De maanden droomden voorbij. En hun geluk deed zulk een zomer in hen
ontbloeien, dat zij rijpte in mooiheid, hij in talent; de hoogmoed
in hen sloeg als een fierheid naar buiten: bij haar bloei, bij hem
werkkracht; haar loome bevalligheid herschiep zich in een fiere
rankheid; in volheid zwollen hare vormen; glans lichtte op in haar
oogen, blijdschap om haar mond--van nerveuze aandoening trilden
zijn handen, als hij zijn penseelen nam, en de luchten van Italië
welfden uitspansels voor zijn oog als firmamenten van liefde en innige
kleur. Hij schiep en voltooide een serie van aquarelllen wazigheden
van droomatmosfeer, die aan het edelste van Turner deden denken:
natuurmomenten van louter waas: al het melkblauwe en parelnevelige van
de golf van Napels, als een beker vol licht, waar een turkooïs uitsmelt
tot water--en hij zond ze naar Holland, naar Londen, en had eensklaps
gevonden zijn roeping, zijn werk en zijn roem: moed, kracht, doel en
overwinning.
Ook zij had een zeker succes met haar artikel: het werd besproken,
bestreden; haar naam werd genoemd. Maar een zekere onverschilligheid
was in haar, als zij haar naam las, gemoeid in de Vrouwenbeweging.
Eerder leefde zij meê zijn leven van observatie en emotie, en gaf
zij dikwijls in al het waas zijner vizie, in het te wazige van zijn
tintdroom, een glinstering van licht, een horizon van einde, een streep
van werkelijkheid, die realiteit gaf aan den nevel van zijn ideaal.
Zij leerde met hem onderscheiden en voelen, natuur, kunst, geheel
Rome, en toen een vaag van symboliek zich van hem meester maakte, ging
zij geheel met hem mede. Hij ontwierp de groote schets eener theorie
van vrouwen, opgaande langs een heuvel opslingerende levenslijn: zij
schenen zich te bewegen uit eene in-een stortende stad der oudheid,
wier met een enkele architraaf verbondene zuilen optrilden in violet
waas van avondgeduister; zij schenen zich los te maken uit de schaduw
der ruïne, die aan de kim al verzwijmde in den nacht van het niets--en
zij drongen op, elkaâr roepende met kreten, elkaâr wenkende met een
groot uitgestrek van handen, boven zich een waaiend gewuif van wimpels
en deviezen; met gespierde armen vatten zij aan hamer en houweel, en
haar gedrang bewoog zich voort naar boven, de lijn langs, waar witter
en witter het licht werd, tot in het waas van de lucht zich raden liet
het verre verschiet van een nieuwe stad, wier ijzeren gebouwen als
centraal-stations en eiffeltorens in den blanken lichtschemer van de
verte heel ijl opglinsterden met een weêrschijn van glasbogen en daken
van glas, en hoog in de lucht de muziekbalken der draden van geluid en
geleiding....
En zóo werkten hunne beider invloeden op hunne beider zielen in, dat
_zij_ leerde zien en hij leerde denken; zij schoonheid, kunst, natuur,
waas en emotie zàg en niet meer bedacht maar voelde; dat _hij_ als op
zijn schets--heel vage, moderne glas-en-ijzerstad,--een moderne stad
zag rijzen uit zijn droomwaas van Rome's verleden, en, naar zijn eigen
natuur en aanleg, dacht over een moderne kwestie. Zij leerde vooral
voelen en zien als een vrouw, die lief heeft, met de oogen en het hart
van den man, dien zij minde: hij dacht de kwestie uit in plastiek. Maar
wat onvolkomenheid ook was in het absolute hunner nieuwe gevoel- en
gedachtesferen, de wisselwerking, door hun liefde, gaf hun een geluk
zoo groot, zoo één, dat zij het op dat oogenblik niet konden overzien
en bevroeden, dat het bijna was een extaze, een flauwe oneigenlijkheid,
waarin zij droomden--terwijl het was zuivere waarheid en voelbare
werkelijkheid. Zooals zij dachten, voelden en leefden, was een ideaal
van realiteit: ideaal binnengetreden en bereikt, langs de geleidelijke
lijn van hun leven, langs den goudenen draad van hun liefde, en zij
bevroedden en overzagen het nauwlijks, omdat het gewone leven hen toch
aankleefde. Maar alleen onvermijdelijk weinig. Zij woonden apart,
maar 's morgens zocht zij hem op en vond hem voor zijn schets, en
zij zette zich naast hem, leunde haar hoofd op zijn schouder, en zij
dachten het samen uit. Hij schetste zijne figuren der vrouwentheorie
elk apart, en hij zocht naar de trekken en de modelleering der vormen:
enkele hadden het Mongoolsche van den annonciatie-engel van Memmi;
andere het ranke van Cornélie en hare latere vollere gezondheid;--hij
zocht naar de plooien: in peplosvouwen vochten zich de vrouwen los
uit den violetten schemer der ruïne-stad en verder op wisselden hare
gewaden als eene maskerade der eeuwen: het edelvrouwe-sleepkleed,
de sluiers der sultanen, het wollen kleed der werksters, de kap der
liefdezusters--zich modernizeerende het gewaad naarmate de draagster
modernere eeuw belichaamde.... En in die groepeering was de teekening
van zoo ijle dunheid en soberheid, was de overgang van plooienval
tot praktisch-strak zoo voorzichtig en zoo geleidelijk, dat Cornélie
overgang nauwlijks bespeurde, dat zij éen stijl meende te zien, éene
mode van dracht, terwijl iedere silhouet zich toch kleedde met anderen
snit in andere stof, vallende met andere lijnen.... In de teekening
was een oud-meesterlijke zuiverheid, eene puurheid van ommelijn, maar
modern--nerveus en morbide--en toch zonder conventioneel ideaal
van symbolische lichaamsvormen; in de groepeering was rafaëlitische
harmonie; in de aquareltint der eerste studiën het waas van Italië: de
ruïne-stad schemerde als hij het Forum zag schemeren; de stad van ijzer
en glas glinsterde-op met haar bouw van kristalpaleis, uit een witte
lichtapotheoze, als hij van Sorrente af om Napels gezien had. Zij
voelde, dat hij een groot werk deed en had nooit nog zoo levensbelang
gesteld in iets, als zij nu deed in zijn idee en zijn schetsen. Stil en
zwijgend zat zij achter hem en volgde zijne teekening van de wimpelende
vanen en slingerende deviezen, en zij ademde niet als zij zag, dat hij
met enkele veegjes van wit en tikken van licht--of hij licht had onder
zijn kleuren--de glazen stad aan de kim deed opdroomen. Dan vroeg hij
haar iets over eene figuur, en sloeg om haar middel zijn arm, trok haar
naar zich toe, en zij bleven lang turen en uitdenken lijn en idee,
tot de avond viel, de avondkilte in de werkplaats omhuiverde en zij
langzaam opstonden. Dan gingen zij uit en op het Corso kwamen zij terug
tot het werkelijke leven: zwijgend, bij Aragno gezeten, zagen zij naar
de drukte; en in hun kleine restauratie, de oogen drinkende elkanders
blikken in, aten zij hun eenvoudig maal, zoo zichtbaar harmonisch
gelukkig, dat de Italianen, de twee, die daar ook steeds zaten aan de
verdere tafel, op dat zelfde uur, glimlachten, als zij hen groetten....