XXIV.

Duco was stil aan tafel en zenuwachtig. Hij speelde met zijn brood en

zijn vingers trilden. Zij voelde, dat hij iets op het hart had.

--Wat is er? vroeg zij lief.

--Cornélie, sprak hij ontroerd. Ik moet je spreken.

--Waarover?

--Je doet niet goed.

--In welk opzicht?

--Met den prins. Je hebt hem doorzien, en toch ... toch blijf je hem

dulden, toch ontmoet je hem telkens.... Laat mij uitspreken, sprak

hij--en zag om zich rond: er waren slechts twee Italianen in de

restauratie, gezeten aan de verste tafel, en hij kon spreken zonder

beluisterd te worden: ik wil uitspreken, herhaalde hij, toen zij hem

in de rede wilde vallen. Je bent natuurlijk vrij te doen wat je wilt.

Maar ik ben je vriend en ik wil je raden. Het is niet goed wat je doet.

De prins is een ploert. Onedel, laag.... Hoe kan je cadeaux van hem

aannemen en invitaties? Waarom heb je mij gedwongen gisteren meê te

gaan? Dat heele diner was mij een marteling. Je weet hoeveel ik van

je hoû--waarom zoû ik het je niet bekennen. Je weet hoe hoog ik je

stel. Ik kan niet aanzien, dat je je zoo vernedert met hem. Laat mij

spreken. Vernedert, zeg ik. Hij is niet waard je schoen vast te binden.

En je speelt met hem, je schertst met hem, je coquetteert.... Laat mij

spreken: je coquetteert met hem. Wat kan hij je schelen, die kwast. Wat

is hij in je leven. Laat hem trouwen met miss Hope, wat kunnen beiden

je schelen. Wat kunnen jou, Cornélie, die inferieure menschen schelen.

Ik minacht ze en jij ook. Ik weet dat. Waarom kruis je dan hun leven?

Laat hen leven in hun ijdelheid van titels en geld, wat is het jou? Ik

begrijp je niet. O, ik weet het: je bent niet te begrijpen, alles wat

vrouw is, is in jou. En ik heb lief alles wat ik van je zie: ik heb

je lief in alles.... Het komt er niet op aan of ik je begrijp. Maar

ik voel toch, dat _dit_ niet goed is. Ik vraag je, zie den prins niet

meer. Bemoei je niet meer met hem. Nieer hem.... Dat diner, gisteren,

het was me een marteling....

--Arme jongen, sprak zij zacht en schonk hem uit hun fiasco in. Maar

waarom?

--Waarom? Waarom? Je vernedert je.

--Ik ben niet zoo hoog.... Neen, nu wil _ik_ spreken. Ik ben niet hoog.

Omdat ik enkele moderne ideeën heb, en enkele andere, die liberaler

zijn dan die van het gros van andere vrouwen? Verder ben ik gewoon

vrouw. Als een man vroolijk en geestig is, amuzeert me dat. Neen Duco,

nu spreek ik. Ik vind den prins geen ploert, ik vind hem misschien wel

een kwast, maar ik vind hem vroolijk en geestig. Je weet, dat _ik_ ook

veel van je hoû, maar vroolijk en geestig ben je niet. Nu niet boos

zijn. Je bent veel meer. Ik vergelijk il nostro Gilio zelfs niet met

je.... Ik wil niet meer over je zeggen, anders wordt je pedant. Maar

vroolijk en geestig, dat ben je niet. En mijn arme natuur heeft daar

soms behoefte aan. Wat heb ik in mijn leven? Niets dan jou, alléen jou.

Ik ben heel blij je vriendschap te bezitten, ik ben gelukkig je te

hebben ontmoet. Maar waarom mag ik niet eens vroolijk zijn. Heusch, er

is een beetje luchthartigheid in me, lichtzinnigheid zelfs.... Moet ik

daar tegen strijden? Is het slecht? Zeg, Duco, ben ik slecht?

Hij glimlachte weemoedig, een vochtige glans was over zijne oogen en

hij antwoordde niet.

--Ik kan wel strijden, als het moet, hernam zij. Maar is dit nu om

tegen te strijden! Het is wat schuim van een oogenblik. Meer niet. Ik

ben het dadelijk vergeten. Ik ben den prins dadelijk vergeten. En jou

vergeet ik niet.

Hij zag haar glanzend aan.

--Begrijp je dat? Voel je, dat ik met jou niet flirt en coquetteer?

Geef me een hand, wees niet boos meer....

Zij stak hem hare hand toe over de tafel en hij drukte hare vingers.

--Cornélie, hernam hij zacht. Ja, ik voel, dat je waar bent. Cornélie,

word mijn vrouw.

Zij zag ernstig voor zich en liet het hoofd een weinig hangen en

staarde voor zich uit. Zij aten niet meer. De twee Italianen stonden

op, groetten en gingen heen. Zij waren alleen. De kellner had wat fruit

voor hen neêrgezet en trok zich terug.

Beiden zwegen ze een oogenblik. Toen sprak zij met een heel zachte stem

en haar wezen had zoo iets teeders van weemoed, dat hij in snikken had

kunnen uitbarsten en haar zoo aanbidden.

--Ik wist natuurlijk, dat je me dat een dezer dagen zoû vragen. Het lag

in de natuur der dingen. Een groote vriendschap als de onze geleidde

natuurlijk weg tot die vraag. Maar het kan niet, beste Duco.... Het

kan niet, mijn beste jongen.... Ik heb mijn ideeën ... maar dat is het

niet. Ik ben tegen het huwelijk.... Maar dat is het niet. In sommige

gevallen is een vrouw al hare ideeën ontrouw in éen enkele seconde....

Wat het dan wel is...?

Zij staarde met groote oogen, streek over het voorhoofd, als zag zij

het niet duidelijk in.... Toch ging zij voort:

--Het is ... dat ik bang ben voor het huwelijk. Ik heb het gekend, ik

weet wat het is.... Ik zie mijn man nu duidelijk voor me. Ik zie die

gewoonte, die sleur voor me, waarin alle nuance uitwischt. Dat is het

huwelijk: gewoonte, sleur. En nu zeg ik het je ronduit: ik vind het

huwelijk vies. Ik vind die gewoonte vies. Ik vind passie mooi, maar het

huwelijk is geen passie. Passie kan edel zijn, en bovenmenschelijk,

maar het huwelijk is een menschelijke instelling van klein menschelijke

moraal en berekening.... En ik ben bang voor zulke moreele en wijze

banden geworden. Ik heb mijzelf beloofd--en ik geloof die belofte

te houden--dat ik nooit meer trouwen zal. Mijn geheele natuur is

er ongeschikt toe geworden. Ik ben niet meer het Haagsche meisje

van soirées en diners, dat uitzag naar een man, te zamen met haar

ouders.... Mijn liefde voor hém was passie! En in mijn huwelijk woû

hij die passie breidelen tot een sleur en een gewoonte. Toen ben ik

opgestaan.... Laat me er liever niet over praten. Passie duurt te kort

om een huwelijksleven te vullen.... Achting daarna, etcetera? Daarvoor

behoeft men niet te trouwen. Ik kan achten, ook ongetrouwd. Natuurlijk,

er is de kwestie der kinderen, er _zijn_ velerlei moeilijkheden.... Ik

kan dat nu niet uitdenken. Ik voel alleen nu, heel ernstig en kalm, dat

_ik_ ongeschikt ben om te trouwen, en nooit meer trouwen wil. Ik zoû je

niet gelukkig maken.... Wees niet treurig, Duco. Ik hoû van je, ik heb

je lief. En misschien ... heb ik je ontmoet op het juiste oogenblik.

Had ik je vroeger ontmoet in mijn Haagsche leven ... je zoû zeker te

hoog voor me hebben gestaan. Ik zoû je niet lief hebben gekregen. Nu

kan ik je begrijpen, je achten en tegen je opzien. Ik zeg je dit

eenvoudig weg, dat ik je liefheb en tegen je opzie, tegen je opzie,

trots al je zachtheid, zooals ik nooit tegen mijn man heb opgezien, hoe

hij ook zijn mannelijke rechten deed gelden. En je moet dat gelooven,

heel vast en heel zeker, en je moet gelooven, dat ik waar ben. Coquet

... ben ik alleen met Gilio....

Hij zag haar aan, door zijn stille tranen. Hij stond op, riep den

kellner, betaalde vaagweg, en het zwom en glansde voor zijne oogen.

Zij gingen de deur uit en zij riep een rijtuig aan en gaf het adres op

van de villa Doria-Pamphili. Zij herinnerde zich, dat de tuinen open

waren. Zij reden er zwijgend heen, overstelpt door hunne gedachten aan

de toekomst, die voor hen opentrilde. Soms haalde hij diep adem en

sidderde hij over zijn lichaam. Eenmaal drukte zij innig zijn hand.

Aan de poort van de villa stapten zij uit, wandelden samen op langs

de majestueuze lanen. In de diepte lag Rome, zagen zij eensklaps

Sint-Pieter. Maar zij spraken niet, zij zette zich eensklaps neêr op

een antieke bank en begon zachtjes te weenen, zwak. Hij nam haar in

zijn arm en troostte haar. Zij droogde hare tranen, glimlachte en

omhelsde hem en kuste hem terug.... Het begon te schemeren en zij

gingen terug. Hij gaf het adres op van zijn atelier. Zij volgde hem

daar. En zij gaf zich aan hem, in geheel hare oprechtheid van waarheid,

en met een liefde zoo hevig en groot, dat zij dacht te bezwijmen in

zijn armen.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 28 / 67 题