XXVI.

De maanden droomden voorbij. En hun geluk deed zulk een zomer in hen

ontbloeien, dat zij rijpte in mooiheid, hij in talent; de hoogmoed

in hen sloeg als een fierheid naar buiten: bij haar bloei, bij hem

werkkracht; haar loome bevalligheid herschiep zich in een fiere

rankheid; in volheid zwollen hare vormen; glans lichtte op in haar

oogen, blijdschap om haar mond--van nerveuze aandoening trilden

zijn handen, als hij zijn penseelen nam, en de luchten van Italië

welfden uitspansels voor zijn oog als firmamenten van liefde en innige

kleur. Hij schiep en voltooide een serie van aquarelllen wazigheden

van droomatmosfeer, die aan het edelste van Turner deden denken:

natuurmomenten van louter waas: al het melkblauwe en parelnevelige van

de golf van Napels, als een beker vol licht, waar een turkooïs uitsmelt

tot water--en hij zond ze naar Holland, naar Londen, en had eensklaps

gevonden zijn roeping, zijn werk en zijn roem: moed, kracht, doel en

overwinning.

Ook zij had een zeker succes met haar artikel: het werd besproken,

bestreden; haar naam werd genoemd. Maar een zekere onverschilligheid

was in haar, als zij haar naam las, gemoeid in de Vrouwenbeweging.

Eerder leefde zij meê zijn leven van observatie en emotie, en gaf

zij dikwijls in al het waas zijner vizie, in het te wazige van zijn

tintdroom, een glinstering van licht, een horizon van einde, een streep

van werkelijkheid, die realiteit gaf aan den nevel van zijn ideaal.

Zij leerde met hem onderscheiden en voelen, natuur, kunst, geheel

Rome, en toen een vaag van symboliek zich van hem meester maakte, ging

zij geheel met hem mede. Hij ontwierp de groote schets eener theorie

van vrouwen, opgaande langs een heuvel opslingerende levenslijn: zij

schenen zich te bewegen uit eene in-een stortende stad der oudheid,

wier met een enkele architraaf verbondene zuilen optrilden in violet

waas van avondgeduister; zij schenen zich los te maken uit de schaduw

der ruïne, die aan de kim al verzwijmde in den nacht van het niets--en

zij drongen op, elkaâr roepende met kreten, elkaâr wenkende met een

groot uitgestrek van handen, boven zich een waaiend gewuif van wimpels

en deviezen; met gespierde armen vatten zij aan hamer en houweel, en

haar gedrang bewoog zich voort naar boven, de lijn langs, waar witter

en witter het licht werd, tot in het waas van de lucht zich raden liet

het verre verschiet van een nieuwe stad, wier ijzeren gebouwen als

centraal-stations en eiffeltorens in den blanken lichtschemer van de

verte heel ijl opglinsterden met een weêrschijn van glasbogen en daken

van glas, en hoog in de lucht de muziekbalken der draden van geluid en

geleiding....

En zóo werkten hunne beider invloeden op hunne beider zielen in, dat

_zij_ leerde zien en hij leerde denken; zij schoonheid, kunst, natuur,

waas en emotie zàg en niet meer bedacht maar voelde; dat _hij_ als op

zijn schets--heel vage, moderne glas-en-ijzerstad,--een moderne stad

zag rijzen uit zijn droomwaas van Rome's verleden, en, naar zijn eigen

natuur en aanleg, dacht over een moderne kwestie. Zij leerde vooral

voelen en zien als een vrouw, die lief heeft, met de oogen en het hart

van den man, dien zij minde: hij dacht de kwestie uit in plastiek. Maar

wat onvolkomenheid ook was in het absolute hunner nieuwe gevoel- en

gedachtesferen, de wisselwerking, door hun liefde, gaf hun een geluk

zoo groot, zoo één, dat zij het op dat oogenblik niet konden overzien

en bevroeden, dat het bijna was een extaze, een flauwe oneigenlijkheid,

waarin zij droomden--terwijl het was zuivere waarheid en voelbare

werkelijkheid. Zooals zij dachten, voelden en leefden, was een ideaal

van realiteit: ideaal binnengetreden en bereikt, langs de geleidelijke

lijn van hun leven, langs den goudenen draad van hun liefde, en zij

bevroedden en overzagen het nauwlijks, omdat het gewone leven hen toch

aankleefde. Maar alleen onvermijdelijk weinig. Zij woonden apart,

maar 's morgens zocht zij hem op en vond hem voor zijn schets, en

zij zette zich naast hem, leunde haar hoofd op zijn schouder, en zij

dachten het samen uit. Hij schetste zijne figuren der vrouwentheorie

elk apart, en hij zocht naar de trekken en de modelleering der vormen:

enkele hadden het Mongoolsche van den annonciatie-engel van Memmi;

andere het ranke van Cornélie en hare latere vollere gezondheid;--hij

zocht naar de plooien: in peplosvouwen vochten zich de vrouwen los

uit den violetten schemer der ruïne-stad en verder op wisselden hare

gewaden als eene maskerade der eeuwen: het edelvrouwe-sleepkleed,

de sluiers der sultanen, het wollen kleed der werksters, de kap der

liefdezusters--zich modernizeerende het gewaad naarmate de draagster

modernere eeuw belichaamde.... En in die groepeering was de teekening

van zoo ijle dunheid en soberheid, was de overgang van plooienval

tot praktisch-strak zoo voorzichtig en zoo geleidelijk, dat Cornélie

overgang nauwlijks bespeurde, dat zij éen stijl meende te zien, éene

mode van dracht, terwijl iedere silhouet zich toch kleedde met anderen

snit in andere stof, vallende met andere lijnen.... In de teekening

was een oud-meesterlijke zuiverheid, eene puurheid van ommelijn, maar

modern--nerveus en morbide--en toch zonder conventioneel ideaal

van symbolische lichaamsvormen; in de groepeering was rafaëlitische

harmonie; in de aquareltint der eerste studiën het waas van Italië: de

ruïne-stad schemerde als hij het Forum zag schemeren; de stad van ijzer

en glas glinsterde-op met haar bouw van kristalpaleis, uit een witte

lichtapotheoze, als hij van Sorrente af om Napels gezien had. Zij

voelde, dat hij een groot werk deed en had nooit nog zoo levensbelang

gesteld in iets, als zij nu deed in zijn idee en zijn schetsen. Stil en

zwijgend zat zij achter hem en volgde zijne teekening van de wimpelende

vanen en slingerende deviezen, en zij ademde niet als zij zag, dat hij

met enkele veegjes van wit en tikken van licht--of hij licht had onder

zijn kleuren--de glazen stad aan de kim deed opdroomen. Dan vroeg hij

haar iets over eene figuur, en sloeg om haar middel zijn arm, trok haar

naar zich toe, en zij bleven lang turen en uitdenken lijn en idee,

tot de avond viel, de avondkilte in de werkplaats omhuiverde en zij

langzaam opstonden. Dan gingen zij uit en op het Corso kwamen zij terug

tot het werkelijke leven: zwijgend, bij Aragno gezeten, zagen zij naar

de drukte; en in hun kleine restauratie, de oogen drinkende elkanders

blikken in, aten zij hun eenvoudig maal, zoo zichtbaar harmonisch

gelukkig, dat de Italianen, de twee, die daar ook steeds zaten aan de

verdere tafel, op dat zelfde uur, glimlachten, als zij hen groetten....

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 30 / 67 题