En het werd in hem eene groote werkkracht: er schemerde zoovele
gedachte voor hem op, dat hij telkens weêr een ander motief vond en
het symbolizeerde in een ander figuur. Hij schetste, levensgroot, een
wandelende vrouw, met die mengeling van kind, vrouw en godin, die zijn
figuren karakterizeerde--en ze liep langzaam dalende lijn af naar een
sombere diepte, zonder te zien en zonder te begrijpen; hare oogen
staarden magnetisch den afgrond toe: vage handen waren om haar als een
wolk en duwden zacht, en leidden; in de hoogte, op hooge rotsen, riepen
haar, in hel licht, andere figuren met harpen, maar zij ging naar de
diepte, door de handen geduwd; in den afgrond bloeiden vreemde purperen
orchideeën, als monden van liefde....
Toen Cornélie op een morgen kwam in zijn atelier had hij plotseling
deze idee geschetst. Het was haar een verrassing, want hij had er
niet over gesproken: de idee was plotseling opgekomen; de uitwerking,
spontaan en vlug, had hem geen uur gevergd. Hij verontschuldigde er
zich bijna bij haar over, toen hij hare verrassing zag. Zij vond het
wel mooi, maar huiverde ervan en hield meer van de "Banieren" de groote
aquarel, de optocht der ten levensstrijd tijgende vrouwen....
En om haar pleizier te doen zette hij de dalende vrouw ter zijde en
werkte alleen voort aan de strijdende vrouwen. Maar telkens kwam
een nieuwe gedachte hem storen in zijn werk en schetste hij in hare
afwezigheid een nieuw symbool, tot de schetsen zich opstapelden en
overal lagen verspreid. Zij borg ze in portefeuilles; zij nam ze
weg van ezel en plank; zij behoedde hem te veel af te dwalen van de
"Banieren", en dit was het alleen, dat bij voltooide.
Zoo scheen hun leven zacht voort te willen loopen, langs éene lieflijke
lijn, in éene goudene richting, terwijl als bloemen zijn symbolen ter
zijde ontloken, terwijl het azuur hunner liefde er het uitspansel
scheen boven, maar zij plukte den overvloed van bloemen weg, en alleen
de "Banieren" wuifde meê over hun pad, in het firmament hunner extaze,
zooals zij wuifden boven de strijdende vrouwen....
Zij hadden slechts eene afleiding; het huwelijk van den prins en
Urania: een diner, een bal en de ceremonie in San Carlo, te midden van
geheel de Romeinsche aristocratie, die de rijke Amerikaansche echter
met reserve ontving. Maar toen de prins en de prinses di Forte-Braccio
naar Nice vertrokken, was alle afleiding voorbij en gleden de dagen
weêr voort langs de zelfde lieflijke goudene lijn. En Cornélie behield
alleen éen onaangename herinnering: hare ontmoeting tijdens die
feestdagen met mevrouw Van der Staal, die haar genieerd had op die
feesten, haar den rug had toegedraaid en haar had doen begrijpen, dat
alle vriendschap uit was. Zij had er zich in geschikt; zij had begrepen
hoe moeilijk het was--zelfs al had mevrouw Van der Staal haar te woord
willen staan--aan een vrouw als deze, vastgegroeid in hare sociale
en wereldsche conventie, te verklaren haar eigen hoogmoedige ideeën
van vrijheid, onafhankelijkheid en geluk. En ook de meisjes had zij
genieerd, begrijpende, dat mevrouw Van der Staal dat wenschte. Zij
was om dit alles niet boos, en niet gekwetst; zij begreep het wel in
de moeder van Duco: zij was er alleen een beetje treurig om, want zij
hield van mevrouw Van der Staal: zij hield van de beide meisjes....
Maar zij begreep het geheel: het kon niet anders, mevrouw Van der Staal
wist, vermoedde alles. De moeder van Duco kon niet anders handelen,
al ontkenden de prins en Urania, uit vriendschap, allen band tusschen
Duco en haar, Cornélie--al nam de Romeinsche wereld hen tijdens
die huwelijksfeesten eenvoudig aan als vrienden, als kennissen, als
landgenooten--wat zij ook fluisterde en glimlachte achter een waaier.
Maar nu waren die feesten gedaan, nu waren ze voorbij dat kruispunt met
wereld en mensch: nu glooide hun gouden richting weêr zacht en effen
voor hen uit....
Toen was het, dat Cornélie, die niet dacht aan Den Haag, een brief
ontving uit Den Haag. De brief was van haar vader en telde ettelijke
bladzijden, hetgeen haar van hem verwonderde, want hij schreef nooit.
Hetgeen zij las verschrikte haar zeer maar ontmoedigde haar toch niet
dadelijk geheel en al, misschien omdat zij niet voorzag het gewicht
van haar vaders mededeeling. Hij smeekte haar om vergeving. Hij was al
lang in financieele moeilijkheden. Hij had veel verloren. Zij moesten
verhuizen, in een kleiner huis. De stemming in hun huis was bitter;
mama huilde den heelen dag, de zusters kibbelden; de familie gaf raad;
de kennissen waren onaangenaam. En hij smeekte haar om vergeving. Hij
had gespeculeerd en verloren. En hij had ook verloren haar eigen klein
kapitaaltje, dat hij beheerde, het legaat van haar peettante. Hij vroeg
haar hem niet te hard te beschuldigen. Het had anders kunnen loopen
en dan was zij driemaal zoo rijk geweest. Hij bekende het, hij had
verkeerd gehandeld--maar hij was toch haar vader en hij vroeg haar,
zijn kind, om vergeving en verzocht haar terug te komen.
Zij schrikte eerst hevig, maar hernam spoedig hare kalmte. Zij was
in een te gelukkige stemming van levensharmonie, dan dat het bericht
haar vermocht neêr te slaan. Zij ontving den brief in bed, bleef nog
wat liggen, dacht na, kleedde zich toen aan, at als gewoonlijk, en
ging toen naar Duco. Hij ontving haar met enthouziasme, en toonde
haar drie nieuwe schetsen.... Zij verweet hem zachtjes, dat hij zich
te veel liet afleiden van zijn hoofdidee, en dat deze afdwalingen hem
vermoeien zouden in zijn werkkracht, in zijn doorzettingsvermogen. Zij
drong hem toch vooral aan de "Banieren" te blijven werken. En zij zag
met aandacht naar de groote aquarel, naar de antieke, in-een stortende
Forumstad; de optocht der Vrouwen naar de Wereldstad van de Toekomst,
daar hoog in het dagen van licht.... En eenslaps kwam het tot haar, dat
ook haar verleden was ingestort, en dat de brokkelende bogen dreigend
hingen boven haar hoofd. Zij liet hem toen lezen den brief van haar
vader. Hij las tweemaal, zag haar aan verbijsterd, en vroeg wat zij
doen zoû. Zij zeide, dat zij er reeds over na had gedacht, maar dat
zij nog alleen maar wist het allerdadelijkste, dat zij doen zoû. Hare
kamers opzeggen, en bij hem komen, in zijn atelier. Zij had juist nog
genoeg om hare kamers te betalen. Maar dan was zij zonder geld. Totaal
zonder geld. Zij had nooit van haar man een toelage willen hebben.
Alleen wachtte zij het honorarium van haar artikel. Hij strekte haar
dadelijk de handen toe, trok haar tot zich en kuste haar, en zeide, dat
dit ook dadelijk zijn idee was geweest. Komen bij hem, samenleven met
hem. Hij had wel genoeg--een kleinigheid van vaderlijk erfdeel; hij
verdiende er bij: hij zoû genoeg hebben voor beiden. En zij lachten en
kusten elkaâr en zagen rond in het atelier. Duco sliep in een klein
aangrenzend hokje: iets van een lange muurkast. En zij zagen rond wat
zij konden doen. Cornélie wist het: hier, een gordijn drapeeren over
een koord, daarachter haar bed, haar waschtafel. Meer had zij niet
noodig. Alleen dat kleine hoekje; anders had Duco geen goed licht.
Zij waren heel vroolijk en vonden het een allergezelligst idee. Zij
gingen dadelijk uit, kochten een ijzeren bedje, een toilettafel, en
hingen zelve het gordijn op. Toen gingen ze beiden de koffers pakken
in de Via dei Serpenti--en dineerden in de osteria. Cornélie stelde
voor nu en dan eens thuis te te eten, dat was goedkooper.... Thuis
gekomen, was zij er over uit, dat hare installatie zoo weinig plaats
innam, nauwlijks een paar vierkante meter, met dat kleine bedje achter
dat gordijn. Zij waren dien avond heel vroolijk. De bohême van hun
toestand amuzeerde hen. Zij waren in Italië, in het land van zon, van
schoonheid en lazzaroni, van bedelaars, die droomen op de trappen van
een kathedraal, en zij voelden zich verwant aan die zonnige armoede.
Zij waren gelukkig, zij hadden niets noodig. Zij zouden leven van
niets. Van zoo weinig, ten minste. En zij zagen de toekomst glimlachend
en helder in. Zij waren nu dichter bij elkaâr, zij leefden nu dichter
aaneen gesloten. Zij hadden elkander lief en waren gelukkig, in een
land van schoonheid, in een ideaal van edel symbool en leven-omvattende
kunst.
Den volgenden morgen werkte hij ijverig, zonder een woord, verloren in
zijn droom, in zijn werk, en zij, stil ook, tevreden, gelukkig, zag
aandachtig hare blouses en rokken na, en bedacht, dat zij in geen jaar
nog iets noodig zoû hebben, en dat hare oude kleêren voldoende waren
voor hun leven van geluk en eenvoud.
En zij antwoordde haar vader heel kort, dat zij hem vergaf, meêleed met
hen allen, maar niet terugkwam in Den Haag. Zij zoû wel in haar eigen
onderhoud voorzien, met schrijven. Italië was goedkoop. Meer schreef
zij niet. Zij repte niet van Duco. Zij scheidde zich van hare familie
af, in den geest, en in het leven. Zij had geene sympathie bij hen
allen ontmoet tijdens haar treurig huwelijk, tijdens de lijdensdagen
van hare scheiding, en nu, op hare beurt, voelde zij geene warmte.
En haar geluk maakte haar eenzijdig en egoïst. Zij verlangde niets
dan Duco, niets dan hun samenleven van samenstemming. Hij werkte en
lachte haar nu en dan toe waar zij lag op den divan en nadacht. Zij zag
naar de ten strijde opgaande vrouwen; ook zij zoû niet op een divan
kunnen blijven liggen, ook zij zoû moeten strijden. Zij voorgevoelde,
dat zij zoû moeten strijden: voor hèm. Hij was nu in zijn kunstijver,
maar als die na een rezultaat, na een succes voor zich en de wereld,
verslapte--momenteel--zoû dit gewoon en logisch zijn en zoû _zij_
moeten strijden. Hij was het edele in hun beider leven, zijn kunst kon
niet hare broodwinning worden. Zijn fortuintje was bijna niets. Zij zoû
willen werken en geld verdienen voor hen beiden, opdat hij zoû kunnen
blijven in het reine principe van zijne kunst. Maar hoe, hoe strijden,
werken, hoe werken voor hun leven en voor hun brood? Wat kon zij?
Schrijven? Het gaf zoo weinig. Wat anders? Een lichte weemoed omving
haar, omdat zij weinig kon. Zij had kleine talentjes en handigheden:
zij schreef een goeden stijl, zij zong, speelde piano, zij kon een
blouse maken en zij wist wat van koken af. Zij zoû zelve nu en dan
wat koken en hare kleêren zelve naaien. Maar dat alles was zoo klein,
zoo weinig. Strijden, werken? Hoe? Enfin, doen zoû zij, wat zij kon.
En eensklaps nam zij een Baedeker, bladerde er in en zette zich voor
Duco's schrijftafel, waaraan ook zij schreef. En zij dacht even na en
begon een causerie. Een reisbrief voor een blad, over de omstreken van
Napels: dat was gemakkelijker dan dadelijk over Rome te beginnen. En in
het atelier, waar een lichte stookwarmte hing, omdat het op het Noorden
was en kil, werd het geluidenloos stil: alleen kraste nu en dan even
hare pen, of zocht hij tusschen zijn crayons en penseelen. Zij schreef
enkele bladzijden maar vond haar slot niet.... Toen stond zij op,
hij wendde zich om en lachte haar toe: zijn glimlach van vriendelijk
geluk....
En zij las hem voor wat zij geschreven had. Het was niet de stijl
van hare brochure. Het was geen invective: het was een lieftallige
reisbrief....
Hij vond het wel aardig, maar nu niet zoo héel bizonder.... Maar dat
behoefde ook niet, verdedigde zij zich. En hij omhelsde haar, voor haar
ijver en haar moed. Het regende dien dag en zij gingen niet uit voor
hun lunch; zij had eieren en tomaten en op een petroleumstel maakte zij
een ommelet. Zij dronken alleen water en aten er heel veel brood bij.
En terwijl de regen geeselde tegen het groote, gordijnlooze atelierraam
aan, genoten zij hun maal, gezeten als twee vogels, die schuilen bij
elkaâr, dicht bij elkaâr, om niet nat te worden.