Zij veranderden hun leven niet. Duco echter, na een scène met zijn
moeder, sliep niet meer bij Belloni, maar in een kamertje, grenzende
aan zijn atelier, eerst vol koffers en rommel. Die scène speet
Cornélie, zij had steeds sympathie gevoeld voor mevrouw Van der Staal
en de meisjes. Maar een hoogmoed gierde in haar op, en Cornélie
minachtte mevrouw Van der Staal, omdat deze noch haar noch Duco
begrijpen kon. Toch had zij de verkoeling gaarne voorkomen. Op haar
aanraden zocht Duco nog eens zijne moeder op, maar zij bleef koel en
wees hem af. Daarop gingen Cornélie en Duco naar Napels. Zij deden
het niet als een vlucht, zij deden het eenvoudig weg; Cornélie zeide
aan Urania en aan den prins, dat zij naar Napels ging voor korten
tijd en dat Van der Staal haar wellicht zoû volgen. Zij kende Napels
niet en zoû het zeer apprecieeren als Van der Staal er haar leidde,
in de stad en de omstreken. Cornélie hield in Rome hare kamers aan.
En zij doorleefden een veertien dagen in een gedachteloos, groot en
louter geluk. Hunne liefde groeide bloeiend en breed op in de gouden
zuidlucht van Napels, aan de blauwe golven van Amalfi, Sorrente, Capri
en Castellamare, eenvoudig, onwederstaanbaar en rustig. Geleidelijk
gleden zij langs den purperen draad van hun leven, hand in hand liepen
zij af hun tot éen pad gesmolten lijnen, gedachteloos aan de wetten
en ideeën der menschen, en hun houding was zoo hoog, hun doen zoo
rustig en zeker van hun geluk, dat hun toestand geen onbeschaamdheid
werd, hoewel zij in zichzelven de wereld minachtten. Maar hun geluk
verzachtte al dien hoogmoed hunner opzwevende zielen, als strooide hun
geluk met bloesems rond. Zij leefden als in een droom, eerst tusschen
de marmers van het muzeum, later op de bebloemde klippen van Amalfi,
aan het strand van Capri, of op het terras van het hôtel te Sorrente:
de zee ruischende aan hunne voeten; in een parelen waas, ginds, vaag
wit, als uitgedoezeld krijt, Castellamare en Napels en de schim van
den Vezuvius, met zijn wazige pluim van rook.
Zij hielden zich van allen apart, van alle menschen, van alle
touristen: zij aten aan een klein tafeltje en men dacht algemeen, dat
zij pas waren getrouwd. Zocht men hun naam in het vreemdelingenboek,
dan las men hunne twee namen en fluisterde men commentaren. Maar zij
hoorden het niet, zij zagen het niet, zij leefden hun droom, ziende in
elkaârs oogen of naar de opalen lucht, de parelen zee, en de witwazige
bergverschieten, met, als krijten vlakjes, de steden er in neêrgeplekt.
Toen zij bijna geen geld meer hadden, glimlachten zij en keerden naar
Rome terug en leefden er als vroeger; zij, op hare kamers, hij, nu in
zijn atelier, en namen zij samen hun malen. Maar zij vervolgden hun
droom tusschen de ruïnes van de Via Appia, om en bij Frascati: verder
dan de Ponte Molle, op de helling van de Monte Mario en in de tuinen
der villa's, tusschen de statuen en schilderijen, hun geluk mengende
met de atmosfeer van Rome; hij zijne nieuwe liefde doorwevende met zijn
liefde voor Rome; zij Rome liefkrijgende om hem. En door die bekoring
was als een aureool om hen heen, waardoor zij het gewone leven niet
zagen en de gewone menschen niet ontmoetten.
Eindelijk, op een middag, trof Urania hen beiden thuis, op de kamer
van Cornélie, het vuur aan, zij glimlachend starende in het vuur, hij
zittende aan hare voeten, en zij met den arm om zijn hals. En zij
dachten klaarblijkelijk zoo weinig aan iets anders dan aan hun eigen
liefde, dat zij beiden haar geklop niet hoorden, dat zij beiden haar
eensklaps zagen vóor zich staan, als een ongedachte werkelijkheid. Hun
droom was dien dag uit. Urania lachte, Cornélie lachte en Duco schoof
een fauteuil naderbij. En Urania blij, mooi, schitterend, vertelde, dat
zij verloofd was. Waar hadden zij toch met elkander gezeten? vroeg zij
nieuwsgierig. Zij was nu verloofd. Zij was al op San Stefano geweest,
zij had den ouden prins gezien. En alles was mooi, goed, en lief: het
oude kasteel _a dear old house_, de oude man _a dear old man_. Zij
zag alles door de schittering van haar aanstaanden prinsesse-titel.
Prinses, hertogin! De dag van het huwelijk was vastgesteld, voor
Paschen, dus over een groote drie maanden. In San Carlo zoû het worden
ingezegend, met al den luister van een groot huwelijk. Haar vader
kwam er voor over met haar jongsten broêr. Zij zag klaarblijkelijk op
tegen hun komst. En zij was niet uitgepraat; zij vertelde duizend
détails over haar trousseau, waaraan de marchesa haar hielp. Zij
zouden in Nice wonen, op een groot appartement. Zij dweepte met Nice:
het was een goed idee van Gilio. En ter loops, het zich herinnerende,
vertelde zij, dat zij Katholiek was geworden. Dat was een last! Maar de
monsignore's zorgden voor alles, zij liet zich door hen leiden. En de
Paus zoû haar ontvangen in particuliere audientie, samen met Gilio....
De moeilijkheid was haar audientie-toilet, zwart, natuurlijk, maar,
fluweel, satijn? Wat raadde Cornélie? Zij had zoo een goeden smaak. En
de zwarte kanten voile met brillanten opgestoken.... Morgen zoû zij
naar Nice gaan met de marchesa en Gilio, om hun appartement te zien....
Toen zij wegging, verzoekende Cornélie aan te komen om haar uitzet te
bewonderen, sprak Cornélie met een glimlach:
--Ze is gelukkig.... Voor ieder is geluk toch anders.... Een trousseau
en een titel zouden mij niet gelukkig maken.
--Dat zijn de kleine menschen, sprak hij; die ons leven nu en dan
kruisen. Ik ga ze liefst uit den weg....
En zij zeiden het niet, maar zij dachten het beiden--hunne vingers
in elkaâr, hare oogen starende in zijn oogen,--dat ook _zij_ gelukkig
waren, maar hooger en beter en edeler; en de hoogmoed gierde in hen op:
zij zagen als in vizioen de lijn van hun leven slingeren steilen heuvel
op, maar het geluk sneeuwde er bloesems op neêr en in de sneeuwende
bloesems hoog houdende hun trotsche hoofden, met glimlach en oogen
van liefde, liepen zij voort in hun droom, onttogen aan mensch en aan
werkelijkheid.