Enkele dagen later wachtte Cornélie het bezoek van den prins, die haar
belet had gevraagd. Zij zat aan hare schrijftafel en corrigeerde de
proeven van haar artikel. Een lamp op de schrijftafel bescheen haar
zacht door een geel zijden kap; en zij was in een peignoir van witte
zijden krip, viooltjes op hare borst. Een andere lamp, staande, gaf
een tweede schijnsel van uit een kamerhoek; en het vertrek schemerde
gezellig, vertrouwelijk op in dien derden schijn van het houtvuur,--met
aquarellen van Duco, schetsen en fotografieën, witte anemonen in vazen,
viooltjes overal, en een enkele, groote palm. Over hare schrijftafel
slingerden de boeken en gedrukte vellen, getuigende van haar werk.
Er werd geklopt en zij riep binnen, en toen de prins binnenkwam,
zat zij nog even, legde haar pen neêr, en rees op. Zij kwam hem
glimlachend nader en strekte de hand uit, die hij kuste. Hij was van
een groote correctheid in zijn gekleede jas, hoogen hoed, lichtgrijze
handschoenen; een parel in zijn das. Zij zetten zich bij het vuur en
hij maakte haar enkele complimenten na elkaâr, over haar interieur,
over haar toilet en over haar oogen. Zij schertste terug en hij vroeg,
of hij haar stoorde.
--U schreef misschien een interessanten brief aan iemand, die u na aan
het hart ligt?
--Neen. Ik zag drukproeven na.
--Drukproeven?
--Ja....
--Schrijft u?
--Voor het eerst.
--Een novelle?
--Neen, een artikel.
--Een artikel? Waarover??
Zij zeide den langen titel. Hij keek met open mond op. Zij lachte
vroolijk.
--Dat had u nooit gedacht, niet waar?
--Santa Maria! prevelde hij in verbazing, in zijne wereld niet gewend
aan "moderne" vrouwen, die zich bewogen in een Vrouwenbeweging.... In
het Hollandsch?
--In het Hollandsch.
--Schrijf een volgenden keer in het Fransch: dan kan ik u lezen....
Zij beloofde het lachende en schonk hem een kop thee, prezenteerde hem
bonbons. Hij knabbelde er ettelijke.
--Is u zoo ernstig? Altijd geweest? Verleden was u toch niet ernstig?
--Soms ben ik heel ernstig.
--Ik ook....
--Dat begrijp ik. Toen, als ik niet was gekomen, was u misschien heel
ernstig geworden.
Hij lachte, met fatuïteit en zag haar welwetend aan.
--U is een bizondere vrouw! zeide hij. Heel interessant en heel knap.
Wat u wil, dat gebeurt.
--Soms....
--Soms, wat ik wil, ook.... Soms ben ik ook heel knap. _Als_ ik wil.
Maar meestal wil ik niet.
--Verleden wilde u wel....
Hij lachte.
--Ja! Toen is u knapper geweest dan ik. Morgen ik misschien knapper dan
u.
--Wie weet!
Zij lachten beiden. Hij knabbelde de bonbons, den een na den ander, uit
het schaaltje, en hij dronk liever een glas port. Zij schonk hem in.
--Mag ik u wat geven? vroeg hij ernstig.
--Wat?
--Een souvenir aan onze eerste kennismaking.
--Het is charmant van u. Wat zal het zijn?
Hij haalde uit zijn binnenzak iets in vloei en overhandigde het. Zij
opende het pakje en zag een stuk antieke Venetiaansche kant, gewerkt in
den vorm van een volant, voor een laag lijf.
--Neem het aan, smeekte hij. Het is iets heel moois. Ik geef het u met
zooveel genot.
Zij zag hem aan met al hare coquetterie in haar oogen, als wilde zij
hem doorzien.
--Zoo moet u het dragen....
Hij stond op, nam de kant, drapeerde ze op haar witten peignoir van den
eenen schouder naar den anderen. Zijne vingers frommelden de plooien,
zijne lippen beroerden even hare haren. Zij bedankte hem voor zijn
geschenk. Hij ging zitten.
--Ik ben blij, dat u het aanneemt.
--Heeft u Miss Hope ook wat gegeven?
Hij lachte, zijn overwinnaarslachje.
--Staaltjes zijn genoeg voor haar, van de japonnen van de koningin. Aan
u zoû ik geen staaltjes durven geven. Aan u geef ik antieke kant.
--Maar u had voor dat staaltje bijna uw carrière gebroken?
--Ach! lachte hij.
--Welke carrière?
--Ach neen! weerde hij af. Zeg mij, wat raadt u mij?
--Hoe meent u?
--Zoû ik haar trouwen?
--Ik ben tegen alle huwelijk, tusschen ontwikkelde menschen....
Zij wilde eenige harer frazen zeggen, maar dacht: waarom? Hij zoû ze
toch niet begrijpen. Hij zag haar diep aan, met zijn karbonkeloogen.
--Dus voor vrije liefde?
--Soms. Niet altijd. Tusschen ontwikkelde menschen....
Hij was nu zeker van een liaison tusschen haar en Van der Staal, had
hij misschien nog getwijfeld.
--En.... vindt u mij ontwikkeld?
Zij lachte, coquet, met even iets van minachting.
--Hoor eens, wil u ernstig spreken?
--Heel graag.
--Ik vind noch u, noch Miss Hope geschikt voor vrije liefde.
--Dus ben ik niet ontwikkeld?
--Ik meen niet, in beschaving. Ik meen in moderne ontwikkeling.
--Dus ben ik niet modern?
--Neen, sprak zij, een beetje geërgerd.
--Leer mij modern zijn.
Zij lachte nerveus.
--Ach, laat ons niet zoo spreken. Wat ik u raad? Urania _niet_ te
trouwen.
--Waarom niet?
--Omdat uw leven samen een ellende zoû zijn. Zij is een lief,
Amerikaansch parvenuetje....
--Ik bied haar wat ik heb; zij mij wat zij heeft....
Hij knabbelde de bonbons. Zij haalde de schouders op.
--Doe het dan, sprak ze onverschillig.
--Zeg mij, dat u het niet hebben wilt, en ik doe het niet.
--En uw papa? En de marchesa?
--Wat weet u daarvan?
--O, alles.... en niets!
--U is een demon! riep hij uit. Een engel en een demon. Zeg mij, wat
weet u van mijn vader en van de marchesa?
--Voor hoeveel verkoopt u u aan Urania? Voor niet minder dan tien
millioen?
Hij zag haar in stupefactie aan.
--Maar de marchesa vindt vijf genoeg. Het is ook mooi: vijf
millioen.... Dollars of lire?
Hij sloeg de handen in elkaâr.
--U is een duivel!! riep hij uit. U is een engel en een duivel! Hoe
weet u? Hoe weèt u? Weet u alles??
Zij wierp zich achterover en lachte.
--Alles....
--Maar hoé?
Zij zag hem aan, schudde het hoofd, coquetteerde.
--Zeg mij....
--Neen. Dat is mijn geheim....
--En u vindt, dat ik mij niet verkoopen mag?
--Ik durf niet raden in uw belang.
--En wat Urania betreft?
--Raad ik haar af.
--Hèeft u haar al afgeraden?
--Zoo nu en dan....
--U is dus mijn vijand? riep hij boos.
--Neen, zeide zij zacht, hem willende terugwinnen. Een vriendin....
--Een vriendin? Tot hoever?
--Tot zoo ver _ik_ gaan wil.
--Niet tot zoo ver _ik_ wil...?
--O, neen nooit!
--Maar misschien willen wij even ver?
Hij was opgestaan, zijn bloed in vuur. Zij bleef kalm zitten, bijna
kwijnend, haar hoofd achterover. Zij antwoordde niet. Hij viel op de
knieën en vatte haar hand en kuste die, voor zij kon afweren.
--O, engel, engel! O, demon! mompelde hij in zijn kussen.
Zij trok haar hand nu terug, duwde hem zachtjes van zich en sprak:
--Wat is een Italiaan toch vlug met zoenen!
Zij lachte hem uit. Hij stond op.
--Leer mij hoe Hollandsche vrouwen zijn, al zijn ze langzamer dan wij.
Zij wees hem zijn stoel, met een imperieus gebaar.
--Ga zitten. Ik ben geen specifiek Hollandsche vrouw. Anders zoû ik
niet in Rome komen. Ik piqueer me cosmopolitisch te zijn. Maar we
spraken niet over mij, we spreken over Urania. Denkt u ernstig haar te
trouwen?
--Wat kan ik doen, als _u_ me tegenwerkt? Werk liever met mij meê, als
een lieve vriendin....
Zij weifelde. Deze menschen, noch Urania, noch hij, waren rijp voor
hare ideeën. Zij minachtte hen beiden. Goed, zij mochten dan trouwen;
hij om rijk te zijn; zij om prinses-hertogin te worden.
--Hoor eens! sprak ze, zich buigend naar hem toe. U trouwt haar om haar
millioenen. Maar uw huwelijk is dadelijk ongelukkig. Zij is een wuft
kindje; zij verlangt brille ... en u behoort tot de Zwarten.
--Wij kunnen in Nice wonen: dan kan zij doen wat zij wil. Nu en dan
komen wij in Rome, en nu en dan op San Stefano. En ongelukkig....--hij
trok een tragisch gezicht--: wat kan het mij schelen. Gelukkig ben ik
toch niet. Ik zal Urania pogen gelukkig te maken. Maar mijn hart ...
zal elders zijn....
--Waar?
--Met de richting der vrouwenbeweging meê.
Zij lachte.
--Nu wil ik dan lief zijn?
--Ja....
--En u beloven te helpen?
Wat kon het haar schelen?
--O, engel, demon! riep hij uit.
Hij knabbelde een bonbon.
--En wat denkt de heer Van der Staal ervan? vroeg hij ondeugend.
Zij trok de wenkbrauwen op.
--Hij denkt er niet over. Hij denkt alleen aan zijn kunst.
--En aan u.
Zij zag hem aan, en boog het hoofd, toestemmend als een koningin.
--En aan mij.
--U dineert dikwijls met hem.
--Ja.
--Dineer ook eens met mij.
--O, heel gaarne.
--Morgen avond? Waar?
--Waar u wil.
--In het Grand-Hôtel?
--Vraag er dan Urania bij.
--Waarom wij niet alleen?
--Ik denk, dat het beter is uw aanstaande vrouw er bij te vragen. Ik
zal haar chaperonneeren.
--U heeft gelijk. U heeft groot gelijk. En vraagt u dan den heer Van
der Staal mij ook het genoegen te doen....
--Ik zal het doen.
--Dan tot morgen, half negen?
--Tot morgen, half negen.
Hij stond op, om afscheid te nemen.
--Het is welvoegelijk, dat ik ga, sprak hij. Eigenlijk bleef ik
liever....
--Nu blijf dan ... of blijf een anderen keer, als u nu weg moet.
--U zoo koel.
--En u denkt lang niet genoeg aan Urania.
--Ik denk aan de vrouwenbeweging.
Hij ging zitten.
--Eigenlijk moet u weg, sprak zij en lachte met haar oogen. Ik moet mij
kleeden ... om te gaan dineeren met meneer Van der Staal.
Hij kuste hare hand.
--U is een engel en een demon. U weet alles. U kan alles. U is de
interessantste vrouw, die ik ooit heb ontmoet.
--Omdat ik drukproeven corrigeer.
--Omdat u is, die u is....
En heel ernstig, nog vasthoudende hare hand, zeide hij, bijna dreigend:
--Ik zal u nooit kunnen vergeten....
En hij vertrok. Toen zij alleen was opende zij hare vensters. Zij was
zich nu wel bewust wat coquet te zijn, maar het was zoo in hare natuur:
zij deed het zoo van zelve, tegen sommige mannen. Volstrekt niet tegen
iedereen. Nooit tegen Duco. Nooit tegen mannen, tegen wie zij opzag.
Dat prinsje minachtte zij, met zijn vlammende oogen en zijn gezoen....
Maar hij was voldoende om haar te amuzeeren.
En zij verkleedde zich en ging uit, en lang over het afgesproken uur
kwam zij in de restauratie, vond Duco op haar wachten aan het tafeltje,
het hoofd in de handen, en vertelde hem dadelijk, dat de prins haar had
opgehouden.