rustig....

Zij glimlachte en haalde de schouders op.

--Wat wil u? Dat ik er over jammer?

--Maar u is een vrouw ... een vrouw om eerbied voor te hebben! riep hij

uit. Hoe is Van der Staal er onder?

--Hij is wel een beetje gedrukt. Hij heeft nooit finantieele

moeilijkheid gekend. En het verhindert hem met al zijn talent

te werken. Maar ik hoop hem tot eenigen steun te zijn in dezen

ongelukkigen tijd. U ziet dus, prins, dat ik niet kan komen te San

Stefano.

--Maar waarom heeft u ons niet geschreven? Waarom ons geen geld

gevraagd?

--Het is heel lief van u dat te zeggen, maar het idee is zelfs niet

bij ons opgekomen.

--Te fier?

--Te fier, ja.

--Maar wat een toestand? Wat kan ik voor u doen? Mag ik u een paar

honderd lire geven? Ik heb een paar honderd lire bij me. En ik zal

Urania zeggen, dat ik ze u gegeven heb.

--Neen prins, dank u. Ik ben u heel dankbaar, maar ik kan het niet

aannemen.

--Van _mij_ niet?

--Neen.

--Van Urania niet?

--Ook niet van haar.

--Waarom?

--Ik wil mijn geld verdienen en kan geen aalmoes ontvangen.

--Een mooi principe. Maar voor het oogenblik.

--Blijf ik het nog getrouw.

--Mag ik u wat zeggen.

--Wat dan?

--Ik bewonder u. Meer dan dat. Ik heb u lief. Zij maakte een beweging

met de hand en fronste de wenkbrauwen.

--Waarom mag ik dat niet zeggen. Een Italiaan houdt zijn liefde niet

in zich verborgen. Ik heb u lief. U is mooier en edeler en hooger dan

ik mij ooit een vrouw zoû kunnen voorstellen.... Wees niet boos: ik

vraag u niets. Ik ben een mauvais sujet maar op het oogenblik voel ik

waarachtig nog zoo iets in me, dat u op onze oude familieportretten

ziet. Een bij toeval overgebleven atoom van ridderlijkheid. Ik vraag u

niets. Ik zeg u alleen, ook uit Urania's naam nu: u kan altijd op ons

rekenen. Urania zal boos zijn, dat u haar niet geschreven heeft.

Zij gingen nu de post in en zij kocht een paar postzegels.

--Daar gaan mijn laatste soldi, zeide zij lachend en toonde haar

leêge beurs. Wij hadden ze noodig voor een paar brieven aan een

tentoonstellingscomité in Londen. Brengt u mij naar huis?

Zij zag eensklaps, dat hij tranen in zijn oogen had.

--Neemt u tweehonderd lire van mij aan! smeekte hij.

Zij dankte glimlachend van neen.

--Eet u thuis? vroeg hij.

Zij keek hem komisch aan.

--Ja, zeide zij.

Hij wilde niet verder vragen, bang haar te kwetsen.

--Wees lief, sprak hij; en dineer samen van avond met mij. Ik verveel

mij. Ik heb op het oogenblik geen kennis in Rome. Iedereen is weg. Niet

in het Grand-Hôtel, maar in een gezellige restauratie waar men mij

kent. Ik kom u halen, om zeven uur. Wees lief, en doe het! Om mij!

Zijn tranen kon hij niet weêrhouden.

--Gaarne, sprak zij zacht, met haar glimlach.

Zij stonden in de poort van het huis der Via del Babuino, waar het

atelier was. Hij hief haar hand aan zijn lippen, en kuste ze innig.

Toen groette hij met den hoed en vertrok haastig. Zij ging langzaam

de trappen op, hare aandoening bedwingend, voor zij het atelier

binnentrad.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 32 / 67 题