XXVII.

En het werd in hem eene groote werkkracht: er schemerde zoovele

gedachte voor hem op, dat hij telkens weêr een ander motief vond en

het symbolizeerde in een ander figuur. Hij schetste, levensgroot, een

wandelende vrouw, met die mengeling van kind, vrouw en godin, die zijn

figuren karakterizeerde--en ze liep langzaam dalende lijn af naar een

sombere diepte, zonder te zien en zonder te begrijpen; hare oogen

staarden magnetisch den afgrond toe: vage handen waren om haar als een

wolk en duwden zacht, en leidden; in de hoogte, op hooge rotsen, riepen

haar, in hel licht, andere figuren met harpen, maar zij ging naar de

diepte, door de handen geduwd; in den afgrond bloeiden vreemde purperen

orchideeën, als monden van liefde....

Toen Cornélie op een morgen kwam in zijn atelier had hij plotseling

deze idee geschetst. Het was haar een verrassing, want hij had er

niet over gesproken: de idee was plotseling opgekomen; de uitwerking,

spontaan en vlug, had hem geen uur gevergd. Hij verontschuldigde er

zich bijna bij haar over, toen hij hare verrassing zag. Zij vond het

wel mooi, maar huiverde ervan en hield meer van de "Banieren" de groote

aquarel, de optocht der ten levensstrijd tijgende vrouwen....

En om haar pleizier te doen zette hij de dalende vrouw ter zijde en

werkte alleen voort aan de strijdende vrouwen. Maar telkens kwam

een nieuwe gedachte hem storen in zijn werk en schetste hij in hare

afwezigheid een nieuw symbool, tot de schetsen zich opstapelden en

overal lagen verspreid. Zij borg ze in portefeuilles; zij nam ze

weg van ezel en plank; zij behoedde hem te veel af te dwalen van de

"Banieren", en dit was het alleen, dat bij voltooide.

Zoo scheen hun leven zacht voort te willen loopen, langs éene lieflijke

lijn, in éene goudene richting, terwijl als bloemen zijn symbolen ter

zijde ontloken, terwijl het azuur hunner liefde er het uitspansel

scheen boven, maar zij plukte den overvloed van bloemen weg, en alleen

de "Banieren" wuifde meê over hun pad, in het firmament hunner extaze,

zooals zij wuifden boven de strijdende vrouwen....

Zij hadden slechts eene afleiding; het huwelijk van den prins en

Urania: een diner, een bal en de ceremonie in San Carlo, te midden van

geheel de Romeinsche aristocratie, die de rijke Amerikaansche echter

met reserve ontving. Maar toen de prins en de prinses di Forte-Braccio

naar Nice vertrokken, was alle afleiding voorbij en gleden de dagen

weêr voort langs de zelfde lieflijke goudene lijn. En Cornélie behield

alleen éen onaangename herinnering: hare ontmoeting tijdens die

feestdagen met mevrouw Van der Staal, die haar genieerd had op die

feesten, haar den rug had toegedraaid en haar had doen begrijpen, dat

alle vriendschap uit was. Zij had er zich in geschikt; zij had begrepen

hoe moeilijk het was--zelfs al had mevrouw Van der Staal haar te woord

willen staan--aan een vrouw als deze, vastgegroeid in hare sociale

en wereldsche conventie, te verklaren haar eigen hoogmoedige ideeën

van vrijheid, onafhankelijkheid en geluk. En ook de meisjes had zij

genieerd, begrijpende, dat mevrouw Van der Staal dat wenschte. Zij

was om dit alles niet boos, en niet gekwetst; zij begreep het wel in

de moeder van Duco: zij was er alleen een beetje treurig om, want zij

hield van mevrouw Van der Staal: zij hield van de beide meisjes....

Maar zij begreep het geheel: het kon niet anders, mevrouw Van der Staal

wist, vermoedde alles. De moeder van Duco kon niet anders handelen,

al ontkenden de prins en Urania, uit vriendschap, allen band tusschen

Duco en haar, Cornélie--al nam de Romeinsche wereld hen tijdens

die huwelijksfeesten eenvoudig aan als vrienden, als kennissen, als

landgenooten--wat zij ook fluisterde en glimlachte achter een waaier.

Maar nu waren die feesten gedaan, nu waren ze voorbij dat kruispunt met

wereld en mensch: nu glooide hun gouden richting weêr zacht en effen

voor hen uit....

Toen was het, dat Cornélie, die niet dacht aan Den Haag, een brief

ontving uit Den Haag. De brief was van haar vader en telde ettelijke

bladzijden, hetgeen haar van hem verwonderde, want hij schreef nooit.

Hetgeen zij las verschrikte haar zeer maar ontmoedigde haar toch niet

dadelijk geheel en al, misschien omdat zij niet voorzag het gewicht

van haar vaders mededeeling. Hij smeekte haar om vergeving. Hij was al

lang in financieele moeilijkheden. Hij had veel verloren. Zij moesten

verhuizen, in een kleiner huis. De stemming in hun huis was bitter;

mama huilde den heelen dag, de zusters kibbelden; de familie gaf raad;

de kennissen waren onaangenaam. En hij smeekte haar om vergeving. Hij

had gespeculeerd en verloren. En hij had ook verloren haar eigen klein

kapitaaltje, dat hij beheerde, het legaat van haar peettante. Hij vroeg

haar hem niet te hard te beschuldigen. Het had anders kunnen loopen

en dan was zij driemaal zoo rijk geweest. Hij bekende het, hij had

verkeerd gehandeld--maar hij was toch haar vader en hij vroeg haar,

zijn kind, om vergeving en verzocht haar terug te komen.

Zij schrikte eerst hevig, maar hernam spoedig hare kalmte. Zij was

in een te gelukkige stemming van levensharmonie, dan dat het bericht

haar vermocht neêr te slaan. Zij ontving den brief in bed, bleef nog

wat liggen, dacht na, kleedde zich toen aan, at als gewoonlijk, en

ging toen naar Duco. Hij ontving haar met enthouziasme, en toonde

haar drie nieuwe schetsen.... Zij verweet hem zachtjes, dat hij zich

te veel liet afleiden van zijn hoofdidee, en dat deze afdwalingen hem

vermoeien zouden in zijn werkkracht, in zijn doorzettingsvermogen. Zij

drong hem toch vooral aan de "Banieren" te blijven werken. En zij zag

met aandacht naar de groote aquarel, naar de antieke, in-een stortende

Forumstad; de optocht der Vrouwen naar de Wereldstad van de Toekomst,

daar hoog in het dagen van licht.... En eenslaps kwam het tot haar, dat

ook haar verleden was ingestort, en dat de brokkelende bogen dreigend

hingen boven haar hoofd. Zij liet hem toen lezen den brief van haar

vader. Hij las tweemaal, zag haar aan verbijsterd, en vroeg wat zij

doen zoû. Zij zeide, dat zij er reeds over na had gedacht, maar dat

zij nog alleen maar wist het allerdadelijkste, dat zij doen zoû. Hare

kamers opzeggen, en bij hem komen, in zijn atelier. Zij had juist nog

genoeg om hare kamers te betalen. Maar dan was zij zonder geld. Totaal

zonder geld. Zij had nooit van haar man een toelage willen hebben.

Alleen wachtte zij het honorarium van haar artikel. Hij strekte haar

dadelijk de handen toe, trok haar tot zich en kuste haar, en zeide, dat

dit ook dadelijk zijn idee was geweest. Komen bij hem, samenleven met

hem. Hij had wel genoeg--een kleinigheid van vaderlijk erfdeel; hij

verdiende er bij: hij zoû genoeg hebben voor beiden. En zij lachten en

kusten elkaâr en zagen rond in het atelier. Duco sliep in een klein

aangrenzend hokje: iets van een lange muurkast. En zij zagen rond wat

zij konden doen. Cornélie wist het: hier, een gordijn drapeeren over

een koord, daarachter haar bed, haar waschtafel. Meer had zij niet

noodig. Alleen dat kleine hoekje; anders had Duco geen goed licht.

Zij waren heel vroolijk en vonden het een allergezelligst idee. Zij

gingen dadelijk uit, kochten een ijzeren bedje, een toilettafel, en

hingen zelve het gordijn op. Toen gingen ze beiden de koffers pakken

in de Via dei Serpenti--en dineerden in de osteria. Cornélie stelde

voor nu en dan eens thuis te te eten, dat was goedkooper.... Thuis

gekomen, was zij er over uit, dat hare installatie zoo weinig plaats

innam, nauwlijks een paar vierkante meter, met dat kleine bedje achter

dat gordijn. Zij waren dien avond heel vroolijk. De bohême van hun

toestand amuzeerde hen. Zij waren in Italië, in het land van zon, van

schoonheid en lazzaroni, van bedelaars, die droomen op de trappen van

een kathedraal, en zij voelden zich verwant aan die zonnige armoede.

Zij waren gelukkig, zij hadden niets noodig. Zij zouden leven van

niets. Van zoo weinig, ten minste. En zij zagen de toekomst glimlachend

en helder in. Zij waren nu dichter bij elkaâr, zij leefden nu dichter

aaneen gesloten. Zij hadden elkander lief en waren gelukkig, in een

land van schoonheid, in een ideaal van edel symbool en leven-omvattende

kunst.

Den volgenden morgen werkte hij ijverig, zonder een woord, verloren in

zijn droom, in zijn werk, en zij, stil ook, tevreden, gelukkig, zag

aandachtig hare blouses en rokken na, en bedacht, dat zij in geen jaar

nog iets noodig zoû hebben, en dat hare oude kleêren voldoende waren

voor hun leven van geluk en eenvoud.

En zij antwoordde haar vader heel kort, dat zij hem vergaf, meêleed met

hen allen, maar niet terugkwam in Den Haag. Zij zoû wel in haar eigen

onderhoud voorzien, met schrijven. Italië was goedkoop. Meer schreef

zij niet. Zij repte niet van Duco. Zij scheidde zich van hare familie

af, in den geest, en in het leven. Zij had geene sympathie bij hen

allen ontmoet tijdens haar treurig huwelijk, tijdens de lijdensdagen

van hare scheiding, en nu, op hare beurt, voelde zij geene warmte.

En haar geluk maakte haar eenzijdig en egoïst. Zij verlangde niets

dan Duco, niets dan hun samenleven van samenstemming. Hij werkte en

lachte haar nu en dan toe waar zij lag op den divan en nadacht. Zij zag

naar de ten strijde opgaande vrouwen; ook zij zoû niet op een divan

kunnen blijven liggen, ook zij zoû moeten strijden. Zij voorgevoelde,

dat zij zoû moeten strijden: voor hèm. Hij was nu in zijn kunstijver,

maar als die na een rezultaat, na een succes voor zich en de wereld,

verslapte--momenteel--zoû dit gewoon en logisch zijn en zoû _zij_

moeten strijden. Hij was het edele in hun beider leven, zijn kunst kon

niet hare broodwinning worden. Zijn fortuintje was bijna niets. Zij zoû

willen werken en geld verdienen voor hen beiden, opdat hij zoû kunnen

blijven in het reine principe van zijne kunst. Maar hoe, hoe strijden,

werken, hoe werken voor hun leven en voor hun brood? Wat kon zij?

Schrijven? Het gaf zoo weinig. Wat anders? Een lichte weemoed omving

haar, omdat zij weinig kon. Zij had kleine talentjes en handigheden:

zij schreef een goeden stijl, zij zong, speelde piano, zij kon een

blouse maken en zij wist wat van koken af. Zij zoû zelve nu en dan

wat koken en hare kleêren zelve naaien. Maar dat alles was zoo klein,

zoo weinig. Strijden, werken? Hoe? Enfin, doen zoû zij, wat zij kon.

En eensklaps nam zij een Baedeker, bladerde er in en zette zich voor

Duco's schrijftafel, waaraan ook zij schreef. En zij dacht even na en

begon een causerie. Een reisbrief voor een blad, over de omstreken van

Napels: dat was gemakkelijker dan dadelijk over Rome te beginnen. En in

het atelier, waar een lichte stookwarmte hing, omdat het op het Noorden

was en kil, werd het geluidenloos stil: alleen kraste nu en dan even

hare pen, of zocht hij tusschen zijn crayons en penseelen. Zij schreef

enkele bladzijden maar vond haar slot niet.... Toen stond zij op,

hij wendde zich om en lachte haar toe: zijn glimlach van vriendelijk

geluk....

En zij las hem voor wat zij geschreven had. Het was niet de stijl

van hare brochure. Het was geen invective: het was een lieftallige

reisbrief....

Hij vond het wel aardig, maar nu niet zoo héel bizonder.... Maar dat

behoefde ook niet, verdedigde zij zich. En hij omhelsde haar, voor haar

ijver en haar moed. Het regende dien dag en zij gingen niet uit voor

hun lunch; zij had eieren en tomaten en op een petroleumstel maakte zij

een ommelet. Zij dronken alleen water en aten er heel veel brood bij.

En terwijl de regen geeselde tegen het groote, gordijnlooze atelierraam

aan, genoten zij hun maal, gezeten als twee vogels, die schuilen bij

elkaâr, dicht bij elkaâr, om niet nat te worden.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 31 / 67 题