Duco was stil aan tafel en zenuwachtig. Hij speelde met zijn brood en
zijn vingers trilden. Zij voelde, dat hij iets op het hart had.
--Wat is er? vroeg zij lief.
--Cornélie, sprak hij ontroerd. Ik moet je spreken.
--Waarover?
--Je doet niet goed.
--In welk opzicht?
--Met den prins. Je hebt hem doorzien, en toch ... toch blijf je hem
dulden, toch ontmoet je hem telkens.... Laat mij uitspreken, sprak
hij--en zag om zich rond: er waren slechts twee Italianen in de
restauratie, gezeten aan de verste tafel, en hij kon spreken zonder
beluisterd te worden: ik wil uitspreken, herhaalde hij, toen zij hem
in de rede wilde vallen. Je bent natuurlijk vrij te doen wat je wilt.
Maar ik ben je vriend en ik wil je raden. Het is niet goed wat je doet.
De prins is een ploert. Onedel, laag.... Hoe kan je cadeaux van hem
aannemen en invitaties? Waarom heb je mij gedwongen gisteren meê te
gaan? Dat heele diner was mij een marteling. Je weet hoeveel ik van
je hoû--waarom zoû ik het je niet bekennen. Je weet hoe hoog ik je
stel. Ik kan niet aanzien, dat je je zoo vernedert met hem. Laat mij
spreken. Vernedert, zeg ik. Hij is niet waard je schoen vast te binden.
En je speelt met hem, je schertst met hem, je coquetteert.... Laat mij
spreken: je coquetteert met hem. Wat kan hij je schelen, die kwast. Wat
is hij in je leven. Laat hem trouwen met miss Hope, wat kunnen beiden
je schelen. Wat kunnen jou, Cornélie, die inferieure menschen schelen.
Ik minacht ze en jij ook. Ik weet dat. Waarom kruis je dan hun leven?
Laat hen leven in hun ijdelheid van titels en geld, wat is het jou? Ik
begrijp je niet. O, ik weet het: je bent niet te begrijpen, alles wat
vrouw is, is in jou. En ik heb lief alles wat ik van je zie: ik heb
je lief in alles.... Het komt er niet op aan of ik je begrijp. Maar
ik voel toch, dat _dit_ niet goed is. Ik vraag je, zie den prins niet
meer. Bemoei je niet meer met hem. Nieer hem.... Dat diner, gisteren,
het was me een marteling....
--Arme jongen, sprak zij zacht en schonk hem uit hun fiasco in. Maar
waarom?
--Waarom? Waarom? Je vernedert je.
--Ik ben niet zoo hoog.... Neen, nu wil _ik_ spreken. Ik ben niet hoog.
Omdat ik enkele moderne ideeën heb, en enkele andere, die liberaler
zijn dan die van het gros van andere vrouwen? Verder ben ik gewoon
vrouw. Als een man vroolijk en geestig is, amuzeert me dat. Neen Duco,
nu spreek ik. Ik vind den prins geen ploert, ik vind hem misschien wel
een kwast, maar ik vind hem vroolijk en geestig. Je weet, dat _ik_ ook
veel van je hoû, maar vroolijk en geestig ben je niet. Nu niet boos
zijn. Je bent veel meer. Ik vergelijk il nostro Gilio zelfs niet met
je.... Ik wil niet meer over je zeggen, anders wordt je pedant. Maar
vroolijk en geestig, dat ben je niet. En mijn arme natuur heeft daar
soms behoefte aan. Wat heb ik in mijn leven? Niets dan jou, alléen jou.
Ik ben heel blij je vriendschap te bezitten, ik ben gelukkig je te
hebben ontmoet. Maar waarom mag ik niet eens vroolijk zijn. Heusch, er
is een beetje luchthartigheid in me, lichtzinnigheid zelfs.... Moet ik
daar tegen strijden? Is het slecht? Zeg, Duco, ben ik slecht?
Hij glimlachte weemoedig, een vochtige glans was over zijne oogen en
hij antwoordde niet.
--Ik kan wel strijden, als het moet, hernam zij. Maar is dit nu om
tegen te strijden! Het is wat schuim van een oogenblik. Meer niet. Ik
ben het dadelijk vergeten. Ik ben den prins dadelijk vergeten. En jou
vergeet ik niet.
Hij zag haar glanzend aan.
--Begrijp je dat? Voel je, dat ik met jou niet flirt en coquetteer?
Geef me een hand, wees niet boos meer....
Zij stak hem hare hand toe over de tafel en hij drukte hare vingers.
--Cornélie, hernam hij zacht. Ja, ik voel, dat je waar bent. Cornélie,
word mijn vrouw.
Zij zag ernstig voor zich en liet het hoofd een weinig hangen en
staarde voor zich uit. Zij aten niet meer. De twee Italianen stonden
op, groetten en gingen heen. Zij waren alleen. De kellner had wat fruit
voor hen neêrgezet en trok zich terug.
Beiden zwegen ze een oogenblik. Toen sprak zij met een heel zachte stem
en haar wezen had zoo iets teeders van weemoed, dat hij in snikken had
kunnen uitbarsten en haar zoo aanbidden.
--Ik wist natuurlijk, dat je me dat een dezer dagen zoû vragen. Het lag
in de natuur der dingen. Een groote vriendschap als de onze geleidde
natuurlijk weg tot die vraag. Maar het kan niet, beste Duco.... Het
kan niet, mijn beste jongen.... Ik heb mijn ideeën ... maar dat is het
niet. Ik ben tegen het huwelijk.... Maar dat is het niet. In sommige
gevallen is een vrouw al hare ideeën ontrouw in éen enkele seconde....
Wat het dan wel is...?
Zij staarde met groote oogen, streek over het voorhoofd, als zag zij
het niet duidelijk in.... Toch ging zij voort:
--Het is ... dat ik bang ben voor het huwelijk. Ik heb het gekend, ik
weet wat het is.... Ik zie mijn man nu duidelijk voor me. Ik zie die
gewoonte, die sleur voor me, waarin alle nuance uitwischt. Dat is het
huwelijk: gewoonte, sleur. En nu zeg ik het je ronduit: ik vind het
huwelijk vies. Ik vind die gewoonte vies. Ik vind passie mooi, maar het
huwelijk is geen passie. Passie kan edel zijn, en bovenmenschelijk,
maar het huwelijk is een menschelijke instelling van klein menschelijke
moraal en berekening.... En ik ben bang voor zulke moreele en wijze
banden geworden. Ik heb mijzelf beloofd--en ik geloof die belofte
te houden--dat ik nooit meer trouwen zal. Mijn geheele natuur is
er ongeschikt toe geworden. Ik ben niet meer het Haagsche meisje
van soirées en diners, dat uitzag naar een man, te zamen met haar
ouders.... Mijn liefde voor hém was passie! En in mijn huwelijk woû
hij die passie breidelen tot een sleur en een gewoonte. Toen ben ik
opgestaan.... Laat me er liever niet over praten. Passie duurt te kort
om een huwelijksleven te vullen.... Achting daarna, etcetera? Daarvoor
behoeft men niet te trouwen. Ik kan achten, ook ongetrouwd. Natuurlijk,
er is de kwestie der kinderen, er _zijn_ velerlei moeilijkheden.... Ik
kan dat nu niet uitdenken. Ik voel alleen nu, heel ernstig en kalm, dat
_ik_ ongeschikt ben om te trouwen, en nooit meer trouwen wil. Ik zoû je
niet gelukkig maken.... Wees niet treurig, Duco. Ik hoû van je, ik heb
je lief. En misschien ... heb ik je ontmoet op het juiste oogenblik.
Had ik je vroeger ontmoet in mijn Haagsche leven ... je zoû zeker te
hoog voor me hebben gestaan. Ik zoû je niet lief hebben gekregen. Nu
kan ik je begrijpen, je achten en tegen je opzien. Ik zeg je dit
eenvoudig weg, dat ik je liefheb en tegen je opzie, tegen je opzie,
trots al je zachtheid, zooals ik nooit tegen mijn man heb opgezien, hoe
hij ook zijn mannelijke rechten deed gelden. En je moet dat gelooven,
heel vast en heel zeker, en je moet gelooven, dat ik waar ben. Coquet
... ben ik alleen met Gilio....
Hij zag haar aan, door zijn stille tranen. Hij stond op, riep den
kellner, betaalde vaagweg, en het zwom en glansde voor zijne oogen.
Zij gingen de deur uit en zij riep een rijtuig aan en gaf het adres op
van de villa Doria-Pamphili. Zij herinnerde zich, dat de tuinen open
waren. Zij reden er zwijgend heen, overstelpt door hunne gedachten aan
de toekomst, die voor hen opentrilde. Soms haalde hij diep adem en
sidderde hij over zijn lichaam. Eenmaal drukte zij innig zijn hand.
Aan de poort van de villa stapten zij uit, wandelden samen op langs
de majestueuze lanen. In de diepte lag Rome, zagen zij eensklaps
Sint-Pieter. Maar zij spraken niet, zij zette zich eensklaps neêr op
een antieke bank en begon zachtjes te weenen, zwak. Hij nam haar in
zijn arm en troostte haar. Zij droogde hare tranen, glimlachte en
omhelsde hem en kuste hem terug.... Het begon te schemeren en zij
gingen terug. Hij gaf het adres op van zijn atelier. Zij volgde hem
daar. En zij gaf zich aan hem, in geheel hare oprechtheid van waarheid,
en met een liefde zoo hevig en groot, dat zij dacht te bezwijmen in
zijn armen.